Part 10
Die paarsbruine kleur is eene herinnering aan het voorjaar; op uw wandeling in April en Mei hebt ge die wel meer opgemerkt—vooral bij waterplanten. Midden in den zomer zult gij hem aan bladeren en knoppen zelden opmerken, maar in den herfst vertoont hij zich weer overal: in de vallende bladeren van de eiken, zoowel als in de jonge blaadjes van uw vlierstruik, die onvermoeid in October nog weer eens uitbot.
Men meent vrij zeker te weten, dat deze kleurstof, die met een vreemd woord anthokyaan (bloemenpaars) genoemd wordt, het vermogen bezit, om licht te veranderen in warmte. In die kleur vinden de planten dus gelegenheid, om in den kouden tijd nog warmte genoeg te verzamelen, om te kunnen leven, het zij dat leven begint, zooals in ’t voorjaar, of in de droeve herfstmaanden nog wat gerekt moet worden.
Zonder warmte is er voor de planten geen leven! De warmte is het ook, die in het voorjaar het sein tot ontwaken geeft. Een kleine temperatuursverhooging is voor de wortelstokken in den slootbodem het teeken, dat het ijs en de sneeuw geweken zijn en dat de watermassa van de sloot doorwarmd is. Nu boren de spitse knoppen van de waterlelie door het slijk omhoog, ze lijken wel puntige sigaren; ze bestaan eigenlijk uit een enkel opgerold blad, dat zich in het water dadelijk ontplooit. Blijft het onder water, want verscheidene bladeren van waterlelies bereiken de oppervlakte nooit, dan is het dadelijk groen, maar de opstijgende worden geheel paarsrood, naarmate zij de oppervlakte naderen.
Na eenige dagen wordt hun bovenkant groen, maar de onderzijde blijft rood, den heelen zomer door. Dat rood vangt de warmte op en houdt die in het blad. Hoe heerlijk koel moet het in den heeten zomer onder die bladeren zijn—dat weten de vorentjes ook!
Eenigen tijd na de bladeren komen de bloemen te voorschijn—in de laatste helft van Mei. Gevulde bloemen zijn het—die komen in ’t wild anders niet zoo heel veel voor. Weet ge, hoe de tuinier gevulde rozen kweekt? Een roos in wilden staat is altijd enkel; hij bezit maar een krans van vijf kroonbladen, daarbinnen eene menigte meeldraden. Door kweeking nu brengt de tuinier het zoover, dat de meeldraden zich weelderiger ontwikkelen, zich vergrooten en verbreeden, kortom, zich veranderen in kroonbladen.
Hoe dit nu mogelijk is, kunt gij gemakkelijk zien bij het ontbladeren van een witte waterlelie. Eerst komen vier kelkbladen, van buiten groen van binnen wit; daar lijken ze dus al op kroonbladen. Dan volgen eenige kransen smetteloos witte kroonbladen.
Hoe verder ge echter met het ontbladeren vordert, des te smaller worden ze en weldra krijgt ge er te zien, die aan hun top een weinig verfrommeld zijn en een geel tipje dragen. Verder naar binnen ontwikkelt dat gele tipje zich langzamerhand tot een helmknop, terwijl het versmalde kroonblad zelf ineenslinkt tot een platte helmdraad. Binnen die meeldraden zit de stamper, een groote, met vele platte stempels, en daar valt meestal het stuifmeel uit meeldraden van dezelfde bloem op. Want de witte waterlelie heeft geen bijzondere inrichting voor kruisbestuiving. Alleen zijn de meeldraden iets later rijp dan de stampers, zoodat de laatste in die korte poos met stuifmeel van andere bloemen, door insecten aangebracht, bedekt kunnen worden.
