Part 4
Geheel op dezelfde manier gaat deze gedaanteverwisseling niet, maar de verschillen merkt ge, als ge beide kevers kweekt, zonder aanwijzing van anderen, licht zelf op. Let vooral eens op den zonderlingen stand van de pop in de holte; de vijf haken aan den kop zijn steunsels.
Vreemd, niet waar, dat met die verandering niet alleen de oude vorm verdwijnt, maar ook de geheele aard, de geheele levenswijze van het dier verandert.
Hebt ge succes gehad met uw kweekerij, zijn de larfjes goed uitgekomen in de flesschen of kommen, waarin de ouders waren, dan is het zaak alle bewoners van die flesschen een ander plaatsje te geven, of er blijven ten slotte niet anders over, dan òf de larven van Dyticus òf die van Hydrophilus. Dyticus is de latijnsche naam voor de gerande watertorren, het woord beteekent „duikelaar”.
Beter nog is het, alle jonge larven weer in dezelfde sloot te werpen, waaruit de kevers geschept zijn.
Hebt ge daartoe geen lust of gelegenheid, breng er dan een paar waterwantsen en eenige scorpioenen in (zie de teekening blz. 19 en 43) of anders een stuk of twee, drie stekelbaarsjes; ge weet wel, die kleine, 4 à 5 cM. lange vischjes, met 3 of 11 stekels op den rug. Ze zijn in elke sloot bij massa’s te vinden. De elfstekelige noemen de jongens hier moddermannetjes. Die lieve diertjes met hun snoekenbek zorgen wel, dat de larven niet te sterk vermenigvuldigen; dat doen ze in de sloot ook.
Wemelt het in den tijd, dat de eieren van Dyticus uitkomen, in alle slooten en plassen van jonge larven,—een veertien dagen later, maakt ge ze niet meer met elke schep buit. Zorgen de volwassen gerande torren, dat de stekeltjes niet oppermachtig worden in het water,—diezelfde stekelbaarsjes houden duchtig huis onder de keverlarven. Toch blijven in de meeste slooten deze vischjes ten slotte de baas. Ze zijn ook zoo strijdlustig en zoo vraatzuchtig tevens, dat ze heele slooten ontvolken, tot ze dan zelf bij gebrek aan voedsel te gronde gaan, want zij kunnen het water in geval van hongersnood niet verlaten, zooals de meeste andere slootdieren.
De sierlijke, vlugge, meestal driftige bewegingen van het stekeltje maken, dat het voor een poosje een vroolijk, levendig aanzicht aan het aquarium geeft.
Zijn manier van aanval en verdediging, zijn gezellige aard—ze zwemmen, als het aquarium niet te klein is, graag in scholen—alles aan het diertje trekt en boeit de aandacht; maar uw aquarium zou al te gauw leeg zijn.
Eén paartje moet ge in elk geval houden, al is het maar alleen om de levenswijze na te gaan, en u zelf daardoor te verklaren, hoe dat beestje zoo licht de overhand krijgt in de sloten, ook in groote plassen en vischvijvers, ja soms in de rivieren; zoo zelfs, dat de visschers of karperkweekers vaak verplicht zijn, er opzettelijk jacht op te maken. Want ze maken de teelt van alle andere visschen onmogelijk, doordien ze vischeieren en de jonge vischjes verslinden.
De stekels op den rug vallen hier in het oog; de driestekelige soort, die het veelvuldigst voorkomt, zet de rugvin, waarvan de scherpe naalden de stralen zijn, meestal alleen bij den aanval op,—de tien of elfstekelige is veel wilder en strijdlustiger; die heeft zijn wapen bijna voortdurend in gereedheid.
Behalve die geduchte stekels, heeft hij er nog een paar, die niet dadelijk in het oog vallen; deze liggen op de plaats, waar zich bij de meeste andere visschen de buikvinnen bevinden, en zijn naar achteren plat tegen het lichaam aangedrukt. Alleen in doodsgevaar zet hij ze op, en de andere visschen schijnen de vervaarlijke priemen niet gering te schatten, die hun in den bek blijven steken, als ze op visschenmanier hun kleinere stamgenooten in willen slokken. De snoek zelfs blijft met zijn bek wel van het kleine stekeltje af, en de eend raakt ze ook maar zelden aan. Aan een dood stekeltje staan die zij-pennen bijna altijd opgezet, en aan zoo eentje kunt ge ook nog voelen, dat het een goed gewapende bek heeft; nog beter kunt ge de aanwezigheid van de fijne tandjes bemerken, door het gehoor, wanneer ge namelijk met een speld of een griffelpunt over de kaakranden strijkt.
