In sloot en plas

Part 3

Chapter 34,091 wordsPublic domain

Waar de tor die lucht bergt? Wel, de zachtgewelfde dekschilden vormen immers een dak boven zijn achterlijf, dat ruimte genoeg heeft om een flinken voorraad te bevatten. De randen van dit dak sluiten zeer goed om den eenigszins verhoogden zijrand van het lichaam heen; en die rand is bovendien van een rij fijne haartjes voorzien, die het indringen van water beletten. Alleen aan de uiterste punt van het lichaam ziet ge bij een dooden kever een fijne opening; die opening wordt echter bij de levende, in ’t water door een luchtbel afgesloten; ook de beide helften van het dak, de beide dekschilden, sluiten midden op den rug waterdicht tegen elkaar, zoodat de naad er tusschen slechts een fijne streep schijnt.

Hoe vreemd het u mag toeschijnen, toch is het waar, dat onze waterkever zonder die merkwaardige inrichting in zijn eigen element zou verdrinken.

Licht ge die dekschilden op, dan bespeurt ge, dicht bij den zijrand van het lichaam, aan weerszijden fijne langwerpige openingen, dat zijn de ademhalingsopeningen,—zijn neusgaten om zoo te zeggen. Door die spleten treedt de ademhalingslucht binnen, die verder door vertakte buizen gaande, het geheele lichaam voorziet.

Wil nu de kever lucht halen, dan brengt hij zijn achterlijf aan de oppervlakte, hij licht de dekschilden eventjes op en sluit ze onmiddellijk weer; drukt hij die schilden, bij het dalen, op de veerkrachtige haren sterk aan, dan kan hij door de opening zooveel lucht laten ontsnappen, als hij kwijt wil zijn. De overblijvende luchtbel aan zijn achterlijf staat dus in verband met de lucht boven de ademhalingsopeningen.

Door deze inrichting blijft onze tor bewaard voor verstikken en verdrinken. Tevens heeft hij daarin een middel, om bij gevaar snel den veiligen bodem te bereiken; daar is hij tusschen de donkere waterplanten door zijn eigen donkere kleur, voor zijn vijanden: snoek en baars, reiger en ooievaar, moeielijk te onderscheiden.

Maar die pikzwarte dan? Die komt lang niet zoo dikwijls boven en nooit met zijn achterlijf, wel met zijn kop. Haalt die dan adem, zooals wij menschen? Neen, zoover ik weet is er geen enkel insect, dat door den mond adem haalt. Zij gebruiken hun bek uitsluitend, om voedsel op te nemen. Maar hoe dan? Wel, nauwkeurig waarnemen, dat is het enige middel om er achter te komen, of ten minste, om op den weg naar de waarheid te komen. Blijft er dan nog wat op te helderen over, dan vragen wij er de natuurvorschers naar.

Onderzoek maar eerst, of uw pikzwarte tor wel den geheelen kop aan de oppervlakte brengt. Neen, niet waar? Alleen een van de sprieten, nu eens de rechter, dan weer de linker. En vreemd, hij steekt ze eerst boven water en onmiddellijk, daarop slaat hij de bovenste helft er van, die dikke knop met nog een paar leedjes, naar beneden terug in het water; de spriet schijnt gebroken, en de breuk raakt de oppervlakte.

Tot zoover gaat het waarnemen vrij gemakkelijk, maar nu verder. Gij en ik zijn al tevreden, als we zoover gekomen zijn, dat we weten, dat die pikzwarte op die zonderlinge wijze de lucht opneemt met zijn sprieten.

Maar de natuuronderzoekers blijven bij zoo iets niet staan, zij moeten het fijne van de zaak weten, het hoe, het waartoe en waardoor; en zij zijn er achter gekomen. Die het eerst het naadje van deze kous heeft gevonden, heeft er heel wat turens en hoofdbrekens aan gehad; daar kunt ge u van overtuigen, als ge de moeite wilt doen, met behulp van bijgaande teekening, die merkwaardige inrichting eens even na te gaan.