Maar wij vragen bij de waterlelies niet naar bijzondere inrichtingen, het is ons voldoende, hun stille pracht gade te slaan, onder den wolkeloozen Junihemel in de warme zomerzon! Een eenig genot is het, dan op een van onze groote veenplassen in een bootje rond te drijven, omgeven door duizenden en duizenden dezer witte waterrozen. Ze steken even boven het water uit, een of twee centimeter; maar de nog niet geheel ontwikkelde knoppen liggen gedeeltelijk nog in het water, een weinig schuin. Omlaag tusschen de bruine stelen schieten heele scholen vorentjes voorbij, duistere, spookachtige gestalten. Voor horizon hebben we een dichten rietzoom, waar boven de warme lucht trilt en van waaruit van alle zijden het gezang der karakieten ons tegenklinkt. Binnen den rietzoom niets dan bloemen en plekjes water, blauw, doordat de blauwe lucht erin spiegelt. Tusschen die tallooze witte waterlelies ontwaart ge ook gele, die vallen niet zoo in het oog, al is hun aantal misschien grooter.
Zij hebben dezelfde bladeren, maar de bloemen zijn veel kleiner en minder schoon. Ze zijn wat zuiniger, wat de kroonbladen betreft. Eenige kleine blaadjes of eigenlijk buisjes, honingbuisjes, is alles, wat er van de kroon over is en de kelk moet nu de eer van de bloem redden; die is wat grooter en aan de binnenzijde heldergeel, zoodat een beginner in de bloemenwetenschap hem voor de kroon zelve gaat houden, en denkt, dat een kelk ontbreekt. Waarom die vijf heldergele blaadjes nu toch kelk moeten heeten? Laat ons bootje maar in een veld gele plompen drijven, dan zult ge het zien.
Ge weet, dat de plantkundigen onder kelk verstaan: een of meer meestal groene blaadjes, die het buitenste bloembekleedsel vormen en voornamelijk tot taak hebben, de bloem te beschermen, zoolang ze nog niet geopend is.
Zie nu eens om u. Daar drijven tien, twintig knoppen van onze gele waterlelie, ze zijn allemaal groen, het knopomhulsel wordt gevormd door vijf groene blaadjes, die met de randen over elkander sluiten. Opent ge een jongen knop, dan zijn die blaadjes aan de binnenzijde nog groen, bij grootere echter geel, zoodat, als de knop zich opent, vijf gele blaadjes te zien komen, die echter aan den kant, naar het water gekeerd, nog groen zijn—herinnering aan hun kelktijd.
Fijner, vlugger, fraaier dan de gele waterlelies zijn andere gele bloemen, maar van lichter geel, het geel van zwavel. Ze zijn vrij groot in omtrek, niet veel minder dan de gele waterlelies, en verheffen zich op een dun steeltje boven het water, zoodat de geheele bloem met haar dunne, vloeipapieren kroonbladeren met iedere windvlaag meewappert, met ieder zuchtje meetrilt. De bladeren van de plant—ook weer rond—drijven op het water—ze zijn iets grooter dan een rijksdaalder—bruingroen, dikwijls met een krans van bruine, ook wel van heldergroene vlekken. Die bladeren en de bloemen komen uit een bleekgroenen stengel, die schuin opstijgend uit den bodem te voorschijn komt, waar in den modder de lange wortelstok ligt vastgeworteld. Het is de watergentiaan (Limnanthemum nymphaeoïdes). We hebben menige dure buitenlandsche plant in onze vensterramen, die lang zoo mooi niet is.
Het zou eigenlijk veel prettiger zijn, indien we in onze huizen wat meer Nederlandsche bloemen teelden. Ik zou u er dadelijk vijftig kunnen noemen, die op zijn minst even mooi zijn, als al uw Cineraria’s en Petunia’s. Gij kunt ze zelf buiten gaan halen en groeien ze dan voorspoedig in uw vensterraam, dan hebt ge op ieder oogenblik van uw drukke stadsleven een aanleiding om te denken aan de bonte wei, de blonde duinen, de geurige hei of de frissche waterplassen, en aan den heerlijken lentedag of zomermorgen, toen gij uw pleegkinderen hebt ingezameld.
