In sloot en plas

Part 9

Chapter 93,996 wordsPublic domain

De blaasjes van het blaasjeskruid zijn vallen voor klein gedierte, het blaasjeskruid zelve is eene vleeschetende plant! De watervloo, die uit nieuwsgierigheid of in zijn angst om aan den een of anderen vervolger te ontkomen in zoo’n blaasje gekropen is, kan er nooit meer uit. In duisternis en afzondering moet het diertje na herhaalde vruchtelooze pogingen om te ontsnappen den honger- en verstikkingsdood sterven. De val is gesloten met een klep, die naar binnen, o zoo gemakkelijk opengeduwd kan worden, maar die door elke drukking naar buiten den uitgang slechts nog steviger afsluit.

De inrichting is heel eenvoudig.

Gij ziet, dat de blaasjes niet zuiver eivormig zijn, maar dat zij een bollen en een meer afgeplatten kant hebben. Die platte zijde, zouden we de buikzijde van het blaasdiertje kunnen noemen. De punt van die buikzijde is, waar de sprietvormige uitsteeksels zitten. Nu moet de loupe erbij te pas komen.

Op eenigen afstand van de punt ziet ge in de buikzijde een ongelijkheid, de blaasjeshuid is daar ingebogen. Neemt ge nu een dun stokje of een naald zonder punt, dan kunt ge u ervan overtuigen, dat het gedeelte van de punt af tot aan die inbuiging, los op den rand der inbuiging ligt en naar binnen er een eindje overheen steekt. Bij de minste aanraking ontstaat daar een opening. Zwemt nu een klein diertje tegen dit gedeelte aan, dan wijkt het onmiddellijk terug en de argelooze zwemmer, misschien door zijn instinct aangezet, om dit donkere hoekje na te snuffelen, raakt er binnen. Nu ligt de klep weer vlak op den rand, alleen door een trekkende beweging zou hij omhoog gehaald kunnen worden, maar onze gevangene kan niet anders dan duwen, en dat kost hem het leven.

Het lijk gaat tot ontbinding over en de verrottingsproducten, door den binnenwand van het blaasje opgezogen, zijn voedsel voor de plant. Gij weet, dat volwassen daphnia’s een schaal hebben. Die schaal verteert niet, maar kan evenmin als eerst het gevangen dier uit ’t blaasje weg en blijft daar dus liggen. Naarmate het blaasje meer slachtoffers maakt, komen er meer van die onverteerbare overblijfselen, zoodat het ten slotte vol raakt en buiten gebruik moet worden gesteld. Een onderzoeker heeft eens in zoo’n vol blaasje het stoffelijk overschot van 24 verschillende diertjes gevonden.

Zoo kan een enkele blaasjeskruidplant, die over een paar honderd vallen te beschikken heeft, een geduchte opruiming onder de kleine waterbewoners houden. Het zijn vooral soorten van Daphnia, Cyclops—al die éénoogigen—die gevangen worden, maar ook larven en zelfs kleine vischjes, want de blaasjes worden wel een ½ cM. groot.

Op de afbeelding hiervoor kunt ge zien, hoe zelfs jonge vischjes gevangen kunnen worden. Dat in fig. 2 is bij ongeluk met zijn staart in de opening geraakt, het kan er echter niet meer uit, daar de klep klemmend sluit. Hoe die twee blaasjes in fig. 3 samen dat eene vischje machtig geworden zijn, is een raadsel, maar ’t is toch waar gebeurd; al de afbeeldingen zijn naar de natuur geteekend door een Russisch onderzoeker.

In fig. 4 is een doorsnede van een blaasje gegeven, twintigmaal vergroot, terwijl in fig. 5 zeer vergroot (400 ×) de binnenwand van zoo’n blaasje te zien geeft. De uitsteeksels, vier aan vier geplaatst zuigen de voedende vloeistof op, welke door de ontbinding der gevangen dieren ontstaat.

