In sloot en plas

Part 1

Chapter 14,018 wordsPublic domain

IN SLOOT EN PLAS

DOOR

E. HEIMANS EN JAC. P. THIJSSE

Met twee gekleurde platen en vele afbeeldingen naar teekeningen van de Schrijvers

VIJFDE DRUK

AMSTERDAM—1920—W. VERSLUYS

VOORBERICHT.

Het succes van het eerste deeltje dezer serie, de critiek, die zonder uitzondering gunstig en welwillend was, en de vele betuigingen van instemming door onze bekende natuurhistorici met onze plannen, hebben ons de zekerheid gegeven, dat wij geen werk verrichten, waarvoor—zooals wij en velen met ons vreesden—de tijd nog niet gekomen is.

Aan allen—publiek, critici en welmeenende vrienden—onze hartelijke dank voor hunne aanmoediging, niet minder voor hun vingerwijzingen, waarmede wij, zooals uit den inhoud van dit werkje blijken kan, ons voordeel hebben trachten te doen: de tekst is uitvoeriger, voorzien van een register, en het aantal illustraties is aanzienlijk uitgebreid. Zulk eene uitbreiding heeft natuurlijk zijn grenzen; onze uitgever komt toch reeds een woord van dank toe voor zijne onbekrompenheid in dit opzicht, waardoor het ons mogelijk werd van al de besproken planten en dieren—op eene enkele uitzondering na—eene afbeelding te geven, hetzij afzonderlijk, hetzij in groepteekeningen.

Veel zijn wij ook verplicht aan de bereidwilligheid, waarmede Dr. C. Kerbert, Directeur der Diergaarde van Natura Artis Magistra, de rijke bronnen van deze schoone inrichting voor ons toegankelijk maakte.

Amsterdam, Februari 1895

De Schrijvers.

L. S.

Ook de eerste druk van dit deeltje heeft spoediger zijn weg gevonden, dan wij durfden hopen in ons kleine Nederland. Deze tweede is vermeerderd met een aantal nieuwe teekeningen, de gekleurde platen zijn voor de afwisseling door andere vervangen; en er is aan toegevoegd een geïllustreerde lijst voor ’t bepalen van de Nederlandsche waterplanten, ten behoeve van aquariumhouders.

Verder verwijzen wij belangstellende lezers naar de voorrede van den 2den druk van ’t eerste deeltje: Van Vlinders, Vogels en Bloemen.

H. en T.

BIJ DEN VIERDEN DRUK.

Na negentien jaar nog weer een nieuwe druk. En dat van een boekje voor de jeugd. We kunnen tevreden zijn.

H. en T.

BIJ DEN VIJFDEN DRUK.

Helaas heeft mijn vriend Heimans dezen vijfden druk niet mogen beleven van het boekje, dat hij een kwart eeuw geleden met zoo bijzondere voorliefde op touw heeft gezet. Thans is zijn zoon, de heer J. Heimans mij behulpzaam geweest bij ’t nazien.

Thijsse.

I.

Het is voor het late uur nog buitengewoon levendig aan den buitenkant te Amsterdam. Wel zijn de meeste winkels reeds gesloten, want het is reeds zeven uur, en kunstlicht is duur in het midden der 17de eeuw; maar de Mei-avond is zoo zoel en zoo verleidelijk helder, dat de winkeliers en hun bedienden zich gerept hebben, om de luiken voor de ramen te krijgen, en nu met vrouw en kinders, met vrijster, zuster of kameraden, nog een luchtje komen scheppen aan het heerlijke, koele IJ.

Zoo drentelen, kalm en deftig in de wandelpas, talrijke groepjes, soms uit een geheel huisgezin bestaande, uit alle straten der stad den Buitenkant op.

Een der weinige winkels, die nog verlicht zijn, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid te hebben; want de meeste wandelaars wijken, op de hoogte van de Monckelbaens-brug gekomen, van de middelstraat af, zoodra ze dat huis naderen; ze vormen een opeengepakte massa kijkers voor de vensters, zoodat de breede stoep nog te smal is, voor zoo vele nieuwsgierigen; de achterstaanden wachten dan ook maar, tot de voorsten genoeg gezien hebben en opschuiven, om ook hun een kijkje te gunnen.