Zoo gewapend, zoo gevreesd en tegelijk van zoo’n goede eetlust voorzien, moet het vischje in de vijvers wel lastig en voor het voortbestaan der overige waterbewoners gevaarlijk worden. Maar in de natuur wordt het evenwicht niet zoo licht verbroken; er is voor gezorgd, dat de boomen niet tot in de wolken doorgroeien.
Heel vaak ziet ge stekeltjes, die lang niet zoo levenslustig zijn als hun kameraadjes; ze zijn anders heel dik en schijnen ook gezond, maar het is slechts in schijn; over een paar dagen ligt het vischje herhaaldelijk op zij aan de oppervlakte, en eindelijk sterft het; dan komen kleine, platte witte draden uit zijn lichaam te voorschijn, die over de oppervlakte heenkronkelen; het zijn een soort lintwormen, die het vischje de dood hebben aangedaan.
Maar nauwelijks hebben de eenden in de sloot of de vijvers die dingetjes bemerkt, of ze schieten er op af, en de wormpjes zijn naar binnen en dood; dood, jawel, maar nog niet geheel en al; de wormpjes hadden ontelbare eieren bij zich, die levend het lichaam van de eend weer verlaten, niet als eieren, maar als uiterst kleine, alleen met een vergrootglas zichtbare diertjes; ze draaien en kronkelen met behulp van fijne trilhaartjes door het water, en bij het ademhalen door de stekeltjes, geraken ze weer tusschen hun kieuwen en zoo in het lichaam, waar ze zich opnieuw tot wormen ontwikkelen.
Zoo komen er vele stekeltjes in den vijver om het leven, maar hun dood is toch niet geheel nutteloos voor de andere stekeltjes, al is het erg voor hen die dat lot treft; op die wijze wordt een al te sterke vermeerdering tegengegaan, die ten slotte immers den hongerdood van allen moest ten gevolge hebben.
Zorg nu vooral, wanneer ge uit een groot aantal stekeltjes een paartje uitzoekt, om in het aquarium te houden, dat ge gezonde neemt; bemerkt ge, dat een enkele erg op zijde zwemt, neem hem dan uit de flesch, vóór dat hij sterft; wel schijnt het waar te zijn, dat de eieren van de stekelwormpjes eerst een eendenmaag moeten passeeren, om weer voor andere stekeltjes gevaarlijk te kunnen zijn; maar zeker is dat nog niet, en er zijn nog andere vischparasieten, waardoor uw ziek stekeltje aangetast kan zijn; die konden ook de overige wel eens besmetten.
Een parasiet die in Amsterdam veel op stekelbaarsjes gevonden wordt, heb ik hier zeer vergroot geteekend. De jongens noemen het dier stekel-botje; werkelijk een goede naam. De parasiet is zoo plat en rond als een bot, maar de grootte is niet meer dan een halve centimeter. Ook is’t stekel-botje natuurlijk geen visch; ’t is een kreeftachtig dier, familie van de daphnia’s, cyclops, garnalen, waterspringers en zoo veel andere zoetwater schaaldieren.
Ik zei, dat ge een paartje moest nemen, een mannetje en een wijfje, of, zooals het bij de visschen heet, een hommer en kuiter; het mannetje kunt ge in Mei, Juni of Juli gemakkelijk onderscheiden aan de kleur; zijn keel en borst prijken dan met goudroode, paarse en purperen kleuren; ook is hij veel onstuimiger dan de wijfjes; hij valt op alles aan, en jaagt onophoudelijk de wijfjes uit elkaar, die vaak in een hoekje van de waterkom bij elkaar schuilen en haast niet voor den dag durven komen.
Neem zoo’n wakker kereltje apart, geef hem één, hoogstens twee groote wijfjes tot gezelschap. Zorg nu vooral voor kleine waterplanten, kroos, hoorn- of duizendblad, of nog beter voor een kleine hoeveelheid waterdraden; zoo heeten heel eigenaardig, die frischgroene draadvormige planten, die ge in elken sloot kunt vinden en die bij elke schep in het net raken. De boeren noemen ze ook wel vlag of flap; zij zijn het, die in het najaar die gele vellen op het water vormen.
