In sloot en plas

Part 2

Chapter 24,044 wordsPublic domain

Het moet al een erg doode sloot zijn geweest, waarin ge uw eerste jacht hebt gehouden, of onder de buit bevindt zich één, of wellicht meer dan één, groote, donker olijfgroene kever. Dat ge aan een niet al te klein insect kunt zien of het een kever is, moet ik nu maar aannemen; trouwens de harde schilden, die de bovenzijde van het achterlijf en daarmede de vleugels bedekken, zijn een vrij gemakkelijk kenmerk van verreweg de meeste kevers; die worden daarom immers in de leerboeken ook schildvleugelige insecten genoemd.

Ga nu na, of de groote kever, die ge gevangen hebt, met de volgende beschrijving overeenkomt; dit is meer dan waarschijnlijk, want de kever, die ik bedoel, de Gerande Waterkever, komt bijna overal voor. Zonder hem af in een klein fleschje, voor ’t gemakkelijk vergelijken (fig. bl. 7).

Zooals gezegd is; zijn kleur is olijfgroen, bij zwart af, hij glanst in de zon met een paarsen of rooden weerschijn; zijn lengte is ongeveer 3 c.M.; zijn breedte zal er 2 zijn; veel meer niet, of het is een andere soort. Al dadelijk zal u zijn naam verklaard zijn, wanneer ge let op de gele omlijsting van het borstbeeld; de dekschilden zijn niet geheel door den gelen band omgeven: die wordt smaller naar den top der schilden, dat wil zeggen naar de punt van het achterlijf, en verdwijnt even voor de grootste breedte.

Die dekschilden geven een middel aan de hand, om de wijfjes van de mannetjes te onderscheiden. Bij de mannetjes zijn ze namelijk glad en glanzend; bij de wijfjes daarentegen wordt die glans verdoofd door een aantal groeven of voren, die van het borstbeeld af evenwijdig met de vleugelnaad loopen en naar het achtereind toe steeds ondieper worden; zoodat ongeveer een derde der schilden, van de punt van het achterlijf gerekend, ook bij de wijfjes glad is. Toch kunt ge bij nauwkeurig toezien ook op de schilden der mannetjes eenige rijen puntjes of kuiltjes onderscheiden.

Bekijkt ge het dier van den onderkant, dan blijkt het daar bijna geheel geel gekleurd te zijn, en ge bespeurt een gewiemel van ledematen, waaruit op het eerste gezicht niet wijs te worden is.

Als het beest zich een oogenblik stil houdt, onderscheidt ge 3 paren pooten, (ook al een kenmerk voor een insect, ten minste van een volwassen dier) en daartusschen een geducht verdedigings- of aanvalswapen van onze tor, een korte twee-puntige speer; beproef de scherpte ervan maar eens aan uw vinger.

Misschien bedankt ge er voor, het dier levend in de hand te nemen,—nu, dat is u ook niet kwalijk te nemen; ook al hebt ge nog niet ondervonden, dat onze gerande vriend er een zeer leelijke gewoonte op na houdt, die hem dikwijls uit den nood helpt, maar ons, menschen met gevoelige reukzenuwen ten minste, niet juist aangenaam aandoet. Maar laten we er niet omheen draaien met mooie woorden; wie de natuur wil bestudeeren, moet niet al te vies zijn. Hij scheidt, als hij in het nauw zit, aan den rand van het borstschild en ’t achterlijf een vloeistof af, die een allervuilste reuk verspreidt; heeft hij uw vingers bespoten, dan kunt ge er gerust groene zeep of soda bij halen, anders is den heelen dag de stank niet van de handen te krijgen; schoon water helpt niet.

Heeft hij een keer vocht gespoten, dan doet hij dit vooreerst niet weer; bovendien, vergif is het niet, laat u dat nooit wijsmaken. Als ge de boeren, die u zien scheppen, gelooven wilt, dan zijn al die slootdieren, tot salamanders en kikkers toe, vergiftig. Ook kunt ge onze kever wel doen spuiten, zonder u zelf te laten bezoedelen; als ge hem namelijk op een gladde oppervlakte legt, zoodat hij wild met zijn pooten krabbelt, zonder vooruit te kunnen komen, en hem dan zacht op den rug tikt.