Toch is het geen winkel, die door schitterende uitstalling koopers kan lokken: het is een gewone apothekerswinkel; maar iedereen weet, dat meester Swammerdam uit de apotheek „De Star” een liefhebber van de natuurlijke historie is, dat hij door kennissen op de schepen uit Oost en West allerlei vreemde dieren en planten laat meebrengen; en tevens—dat hij die dieren, opgezet of op sterk water—voor zijn vensters plaatst, behoorlijk voorzien van naam en toenaam; ja soms met een korte, duidelijk geschreven, meestal wonderbaarlijke levensgeschiedenis van het dier erbij.

Van avond moet het al heel iets bijzonders zijn, dat de apotheker heeft ten toon gesteld; want zij, die een goed plaatsje hebben, blijven, ondanks de warmte in het gedrang voor de ramen plakken, en het vriendelijk verzoek van den meester zelf is noodig, om hen te doen besluiten, eindelijk ook eens plaats te maken voor anderen.

En toch heeft hij ditmaal geen opgezette paradijsvogels, geen apen, slangen of jonge kaaimans ten toon gesteld. Wat zoo elks aandacht boeit, is de inhoud van een groote glazen bak, bijna geheel met water gevuld; in het midden is hij van een puimsteenen rotsje en een kunstig bedacht fonteintje voorzien.

De voorzijde van die bak is vlak tegen het venster geplaatst; van achter en van terzijde schijnt het licht van een paar vetkaarsen door het groenachtige water heen, en uit dat geheimzinnig schemerduister komen zich van tijd tot tijd, tusschen waterplanten en schelpen door, aller-wonderlijkste gedrochten aan de oogen der gapende kijkers vertoonen.

Daar verschijnt met gelijkmatigen pootslag als volleerd roeier, een groote geelgerande kever en maakt jacht op de larve van een mug of een libel; een bloedzuiger kronkelt als een platte slang langs het venster. Salamanders met rood en zwart gestippelde buik en sierlijk gekamden rug, rijzen en dalen statig op en neer, of schieten plotseling vooruit, als zij merken dat een nijdig-kijkend, roodborstig vischje, met drie vinnig-opgezette stekels op zijn rug, het op hun staart gemunt heeft. En reusachtige pikzwarte tor, die door het water nog grooter schijnt, dan hij is, doemt eensklaps uit het duister op, om even aan de oppervlakte te verschijnen en dan snel trappelend, als liep hij door het water, tusschen het kroos of achter het rotsje te verdwijnen. Tusschen het fijne loof van een sierlijke waterplant is een groote spin bezig, zijn zilveren luchtpaleis te bouwen. Op den bodem glijden kokerjuffers in hun wonderlijke kluisjes langzaam over de schelpen en het kiezelzand voort, en tusschen dat alles door krielt en wiemelt het van kleine en groote larven, draaitorren, bloedspinnetjes.

De uitroepen van verbazing, die dit schouwspel aan de kijkenden ontlokt, getuigen van de nieuwheid van zulk een tooneel. Geen wonder: een aquarium was in die tijden iets ongeziens en ongehoords; en de bewoners ervan waren aan de meeste Amsterdammers toen zeker minder bekend dan de tijgers, de apen of de vogels van onze Oost-Indische bezittingen.

De meester heeft dan ook voldoening van zijn werk; zijn opgeruimd gezicht, de bereidwilligheid, waarmede hij alle vragen, de allerdwaaste soms, beantwoordt, bewijzen, dat hij er een genoegen in schept, zijn kennis aan anderen mede te deelen; en ook, dat het niet uitsluitend een 17de eeuwsche reclamezucht was, die hem het aquarium voor zijn venster deed plaatsen, maar in hoofdzaak de liefhebberij van een man, die gaarne eens ziet, dat anderen met bewondering komen kijken, naar hetgeen hij alzoo heeft verzameld.

Het heeft reeds een tijdlang zijn aandacht getrokken, dat één van de vele nieuwsgierigen al buitengewoon geboeid schijnt te worden, door wat de meester heden avond ten beste gaf. Het is een knaap van een jaar of vijftien, zestien. Zijn neus is tegen het vensterglas gedrukt. Zijn oogen trachten tot in het donkerste hoekje van het aquarium door te dringen; kijk, zij glinsteren, als er weer wat nieuws uit de diepte komt verrijzen. Vragen doet hij zelf niet, maar als hij een van de kijkers aan meester Swammerdam hoort vragen, hoe hij al die beesten zoo levend uit de Oost heeft over kunnen krijgen, komt er een glimlach op zijn gezicht.