Stoor nu uw beestjes niet, kijk steeds op een afstand naar hun doen en laten; hebt ge maar een beetje geduld en geluk tevens, dan bemerkt ge op een goeden dag in Juni midden of in een hoek van het aquarium een kluwen van door elkaar gevlochten waterdraden, zoo groot als een walnoot. Bij nader bekijken, bespeurt ge, dat het een liggend tonnetje zonder bodem of deksel is, waarbij het mannetje de wacht houdt.
Blijft hij voortdurend in de buurt van het nestje—ge begrijpt wel, dat het groene kokertje zoo iets is—dan hebt ge veel kans een aantrekkelijk natuurtafereeltje te zien afspelen; ik herinner me, dat ik het als kleine schooljongen eens gezien heb in een aquarium, dat in mijn geboorteplaats voor de winkelkast van een horlogemaker stond; op een school, waar ik later kwam, hadden we ook jaren achtereen stekelnestjes. Het nestje dat de tien-stekelige soort maakt, ligt zelden op den grond.
Het mannetje jaagt onophoudelijk het wijfje na, drijft het in een hoek, bijt het er weer uit, tot het hem gelukt, het wijfje dwars door het open nestje te drijven; maar de opening is wat nauw, het wijfje kan er amper door heen, het blijft met haar stekels in de draden zitten en.... legt haar eieren in het nestje neer.
Maar nu moet het er weer uit, het krijgt een paar happen in den staart, weg is het; ook niet in de buurt blijven, neen, een heel eind uit de voeten: eierendiefje als het is, zou het haar eigen eieren niet sparen, maar het waakzame mannetje is op zijn hoede,—hij kent zijn volkje.
Een paar malen schuift hij zelf door het tonnetje heen; daarbij laat hij wat homvocht (ge kent de hom van de haring wel) uit zijn lichaam op de kuit vallen; de eieren worden daardoor bevrucht, zooals men zegt; zonder dat homvocht zouden er geen jonge vischjes uitkomen; net zoo min als er weer jonge planten uit zaden kunnen komen, indien er geen stuifmeel op den stamper van de bloem is geraakt; in den stamper waren die zaden, net als witte eitjes, aanwezig.
Als het mannetje zich uit het nestje gewerkt heeft, maakt hij de beide openingen wat nauwer en blijft in den omtrek kruisen; ieder die in de buurt komt, wordt met opgezette stekels verdreven.
Na een week, soms eerder, dat hangt van de temperatuur van het water af, komen de jonge vischjes uit; al zien ze er eerst wat vreemd uit door den dikken kop en een soort van zak, die aan de keel hangt, het zijn toch al vischjes; met een gedaanteverwisseling hebben we hier niet te doen, dat is duidelijk.
Als de vischjes ongeveer een centimeter groot zijn, maakt de zorgvolle vader de openingen van het nest wat wijder, en de jongelui mogen eens even buiten komen; het lijkt wel een nevelwolkje in het lichtgroene water. Nog een paar dagen—en papa gaat met zijn familie uit zwemmen. Wee het wijfje of het kevertje of de salamander, die te dicht bij de school kleintjes komt; het mannetje hapt als een dolle in ’t rond, zijn stekels worden ieder oogenblik in een dreigenden stand gebracht.
Al zijn er waterplanten in de sloot of in ’t aquarium, dan bouwt het driestekelig stekeltje zijn nestje toch op den bodem. Als de eiertjes er in zijn, spoelt hij er zaadkorreltjes over heen, zoodat er niet veel van te zien is. Alleen een kleine opening in den bodem, waar wat wortelvezels of grashalmpjes uitsteken, duidt de plaats aan, waar het nest verscholen is. Toch kunt ge ’t wel vinden en het machtig worden, nu ge zijn aard en levenswijze kent. Ziet ge in Mei of Juni zoo’n eenzaam stekeltje in zijn bruiloftspak driftig op dezelfde plaats heen en weer zwemmen, dan kunt gij er zeker van zijn, dat zijn nest niet ver af is.