Maar, al zijt ge niet bang of vies uitgevallen, het aanvatten van onze tor zou u toch nog wel eens een leelijk gezicht kunnen doen trekken. Behalve het stinkvocht en de spies aan zijn borst, heeft de gerande waterkever nog een wapen, dat ook niet te minachten is. Hij verheugt zich in het bezit van een paar kaken, die u een „aangenaam kennis te maken!” toe kunnen roepen, dat ge waarschijnlijk met een beleefd „auw, auw!” zult beantwoorden. Heel lang duurt de pijn niet, en verdere last hebt ge er, duizend tegen één, ook niet van. Toch mag ik u, hoe dapper ik u acht, niet aanraden, de proef te nemen; en moet ik u eveneens sterk afraden, er een ander aan te wagen. Die kaken, een paar kromme haken op het oog, dringen meestal niet door de huid heen, maar het kon bij fijne handjes toch wèl eens het geval zijn—en dan weet men nooit, waarmee men ingeënt wordt; zoo’n gerande tor is niet heel kieskeurig op zijn spijzen, hij kon wel eens aan een dier, dat in staat van ontbinding verkeerde, hebben gevreten, en daardoor mocht hij misschien eens smetstof met zijn kaken in uw bloed brengen; wat licht een verzwering tengevolge kan hebben.

Nu zult ge misschien de opmerking maken, dat ik druk bezig ben, u af te schrikken van de studie der slootdieren, na u eerst veel genoegen voorgespiegeld te hebben van die waarnemingen. Het zou mij erg spijten, als dit zoo was; niet, dat ge die opmerking maakte, maar dat ge u liet afschrikken.

Ge begrijpt wel, dat ik, om dit te vermijden, het bovenstaande licht weg had kunnen laten; toch heb ik het willen zeggen, al is de kans op besmetting 1 tegen 1000; ik heb maar ééns gehoord, dat het gebeurd is; en ik ben zelf vaak gebeten, zonder er eenige gevolgen van te ondervinden.

Laat het u tot voorzichtigheid aansporen, zonder het onderzoeken te vermijden. Vat een kever altijd aan tusschen duim en vinger, in zijn lenden, en is het er een, die vocht afscheidt, gebruik dan liever een pincetje; een dubbel gevouwen strookje blik is daartoe heel geschikt. Een tor in de holle hand houden, kan nooit kwaad; zoo’n dier bijt alleen, als het zich voelt aanvatten.

Maar laat ik niet afdwalen, er is zoo veel te vertellen. Het loont werkelijk de moeite, eens na te gaan, hoe de inrichting van onzen kever—de geheele lichaamsvorm en het maaksel van de lichaamsdeelen op zich zelf—met de levenswijze in verband staan. Die twee, levenswijze en inrichting, passen meestal zoo wonderwel bij elkaar, dat zelfs iemand, die nog niet veel aan natuurstudie gedaan heeft, toch vaak uit de inrichting veel van de levenswijze kan opmaken.

Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van den romp, zal men moeten erkennen, dat er haast geen doelmatiger vorm te bedenken is voor de beweging over en door het water. Van boven is het lichaam zwak gewelfd, van onder naar het midden hellend, en afloopend in een uitspringende lijst, een kiel, zooals bij een schip. Kop, borst en achterlijf vormen een aaneengesloten massa; geheel anders dan bij de meeste landkevers, waar insnoeringen tusschen de drie hoofddeelen voorkomen. Niets is er, dat zijn vaart in het water kan belemmeren. Het is een licht bootje van langwerpig-eironden vorm, van boven met een glad, bol dek voorzien, dat maar een paar roeiriemen noodig heeft om door en over het water heen te schieten.

Merkwaardig is het, dat ge in dezelfde sloot of plas, waaruit ge uw gerande torren hebt opgevischt, een nog vlugger waterdier zult vinden, dat, wat de vorm van boven- en onderkant betreft, juist het tegengestelde vertoont van wat bij den geranden waterkever zoo doelmatig schijnt.

Het is de ruggezwemmer (fig. 19); waarschijnlijk hebt ge hem ook met den eersten schep bemachtigd, want hij komt overal en in overvloed in ons land voor. Zijn fraai geel, grijs en bruin geteekende onderzijde is bol, zijn donkerder bovenzijde daarentegen gevormd als de onderzijde van den geranden tor, dus stomp dakvormig.

In verband met het voorgaande is dit dus ondoelmatig te noemen, zult ge zeggen. Wacht even, dat hangt immers van de levenswijze af. Let daar dus eerst een oogenblikje op. Schep hem met de volle hand uit de flesch. Pas op, hij is een even groot roover als de gerande, en al heeft hij geen kaken, zooals deze, hij draagt aan zijn kop een lange, spitse priem, die hij u diep in het vleesch kan boren.