Dit is den apotheker niet ontgaan. Al meer dan eens heeft deze hem op den schouder getikt en hem vriendelijk verzocht, niet al het nieuws op eens te willen afneuzen en een ander ook eens een kijkje te gunnen. Dan ging de knaap, den blik onafgewend, alsof hij er niet van scheiden kon, op zijde; maar een poosje later was hij van den anderen kant weer naar voren gedrongen en verdiepte hij zich op nieuw in de beschouwing van die geheimzinnige dierenwereld.

De meester uit „De Star” zei niets meer, en liet het geworden. Toen hij eindelijk zijn zoon last gaf, de kaarsen, die op hun eindje stonden, te dooven, trachtte de hardnekkige kijker nog een oogenblik door te dringen in het nu geheel duistere water, en keerde zich daarop af, om heen te gaan.

Maar Swammerdam hield hem staande en vroeg hem, hoe hij zijn uitstalling vond.

Met schuchteren blik zag de knaap den vriendelijken meester aan; het was of hij droomde, en nog steeds de wonderlijke schepselen van zooeven voor zijn oogen zag bewegen. De meester herhaalde zijn vraag, terwijl hij zijn pijp stopte en zijn hoed opzette, om ook nog even lucht te gaan happen aan den IJ-kant.

„Staat het er morgen ook nog?” klonk zacht de wedervraag.

„Zeker, mijn jongen, en al staat het er niet meer, omdat ik de kast noodig heb voor zalfpotten en poederdoozen, kom dan gerust den winkel binnen. Ik heb nog heel wat grooter en mooier dieren in huis. Jij hebt zeker niet gedacht, dat al die dieren uit de Oost waren gekomen, wel?”

„Neen, meester, dat niet, dat begreep ik wel; maar ik wist toch niet, dat er zooveel verschillende dieren in onze slooten leven, zoo dicht bij ons, vóór ik het u hoorde zeggen.”

„Nu, goeden avond. Ja.... hoe heet je?”

„Antony, meester; Antony van Leeuwenhoek.”

„Wel, Antony, kom zoo vaak je wilt naar het levende water kijken; maar je zult er nu toch al wel alles van gezien hebben, wat er aan te zien is; je hebt er de oogen haast niet afgehad!”

„Ja, maar ik zou er graag nog meer van willen weten. Wat die dieren de heele dag doen; hoe ze eten, ademhalen, zich voortbewegen, hun prooi vangen; en ik zag nog zooveel, dat ik niet goed begrijp!”

„O, staat zoo de zaak; dat doet me genoegen. Maar wat doe je eigenlijk voor de kost? Je moogt er je werktijd niet aan opofferen.”

„Ik ben op een lakenwinkel, meester, ik heb na den middag dikwijls vrijaf, en ik ben hier heel alleen, mijn familie woont in Delft.”

„Wel, Antony, je komt goed bij mijn zoon Jan; die houdt ook bijzonder veel van het bekijken van planten en dieren. Jij bent wel een paar jaar ouder dan hij, schijnt het, maar dat zal er wel niet veel toe doen. Hij wil er morgen middag alleen op uit, de boel wat aan te vullen. Hee, daar is hij net! Jan, hier heb je een kameraad, die je helpen wil, om waterdieren te onderhouden. Maak maar even kennis met elkaar. En dan naar bed, Jan. Dat zou ik jou, Antony, ook maar raden, al staan je oogen nog helder. Kom morgen maar terug.”

Dat was aan geen doove gezegd. Na deze kennismaking was Antony van Leeuwenhoek een trouwe bezoeker van de apotheek „in de Star” en waren hij en Jan Swammerdam onafscheidelijke kameraden.

Te zamen verzorgden zij het aquarium van den apotheker, te zamen gingen zij tochtjes doen in de omstreken van hun woonplaats, om nieuwe planten en dieren te zoeken. Maar bij zoeken en vinden bleef het niet. Antony vooral moest overal het fijne van hebben. Ongelukkig kon de apotheker de beide jeugdige liefhebbers maar zelden op hun vragen een antwoord geven, dat aan hun weetgierigheid voldeed. De jongens deden ook zulke zonderlinge vragen: „Waarom zou toch die groen-zwarte kever, met die gele randen om de dekschilden, telkens met zijn achterlijf boven komen? Als het te doen was om adem te halen, waarom deed dan die groote pikzwarte tor het telkens met een van de sprieten?” Of wel: „Waarvan zouden toch de kleinste diertjes, die wij zien kunnen, leven? Zouden er in het water nog weer kleinere zijn, die wij niet kunnen zien?”

