In sloot en plas

Part 11

Chapter 111,919 wordsPublic domain

Het jaar wordt al oud—de wilgen zijn wit, veel witter dan in den zomer en van vele boomen bedekken de leege, dorre bladeren reeds den grond. Er zijn maar weinig bloemen te zien; in en om onze slooten en vaarten bijna geene. De laatste zwaluwen scheren langs het water en in de weide vertoonen zich de eerste bonte kraaien. De rietzangers, die zich in den zomer zonder ophouden lieten hooren, zijn reeds lang heen, in de verte tegen de donker grijsgrauwe rietzoom zwemt een zwarte koet met langzaam schokkende bewegingen. Aan een slootkant, een paar weilanden van ons, staat een groote vogel met langen nek en lange pooten; we behoeven ons niet in te spannen, om te zien of het een ooievaar of een reiger is—roodpoot bontmantel is al in Egypte of aan de Kaap—en de grauwe schrokkerige hongerlijder moet hier maar zien, hoe hij den winter zal doorworstelen.

De sloot draagt nog zijn groene mantel, maar er komen kale plekjes in en vlekjes ook. De plompbladen zijn weer donker, niet purper bruin, zooals in Mei, doch vuilzwart—ze zijn aan ’t rotten en zullen weldra wegzinken. Daar drijft ook kikkerbeet. Grijpt er met de hand naar, dan kunt ge meteen voelen, dat het water nog zoo kil niet is, als ge in deze maand zoudt verwachten. Ge zoudt er nog wel in kunnen zwemmen,—als wij soms nog om ’t een of ander belangrijks moeten waden, kunnen we het ook nog gerust doen—voor half November zit er geen kramp in het water.

Maar ge houdt reeds eenige kikkerbeet-rozetten in de hand en ge hebt het winter-mysterie van de plant al voor uwe oogen. Het komt natuurlijk weer uit de bladoksels. Een stuk of vier uitloopers zijn het, maar iets anders gevormd dan die in het voorjaar groeiden. De knoppen zijn grooter en vaster, de stelen korter. Houdt ge het plantje in het water, dan ziet ge, dat die stelen ook niet horizontaal verloopen, maar onder het gewicht der zware knoppen naar beneden ombuigen. De voorjaarsknoppen ontwikkelen zich naar boven, deze echter zoeken den bodem. In een paar dagen laten ze los, zinken, en wachten beneden het voorjaar af. De oude plant kan nu ook gerust verzinken en vergaan.

Wat verder is een plek met fonteinkruid—crispus is het. Ofschoon het door zijn wortelstok er zeker van kan zijn, den winter te overleven, neemt het nog andere maatregelen. Zie maar naar de toppen der drijvende takken. Daar hebben zich wat blaadjes gevormd, die veel korter maar tegelijk veel dikker en steviger zijn dan de andere. Ook staan ze veel dichter bij elkander. Als nu de drijvende takken gaan verrotten, blijven deze toppen levend—ze zakken ook naar den bodem, waar de vergane bladeren een beschermend modderlaagje over hen heen vormen. Scheren zien we niet—die moeten we ook niet aan de oppervlakte, maar op den bodem zoeken. We vinden spoedig een ondiep plekje, dat er mede bevloerd is, en wat zien we nu? De oude scheren zijn allemaal donker, sommige zijn al vergaan, maar daartusschen liggen honderden jonge scheertjes. Die overwinteren daar op den bodem, als volkomen plantjes.

Eigenlijk zijn de winterknoppen van het fonteinkruid ook nog plantjes, maar minus de wortels, en wanneer we een winterknop van de kikkerbeet uit elkander halen, dan vinden we binnen de buitenste harde blaadjes, die een beschermend omhulsel vormen, ook een klein kikkerbeetplantje, maar dicht ineengedrongen, en kleurloos en stijf. Bij de drie planten, die wij gevonden hebben, komt het dus hierop neer, dat een verkleind plantje den bodem opzoekt en daar in min of meer gunstige omstandigheden den winter doorbrengt.

De gunstige omstandigheden bestaan hierin, dat de knoppen of planten (want de winterscheeren zijn volkomen planten) kleinere afmetingen aannemen, dat ze bedekt worden door de overblijfselen der vergane, oude planten en dat ze zooals Hydrocharis, soms in een beschermend omhulsel opgeborgen zitten.

Maar het is te koud, om hier zoo stilletjes over al die dingen te staan keuvelen, en om zes uur is het donker. Laat ons nog eens verder zien. Daar is hoornblad ook, dat heeft zijn winterknoppen ook al klaar, op de manier van het fonteinkruid, maar de verdeelde blaadjes zitten zoo dicht op elkander, dat ze afzonderlijk haast niet in het oog vallen—het geheel is een ruige bol. Nu weet ik nog ergens een plek, waar Hottonia’s gestaan hebben. Wat een verschil met Juni. Nu geen lichtkaarsjes, maar een vuile, grauwe massa, waaruit wat scheeve stengels omhoogsteken. Tusschen de rottende bladeren vinden we nog aan de stelen vastzittend eenige groene ballen—juist als bij het Hoornblad—dat zinkt alles naar den bodem in de modder. En het kroos?