Laten wij liever het blikken knijptangetje gebruiken; dat is verstandiger. Zie zoo, leg hem nu recht op het water. Wip! heb je dat gezien? Hij heeft zich met een sprongetje onderste boven gegooid, en zwemt snel op zijn rug naar beneden. Bijna altijd beweegt hij zich op die wijze door het water; zoo ziet ge, dat om de doelmatige inrichting te begrijpen, het ook noodig is, de levenswijze te kennen. Weinig slootdieren, of het moest de schaatsenlooper zijn, (fig. blz. 43) hebben zoo’n gepasten naam als deze ruggezwemmer, en weinig ook zoo’n zonderlinge manier van zich voort te bewegen.

O, alleen maar de manier na te gaan, waarop de waterdieren zich door of over hun element bewegen, is al zoo’n belangwekkende natuurstudie. Neem honderd slootdieren van verschillende soort en ge vindt er geen twee, die het op dezelfde manier klaarspelen; als overal in de natuur, is hier onmetelijke rijkdom in vorm en middelen, eindelooze afwisseling, die de studie tot een genot maakt.

Maar op elk uwer vragen, hoe is dit of dat mogelijk? b.v. dat de waterslak onderste boven tegen de lucht of de oppervlakte van het water voortkruipt—zult ge niet altijd dadelijk een antwoord kunnen krijgen; het maakt de natuurstudie evenwel niet minder prettig, dat er nog zooveel raadselen op te lossen zijn.

Soms ook kunt ge geen naam vinden voor een manier van voortbewegen.

Zoo is er een goudgroene, langwerpige landkever of eigenlijk een oeverkever, waarvan de larven zich onder water verpoppen; Donacia heet hij (zie teekening blz. 19); ge vindt hem in Mei bij honderden aan rietstengels; in een boekje, (dat op dit volgt), zullen we hem misschien met dieren, die meer aan den kant van de sloot voorkomen, zooals kikvorschen, ringslangen enz. uitvoerig bespreken; zie er maar vast zelf wat aan op te merken. Als dit diertje, pasgeboren, naar boven komt, beweegt het zich op een onbeschrijfelijke manier over ’t water naar den oever; al gooit ge er tien terug in ’t water, om goed waar te nemen, hoe het toe gaat, ge kunt er geen naam aan geven; het is geen zwemmen, geen drijven, geen vliegen, geen roeien, geen loopen, geen glijden,—het is alles tegelijk en toch nog wat anders.

Maar om op onzen geranden tor en den ruggezwemmer terug te komen. Ik zei, dat het schuitjes waren, die maar een paar roeiriemen noodig hadden, om volmaakt te zijn.

En die roeiriemen ontbreken niet. Een blik op de achter- en middelpooten, of liever op de voeten van die pooten, leert u dadelijk, waarvoor ze dienen; hoe vreemd het u in ’t eerst mag toeschijnen, bij nauwlettend gadeslaan van een zwemmend insect, zult ge er veel overeenkomst in vinden met de zwemvoeten van een zwaan of een kikvorsch. Evenals deze uitmuntende zwemmers bij den slag achterwaarts, die hen voortstuwt, de zwemvliezen breed uitspreiden—en bij het inhalen van den poot die vliezen samenvouwen, om den weerstand van het water zoo gering mogelijk te maken—evenzoo handelt de gerande waterkever met de dubbele rij haren, dicht aaneengesloten als de baard van een veer, aan zijn achterste en middelste voeten. Bij den stuwslag spreiden de rijen haren zich tot een treed vlak uit, bij het inhalen vallen ze samen tot een dun vlies, dat aan het water weinig oppervlak biedt.

Wanneer wij een bootje voortroeien, halen wij bij den terugslag de roeispanen uit het water, dat is even doelmatig; maar als iemand eens een bootje à la Jules Verne wilde maken om, evenals onze tor onder water te roeien, dan kon hij niet beter doen, dan de roeipooten van den geranden watertor tot model te nemen voor zijn roeiriemen.

De spaan moet dan in de lengte, maar slechts naar éen zijde, om de scharnieren kunnen samenslaan en bij den terugslag openklappen. Zoo’n spaan is werkelijk wel te maken, ook wel misschien met voordeel te gebruiken bij onze gewone roeibootjes. Wie weet, wordt één van u nog eens de uitvinder van een verbeterde roeimethode! De menschen hebben het zeilen en sturen en zwemmen wel van de vogels, visschen en kikkers afgekeken, waarom zou onze tor of de ruggezwemmer op zijn beurt de menschen niet een nieuwe roeimanier aan de hand kunnen doen.