Wanneer ge Utricularia’s houdt in een kom met zuiver water, dan gaan ze kwijnen, al zorgt ge nog zoo goed voor overvloedig licht. In heldere sloten, waar zich geen klein watergedierte ophoudt, kunnen ze ook niet tieren. Ze verhongeren letterlijk, ze kunnen uit het water niet genoeg voedingsstof opnemen: ze moeten gevoerd worden! Ze zijn zoo aan vette bouillon gewoon, dat ze van de dunne waterpap, waar andere planten mede tevreden zijn, ziek worden.

Gij begrijpt nu ook, dat het Blaasjeskruid geen wortels noodig heeft, zooals het kroos b.v. De blaadjes doen er min of meer den dienst van: zij toch zuigen de opgeloste voedingsstof op. Het hoornblad heeft ook maar zelden wortels, het ligt zoo geheel omringd door het voedende water, dat het vanzelf er geheel mede doordrongen wordt. Dat „vanzelf” is natuurlijk bij wijze van spreken—ik bedoel daarmede ongeveer hetzelfde als wanneer ik zeg dat water, waarin een varkensblaas vol melk wordt opgehangen vanzelf verandert in water en melk—de melk in de blaas ook—gij begrijpt alweer: Natuurkunde, Hoofdstuk zooveel, over Osmose.

Het kroos heeft zijn wortels wel noodig; de onderzijde van ’t plantje alleen zou niet genoeg kunnen opzuigen. Waterpest zou het wel zonder wortels kunnen stellen, voor zoover de voeding aangaat, maar hij heeft ze nog ergens anders voor noodig. De meeste waterplanten hebben wortels, die of vrij in ’t water hangen, zooals bij ’t kroos, of zich in den bodem vasthechten zooals bij waterpest, duizendblad, waterlelies, watergentianen, fonteinkruiden enz.

De wortels komen uitstekend te pas, als de sloot leegloopt of uitdroogt. Ik heb u al gezegd, dat eendenkroos dan niet het lot van de vischjes deelt, maar zich erin schikt, om op den modder nog te blijven leven.

Ja, de vischjes gaan dood, als de sloot uitdroogt, behalve de alen; die kruipen in den nacht door het gras, nat van den dauw, naar een ander waterpaleis. Larven verpoppen zich bij zoo’n gelegenheid, als ze ten minste niet al te jong zijn; dat de kikkers en salamanders en torren zich weten te redden, behoef ik u niet te zeggen. Heel kleine waterdiertjes hullen zich bij droogte in een dubbele huid, verslapen zoo den drogen tijd en worden door een plasregen weer tot nieuw leven gewekt.

Nu de meeste waterplanten, die in den bodem wortelen, kunnen den tegenspoed goed verdragen. Utricularia en hoornblad gaan onverbiddelijk dood, doch duizendblad en waterpest en de fonteinkruiden houden zich taai. Duurt de tijd van droogte wat lang, dan verwelken ook hun takken, en sterven af, maar dan zijn de planten zelven toch nog niet dood.

Loopt de sloot weer vol, dan ontspruiten uit den bodem weer nieuwe takken. Deze planten zijn zoo voorzichtig, zich niet geheel en al bloot te geven—hun eigenlijk lichaam zit in den vochtigen modder geborgen en wacht daar gelaten betere tijden af. Graaft ge een slootbodem om, dan vindt ge die stengels of wortelstokken gemakkelijk. Ze blijven soms heel lang hun levenskracht behouden; wanneer jaren na de uitdroging door de een of andere oorzaak de sloot weer vol komt, ontwikkelen zich onmiddellijk weder bebladerde stengels en bloemen. Houdt de droogte heel lang aan, dan moeten ze eindelijk sterven, of ertoe overgaan, een andere leefwijze aan te nemen en landplanten te worden.