Breng langzaam uw stok in het water—het stekeltje zwemt er als dol om heen; nader met den punt den bodem en strijk er mee heen en weer—op het oogenblik dat de punt het nest raakt, vliegt het diertje, dat nu bijna geheel purperrood wordt, naar den bodem, bijt in den stok en tracht dien met zijn bek weg te stooten. Zoo slim als een kievit of leeuwerik is het stekeltje dus niet; zonder heel veel moeite kunt ge het nestje met zijn bewaker, die het niet verlaat, opscheppen, in uw flesch mee naar huis nemen en voorzichtig in een groot aquarium overbrengen. Vindt het diertje, wat echter lang niet altijd gebeurt, daar zijn nestje terug, dan herstelt en verzorgt hij het als te voren. Zijn roode kleur, die hij eerst verloren had, komt dan ook weer terug.
Misschien hebt ge dan ook gelegenheid, eens op te merken, hoe aardig hij zoo’n ingegraven nestje van de noodige zuurstof voorziet. Hij staat soms minutenlang loodrecht boven de opening, den kop naar benedenen, drijft met alle vinnen en met den zijwaarts gebogen staart een bestendigen stroom van versch water, in en door het eiernest heen.
Nestbouwende visschen zijn er maar weinig; in ons land maar één; en opmerkelijk is ’t, dat het stekeltje, die ééne, zoo’n gering aantal eieren legt, een twintig of dertig hoogstens, en die zijn soms nog van meer dan één wijfje afkomstig. Dat voor de veiligheid van al de honderdduizenden eieren, die een haring of een kabeljauw schiet, niet gezorgd behoeft te worden, is duidelijk; als er maar een klein deel van uitkomt, zal de visch niet uitsterven.
Maar het stekeltje heeft er in vergelijking zoo weinig, daarom zorgt het mannetje er zoo goed voor. Daarom? Och, dat is maar bij wijze van spreken,—het stekeltje met zijn goudroode borst, weet van de inrichting in de natuur immers niets. Het is geen mensch, die vergelijken, nadenken en oordeelen kan, wat nuttig voor hem of zijn nakomelingen is. Hij doet het, omdat hij het moet doen, hij kan niet anders, de natuurdrift dwingt hem er toe, en—als wij het hem zien doen, bewonderen wij niet alleen dat redelooze vischje, maar in dat vischje de wijze inrichting der levende wereld zelve, Hem, die in dat vischje die drift heeft ingeschapen, of gezorgd heeft, dat die er in den loop der tijden in kon ontstaan.
Maar hoe nu onze kleintjes in het leven te houden, om ze te zien wassen? Dat is zeer lastig in een kleine flesch, iets minder in een groot aquarium, maar toch in beide mogelijk.
Houd bij alle pogingen, die ge doet, om uw dieren of planten in het leven te houden, toch steeds in gedachten, dat daartoe vier zaken onmisbaar zijn: voedsel, lucht, licht en reinheid. Het laatste klinkt misschien wat vreemd voor dieren uit een moddersloot, maar de ondervinding zal het u leeren. Alles wat dood is, plant of dier, moet zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, of uw vischteelt mislukt deerlijk.
Nu behoeft ge niet alles zelf te doen, ge kunt een reinigingsdienst instellen zonder bezwaar voor uw zakgeld. Breng een flinke hoeveelheid kleine slakken in de flesschen; die nemen het grootste deel van uw taak over. ’t Doet er niet toe, of het gewone waterslakken, met min of meer langwerpige huisjes,—of wel slakken met platte huisjes zijn, waarvan de windingen naast elkaar in plaats boven elkaar liggen—posthoorntjes, zeiden wij jongens; planorbis heeten ze in de dierkunde. Zie de teekeningen hierbij. Groote slakken betalen zich zelf voor hun diensten, door uw waterplanten aan te tasten, en dat is lastig. Ofschoon ook al weer niet zoo heel erg; want in een studieaquarium plaatst ge toch geen dure of zeldzame planten.
Ook wordt die schade weer eenigszins vergoed, door de gelegenheid, die zij u geven, hun eigenaardige vreetmanieren en bewegingen na te gaan; hun spreekwoordelijke traagheid maakt dit bijzonder gemakkelijk, en aan zoo’n slakkengang zit nog meer vast, dan gij, zoo oppervlakkig beschouwd, zoudt denken.
In elk geval, het reinhouden van uw vischkweekerij kunt ge gerust aan uw slakken overlaten; alleen groote doode dieren en planten moet ge noodzakelijk zelf weg nemen. Al gebeurt dat in de sloot, waar de stekeltjes toch opperbest gedijen, niet door menschenhanden, ge moet niet vergeten, dat uw best ingericht aquarium toch nog maar nagebootste natuur is.