Het figuurtje links stelt de spriet voor in rust, het andere in den stand van ademhaling. De geledingen 7, 8 en 9 daarvan zijn neergeslagen, 6, 5, 4, 3, 2, en het wortellid 1, dat aan den kop bevestigd is, zijn opgericht gebleven; de bovenste leden 9, 8, 7, onderscheiden zich van de andere, zoo als ge ziet, door sterke beharing en uitsteeksels; daartusschen blijft de lucht hangen, zij vormen met hun drieën een buis; het bovendeel 7 daarvan raakt de oppervlakte van het water; het ondereind—de punt van het laatste (9de) lid der spriet—ligt een eindje onder water; het pijltje wijst den weg van den luchtstroom, die door bewegingen van de leden van de spriet naar het eindpunt daarvan wordt gevoerd. Dat eindpunt nu brengt de kever onder den rand van het borstschild, waar de grootste ademhalingsopeningen liggen en vult zoo de luchtbuizen in zijn lichaam; of hij brengt een voorraad lucht naar den onderkant van zijn lichaam, waar een flinke hoeveelheid tusschen de lange, zijdeachtige haren geborgen kan worden.

Die lucht is het, die de buik van den kever onder water verzilvert. Aan geen der elf geledingen van den spriet van een geranden watertor merkt ge iets dergelijks op; ze worden naar het eind toe iets korter; alleen het laatste lid is weer wat verlengd en knopvorming.

Waarom nu de pikzwarte op zoo’n ingewikkelde wijze zijn levenslucht moet binnenhalen, heel anders dan de gerande? Zeer waarschijnlijk staat dat met de ligging der luchtbuis-openingen in verband. Bij de gerande liggen de grootste en de meeste op den rug onder de dekschilden, bij de pikzwarte zooals gezegd is, aan de onderzijde van het borstschild. Hoe dit ook zij, ge kunt er zeker van zijn, dat ook hier de levenswijze uitstekend past bij de inrichting van het lichaam.

Me dunkt, ge zult nu al wel iets meer in onze kevers zien dan griezelige beesten; ge moet nu wel een beetje eerbied gekregen hebben voor het leven van zulke merkwaardige ingerichte diertjes, en daarmede eerbied voor de schepping, de geheele Levende Natuur, waarin ze zich in verloop van eeuwen zoo ontwikkelen konden.

Om de Levende Natuur te kunnen bewonderen en eerbiedigen, behoeven we niet eens te ontleden of microscopisch te onderzoeken. Reeds een weinig meer dan oppervlakkig beschouwen, toont ons overal om ons heen, die wonderlijke overeenstemming, die harmonie tusschen inrichting, tusschen de kleuren en vormen, en de levenswijze.

Als we de inrichting en de beteekenis van zoo’n paar sprieten of dekschilden voor de ademhaling ons zelf duidelijk gemaakt hebben, zijn we tevreden er mee, en is het ons wonderlijk genoeg,—toch kunt ge er zeker van zijn, dat ge nog maar een tipje van den sluier heb opgelicht, die voor de meeste menschen die wondere inrichting bedekt.

Onder die dekschilden hebt ge ongetwijfeld bij uw onderzoek een paar gevouwen en naar binnen gedeeltelijk omgeslagen, bruine vliezige voorwerpen gevonden—de vleugels.

Vleugels? vraagt ge nu; waartoe dienen dan wel vleugels voor een dier, dat zijn geheele leven in het water doorbrengt?

Alweêr een mooie gelegenheid om op het eeuwig verband tusschen levenswijze en inrichting te wijzen.

Waar hebt ge uw kever gevangen? In een stilstaand water, een sloot, aan twee kanten door een dam of een overweg afgesloten. Maar waar moet nu de kever blijven en zijn voedsel vinden, als de zomer eens weinig regen brengt en veel warmte? Als de sloot uitdroogt? Zonder die vleugels, zijn laatste toevlucht in dat geval, moest hij ellendig omkomen. En waar konden die onmisbare redmiddelen beter, veiliger voor beschadigen of nat worden, geborgen worden, dan in de waterdichte luchtkamer onder de schilden?

Nog vóor de nood aan den kever komt, door droogte of schaarschte van voedsel, klimt hij tegen een waterplant of tegen den slootkant op, waarbij hem de doornige uitsteeksels aan de schenen van nut zijn; daar pompt hij zich terdege vol lucht, de holle aderen in de vleugels ook; de schemering breekt aan, hij spant de vleugels uit, en zoekt een goed heenkomen. Brommend, snorrend, zoo luid als een meikever, zeilt hij met den wind achter de dekschilden voort, tot hij een waterplas, die woning en spijs belooft, in het oog of in den neus krijgt; die neus zit in de sprieten.