Ik zeg dat hier, omdat ik drie jaren achtereen watergentianen geteeld heb op een derde verdieping, niet in een vijver, maar in potten, gewone roode, aarden bloempotten. De eenige kunst is maar, de planten te krijgen—anders gaat alles bijna van zelf.
Eerst moet je een plaats weten, waar altijd veel watergentianen groeien. Ga daar in April heen—dan zijn de blaadjes van de plant nog niet eens zichtbaar, want de watergentiaan bloeit pas met het begin van Juli. Nu komt het er op aan een stuk wortelstok uit de bodem machtig te worden en dat doet ieder weer naar zijn bijzonderen aanleg en natuur.
Ik ga altijd maar te water, en grabbel dan net zoo lang tot ik iets, dat in het gevoel op een wortelstok lijkt te pakken heb. Dat wordt dan met kracht en geweld losgerukt en ik ben dan tevreden als ik een zwartig, glimmend stokje van een dM. lengte bezit, waaraan zich op onregelmatige afstanden eenige dikke knoppen bevinden. Je kunt ook wel kunstige dreggen en graafmachines uitvinden, om wortelstokken te krijgen, zonder te water te gaan; ook herinner ik me, dat we eens een stuk sloot ervoor hebben leeggehoosd—maar dat is allemaal erg omslachtig.
We hebben nu een stuk wortelstok. De beide uiteinden zien er wat gescheurd en gehavend uit; snij die met een scherp mes glad af—natuurlijk zoo zuinig mogelijk, opdat wij een groot brok overhouden. Ook bevinden zich aan onzen wortelstok al worteltjes; merkt ge er daar een bij, die gescheurd is, dan moet hij netjes afgesneden worden, ook weer zoo dicht mogelijk bij de verminkte plek. Dit glad afsnijden doen we, om de wonden gemakkelijker te doen helen; gij weet bij ondervinding dat een wond, met een scherp mes toegebracht, betrekkelijk vlug geneest.
Nu onze buit ingepakt in vochtig mos en dan naar huis! Het planten is heel eenvoudig. We vullen een gewone bloempot met klei, niet met bloemaarde of tuinaarde, maar met klei tot een paar cM. beneden den rand. Daarin planten we den wortelstok op een diepte van 5 cM. en zetten dan het heele boeltje vierentwintig uren in een emmer vol water. Dan heeft de klei zooveel water opgenomen, als zij maar kan—en klei kàn veel water opnemen.
Nu zetten we de pot in een schoteltje voor ’t raam—liefst buiten: en als we nu alleen maar zorgen, dat we voortdurend een halve cM. water boven de klei houden—iets, waarvoor gemakkelijk te zorgen valt, vooral als de klei wat ineengestampt is—dan hebben we binnen een week of vijf een prachtige sierplant, en een overblijver op den koop toe. Want iederen zomer komt de plant weer rijkelijker op, totdat uw pot bedekt is met de ronde rijksdaalder-bladen, die elkander omhoog dringen en waaruit tien, twintig prachtige gele sterrebloemen zich verheffen.
De menschen, die je bezoeken, hebben natuurlijk nooit zoo iets gezien en als het ergens goed voor was, zou je ze kunnen wijsmaken, dat je daar Oost Indische kers van de Sierra Leona hadt, of iets dergelijks.
In een gewoon aquarium wil de Watergentiaan ook wel bloeien, als hij goed licht krijgt en niet alleen maar in zuiver zand wortelt.
Nu zijn er honderd redenen, om den bodem van ’t aquarium met zuiver zand bedekt te hebben—liefst zelfs gezuiverd zand—gewasschen in helder water, tot het geen troebeling meer opleverde en nagespoeld met kokend water. Ook de kiezelsteenen en schelpen, die tot opvroolijking van den bodem en tot schuilplaats voor de dieren dienen, moeten eerst behoorlijk gewasschen en gereinigd worden.