Wat het licht betreft, daarvoor is wel het gemakkelijkst te zorgen. Voor een venster, als het mogelijk is voor een, dat geopend kan worden, is de beste plaats; maar langdurig direct zonlicht is schadelijk, tenzij ge van een groote voorraad schaduwgevende planten voorzien zijt; drijvende, vooral kikkerbeet of duitblad, zijn voor het aanbrengen van schaduw zeer geschikt en dat goedje gedijt weer kostelijk, als ge veel vischjes kweekt; daar het op zijn beurt gebruik maakt van het koolzuur, dat uw diertjes in het water uitademen. Dus zoo ongeveer door dezelfde oorzaak, die de planten in een goed bevolkt en zonnig schoollokaal zoo flink doet wassen.
Door die drijvende waterplanten in ’t aquarium te brengen hebt ge dan meteen aan uw kweekelingen de noodige levenslucht verschaft; toch moeten er wat ondergedoken planten b.v. waterdraden en waterpest bij. Bovenal waterdraden, die scheiden veel gas af; ze zitten als de zon er maar eventjes door heen schijnt, zelfs in den winter bij de kachel, vol belletjes zuurstof. Deze zuurstof verrijkt de reeds in ’t water aanwezige lucht; die wordt voortdurend den bek in, en de kieuwen weer uitgestuwd; let maar eens op, hoe de borstvinnen onophoudelijk in beweging zijn (ook als uw vischjes stilstaan) om het verbruikte water weg te drijven, en ander aan te voeren.
Er komen soms ook wel ongenoode planten in uw flesschen, juist als ze goed verlicht zijn, Eerst zinken er lichtgroene bolletjes, als zeer kleine speldeknoppen door ’t water; die stipjes groen, blijven op den bodem liggen, of zetten zich tegen de kanten vast. Langzamerhand overtrekt nu een licht groen beslag de glaswanden; dat doet de visschen eer goed dan kwaad; het zijn uiterst kleine plantjes van dezelfde soort als de waterdraden, algen heeten ze; maar zij beletten u het gadeslaan van de dieren, en daarom is het toch in de eerste plaats te doen.
Goudvisschen en bittervoorns eten graag algen, maar die zouden meteen de jonge kweek-vischjes uit de wereld helpen, dus dat gaat niet.
Welnu, zet wat meer en wat grooter slakken in het water, die maaien heel aardig die algenwei af; hun tong gaat onophoudelijk langs het glas en laat kaalgevreten strepen na. Daarentegen brengen ze er weer wat anders op, geleiachtige, langwerpige, doorschijnende massa’s van een paar centimeter lengte; als ge een goede loupe hebt, kunt ge daarin, na een paar dagen duidelijk kleine slakjes met huisje en al ontdekken, en van dag tot dag hun ontwikkeling uit de eieren nagaan.
Die slakkeneieren zijn meteen een gezocht voedsel voor uw jonge stekelbaarsjes, evenals muggenlarven, die overal in massa te scheppen zijn.
Dat ik u als voorwaarden tot het in leven houden van de pas uitgekomen vischjes ook het voedsel noemde, mag u wellicht wat onnoozel toeschijnen. Toch vroeg mij nog niet lang geleden, eens iemand, hoe het toch komen zou, dat zijn vischjes in het aquarium de één voor de ander na, stierven. Ik noemde allerlei dingen, die hij misschien verzuimd kon hebben, maar.... dit was het bepaald niet, en dat ook niet.
„Misschien geef je ze te veel voedsel?” vroeg ik.
„Voedsel?” zei hij. „Neen daaraan ligt het zeker niet, ze krijgen niets dan duinwater!”
Mal toch, dat zoo iemand niet begrijpt, dat ook visschen van honger kunnen sterven.
Het hangt juist van het voedsel af, of de teelt gelukken zal; veel, wat de volwassen vischjes verorberen kunnen, is voor de kleintjes ongeschikt,—omgekeerd niet. Slakkeneieren kunnen ze na een dag of tien al vrij goed van het glas krijgen, maar vóór dien tijd is er ook voedsel noodig.
Nu zijn er gewoonlijk in het water, wel voor het bloote oog meestal onzichtbare diertjes, de infusiediertjes—ook al door Leeuwenhoek ontdekt,—maar die voorraad schijnt niet voldoende en te gauw uitgeput te zijn, bij de gezonde appetijt van de jonge visschen.