Zoo komt het, dat wij onzen kever vaak aantreffen in kleine en zeer ondiepe waterplassen, in open regenbakken of watertonnen, in dorpsgoten soms. In den drogen zomer van ’92 schrikten de wandelaars in de Utrechtsche straat te Amsterdam op warme avonden herhaaldelijk op, en sloegen een snorrenden waterkever van zich af.

Ook de menschen dwingen hem vaak, zich van zijn vleugels te bedienen. Toen eenige jaren geleden de breede sloot achter de Leeuwenhoekstraat bij het Staatsspoorstation gedempt werd, wemelde het ’s avonds, in den omtrek van ’t Amstelhotel, van allerlei waterkevers. Ze vlogen tegen de ballon van het electrisch licht en vielen op den grond.

De jongens uit mijn klasse brachten er ’s morgens verscheidene levend mee, zoowel verschillende soorten van gerande, als de groote en de kleine pikzwarte.

Nu weet ge meteen, dat ge uw aquarium tegen den avond dekken moet, als ge op zoo’n verhuizing van uw gevangenen niet gesteld zijt.

Een tuinman vertelde mij lang geleden, dat hij vaak groote waterkevers op de glazen van zijn broeikassen vond, die daar op hun rug lagen te spartelen. Wellicht hebben die kevers de glazen, glinsterend door de ondergaande of opkomende zon, voor een waterplas aangezien.

Hebt ge in uw bak met gerande watertorren plaats gevonden voor een paar waterplanten met een vrij dikken stengel, dan kunt ge het misschien treffen, dat een van de gevangen kevers u nog wat anders te zien geeft.

Let goed op de bewegingen der wijfjes; ziet ge ze van tijd tot tijd een stengel met de voorpooten stijf omklemmen, de zwempooten schuin omhoog trekken en het achterlijf heftig krommen of schielijk bewegen, dan zijn ze van plan eieren te gaan leggen. Als de gevangenis maar niet al te ongeriefelijk is, of niet geheel ontbloot van waterplanten, dan nemen ze het weinige, dat er is, voor lief en beginnen de taak, die het voortbestaan van de soort verzekert.

De punt van het achterlijf wordt sterk verlengd; twee puntige mesjes komen te voorschijn, en daar tusschen een kleine legboor, waarmee een gleufje of gaatje in een stengel wordt gestoken: in, of bij elk gaatje, dat is moeilijk te onderscheiden, wordt een eitje bevestigd. Niet veel, een dertig hoogstens, althans in gevangenschap. Die eitjes zijn soms wit, soms oranje, soms rood van kleur, langwerpig en betrekkelijk groot: 2 à 3 millimeter.

Is dit afgeloopen, heeft het keverwijfje haar voornaamste taak volbracht, dan leeft zij niet lang meer. Verdere zorg, voor de eieren draagt ze niet, bescherming schijnt overbodig en uitbroeden kan zij ze natuurlijk niet; kevers hebben immers geen warm bloed, zooals de vogels. Alleen past ze op, dat de eieren niet te diep in het water komen, opdat ze voldoende zonnewarmte kunnen krijgen.

Binnen 14 dagen wemelt het nu in het water van kleine doorschijnende larfjes; de vorm is niet duidelijk te onderscheiden, maar verzorgt ge ze goed met fijne stukjes eiwit of vleeschvezels, dan groeien ze verbazend snel. In een dag of vijf zijn ze een centimeter lang; ze krijgen dan een nieuwe huid, weer een dag of wat later zijn ze al twee maal zoo lang en vervellen opnieuw, tot drie of viermaal toe.

Hun eetlust is verwonderlijk sterk; maar hoe zorgvuldig gij ze ook van voedsel voorziet, hun aantal vermindert voortdurend; waarschijnlijk verslinden de sterkeren de zwakken, zoodat er op het laatst niet veel overblijven.

Die zijn dan ook krachtig ontwikkeld. Hun vorm is nu in het water goed na te gaan; ge zult dieren te zien krijgen, zooals ge er misschien reeds te gelijk met uw volwassen tor hebt gevangen. Haast in geen enkel opzicht zijn ze met den geranden watertor te vergelijken. (Zie fig. blz. 43).

We hebben hier met twee gedaanten van hetzelfde dier te doen, die bijna evenzeer van elkaar verschillen, als de rups van zijn vlinder.

In vraatzucht doen de larve en de kever evenwel voor elkaar niet onder, in strijdlust evenmin. Daarin verschillen kevers en vlinders hemelsbreed.