De jongens maakten het den meester lastig, en zij besteedden er meer tijd aan, dan Jan’s studiën en Antony’s ambacht gedoogden, meende hij. Hij vreesde, dat hun beste leertijd verloren zou gaan, met—zooals hij zich eens uitdrukte—„dat waarnemen van saken, daar niet een duyt winst van quam, en die niets aenbragten van dat, hetgeen noodsakelijk was om te leven.”

Och, had meester Swammerdam maar eens even in de toekomst kunnen lezen, zooals wij in het verleden, dan zou hij in die twee jongens, die daar, peinzend over allerlei raadselen, in het troebele water van het aquarium tuurden, twee beroemde mannen gezien hebben, die eens de geheele geleerde en ongeleerde wereld zouden verbazen met het antwoord, dat zij zelve gaven op vele van de vragen, die zij als kinderen tot den apotheker richtten.

Jan Swammerdam en Anthony van Leeuwenhoek!

Had hij het mogen beleven, hij, die al zooveel meende te weten, den Bijbel der Natuur te lezen, waarin de wonderbaarlijke onderzoekingen en ontdekkingen van zijn zoon Jan zijn beschreven! De apotheker heeft het niet voorzien, toen hij Antony van zijn aquarium joeg en weer naar den lakenwinkel zond, dat die eenvoudige bak met slootwater, de eerste aanleiding zou zijn, om het Nederland der 17de eeuw een beroemd man rijker te doen worden.

Zoo beroemd nog bij zijn leven, dat uit alle deelen van Europa de geleerden en vele belangstellenden in de wetenschap der natuur, de reis naar Delft deden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek te spreken over zijn ontdekkingen; eens te mogen kijken door de microscopen, die hij zelf vervaardigd had, en waarmede hij een wereld van nooit gekende levende schepselen aan het licht bracht;—hij de nederige kamerbewaker, die jaren lang voor 6 gulden in de week de raadszaal reinigde en de kachel van den burgemeester stookte.

Bijna alle toenmalige vorsten van Europa, ook onze stadhouder Willem III, achtten het niet beneden zich, hem in zijn studiekamertje te komen bezoeken, om zich de nieuwe wereld te doen toonen. Ook Peter de Groote kwam met zijn trekschuit; om alles op zijn gemak te kunnen zien en te hooren uitleggen, noodigde hij Leeuwenhoek bij zich aan boord. Peter de Groote luisterde gretig en keek lang en aandachtig door het microscoop.

„Waar is dat ding van gemaakt?” moet Peter gevraagd hebben, terwijl hij het geheimzinnig instrument voorzichtig in de hand nam.

„Van blik en koper,” antwoordde Antony verwonderd.

„Maak ze dan van nu af van goud en zilver!” zei Peter, en Leeuwenhoek maakte er werkelijk meer dan één van goud of van zilver. Een paar er van moeten nog ergens in ’t Britsche Museum te Londen schuilen.

Twee eeuwen zijn sedert verloopen en nog dikwijls wordt er door de hedendaagsche geleerden voortgebouwd op de onderzoekingen van Leeuwenhoek en Swammerdam.

Wel is er na Leeuwenhoek en Swammerdam veel, ook in ons land, onderzocht en ontdekt in het maaksel en het leven van de kleinere, en de kleinste waterdieren vooral. Bij tegenwoordige microscopen vergeleken, waren die van Leeuwenhoek en Swammerdam dan ook maar kinderspeelgoed.

Het zal nu ook zoo licht niet meer gebeuren, dat iemand beroemd wordt, door het bestudeeren van een glas slootwater of van het leven in een aquarium. Toch is er nog nieuws genoeg in te ontdekken, al is het juist niet bij de allerkleinste dieren en planten. Ook de waarnemingen van een liefhebber kunnen waarde hebben voor de wetenschap, hij kan feiten aangeven, waarvan de geleerden partij trekken.

Maar niet om roem of eer moet de natuur bestudeerd worden; dat deden de groote natuurvorschers ook maar zelden. Als Leeuwenhoek er niet half en half toe gedwongen was geworden, zou hij zijn ontdekkingen zelfs niet bekend hebben gemaakt. Hij studeerde voor zijn genoegen. Dikwijls moest men de hulp van zijn dochter inroepen, om iets van zijn werken gewaar te worden.

Voor eigen genoegen werkte ook Swammerdam, zoodat eerst de beroemde Boerhave de wereld moest in kennis stellen, met hetgeen Swammerdam had gewrocht.