Dit laatste is echter slechts weinigen mogelijk; wel zijn er planten genoeg, wien het tamelijk onverschillig lijkt te zijn, of ze al dan niet in ’t water staan—riet, blaartrekkende boterbloem, waterkers, veldkers—maar dat zijn toch eigenlijk allemaal echte landplanten, die tegen wat vochtigheid kunnen. Of ze in ’t water zijn of niet, brengt in hun uiterlijk geen verandering te weeg.

Maar ga nu nog eens in Juli of Augustus met mij uit waterplanten zoeken—misschien vinden wij de zeer verlangde kroosbloempjes dan ook nog—dan zal ik u nog eens een merkwaardig plantje laten zien. We behoeven niet veel breede slooten af te zoeken—vooral als het water niet al te brak en vuil is, of we hebben het gevonden. Plat op het water drijven een aantal spits-ovale bladeren (8 à 9 cM. bij 3), wel gelijkend op die van het drijvend fonteinkruid (de theeblaren), maar smaller en spitser, geel groen van kleur. Te midden van die bladeren verheffen zich een dM. hoog eenige rijkbloemige, rozeroode aren, allerliefste bloemetjes—waar ook nog wel iets aan te bekijken valt.

We zullen maar eens probeeren, zoo’n plant machtig te worden. Ze groeit ver van den kant, dus de haak moet erbij te pas komen en heel gemakkelijk gaat het ook niet, telkens slipt de kersroode bloemaar onder de vork vandaan: de plant is stevig in den bodem vastgeworteld. Nu kunt ge het topje grijpen, houd vast en trek voorzichtig—met kleine rukjes, anders breekt de stengel af. Knap—stuk is het reeds—afgebroken bij den wortel. Wat hebben wij nu?

Anderhalven meter slappe stengel, waaruit van afstand tot afstand lange slappe stelen ontspringen, die aan hun einde de reeds vermelde bladeren dragen. Dragen eigenlijk niet, de stelen zijn zoo slap, dat ze zichzelf niet eens kunnen dragen; zij verbinden de bladeren aan den stengel, zullen we maar zeggen. Het einde van den stengel, de roode bloemaar, is steviger: die kunt ge rechtop houden—maar overigens is de geheele plant een slappekoord geschiedenis—slap en glad; alles ligt in een lam hoopje op het gras.

Waartoe zou een waterplant ook stevig moeten zijn? Ja, een boom moet stevig wezen, anders waait hij om, en de slanke graanhalmen moeten kracht genoeg bezitten, om de aren omhoog te houden—maar een waterplant? Die vindt steun genoeg in het water, zoolang haar drijfkracht niet verloren gaat; en daarvoor is gezorgd, doordat stengels en stelen en bladeren voorzien zijn van luchtruimten, zwemblazen als ’t ware. Zoodoende staat een waterplant rechtop op dezelfde wijze als een stokje, aan welks eene eind ge met een touwtje een steen hebt vastgebonden, in het water rechtop blijft staan. Kroos drijft op het witte holle weefsel, dat aan de overzijde der blaadjes te zien is; het driekante kroos mist dat en drijft dan ook niet, maar zweeft gelijk het hoornblad, alles volgens dezelfde wet van Archimedes.

Nu begrijpt ge ook, waarom de bloeiaar van onze veenwortel (Polygonum Amphibium)—zoo heet de plant, die wij gevangen hebben—zoo stevig moet zijn, die heeft geen steun van ’t water te wachten. Laat ons de plant nog eens bezien. Gij merkt op, dat de onderste bladstelen langer zijn dan de bovenste—juist, zegt ge, dat is, omdat alle bladeren op het water moeten drijven en dus evenhoog moeten komen.

Goed, maar stel u dit nu eens voor. Als de bladstelen nu alle juist zoo lang zijn, en hun einde, waar aan de bladschijf bevestigd is, de oppervlakte van het water bereikt, dan komen de twaalf tot twintig bladeren van onze plant vlak bij elkaar, bij drieën of vieren op elkander gedrongen tegen de stengeltop aan te liggen—waarlijk geen voordeelige schikking, als ge bedenkt, dat ieder blaadje met zijn oppervlakte voedende lucht moet ophappen. Er moet een fout schuilen in onze redeneering.