Willen we nu toch planten in ons aquarium kweeken, die kleigrond of veengrond noodig hebben, dan moeten we die in afzonderlijke potjes planten, welke in den zandbodem worden vastgezet. Leege vleeschextract potjes zijn hiervoor uitstekend geschikt. Om nu te voorkomen, dat de aarde uit deze potjes het water van het aquarium verontreinigt, is het wenschelijk, ze niet geheel met klei of veen te vullen, maar er een bovenste laag van 1 cM. dik, bestaande uit gewasschen grof zand of fijne kiezel in aan te brengen.
De zandbodem in het aquarium zelve behoeft niet dikker te zijn dan 3 cM.; de potjes, waarin we onze bloeiers telen zijn al gauw 6 cM. hoog of hooger. Ze moeten daarom liefst in de hoeken geplaatst worden en omgeven met stukken kiezel of schelpen; dat staat keurig.
Witte en gele plompen kunnen op dezelfde wijze gekweekt worden, maar hebben veel meer ruimte noodig.
Probeer het maar eens—een vensterbank met zes potten vol rijkbloeiende witte waterrozen is de moeite en inspanning, die er voor vereischt worden, wel waard. Het spreekt van zelf, dat Waterpest en de andere waterplanten, die gewoonlijk in den slijkbodem wortelen, maar welke gij gerust in het zuiver zand van uw aquariumbodem kunt plaatsen, ook wel een hapje klei willen. Onthaal de waterpest er eens op in goed licht, dan blijft er in uw heele aquarium geen plaatsje voor een andere plant over!
Naast en tusschen de plompen, maar ook in smalle slootjes, waar de groote planten geen ruimte genoeg vinden, drijft en groeit het kikkerbeet.—Dat is weer een mooi plantje voor het aquarium—want het drijft vrij in het water, 2, 3, 4 rozetten van verkleinde plompblaadjes aan een langen dunnen liggenden stengel. Uit ’t midden der rozetten verheffen zich de witte bloemen, bestaande uit 3 groote, witte blaadjes met drie kleine groene er buiten. Ze staan op stengeltjes, die ongeveer 1 cM. boven het water uitsteken. In sommige rozetten hebben de bloemen alleen meeldraden met gele helmknoppen, in andere alleen 6 stijlen met gele stempels. Vliegen zorgen voor de overbrenging van het stuifmeel. De bloemen staan in groepjes van drie of meer bij elkander en zijn vóór hun ontluiken geborgen tusschen twee holgebogen blaadjes.
De wetenschappelijke naam van kikkerbeet is Hydrocharis morsus ranae, hetgeen overgezet zijnde luidt: iemand, wien het water dierbaar is en die tegelijk een lekker hapje oplevert voor de kikkers.
De vleeschetende kikkers worden er wel meer en ten onrechte op aangezien, dat ze nog in meer planten of bloemen happen; aan die omstandigheid heeft de geheele familie der Ranonkels haar naam te danken, want Ranunculus beteekent alweer kikkertje, en Batrachium, de Grieksche wetenschappelijke naam der waterranonkels, beteekent hetzelfde.
Tegen de Batrachiums heb ik verschillende grieven, gelukkig niet van zoo ernstigen aard, of ik kan nog met genoegen denken aan de witte bloemen-kussen, waarmede ze in Mei en Juni en Juli onze slooten bedekken. Maar vooreerst weten ze nog maar weinig van kruis-bestuiving; bijna altijd komt stuifmeel van dezelfde bloem op de stempels, ja, bij hoogen waterstand getroosten vele Batrachiums zich niet eens de moeite, hun bloemen boven water te verheffen om ze daar te ontplooien. Ze houden de koppen stilletjes onder water, daar gaan dan de helmknoppen open en het stuifmeel valt zoo maar op de stempels. Dat getuigt van weinig liefhebberij.