Dat ook de gerande waterkever behendig zwemmen kan, al is hij niet de vlugste onder de roeiende insecten, bemerkt ge, als hij, in een niet al te groote waterkom, jacht maakt op een stekelbaarsje; ondanks de veel samengestelder mecaniek der zwemtoestellen van dat vlugge vischje, moet dit het afleggen tegen de kever. Heeft hij het ingehaald, dan worden de roeipooten buiten dienst gesteld, de middel- en voorpooten worden grijptangen,—zie maar eens wat een doornen en klauwen er aanzitten,—en de kromme kaken beginnen hun moorddadig werk.

De mannetjes van den geranden waterkever hebben, voor het geval de pooten of kaken zoo gauw geen vat kunnen krijgen—o.a. op de gladde, harde schubben van een vischje—nog een geducht middel om zoo’n glibberige prooi het ontkomen te beletten. Twee tarsen van den voet der voorpooten zijn verbreed tot een schijfje; dit doet dienst als zuignap; het werkt ongeveer op dezelfde wijze als het stukje leer aan een touw, waarmede ge steenen uit de straat kunt lichten. De wijfjes hebben dit schijfje niet, en zijn door dat gemis (nog beter dan door het bezit van groeven in de dekschilden) van de mannetjes te onderscheiden, want er zijn wijfjes gevonden zonder, of bijna zonder groeven, maar nooit met hechtschijfjes aan de pooten. Aan een dood exemplaar zijn die schijfjes gemakkelijk nader te onderzoeken, en dan blijkt het, dat zoo’n instrumentje nog weer samengesteld is, en uit een aantal kleine en één groote zuignap, of beter: „plakschijf” bestaat.

Dat die hechtschijfjes nog een anderen dienst te verrichten hebben, zou men mogen opmaken uit het feit, dat alleen de mannetjes ze bezitten. De wijfjes kunnen ook wel een vischje aan.

Houdt ge uw kever een klein stukje vleesch voor, terwijl hij doodstil aan de oppervlakte van het water drijft, dan merkt ge op, dat het gezicht van het dier niet bijzonder scherp schijnt te zijn; hij verroert zich niet, zoolang gij het niet beweegt; maar raak nu even met uw stukje vleesch aan een van zijn beide sprieten—de lange draden voor aan den kop—en dadelijk slaat hij de klauwtjes van één van de voorpooten in het vleesch; hij buigt plotseling de voet zoo, dat het stukje tegen de hechtschijfjes gedrukt wordt, en roeit er snel mee naar den bodem, om het daar op zijn gemak op te peuzelen.

Probeer nu hetzelfde met een stukje brood of een stukje vrucht, de kever taalt er niet naar; maakt ge het hem te lastig, dan duikt hij, zonder acht te slaan op de kruimeltjes, die ge hem nawerpt. Hij woelt het zand van den bodem van uw flesch om; gelukt het hem, daar een wormpje te pakken, dan ziet ge hem in zijn vraatzucht; daarbij houdt het dier den kop wat meer opgericht, dan wanneer hij in rust is, en daardoor worden de kaken duidelijk zichtbaar; die werken van rechts en links naar elkander toe, niet van boven naar onder, zooals bij de grootere dieren en bij ons.

Dat zijn gebit uitstekend ingericht is, bemerkt ge, als ge eens oplet, hoe vlug hij een dood stekeltje verorbert. Die inrichting is echter bij onze kevers samengestelder, dan oppervlakkig schijnt. Een beschrijving ervan zal het u—vrees ik—niet duidelijk kunnen maken, maar misschien gaat het wel, als ge bijgaande teekening, die zeer vergroot is, er bij neemt, en tegelijk de aangewezen deelen bij een doode kever opzoekt. Een goede loupe is daarbij niet overbodig.

Wordt het u te ingewikkeld, sla dan deze twee bladzijden over; denkt ge er evenwel over, mettertijd eens een keververzameling aan te leggen, getroost u dan liever wat inspanning; want heel dikwijls dienen bijzonderheden van de mondwerktuigen van een kever bij het bepalen van de soort.