Kijk maar in de sloot; daar verheffen zich nog meer van onze rozeroode aren en daar liggen de bladeren niet zoo dicht opeen, er zijn zelfs vrij groote ruimten water tusschen. Hoe is daarvoor nu gezorgd. Doodeenvoudig. De stelen, waarvan het begin 20 cM. onder water ligt, zijn niet 20 maar 30 cM. lang. Ze missen de kracht, om hun bladschijf die 10 cM. boven het water uit te tillen, de bladschijf moet op ’t water liggen, de steel, die door zijn drijfkracht niet in een bocht omhoog kan hangen, komt schuin gestrekt in het water en de bladschijf is 15 of 20 cM. van de bloemaar verwijderd—zoo komen de onderste bladeren het verste van den stengel af te liggen en elk blad heeft ruimte en lucht in overvloed.

Stop nu onze vangst in de plantenbus—botaniseertrommel zeggen ze in de winkels—straks zullen we er nog wel eens naar moeten kijken, hoop ik. Laat die kroosplantjes nu maar met rust, ge vindt toch de bloempjes niet en ik heb wat anders in petto.

Vroeger stond deze sloot hooger, voor een paar jaar echter is het polderpeil verlaagd; een vijvertje aan het eind van de sloot is drooggeloopen en nu een laag slecht weilandje geworden—nog nat en vol ontuig.

Ook een menigte roode bloemaren. Vergelijk ze met wat we in de bus hebben en ge zult zien, dat de bloempjes precies overeenstemmen!

Maar de planten zelve verschillen hemelsbreed—hier bij de landplant geen spoor van dat gladde, slappe en langgerekte. De stengel is matig lang, dik en stevig, de bladstelen kort en krachtig, de bladeren zelf ruig en bruin en kleverig. De heele plant is kleverig. En toch hebben we hier te doen met dezelfde plant. Wanneer we zaadjes ervan doen ontkiemen op den bodem van het water, dan ontwikkelt zich de watervorm, terwijl bij ontkieming op het droge de landvorm te voorschijn komt. Loopt een sloot, waarin de watervorm groeit, droog, dan zinken stengel en bladeren onmachtig op den bodem neer en sterven daar af, maar de wortelstok blijft in den bodem voortleven en ontwikkelt dit jaar nog—als ’t seizoen te ver gevorderd is, in ’t volgende jaar—een stevigen ruigen stengel met kortgesteelde kleverig behaarde bladen.

Er is zelfs wel in ons land een plant van deze soort gevonden, die uit zijn wortelstok twee stengels ontwikkeld had; de eene in het water, de andere op het land. Bladeren en stengels der beide helften geleken in het geheel niet op elkander, maar hadden den vorm aangenomen, die hun in hun omstandigheden het beste te pas kwam.

Wat beteekent die kleverigheid? Dat moet de bloem ons leeren. Zooeven, toen we de bloempjes vergeleken, hebt ge gelegenheid gehad, om te zien, dat ze maar klein zijn, doch heel sierlijk gevormd. Wanneer ge een van de ruim honderd bloempjes van de bloemaar afzonderlijk beziet, dan zult ge merken, dat een kelk ontbreekt en dat de kroon een fijn rozerood vijfpuntig klokje is, waarbinnen 5 meeldraden en 2 stijlen. Onderin, tusschen de meeldraden, ziet ge op de kroon vijf gele vlekjes. Misschien glimmen ze een beetje. Dat komt, doordat daar honing wordt afgezonderd, nog al veel ook. Die honing—daar is de bloem heel trotsch op en tegelijk erg zuinig mee. De heele wereld moet het weten, d.w.z. de geheele insectenwereld—een andere kennen de bloemen bij ons niet—en de bekendmaking geschiedt op tweeërlei wijze.