Dan nog hebben de geleerden verscheidene soorten van Batrachium onderscheiden, die op papier ook nog al tamelijk uit elkander te houden zijn, maar er zijn in de natuur zooveel tusschenvormen, die met twee of drie beschrijvingen tegelijk overeenkomen, dat ge met uw „Flora’s” er bij, hoe langer hoe meer in onzekerheid en twijfel verzinkt. Eindelijk besluit ge er toe, uw exemplaar dan toch maar voor uw herbarium te drogen en er Batr. Peteveri met een vraagteeken of een dergelijke wanhoopskreet op te plakken, maar als ge na eenige dagen uw pers opent, is de geheele kwelgeest een zwart monster geworden.
Eigenlijk ligt dat alles aan de inrichting der bladeren. De Batrachiums toch, hebben vaak drijvende en tevens ondergedoken bladeren, de drijvende vertoonen vormen, wisselend van den klimopvorm tot die van de bladeren van de gewone boterbloem; de ondergedoken zijn à la Hoornblad of à la Blaasjeskruid fijn haarachtig verdeeld. Maar de bloempjes zijn mooi wit en ze hebben gele hartjes en—zooals ik reeds gezegd heb—ze vormen in de zomermaanden op slooten en plassen een dicht, schitterend wit, sneeuwen dekkleed.
Ook willen ze in het aquarium altijd heel goed voort; ’t zijn eigenlijk de eenige waterplanten, die in een gewoon aquarium echt welig willen bloeien, die ik ken. Vooral de soort met fijnverdeelde, stijve blaadjes (B. divaricatum) kan ik aanbevelen, die is in alle veenslooten te vinden, maar neem de voorzorg, uw planten terdege af te wasschen in schoon water, voor gij ze in uw aquarium introduceert, want zoo’n veensloot zit vol ongerechtigheid!
Nu hebben we nog een waterplant, ook met witte bloemen; daar zullen we nog even naar omzien, dan hebben we voor dezen zomer genoeg gedaan. Kroosbloempjes schijnen we maar niet te kunnen vinden, daar zullen we het volgend jaar nog eens naar uitzien, als we de bloemen van den waterkant onderhanden zullen nemen. Gij kunt ook niet alles ineens vinden. Doch ter zake.
Die plant dan, welke ons nog rest, is alweer geen zeldzaamheid, maar toch een allermerkwaardigst gewas. Millioenen en millioenen groeien er in ons veenachtig vaderland en ze hebben niet weinig tot de vorming ervan bijgedragen. Van verscheidene onzer vaarten bedekken ze den bodem geheel—neen, niet de afgestorvene, maar de levende planten—want ze leven bijna altijd geheel onder water. Bijna altijd—slechts tweemaal in het jaar komen ze boven, ééns, om te bloeien en eenmaal om hun zaden uit te strooien. Het overige van hun leven brengen ze op den bodem door, wortelend in den slijkbodem en zich vertakkend naar alle kanten. Gij hebt ze dikwijls genoeg gezien, dichte rosetten van lange, spitse bladeren, die aan hun randen voorzien zijn van stekelige punten, daarnaar heeten ze water-aloë. (Stratiotes aloïdes: de weerbare krijgsman, die wel wat heeft van een aloë).
Het volk noemt ze scheeren- of krabbeschaar. En dat bewijst weer, dat „het volk”, als het er maar eenmaal aardigheid aan heeft, danig goed weet op te merken, en voor een treffende waarneming altijd direct een passenden naam bij de hand heeft. Een goede volksnaam is een schat voor de wetenschap. De krabbeschaar in kwestie, waar onze plant zijn naam aan ontleent, is te vinden aan den bloemsteel een paar cM. onder de bloem zelf. Daar zitten een paar blaadjes, die zoo gevormd en vergroeid zijn, dat ze zeer veel gelijken op de scharen van een krab of kreeft.