Evenals alle goede dingen bestaan die mondwerktuigen in drieën. Op de teekening is voor de duidelijkheid de kop van een loopkever, wiens kaken ver vooruitspringen, voorgesteld en wel van de onderzijde gezien. Aan elk der deelen is hier een eigen tint gegeven; de beide cirkelvormige bovenkaken vormen den achtergrond van de teekening—die zijn wit en gestippeld; aan ’t boveneind van die kaken, ziet ge binnenwaarts scherpe tanden of kaken. Daarover liggen de beide onderkaken: alles wat op de teekening het donkerst (zwart) getint is, behoort tot die onderkaken. De derde afdeeling, (weer lichter) loopt ten deele dwars daaroverheen; dat is de onderlip.

De (gestippelde) bovenkaken zijn niet verder geleed; ze bewegen, net als de beide bladen van een schaar, naar elkaar toe, en dienen tot het grijpen, dooden en vasthouden van de prooi.

De onderkaken (zwart) zijn echter zooveel te meer samengesteld. Elke helft van zoo’n monddeel bestaat uit een onderstuk: den wortel (op de rechterhelft der teekening met w aangeduid); daarop kan de dikke steel (st) zich naar rechts of links een weinig bewegen. Uit den top van die steel ontspringen, buitenwaarts gericht: de kaaktaster (kt.) en, binnenwaarts gericht, een binnenste kaakstuk (k). Dat binnenstuk is van stijve, hoornachtige pennen voorzien, die het voedsel bewerken vóór het door de keel gaat. De dienst van de kaaktasters (kt) is nog niet met volkomen zekerheid aan te geven. Bij het vreten zijn ze voortdurend in beweging, de pikzwarte kever en ook de gerande watertor brengen ze telkens met het voedsel in aanraking. Wellicht bevatten ze smaakzintuigen. Alsof dat niet ingewikkeld genoeg was, vindt men op het binnenste kaakstuk bij veel kevers nog een tweede stel kaaktasters (kt′).

De derde afdeeling (de onderlip) is ook nog al geleed. Die bestaat uit: de kin k, daarop de eigenlijke lip met de tong l, en deze zendt naar rechts en links weer een gelede taster (l.t.) uit, liptaster genaamd.

Het onderste niet getinte deel van den kop, is het hoornachtige keelstuk.

In hoofdzaak is het kakenstelsel bij de verschillende keversoorten aan de beschrevene gelijk. Zoek nu tot oefening de overeenkomstige deelen even op, aan de beide kleine, afzonderlijk geteekende onderkaken van een paar andere kevers. Dan merkt ge al dadelijk eenige kleine afwijkingen. Zoo is bij de eene, links, de binnenste kaaktaster (kt′) van een eigen steel voorzien, en heeft het binnenste kaakstuk een steunend verlengstuk, dat tot aan den wortel (w) reikt. De andere onderkaak (hij is van een zandloopkever) draagt aan dat binnenstuk (k) een beweeglijke tand (td), en dat stuk ligt vlak tegen de steel (st) van de onderkaak.

Dat is een heele anatomie geworden, maar ik hoop, dat ik een enkele van mijn lezers, die kevers verzamelt, en voor wien zulke namen tot nu toe abacadabra waren, er een dienst mee gedaan heb.

Hebt ge nu in uw gerande torren roofdieren ontdekt, voor wie geen enkel dier in uw flesschen veilig is, dan zult ge wellicht meenen, dat een andere kever van ongeveer gelijken vorm, maar een centimeter grooter dan de gerande, en die ge misschien tegelijk met deze gevangen hebt, een even groot monster is.

En toch hebt ge dit glad mis; in de natuur moet ge altijd op verrassingen bedacht zijn, en niet gauw uit een paar voorbeelden een regel willen trekken; dat generaliseeren zou u hier leelijk kunnen foppen; waarnemen alleen kan waarheid geven. Die andere kever, waarbij ge de gele omlijsting der schilden te vergeefs zoekt, en die den naam van „pikzwarte waterkever” dan ook terecht draagt, heeft een ander karakter dan de gerande (zie fig. blz. 9).

Zij komen zoo weinig in geaardheid met elkaar overeen, als een half verwilderde huiskat, die zoo nu en dan op de vogelvangst gaat, met een lobbes van een New-foundlander of St.-Bernardshond, die de wildste jongens op zijn rug paardje laat rijden, zonder ook maar even te knorren of de tanden te laten zien.