Ten eerste door de kleur: de opeenhooping van honderden bloempjes op een aar maakt, dat ze reeds van verre in ’t oog vallen, en dan nog door een fijne doordringende geur, die niet alleen de reukzenuwen van ons, menschen, maar ook die van de zespootige honingsnoepers aangenaam streelt. Gij weet, dat deze laatsten de reukzenuwen in hun voelsprieten hebben—twee beweeglijke neuzen!

Gij kunt ervan opaan, dat een vlieg of een bij, of kleine hommel, dien geur gewaar wordt, dan kijkt hij rond en stuurt dan onmiddellijk op de mooie, roode stang toe. Daar zien we meteen de 5 gele vlekken in een kroontje, ze weten al lang, wat dat beduidt, haastig grijpen ze de bloem, steken kop en tong naar binnen en doen zich te goed. Schrokken als ze zijn, hebben ze in een paar seconden de bloem van zijn lekkers beroofd; zoo werken ze de heele stang af en zweven dan verder.

Nu bezitten onze veenwortels of waterveelknoopen echter een bijzondere inrichting. Zoek nog eens wat verschillende bloeitakjes bij elkander en stel dan een onderzoek in naar de lengte van meeldraden en stijlen, dan merkt ge al dadelijk, dat in geen enkel bloempje de stijlen en de meeldraden even lang zijn. Maar ook—dat in sommige bloeiaren de stempels zoo lang zijn, dat ze buiten het kroontje uitsteken, terwijl de korte meeldraden den rand niet bereiken. In andere bloeiaren is het weer net andersom: daar zitten de stijlen in het kroontje geborgen en de meeldraden steken ver naar buiten. Waar is dit nu weer goed voor?

Natuurlijk voor de kruisbestuiving. Ga maar eens na. Wanneer een insekt, een kleine hommel b.v. op een bloempje met lange meeldraden, zijn mondjevol honing komt zoeken, dan moet hij met zijn ruige onderzijde de vijf helmknoppen aanraken. Het kleverige stuifmeel blijft in zijn haren vastzitten. Met zijn kop raakt hij wel aan de stempels der stijlen. Nu gaat hij verder. Komt hij nu opnieuw aan een „kortstijlige” bloem, dan krijgt hij nog meer stuifmeel aan zijn buik. Bezoekt hij evenwel een „langstijlige” bloem, dan raken de stempels ervan juist de plek aan de onderzijde van zijn lichaam, waar al het stuifmeel uit de kortstijlige bloemen zit. Die stempels zijn kleverig—het stuifmeel blijft bij het vertrek van den hommel gedeeltelijk eraan kleven en de eitjes in ’t vruchtbeginsel kunnen zich tot ontkiembare zaden ontwikkelen.

Onze hommel, die wegvliegt, heeft echter van deze bloem ook weer een souvenir meegekregen van de korte meeldraden, die in ’t kroontje verborgen zaten en waarvan het stuifmeel nu aan de haren van zijn kop en snuit zit vastgekleefd. Dat hiermede nu weer kortstijlige bloemen bevrucht worden, kunt gij wel, om zoo te zeggen, op uw vingers natellen.

De waterveelknoop zorgt dus voor kruisbestuiving door er twee vormen van bloemen op na te houden—de plantkundigen zeggen daarom met een geleerd Grieksch woord, dat hij dimorph is (di, 2, morph = vorm). Ook schelden ze hem wel uit voor heterostyl (d.w.z. ongelijk van stijlen).

Voor de overbrenging van het stuifmeel zorgen de vliegende insecten, die voor dien dienst met honing beloond worden—de ongevleugelde mogen van de zoetigheid afblijven.