De volwassen larve grijpt met zijn geduchte kaaktangen alles aan wat binnen zijn bereik komt, onverschillig of het een kikkerlarve, een stekelbaarsje, een salamander of een waterslak is; voor een jonge snoek is hij ook niet bang. Groot of klein, dood of levend—alles is van zijn gading. Een mond heeft hij niet; en dit was ook overbodig, want hij zuigt zijn prooi met dezelfde tangen uit, waarmede hij die grijpt en doodt.

Die zuighaken zijn hol en hebben dicht bij de scherpe punt een opening, waaruit aan weerskanten een buisje naar binnen gaat; die buisjes zijn met het bloote oog vrij goed te zien, ze vereenigen zich nog in den kop van de larve, en vormen samen een wijdere buis, die door het geheele lichaam heen zichtbaar is.

In hun geliefkoosde houding, met den kop naar beneden, het lichaam naar voren gekromd, de zes onevenredig lange pooten wijd uitgespreid, hangen ze met het achterlijf aan de oppervlakte. Daar zijn twee pijpjes, luchtbuizen, door haren omgeven, te onderscheiden. Zoo hangen ze als dood, aan de oppervlakte op den loer; tot een argeloos vischje of een salamander binnen het bereik van pooten of zuigtangen komt. De salamander kwiekt luid, als hij zich door zijn doodsvijand voelt aangrijpen. Hij worstelt lang, maar als ge hem niet snel van zijn bespringer verlost, is het met hem gedaan. Hij mag duiken, uit het water opspringen, in het water pijlsnel voortschieten,—hij raakt zijn bloedzuiger evenmin kwijt als de haas, die door een wezel besprongen is.

Eens komt echter ook voor dit monster de tijd, dat zijn eetlust vermindert, dat hij traag en lusteloos wordt. Hij is nu volwassen, en tweemaal zoo lang als de kever, uit welks eieren hij voortgekomen is.

Hebt ge ze zelf zoover groot kunnen brengen, of, wat veel gemakkelijker is, een aantal volwassen larven geschept, dan kost het niet veel moeite, de gedaanteverwisseling na te gaan.

Zet in een goudvischkom een steen, die van den bodem, tot even onder het oppervlak van het water reikt en daarop een stuk van een dikke graszode.

Op een goeien morgen zijn de larven uit de kom verdwenen. Onderzoekt ge een week later voorzichtig een gedeelte van de zode, dan vindt ge allicht een of meer holten, zoo groot als een vingerhoed, en daarin een witte of gele pop. Die verschilt in vele opzichten van een vlinderpop, die ge zeker wel eens gezien hebt; vooral doordat de deelen van den toekomstigen kever zeer duidelijk te onderscheiden zijn.

Na een week of drie scheurt de pophuid open en de volkomen kever treedt er uit te voorschijn. Of liever treedt nog niet te voorschijn, hij is nog niet vertoonbaar, zijn chitine-huid is nog week als was en bijna even geel; zijn pooten nog te zwak om te roeien of te kruipen, zijn vleugels nog niet droog genoeg.

In twee of drie dagen is hij donkergroen van kleur geworden en voelt hij zich sterk genoeg om de aarde, die hem van het water scheidt, op zij te ruimen en in zijn element de kost te zoeken.

Precies zoo gaat het in de sloot toe. Wordt hij daar niet op het laatste oogenblik verrast door een waterrat of een mol, die aan de sloot zijn drinkgang komt aanleggen, dan is hij straks even bekwaam in het grijpen van zijn prooi, in het zwemmen, duiken of vliegen, als zijn soortgenooten, die al veel eerder ontpopt zijn; een les van hen heeft hij niet noodig; wel wordt hij, al doende, slimmer en handiger. Zijn jeugdige leeftijd is voor de ingewijden in de geheimen van een moddersloot, alleen kenbaar aan zijn lichtere onderzijde en de bijzonder sterk glanzende dekschilden.

En de voortplanting van de pikzwarte? „Dat zal zooveel verschil niet zijn,” zegt ge wellicht, even goed als ik vroeger. „Eieren leggen, larven uitkomen, vervellen, groeien en nog eens vervellen, dan verpoppen en uitkomen,—dat liedje kennen we al van buiten!” Precies, maar ge kunt dan even zoo goed zeggen dat het leven van alle menschen zoo ongeveer gelijk is; geboren worden in dit jaar, kind, jongeling of meisje, volwassen, dan oud worden en sterven tot besluit in dat jaar; zoo ging het Napoleon en zoo ging het Rembrandt, maar toch met verschil niet waar? Ja, was er niet veel meer op te merken in de geschiedenis van de menschen of van de natuur, dan was het werkelijk niet de moeite waard, algemeene, vaderlandsche of natuurlijke historie te bestudeeren.