Voor eigen genoegen—dat moest ze blijven, die innige omgang met de natuur, deze studie, die geen studie schijnt—een opwekkend tijdverdrijf in vacanties, een liefhebberij voor hen, die nog niet of niet meer voor hun levensonderhoud hebben te zorgen.

En het is zoo gemakkelijk, zich zelf in te wijden in de geheimen van de natuur onzer woonplaats. Met een weinigje voorlichting, wat toewijding en eenig zakgeld, kan men het zoovér brengen in de kennis der schepping om ons heen; wat ons weer een dieper inzicht in het geheel kan verschaffen.

Weinig jongens in hun laatste schooljaren zijn er tegenwoordig, die niet weten, dat tusschen het groen tapijt van eendekroos en de veen-, zand- of kleibodem van elke sloot een wereld van planten en dieren leeft, zoo rijk aan vormen, zoo wonderlijk in levenswijze, dat alleen het lezen er van in het schoolboek, en het zien er van in afbeeldingen de lust wekt er meer van te weten, en de begeerte doet ontstaan naar het zien in de werkelijkheid.

Bij de begeerte blijft het meestal, want de levende sloot, hoewel in ons land overal nabij, is maar zelden doorzichtig, en het duurt zoolang, eer er eens wat te zien komt aan de oppervlakte; eenige schaatsenloopers, vlugge insecten, die met hun lange, daartoe merkwaardig goed ingerichte pooten over ’t water voortsnellen, of het spiegelglad ijs was; een dozijn draaitorretjes, in ’t zonlicht glinstrend, als nieuw staal met zilver, die er hun sierlijke, soms vrij regelmatige dansen uitvoeren en daardoor ieders aandacht trekken—maar dit is ook zoowat alles, wat in de meeste gevallen van den kant af te zien is.

Wie er werkelijk wat meer van leeren en genieten wil, moet zich—zooals met alles wat de moeite van het leeren en genieten waard is—eenige inspanning en, jammer genoeg in dit geval, wat kosten kunnen getroosten. Vóór alles heeft men een stevig schepnet noodig. Wie daartoe een gewoon vlindernetje gebruiken wil, heeft vaker teleurstelling dan een goede vangst te wachten. Koop in een ijzerwinkel een meter van het dikste ijzerdraad, dat ge krijgen kunt; en laat dat even op ’t aanbeeld, dat in zulke winkels steeds voorhanden is, buigen tot een ring met twee stelen. Zoo’n stuk kost hoogstens 10 cent.

Die beide stelen, die samen het handvat van den ring vormen, moeten minstens een decimeter lang zijn, zoo blijft er voor den ring een middellijn van ongeveer 2½ d.M. over; reken maar na. Meestal is het ijzerdraad zoo koppig, dat men het alleen met kracht tot een ring kan sluiten, en dat is juist een deugd en een voordeel, zooals straks zal blijken.

Neem nu uw zuster in den arm, en laat haar aan den ring een zak van sterk neteldoek of gaas van het grofste soort naaien; stramien- of borduurgaas is nog beter, maar ook duurder. De zak moet ongeveer 3 d.M. diep worden. Bind daarna het net met het handvat stevig aan een langen stok en probeer, of ge het terug kunt buigen van de stok zijwaarts af; gaat dit niet zonder groote krachtsinspanning, dan is alles in orde.

Wie dik in zijn zakgeld zit, of wie met flinke kameraden een maatschappij op aandeelen kan vormen, doet beter, zich een 2 à 3 Meter lange bamboe aan te schaffen, met een koperen band om het holle boveneind; die is voor 30 à 40 cent te koop in elken winkel van visscherijgereedschappen. Maar zie toe, dat men u geen suikerriet in plaats van bamboe in de handen stopt; bamboe is onbreekbaar, suikerriet is veel lichter en ook goedkooper, maar krijgt heel licht lengtebarsten, scheurt op, of knapt af: water en vooral slootwater is zwaarder dan ge meent. In het boveneind van de holle bamboe steekt ge nu de beide, niet saamgebonden, stelen van de ijzeren netring; dat gaat met moeite, maar de veerkracht waarmee de ring zich ontspannen wil, doet de stelen dan ook zoo stevig in de holte vastklemmen, dat verdere bevestiging meestal overbodig is. Bovendien heeft men zoodoende ook het gemak, dat men, zonder touw of schroeven te gebruiken, het net van de stok kan nemen, wanneer men wil.