Toch kunt ge zoo’n kever niet zonder proef bij uw stekelbaarsjes of salamanders in de flesch laten, ’t Is mogelijk, dat hij ze geen kwaad zal doen. Presenteert ge hem een stukje vleesch of eiwit, hij zal in de meeste gevallen beleefd bedanken. Doet hij dit, dan is uw groote, dikke pikzwarte tor, hoe gevaarlijk hij er ook uitziet werkelijk een goedige lobbes—bijten doet de sul zoo goed als nooit.

De levenswijze van de dieren in de vrije natuur levert soms vreemde, vaak tegenstrijdige verschijnselen op. Zoo kan ’t gebeuren, dat ge in uw flesch of uw aquarium een pikzwarte watertor aantreft, die wel vleesch lust en die ook op stekels of andere vischjes jacht maakt, maar de regel is, dat onze kever alleen planten of doode dieren eet. Mogelijk is ’t ook, dat hij in ’t voorjaar vleesch eet. De een is hier de ander niet.

Belangwekkend is zijn levenswijze in hooge mate; hij is daardoor voor velen het voorwerp van studie geworden. Hij is dan ook gemakkelijk te bestudeeren, doordat hij niet bijzonder vlug in zijn bewegingen is, ten minste lang niet zoo behendig als zijn buurman, de gerande.

Al dadelijk merkt ge onderscheid met deze in de manier van zwemmen. Hij slaat zijn zwempooten niet beide tegelijk uit, maar roeit om beurten met de pooten; dit maakt op ons den indruk, dat hij door het water loopt of trippelt.

Ook bij deze keversoort zijn de mannetjes op het eerste gezicht gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden. Evenals bij de gerande kevers, hebben de mannetjes aan het voorste paar pooten hechtschijfjes, maar van anderen vorm; die ontbreken bij de wijfjes. Ook zijn deze wijfjes wat grooter dan de mannetjes. De onderzijde is niet geel, maar lijkt grijsachtig, doordat die zijde dichter en fijner behaard is. Onder water schijnt, door de lucht, die kant met zilver beslagen te zijn; die zilverglans steekt prachtig tegen het diepe zwart van het bovenlichaam af, en dit maakt dezen kever tot een gewenscht sieraad voor elk aquarium.

Houdt uw tante of uw grootmoeder toch al flinke, groote goudvisschen, bezorg haar dan eens een paartje van hydrophilus (zoo heet de pikzwarte in het latijn,—waterminnaar beteekent het) en plaatst er wat waterplanten bij. Maar geef een paartje, dat ge al een poos hebt nagegaan, en waarvan ge zeker weet, dat het vleeschvoedsel versmaadt, ook in ’t voorjaar. Anders mogen ze nooit bij de vischjes in.

In het eerst zal uw tante misschien iets tegen die griezelige beestjes hebben. Als ge ze haar echter eens goed laat bekijken en ze apart plaatst, zoo dat ze de vischjes geen kwaad kunnen doen, zal ze er spoedig vrede mee hebben, dat ge wat zilver, smaragd en zwart naast haar goud hebt gezet. Zij zal er misschien evenveel genoegen in vinden als in de goudvisschen; voornamelijk nu ze ondervindt, dat door het groen haar lievelingen langer blijven leven, veel darteler worden, en dat het water niet zoo gauw bederft, al vergeet zij het te ververschen.

Welke waterplanten ge nemen moet, hoe ge ze verkrijgen en planten kunt, en ook waarin die weldaad voor de vischjes bestaat, zult ge in de tweede helft van dit boekje gewaar worden. Dit wil ik er wel van verklappen, dat ge zoodoende van een foltergevangenis, een brokje werkelijke natuur hebt gemaakt.

Toen uw Gerande Tor zooeven met het stukje vleesch, dat ge hem aanbood, de veilige diepte opzocht, hebt ge misschien opgemerkt, dat hij aan de punt van zijn achterlijf een luchtbel meenam en er onderweg een of meer liet ontsnappen. Let ge van tijd tot tijd op het doen en laten van uw beestjes, dan bemerkt ge wis, dat de watertorren wel heel lang onder water kunnen blijven, maar dat ze zoo nu en dan een luchtje komen scheppen.

De gerande doet dit echter op een zeer zonderlinge manier; niet met zijn kop, maar met zijn achterlijf hapt hij lucht. Die lucht neemt hij mee naar beneden, als voorraad bij de ademhaling; en die geeft hem tevens een middel, om naar willekeur langzamer of sneller te dalen; want door lucht uit te werpen kan hij zich plotseling veel zwaarder maken. Hij gaat derhalve ongeveer op dezelfde wijze te werk als een luchtreiziger, die gas laat ontsnappen.