Evenmin als het leven van alle menschen gelijk is, evenmin en nog veel minder is dat het geval met twee diersoorten, al zijn het beide ook waterkevers. Als ge ééns een paartje pikzwarten in een kom of aquarium gehouden hebt dan wed ik, dat ge elk volgend jaar zorgen zult, er niet zonder te zijn. Loont het al de moeite, gerande torren groot te brengen, onze Hydrophilus geeft nog heel wat anders te zien. Hij vergenoegt zich niet, zooals de gerande, met zijn eieren hier of daar aan een waterplant vast te hechten, zonder er zich verder om te bekommeren.

Ziet ge in April of Mei het wijfje van Hydrophilus van tijd tot tijd met blaadjes eendenkroos, met groene draden of met een grooter blad van een of andere waterplant heen en weer zwemmen, dan begint straks een aantrekkelijke werkzaamheid, die nog maar bij één andere waterkever opgemerkt is.

Hij doet het evengoed in een kom water als in de breede sloot. Laat de gelegenheid niet ontglippen, een kever onder water een nest te zien bouwen voor zijn eieren en zijn jongen, een nest dat minstens even kunstig en doelmatig ingericht is, als dat van een vink of wielewaal.

Een nest onder water? Ja, hoe zou men het anders kunnen noemen? Ga maar eens nauwkeurig na, wat de kever daar met dat blad uitvoert; maar stoor hem niet; als ge hem aanraakt, houdt hij er mee op, en dan hangt het van het toeval af, of ge er juist bij zult zijn, als hij weer begint.

Kijk, het wijfje legt zich op den rug onder dat blaadje fonteinkruid, dicht bij de oppervlakte, zij beweegt het achterlijf voortdurend heen en weer; daar keert ze het blad om en om: witte draden zijn er in de dwarste over heen gespannen: nu neemt zij het weer op de buik, draad bij draad komt uit vier buisjes aan het achterlijf te voorschijn; de twee grootste buisjes zijn bij het spinnen en weven duidelijk te zien.

In een half uur tijds heeft de kever zich een boezelaar geweven, die ze stijf tegen de kanten van het lijf drukt, over de verhoogde kiel heen, daardoor krijgt die boezelaar een lichte ronding; de voorpooten liggen op de boezelaar, de middel- en achterpooten er onder; zoo rust de tor eenige oogenblikken uit.

Maar er is haast bij den arbeid; ze schuift met inspanning van alle pooten den boezelaar af, grijpt hem met de voorpooten of de kaken, en manoevreert net zoo lang, tot de lap netjes achter op den rug komt te liggen; nu keert de kever zich op nieuw om en begint van vorenaf. Al weer is in een drie kwartier een boezelaar klaar, maar die is onder de hand met het lapje op den rug saamgesponnen; zoo is een rokje ontstaan; dit wordt van onder dicht gemaakt, en daar zit nu de tor halverwegen in een witachtige zak.

Daarmee schijnt het uit te zijn, want er is geen beweging meer te bespeuren; ja toch, het is net, of het achterlijf uiterst langzaam, hoe langer hoe verder, voor uit den zak wordt uitgeschoven. En zoo is het ook; maar wat daarbij gebeurd is, kunt ge eerst later begrijpen; dan wordt het duidelijk, waarom de kever zoo stil zat: ze heeft een vijftig eitjes onder in den zak gelegd, op rijtjes naast en op elkaar, maar eerst heeft ze nog met een laagje spinsel den bodem belegd. (Zie fig. blz. 49).

Nu is het achterlijf bijna geheel uit het nestje gekomen, en de kever haast zich, er een vlak dekseltje op te weven; over dwars, over langs, of het schering en inslag was, gaan de draden over elkaar; dat moet wel gauw gaan, anders komt er misschien water in.

Ik heb meer dan eens gelezen, dat natuuronderzoekers hebben opgemerkt, hoe het mannetje, hierbij het wijfje ondersteunt; hij houdt het nestje in den goeden stand, zoodat het wijfje alleen maar heeft te weven; gezien heb ik het nooit, wel zag ik eens het mannetje voortdurend om het nestbouwende wijfje heen zwemmen, misschien wel, om de wacht te houden; een enkelen keer zag ik hem op het nestje zitten, terwijl het wijfje bezig was; ik heb toen iemand die het weten kon, gevraagd wat dat beteekende en kreeg ten antwoord: „dat dient om het lichte nestje onder te houden tot het klaar is.”