Zoolang nu onze plant in ’t water groeit, kunnen alleen gevleugelde gasten haar een bezoek brengen, maar op het land—daar is het anders. Daar zouden de langpootige, gladlijvige mieren, die zoo op zoetigheid belust zijn, in minder dan geen tijd de gansche honingvoorraad verbruikt hebben, zonder in het minst iets in ’t voordeel van de plant zelve te verrichten. Zoo’n mier eet de boel op, kuiert naar beneden, misschien zonder een enkel korreltje stuifmeel aan zijn gladde lijf, of heeft hij er bij ongeluk een opgedaan, dan raakt hij dat onderweg toch kwijt, doordat hij tegen een grasstengel aanbonst, van een aardkluit naar beneden rolt, of doordat eenig ander mierenongeval hem treft. Daarom wacht onze plant geen bezoek van mieren af, maar weigert hun beleefd—of onbeleefd—de toegang.

Wanneer een mier het in zijn dikke kop krijgt, om polygonum-honing te gaan proeven en hij klimt tegen een stengel op, dan komt hij niet ver—telkens en telkens weer blijven zijn pooten aan de kleverige haren, waarmede de geheele plant bedekt is, vastzitten en als hij niet gauw rechtsomkeert maakt—dan kan hij voorgoed blijven steken en van honger omkomen.

Zoudt ge niet haast moeten toegeven, dat zoo’n polygonum de zaakjes netjes weet te overleggen?

Roode bloemen in ’t water zijn er niet veel, de meeste zijn geel of wit—ik ken er eigenlijk nog maar één, de waterviolier (Hottonia palustris), maar die is dan ook veel mooier dan onze veenwortel—ook van Mei af te vinden bij duizenden, overal, maar niet in te brak water. Rondom Amsterdam is een tooverkring, waarbinnen Hottonia niet komen kan; de linie Geinbrug, Abcoude, Uithoorn Aalsmeer, Haarlemmermeer (ongeveer hetzelfde wat in onze krijgskunde tegenwoordig de „stelling Amsterdam” heet.).

Maar eerst zal ik u vertellen, hoe de bloem er uitziet. Boven het watervlak verheft zich een slanke, rechte stengel van 2–6 dM. hoogte, die aan zijn topgedeelte vijf tot tien kransen draagt, die elk bestaan uit 3 tot 6 groote bleekroode bloemen, duidelijk herinnerend aan primula’s—vijfkant met een geel vijfkant hartje. Ik moet altijd denken aan lichtkronen of kandelaars, als ik die bloemen zie, of wanneer ik ze mij voorstel. Ze staan zoo rechtop en de bloemen zijn zijdelings gericht, zoodat hun grootste kleur-oppervlak in het oog valt.

Nooit zal ik vergeten, hoe wij op een natten Meidag in ’94 de sloten en plassen tusschen Ankeveen en Uitermeer vol met Hottonia vonden. Een sloot was er, recht, wel 2 K. M. lang, daar stonden ze in een onafzienbare rij; vlak vóór ons blonken de luchtkransen afzonderlijk, maar verderop smolt alles ineen tot een rozerood, blozend bloemenkleed. Rechts en links evenzoo.

Wilt ge in Mei een mooi aquarium met bloemen hebben, verzamel dan in de eerste dagen van de maand waterviolieren, die nog in knop staan. Trek ze voorzichtig uit de sloot, de plant is erg bros, wortels behoeft ge niet te hebben, als ge maar zorgt, de fijnverdeelde vindeelige bladeren, die onder water uitgespreid liggen, en uit wier midden de bloeistengel opstijgt, ongeschonden mede te nemen.

Tegelijk kunt ge op moerassige plekken uitzien naar een nog mooiere bloem, de mooiste bloem uit onze plassen en moerassen, het waterdrieblad. Die is wat te groot voor een aquarium, maar heel goed te kweeken in een kuipje met klei, die ge zoo nat mogelijk houdt. Behalve door de prachtige knoppen trekt de plant de aandacht door de mooie witte kroesharen aan de binnenzij van de kroon. Niemand weet waar ze voor dienen.

Waterviolen en waterdrieblad zijn allebei dimorph, evenals onze veenwortel. Ge moet dus zorgen beide vormen te vinden, die met lange stijlen en die met korte stijlen. ’t Valt niet moeilijk want ze groeien meestal door elkaar.