Ga liever tegen den avond van een zonnigen zomerdag nog eens naar een sloot in de buurt. Ver hoeft ge niet te loopen, of ge ziet, dicht aan den kant, een roodachtige wolk in het water; is de sloot door eendenkroos bedekt, schuif het dan voorzichtig op zij, en de wolk wordt hier of daar zichtbaar.
Breng op een eindje afstand van die wolk, uw groote flesch omgekeerd onder water, zoodat er weinig of geen lucht ontsnapt, keer hem dan midden in die wolk om. Dat is volstrekt geen gevaarlijk werkje, daar de wolk dicht bij de kant is, en ge altijd wel een vast plekje kunt vinden, om te staan; anders geeft ge uw linkerhand maar aan uw kameraad, die op den wal zit.
Hebt ge bijgeval geen kennis mee kunnen krijgen, of is de kant te steil, haal dan uw fijnmazig schepnet een paar keer door die zwevende wolk en keer het in het water van de wijdmondige flesch om.
Al dadelijk ziet ge in uw flesch, waaruit die wolk bestond; duizenden rondachtige diertjes huppen en schieten er door elkaar heen; wriemelende, geweiachtige sprieten doen dienst als springpooten bij de eene soort,—een vertakte staart bij de andere; want meestal hebt ge twee soorten watervlooien tegelijk geschept: daphnia, dat zijn die ronde, met hertengewei—cyclops zoo heeten die kleine met een staart en met vaak twee zakjes met zwarte stippen aan weerszijden van het lichaam; dit zijn wijfjes met eieren.
Hebt ge met uw groote stopflesch vlug en handig gemanoeuvreerd, dan wemelt het er in—behalve van daphnia’s en cyclopen—van allerlei grootere dieren; garnaalachtige doorschijnende springers; larven van libellen, kenbaar aan hun langen staart van luchtbuizen; dikkoppige beestjes zonder pooten, zwart met grijzen buik: bullekopjes of donderpadden heeten ze hier en daar in ons land; allemaal toekomstige kikkers, salamanders of padden; draaitorren van allerlei soort, die even hun lustige quadrille aan de oppervlakte gestaakt hebben; muggelarven of poppen, net bokken met horens, die als dol over den kop buitelen; en.... jonge stekeltjes, die evenals die andere dieren daar in die daphniawolk kwamen soupeeren.
Hier hebben we het natuurlijk voedsel voor onze vischjes; elke dag een scheutje uit den voorraad, en binnen korten tijd kunt ge met rechtmatigen trots uw kameraden volwassen vischjes toonen, die ge uit het ei, ab ovo, zeggen de geleerden, hebt geteeld.
En niet alleen voor die jonge stekeltjes zijn ze het hoofdvoedsel; de oude visschen lusten ze ook dolgraag en worden er dik en vet van; ook heel veel andere vischsoorten leven hoofdzakelijk van daphnia’s; men plant ze met vaten vol in karpervijvers over; vooral in de meren zou de visch heel gauw uitsterven, als er geen daphnia’s bestonden: dat is in de laatste tijden bij onderzoek gebleken. Ja, tegenwoordig kan men ze in het buitenland versch of gedroogd per kilogram uit den winkel halen, ten gerieve van aquariumhouders of vischkweekers. Dat uitmuntend vischvoer wordt daar tegenwoordig ook opzettelijk in het groot geteeld.
In een verloren uurtje moet ge zoo’n levende daphnia eens in een droppel water met de loupe bekijken; dat het diertje maar een oog heeft, en wel, een, dat hij als een molentje in het rond kan draaien, ziet ge al heel gauw; misschien ook nog, dat het grootste deel van het lichaam van het diertje in een dubbele schaal is besloten, die veel van een mosselschelp heeft, en waarbuiten de vertakte sprieten uitsteken.
Voor de rest is het een gewriemel en gedraai en geslinger of er honderd wieltjes aan het diertje zaten, alle tegelijk in beweging. Eerst als de daphnia het verkiest, een oogenblik koest te zijn, ziet ge, dat er in de opening tusschen de schalen een groot aantal kreeftachtige pooten aanwezig zijn, die tot alles dienen, behalve te loopen. De daphnia’s en cyclopen worden dan ook tot de schaaldieren gerekend, evenals de garnaalachtige springers, die ge tegelijk met de wolk geschept hebt, deze heeten gammariden; ze geven in een aquarium nog al leven; maar als er visschen in zijn, duurt hun pret niet lang.