Zie nu eenige flesschen te krijgen met korten, wijden hals, inmaakflesschen; in comestible-winkels worden Engelsche dropsflesschen voor een cent of tien verkocht; die zijn zeer geschikt om mee te nemen. Een touw om den hals dient als hengsel.

Zorg nu ook thuis een paar goudvischkommen van de grootste soort gereed te hebben, en uw uitrusting is in optima forma. De jacht is gemakkelijk en ik verzeker u, dat ge nooit platzak, of in dat geval juister „leegflesch” thuis zult komen.

En nu, de eerste de beste Woensdag- of Zaterdagmiddag van het voorjaar, gaat ge uw kameraden, die meebetaald hebben, halen voor de partij.

Maar ook als ge alles alleen hebt moeten bekostigen, is het, om verschillende redenen, aan te raden, nooit alleen er op uit te gaan.

In ’t eerst zal dat misschien wat gekibbel geven, omdat de één het net te lang in gebruik houdt, en de ander die vervelende flesch niet zoolang wil dragen, maar dat went wel en leert inschikkelijkheid.

Begin met een sloot, waarin niet te veel waterplanten groeien en die tevens niet vlak langs een menschelijke woning loopt. En thans de eerste schep! Niet diep en niet lang, maar vlug door het water strijkend! kroos en andere drijvende waterplanten er in laten glippen! haal op en stort den inhoud (het volle net omgekeerd door den ring laten vallen), op een kale plek in het gras of anders op den weg uit. Met een stokje in de linkerhand nu snel het kroos en de andere planten uitgespreid, en met de rechter alles wat leeft in de meegebrachte flesch geworpen. Daarin is te voren een beetje slootwater geschept en hij is stevig tusschen het gras vastgezet. Nog een paar scheppen, en ge moet al heel ongelukkig zijn, of in de flesschen krioelt het door elkaar, dat het een aard heeft. Vul de flesschen aan met kroos en andere kleine drijvende planten en dan, als het erg zonnig is, vlug naar huis. Doe vooral niet te veel water in de flesch.

Daar is het eerste werk het net uit te spoelen en te drogen hangen en het tweede de buit te onderzoeken en over de goudvischkommen en de flesschen te verdeelen, die voor de helft met schoon water zijn gevuld. Er komt nu veel meer voor den dag, dan ge meent gevangen te hebben; want tusschen de waterplanten waarmede de flesschen zijn aangevuld, krioelde het van kleingoed, dat op het droge niet in het oog viel. Breng niet meer kroos of planten in elke flesch, dan noodig is, om de oppervlakte losjes te dekken en laat alles een poosje rustig staan, niet in de zon; ga nu uw handen flink met zeep wasschen en dan begint de studie.

„Ja,” zullen wellicht vele van onze lezers denken, „dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar we kennen niet eens de namen van al die vreemde dieren en planten en ’t wiemelt zoo door elkaar, dat er geen oog op te houden is; zoo gaat het nauwkeurig bekijken niet licht.”

Dat is zoo; als men van die dingen weinig of niets weet, valt het onderscheiden moeilijk, en iedere jongen heeft ook niet zooveel tijd en volharding als de twee vrienden Jan en Antony van zooeven. Toch is het mijn plan niet, u op het rijtje af de levensgeschiedenis van alle dieren, die ge daar op de vensterbank hebt staan, te vertellen, of stuk voor stuk hun uiterlijk te beschrijven. Dat gaat ook niet aan, want het is mogelijk, dat ge, vogels en zoogdieren uitgezonderd van alle orden, waarin de geleerden de dierenwereld hebben verdeeld, vertegenwoordigers onder de oogen hebt; van de insecten de meeste, maar ook van de kruipende dieren, van de schaaldieren, van de weekdieren en van wat al meer. Als ik u alles vertelde, zou er ook voor eigen waarneming niet veel overblijven, en daarom is het toch eigenlijk te doen.

Het beste zal zijn, u van eenige veel voorkomende diersoorten een uitvoerige vorm- en levensbeschrijving te geven, die u tot steun kan strekken bij het nagaan der overige; zoo ter loops komen dan de meeste andere wel ter sprake, want van de één vertellen, zonder vele andere te noemen is niet mogelijk; door hun levenswijze staan al die slootbewoners zóó nauw met elkaar in verband, dat het wel schijnt, of de één alleen geschapen is, om de ander het leven mogelijk te maken.

Bovendien zullen u de plaatjes wel met de meeste, al is het dan ook oppervlakkig, bekend maken.