Als we over een paar maanden gaan schaatsenrijden, dan zullen we nog wel eens langs slooten komen, waar het ons in onze vaart stuiten zal, vooral wanneer het wat gedooid heeft. Het rot niet weg gelijk de andere planten, maar leeft tot in den winter en vriest dan in. Voor dien tijd heeft het echter reeds zijn overwinteringsknoppen naar omlaag gezonden, want als het ijs in Maart uit de slooten verdwijnt, dan is het oude kroos dood en zinkt weg. Als ik u nu nog vertel, dat het Blaasjeskruid op dezelfde manier overwintert als Hottonia, dan kunnen we wel naar huis gaan.

We nemen wat winterknoppen mede voor ons aquarium. Zullen ze zich daar—in de lauwe warmte van onze woonkamers eerder ontwikkelen en vroeger weer naar boven komen drijven dan in de vrije natuur?

Neem maar eens de proef. Tot zoolang, vaarwel!—We moeten toch nog eens samen op kroosbloempjes uit!

J. P. T.

LIJST, OM DE NAMEN TE VINDEN VAN DE VOORNAAMSTE NEDERLANDSCHE WATERPLANTEN.

Wij noemen alleen die planten waterplanten, die in ’t water groeien en geheel door ’t water gesteund worden; sommige drijven los aan de oppervlakte rond, andere zweven geheel onder water, de meeste wortelen in de slijkbodem. Alleen hun bloemen steken boven water in de lucht uit. Planten, zooals riet, lisschen, lischdodden, die wel met hun voet in ’t water staan, maar waarvan de bebladerde stengels zich steeds in de lucht verheffen, worden niet tot de waterplanten gerekend. Want die kunnen ook in vochtigen bodem tieren.

1. De plant bestaat uit niets anders dan ronde of langwerpig 2 ronde groene schijfjes, met of zonder wortels, niet grooter dan een paar m.M. Kroos De plant heeft een duidelijken stengel met bladeren 5 2. Schijfjes, zoo groot als een speldeknop, zonder wortels. Wortelloos Kroos. Lemna arrhiza Linn. Schijfjes worteldragend 3 3. Eén worteltje aan elk schijfje 4 Meer dan één worteltje. Veelwortelig kroos. Lemna polyrrhiza Linn. 4. Schijfjes langwerpig rond, aan één zijde in een punt uitloopend. Puntkroos. Lemna trisulca Linn. Schijfjes rond, aan de onderzijde halfbolrond. Bultig kroos. Lemna gibba Linn. Schijfjes rond, aan de onderzijde vlak. Klein kroos. Lemna minor Linn. 5. Plant met bladeren, aan den rand met stekeltjes bezet. 6 Geen stekeltjes langs den bladrand 8 6. Veel bladeren in één bundel bijeen, bloemen wit. Scheeren. Stratiotes aloides Linn. Bladeren aan een stengel, bloemen groen en onduidelijk. 7 7. Het onderste deel van het blad heeft gave randen. Groot Nymfkruid. Najas major All. Onderste deel van het blad fijn uitgetand. Najas minor All. 8. De blaadjes drijven op ’t water in twee regelmatig geordende 9 rijen Blaadjes niet in rijen 10 9. Blaadjes langwerpig rond duidelijk afzonderlijk. Salvinia natans. Blaadjes dicht opeen, zoodat ze te samen een veelhoekig geheel vormen. Rood kroos. Azolla. 10. Alle bladeren zijn onverdeeld 11 De bladeren of ten minste de ondergedompelde zijn verdeeld 30 of samengesteld 11. Ronde bladeren 12 Langwerpige bladeren (hoogstens 7 maal zoo lang als breed) 15 Grasachtige bladeren (minstens 12 maal zoo lang als breed) 23 12. Bloem wit (soms met een geel hart) 13 Bloem geel. 14 13. Bloemkroon bestaande uit 3 witte blaadjes. Duitblad. Hydrocharis morsus ranae. Bloemkroon bestaande uit meer dan twintig groote witte bladen. Witte waterlelie. Nymphaea alba. 14. Vijf meeldraden. Watergentiaan. Limnanthemum nymphaeoides. Meer dan 10 meeldraden. Gele waterlelie. Nuphar luteum. 15. Bloempjes bij minstens 2 tegelijk op rechte stelen boven ’t 16 water uitstekend. Fonteinkruiden Bloempjes alleenstaand op een steel 20 Bloempjes ongesteeld 22 16. Tweeërlei bladen: breede, die op ’t water drijven en smalle 17 onder water Alle bladen ongeveer eender van vorm 18 17. Drijvende bladeren meer dan 4 cM. groot, ondergedoken bladeren duidelijk gesteeld. Drijvend Fonteinkruid. Potamogeton natans. Drijvende bladeren korter dan 4 c.M., ondergedoken bladeren ongesteeld. Grasbladig Fonteinkruid. Potamogeton gramineus. 18. Alle bladeren twee aan twee. Dicht Fonteinkruid. Potamogeton densus. Sommige bladeren alleenstaand 19 19. Stengel door den voet der bladeren heen gegroeid. Doorgroeid Fonteinkruid. Potamogeton perfoliatus. Stengel vrij, bladrand gekroesd. Gekruld Fonteinkruid. Potamogeton crispus. Stengel vrij, bladrand fijn getand. Glanzig Fonteinkruid. Potamogeton lucens.