De meeste slootbloemen zijn wit. Ge denkt hierbij onmiddellijk aan de witte plompen, waarvan ge al zooveel gehoord hebt en die de dichters als „waterleliën” zoo vaak op ’t water laten droomen.

De waterlelies zijn de grootste bloemen van Nederland, de witte tenminste, die worden wel 12 cM. in doorsnede. Dit is een heel nuchter begin, om over deze heerlijke bloemen te gaan spreken, doch het zijn nu maar eenmaal geen madeliefjes, en hun grootte is wel de oorzaak ervan, dat ze zoo algemeen bewonderd worden. Er zijn genoeg bloemen, fijner van samenstel, teederder van kleur, bewonderenswaardiger van inrichting, die door de meeste menschen niet gekend worden—wie dweepte vroeger met de waterdrieblad of met de moerasandoorn?

Maar de plompen zijn zoo schitterend, zoo groot, zoo overvloedig en ze bloeien weken achtereen in den heerlijksten tijd van het jaar, gelijk met het lied van den nachtegaal of—wat beter bij hen past—met dat van den moeras-rietzanger. Al bezit ge maar weinig belezenheid, dan weet ge, hoe van de oevers van den Nijl tot in het verre Japan de lotos vereerd wordt—de lotos, die niets anders is dan een lila plomp, wiens bloemen zich iets hooger boven het water verheffen en sterker geuren dan de onze—ze zijn het zinnebeeld van rust en reinheid.

Een ander familielid is de Victoria regia, de koningin van de Amazonestroom, waarvan de bladeren het gewicht van een mensch kunnen dragen.

Bij ons loopen alleen de vlugge waterhoentjes over de ronde bladeren, of een groene kikker komt er zich zonnen, en aast op dikke vliegen en slanke waterjuffers. Aan de onderzijde der bladeren zitten stellig Hydra’s en de dikke holle bladstelen, rechtopstaand door hun drijfkracht, zijn vol met eieren van slakken en visschen.

Die drijfkracht hebben ze te danken aan de tallooze luchtkamertjes, die ze bevatten. Het binnenste van een waterplantensteel is altijd zoo sponsachtig. Dat is wel aardig. Een landplant doet alle mogelijke moeite om tot bovenaan toe vol met water te zitten; ’t is haast niet te begrijpen, hoe een boom van dertig of veertig meter hoog dat aanleggen moet, maar hij slaagt er toch in. Waterplanten daarentegen zijn er altijd op uit, om in al hun deelen luchtvoorraad te bezitten, water hebben ze genoeg, maar lucht is even onmisbaar. Dat moet ge vooral nooit vergeten.

Een plant heeft even goed versche lucht noodig als een dier en om dezelfde reden. Bij de „groote proef” hebben we gezien, dat de planten koolzuur verbruiken en dan zuurstof afgeven. Ge zoudt nu misschien denken, dat een plant, in enkel koolzuur geplaatst, bijster in zijn schik zou zijn. Mis hoor! Hij zou erin stikken en sterven, net zoo goed als een muis of een kikker.

Planten hebben het noodig, dat al hun deelen voorzien kunnen worden van versche zuurstof. De dikke wortelstokken van de waterlelie, die daar heel onder in de sloot in de modder verborgen liggen, moeten ademen, moeten versche lucht hebben. En die wordt hun toegevoerd door de luchtkanalen in de dikke bladstelen, die zoodoende van de allergrootste beteekenis voor het leven van de plant zijn.

Aan die dikke stelen liggen de bladeren voor anker, onbeweeglijk stil op het spiegelgladde water, als er geen wind is, zacht meedrijvend met de richting van den stroom, zoover de stelen het veroorloven. Jaagt de voorjaarswind langs de watervlakte, dan krijgt de luchtstroom wel de bladeren te pakken, de ronde randen ervan krullen voor een oogenblik omhoog, zoodat ge de paarsbruin gekleurde ondervlakte te zien krijgt.