De bovenhelft van het nest heeft de tor met licht weefsel gevuld,—onderin liggen de eieren; zoo is er al niet veel kans van omslaan, als het straks zal gaan drijven. Waterproef is het ook, en lucht en voedsel is er in voor de jonge larfjes.

Toch heeft de tor haar taak nog niet naar haar zin volbracht. Bij hevigen wind zou het hulkje toch nog kunnen vergaan; zij zal er een mastje opzetten; slaat het scheepje dan soms op zijde, dan zal het kleverig mastje het water raken, daarop steunen, om zich later weer op te richten als de vlaag voorbij is. (Zie fig. blz. 11 en blz. 50.)

Dat mastje spint ze in opgerichte houding, met den kop naar beneden, de draden legt ze in de lengte tegen elkaar; elke volgende een eind langer dan de vorige, zoo kan het mastje een paar centimeter lang worden. Ook hierbij hebben sommigen het mannetje zien helpen; wanneer het mastje zoo hoog is geworden, dat het achterlijf van het wijfje er niet meer bij kan, drukt het mannetje door zijn gewicht het nestje onder.

Als ge zoo iets bijzonders merkt, noteer het dan. Lang niet alle pikzwarten bouwen op dezelfde wijze. Ik heb niet ’t geluk gehad, het ooit te zien; wel nam ik in dit voorjaar waar, dat het wijfje het best alleen af kan. Zij richt zich met ’t grootste gemak half uit het water en bespint den top van het mastje met haar penseelachtige spinbuizen. De bijgevoegde teekening heb ik gemaakt, terwijl ’t diertje bezig was.

Is het wijfje eens begonnen eieren te leggen, dan kunt ge gerust het nestje verplaatsen, of het in de hand nemen met den kever er bij, om beter waar te nemen. Het diertje laat zich niet meer storen, en gaat zelfs op uw hand, buiten het water, verder met het eieren leggen of met het dekseltje te maken.

Leg het maar weer in het water; zie eens, hoe het dier om het nestje heendraait, hier en daar nog wat bijflikt, verschikt of aanvult,—en teeken den datum van het eierenleggen aan. Tien dagen later moet ge van tijd tot tijd naar het nestje kijken; dan beginnen soms de larven al te leven in het nest. Het kan geen kwaad, ten minste als ge meer dan één nestje hebt, eens voorzichtig een stuk uit het dek van het scheepje te steken of te knippen; dan kunt ge de verandering en de kleurwisseling, die er binnen in plaats grijpt, ook zien.

Binnen 14 dagen zijn alle larfjes uitgekomen, ze eten den eersten dag spinsel en eierhulsels, maar den volgenden dag reeds begint hun moordtocht door het water in uw kommen; dan is er geen slakje, geen wormpje meer veilig voor hun kaken; ze groeien verbazend snel en worden larven, zoo leelijk, zoo griezelig, dat ik, en velen met mij, ze niet zonder een kleine rilling van afkeer kunnen aanpakken, en we zijn anders niet zoo vies of angstvallig op het stuk van insecten-aangrijpen.

De larve van de gerande is een monster, maar—’t is hem aan te zien; die van de spinnende waterkever evenwel is een dikke weeke, zwarte, sterk gerimpelde worm, die zich dood houdt, als ge hem opvischt, en die dubbelgevouwen als een slappe vellerige darm voor u ligt; ge wilt het vieze ding met den vinger op zij gooien, maar op eens hoort ge een vrij sterk, gillend geluid en, plotseling zich opblazend en zich krommend, slaat het verraderlijk schepsel zijn kaken in uw vel; als ge hem eenmaal kent, zult ge op uw hoede zijn, en hem eenvoudig met uw tangetje uit de mee opgeschepte planten oppikken.

Merkt deze larve in het water gevaar, dan omgeeft hij zich plotseling met een zwart vocht, waardoor hij zich aan de vervolging door zijn vijanden in de sloot onttrekt, evenals de inktvisch dit doet in de zee.

In uw aquarium kunt ge hem gemakkelijk voeden, hij vreet alles en nog wat; in korten tijd is hij volwassen, en op dezelfde wijze als bij de gerande moet ge het aanleggen, om het bijterig, roofziek gedrocht over te halen, zich in de mooie, belangwekkende, spinnende waterkever te veranderen.