ALLEENSTAANDE BLOEMEN.

20. Bladeren alleenstaand, bloempjes groot, wit, in vorm op boterbloempjes gelijkend. Waterboterbloem. Batrachium hederaceum. Bladeren bijna alle drie aan drie staand, ongesteeld. Waterpest. Elodea canadensis. Veel langwerpige, duidelijk gesteelde blaadjes bijeen; uit hun midden komen langgesteelde bloempjes. Slijkgroen. Limosella aquatica. Blaadjes twee aan twee; de drijvende soms stervormig 21 gerangschikt 21. Drie meeldraden in elk bloempje. Montia. Vier meeldraden. Potamogeton densus. Zes meeldraden. Steel-elatine. Elatine hexandra. Eén meeldraad. Sterrekroos. Callitriche aquatica. 22. Drie meeldraden. Kruis-elatine. Elatine triandra. Vier meeldraden. Waterlepeltje. Isnardia palustris. Zes meeldraden. Waterpostelein. Peplis portula. Acht meeldraden. Kleine elatine. Elatine Hydropiper.

WATERPLANTEN MET GRASACHTIGE BLADEREN.

23. De bloempjes hebben meeldraden en stampers 24 De bloempjes hebben òf alleen meeldraden òf alleen stampers. 27 Er zijn geen bloempjes aan de plant, wel een soort van vruchtjes, zoo groot als erwten. Pilkruid, Pilularia globulifera. 24. Twee meeldraden 25 Drie meeldraden 26 Vier meeldraden. Klein Fonteinkruid. Potamogeton pusillus. Zes meeldraden. Priemkruid. Subularia aquatica. 25. Vier stampers. Snavelruppia. Ruppia rostellata. Acht stampers. Zeeruppia. Ruppia maritima. 26. Kleine bloempjes met 6 dekblaadjes. Bloembies. Juncus supinus var. fluitans. Bloempjes zonder dekblaadjes. Vlottende bies. Scirpus fluitans. 27. Bloempjes onduidelijk, ongesteeld 28 Enkele bloempjes langgesteeld, met meeldraden die ver naar buiten uitsteken. Oeverkruid. Littorella juncea. 28. Bladeren niet langer dan 6 cM., bloemen in de hoeken tusschen blad en stengel (bladoksels). Zanichellia. Bladeren langer dan 1 dM., meestal veel langer, zeeplant 20 29. Bladeren met slechts 1 of 3 duidelijk zichtbare nerven. Klein Zeegras. Zostera nana. Bladeren met 5–7 nerven. Zeegras. Zostera marina.

WATERPLANTEN MET GESTEELDE BLADEREN.

30. Bloemen wit 31 Bloemen geel, tusschen de bladslipjes zitten kleine blaadjes 34 Bloemen paars 36 Bloemen ongekleurd 37 31. Vier meeldraden, drijvende bladeren ongedeeld met verdikte bladstelen. Waternoot. Trapa natans. Vijf meeldraden, bloemen in schermen. Moerasscherm. Helosciadium inundatum. Meer dan 5 meeldraden, bloem gevormd als een boterbloempje 32 32. Alle blaadjes fijn haarvormig verdeeld 33 De drijvende blaadjes zijn onverdeeld. Waterranonkel. Batrachium aquatile. 33. Bladslippen in ’t rond uitgespreid. Stijf. Waterranonkel. Batrachium divaraticum. Bladslippen niet in ’t rond uitgespreid en slap. Waterranonkel. Batrachium fluitans. 34. Blaasjes aan alle of de meeste bladeren verspreid 35 Blaasjes afzonderlijk aan een onbebladerden stengel. Middelst Blaasjeskruid. Utricularia intermedia. 35. Slechts 1 of 2 blaasjes aan de bladeren, aan enkele geen een. Klein Blaasjeskruid. Utricularia minor. Veel blaasjes aan de bladeren. Gewoon Blaasjeskruid. Utricularia vulgaris. 36. Bloemen mooi groot, in kransen van vijf of meer. Waterviolier, Hottonia palustris. Bloemen klein, in dicht opeenstaande kransen, omgeven door fijn verdeelde blaadjes. Kransvederkruid. Myriophyllum verticillatum. Bloemen klein, in ruim staande kransen met kleine steunblaadjes. Aarvederkruid. Myriophyllum spicatum. Bloemen niet in kransen. Teer vederkruid. Myriophyllum alterniflorum. 37. Bladeren in kransen van vier, regelmatig verdeeld. Zie onder No. 36. Myriophyllum. Bladeren in veeltallige kransen, ongelijkmatig verdeeld. 38 38. Vrucht met 3 doorntjes, bladeren stijf. Gedoornd Hoornblad. Ceratophyllum demersum. Vrucht met 1 doorntje, bladeren slap. Ongedoornd Hoornblad. Ceratophyllum submersum.