Van Mei tot Augustus vindt ge de bloemen. Die hebben het voor bloemen nog niet heel erg ver gebracht; ze mochten wel wat meer moeite doen, om tusschen de bladeren te voorschijn te komen, want dat hebben ze hard noodig. Ze lijken veel op die van kikkerbeet (Hydrocharis morsus ranae—dit latijn zet ik erbij om verwarring met Batrachium te voorkomen). Maar ze zijn grooter en voller. Vielen ze maar wat meer in ’t oog, want zonder de hulp van insecten kunnen ze ook weer onmogelijk zaden voortbrengen. Dat komt, doordat—evenals bij hydrocharis—op de eene plant weer niet anders dan bloemen met meeldraden voorkomen, terwijl die op een andere plant niet anders bevatten dan stampers.
Het stuifmeel is kleverig en niet overvloedig, de stempels zijn klein, de bloemen steken in ’t geheel niet in de hoogte, zoodat de wind niet voor de overbrenging van het stuifmeel kan zorgen, insecten moeten dat doen. Nu doet de bloem wel eenige moeite, om insecten te lokken—ze biedt ze honing aan—en nog al veel ook, want in iedere bloem zitten 24 honingmachines.
Gij kunt ze gemakkelijk vinden: gij hebt ze misschien al voor meeldraden aangezien, een verklaarbare vergissing, waarvoor ge u niet behoeft te schamen: de groote Linnaeus heeft ze ook begaan. Als gij de 3 groene kelkblaadjes en de 3 witte kroonblaadjes wegsnijdt, dan vindt ge in een kring rondom de meeldraden of de stampers 24 gele tongetjes 2 cM. lang en 3 mM. breed. Ieder tongetje heeft aan zijn voet een wit rond plekje en daar glinstert een droppel honing. Of zijn we aan den avond van een heeten zomerdag en ziet ge de droppeltjes niet, zet dan een paar van die ontbladerde bloemen in een glas water en de volgende morgen vindt ge uw gouden kroontje voorzien van een kring van diamantjes!
Jammer maar, dat de insecten de bloem toch in den steek laten, zoodat ze bijna nooit rijpe zaden oplevert. Over het algemeen brengen de waterplanten het maar zelden zoover. Elodea kan geen zaden vormen, doordat er in ons werelddeel geen stuifmeelbloemen van voorkomen; de zaden van Hoornblad en Duizendblad van Kikkerbeet en Scheeren worden maar zelden rijp, van het kroos hebben wij nog altijd geen bloempjes gevonden, zaden nog minder, met de Fonteinkruiden is het ook al zoo schitterend niet gesteld. De plompen evenwel brengen flinke zaden voort en de watergentiaan en waterboterbloem ook wel.
Het heeft er anders niet veel van, dat die planten, welke geen of maar weinig zaad voortbrengen, zouden uitsterven—integendeel. Ze vermenigvuldigen zich zoodanig, dat ze geheele watervlakten bedekken. Sloten groeien dicht, de vaart in sommige binnenwateren wordt bemoeilijkt en soms ernstig belemmerd, alles door de wonderlijke groeikracht dezer waterbewoners. Heeft een verlept stukje stengel waterpest in een kleine dertig jaar ons heele land en een goed stuk van Duitschland veroverd, een enkele plant van Kikkerbeet of wateraloë is voldoende, om in een jaar een vijver van 100 M2. oppervlakte te bedekken.
Als ge een enkel plantje Kikkerbeet goed beziet, dan bemerkt ge, dat de 5 of 6 drijvende stelen der blaadjes niet op eenzelfde punt bij elkander komen, maar dat ze op verschillende hoogte uit een zeer kort stammetje ontspringen—ieder blad afzonderlijk. Nu—waar zulk een blad uit het stammetje ontspringt, juist in den scherpen hoek tusschen de opstijgende bladsteel en het stammetje zelf, is een veilig plekje, waar de planten op hun gemak allerlei plannetjes ten uitvoer kunnen brengen. Zie maar eens in den zomer naar de boomen; in ’t hoekje van elken bladsteel vindt ge daar een klein groen puntje; in dat kleine groene puntje wordt de groei voor den volgenden zomer voorbereid. Wanneer in den herfst de bladeren afvallen, dan zijn op dat plekje, al geheel gereed, takken, bladeren en bloemen voor het volgende jaar.
Maar om op onze Kikkerbeet terug te komen, „Kikkergeld” zeggen ze in Harlingen. In het voorjaar vormt dat reeds knoppen in de bladoksels (zoo heeten de veilige plekjes tusschen de bladstelen en de stengel). Die knoppen groeien op lange stelen uit, doch deze stelen groeien niet opwaarts, zooals die der bladeren, maar evenwijdig aan de oppervlakte van ’t water—horizontaal dus. Ze groeien vrij snel (soms wel 1 cM. per dag) totdat ze ongeveer 1 dM. lang zijn, wanneer de knop zich niet meer in de schaduw der bovendrijvende bladeren bevindt. Dan houdt de groei van de steel op, maar de knop, die aan het einde er van zit, begint zich nu te ontwikkelen en zendt twee, drie, vier, vijf blaadjes omhoog, die, aan de oppervlakte drijvende, een nieuw kikkerbeetplantje lijken. Dat is het dan ook inderdaad, het krijgt worteltjes en brengt zelfs binnen korten tijd behalve bloemen—die ook al uit de bladoksels te voorschijn komen—op zijn beurt weer van die „uitloopers” voort.
Ieder plantje kan verscheidene uitloopers uitzenden, zoodat het u wel gebeuren kan, dat als ge een bloempje uit het water wilt trekken—een netwerk van twintig, dertig plantjes, door draadvormige strengels saamverbonden, er uit haalt.
Scheeren (Stratiotes) groeien precies op dezelfde manier—zij kunnen dus evengoed als kikkerbeet—zonder zaadvorming blijven voortbestaan. Dat kroos, op dergelijke wijze bijna, door uitbotting zich vermenigvuldigt, hebben we reeds gezien—gij begrijpt nu ook, dat onze kans op kroosbloempjes bedroefd klein is—de kroosplantjes kunnen ze missen.
Maar ’s winters? Hoe komen al die losdrijvende planten, kroos, blaasjeskruid, waterviolier, kikkerbeet, scheeren—den winter door?
Dat plompen- en fonteinkruid en waterranonkel en watergentiaan het ’s winters wel kunnen uithouden, is licht te begrijpen. We zeiden het vroeger reeds—hun eigenlijk lichaam zit beneden, onder den bodem in de modder, waar het bijna nooit vriest! Voordat de modder bevriest, zou eerst de geheele sloot in een ijsklomp moeten veranderen en anderhalven Meter diep vriest het niet licht—’s winters zijn door hoogen waterstand de slooten meestal nog dieper. De winterkwartieren van kikvorsch en salamander, van de larven van Hydrophilus en Dytiscus en van nog zoo vele andere waterbewoners, zijn dus ook een veilig verblijf voor de laatstgenoemde planten. Maar de eersten—die losdrijvers? Hadden ze nu maar zaden? Zaden kunnen wel tegen de koude, of zijn ze niet gehard, dan worden ze wel tegen de vorst beschermd. Hottonia en Utricularia—die de mooiste bloemen hebben en het hoogst boven water uitsteken, brengen het nog wel zoover, dat ze zaden vormen—maar vast durven ze er toch niet op te rekenen.
Ze nemen andere maatregelen tegen den winter en wij moeten op een helderen Octoberdag er nog maar weer eens op uit—om te zien welke.