In het land der zon

Part 24

Chapter 243,796 wordsPublic domain

Achter de bedoelde hoofdofficiers-woning strekte zich kampong Bali tot aan de Tjiliwong uit, die daar achter stroomde, en was die kampong het rendez-vous van alle aspirantluitenants, die aan verliefde grillen leden. Zij konden van daar de lieve Serassima, die de spelen der kinderen in den ruimen tuin deelde, op hun gemak bewonderen. Of het bevallige wezen aan sommige verzuchtingen geen weerstand wist te bieden, of dat een stoutmoedige het gewaagd had ondanks alles, een verboden jachtgebied te betreden, is nimmer ontsluierd geworden. Maar te midden van een zekeren nacht vloog de majoor, door een vreemd gedruis in den tuin verontrust, plotseling zijne kamer uit; maar kwam nog tijdig genoeg, om eene gedaante, welker vorm niet te onderscheiden was, door den pagger [189], die zijn tuin van het kamponggebied afscheidde, te zien sluipen. Naar zijne kamer terugspringen, zijn sabel grijpen, en die gedaante achterna spoeden, was door den majoor snel bedacht en even snel uitgevoerd. Maar... toen de vluchteling zich op de hielen vervolgd zag, maakte hij natuurlijk meer haast, liep regelrecht op de rivier aan, waar de majoor hem dacht te pakken te krijgen; maar sprong, toen deze de hand reeds op hem wilde leggen, zonder aarzelen in de snelvlietende rivier, en liet zich onder het slaken van een gil met den stroom afdrijven.

Door dien gil onthutst, keek de majoor een poos den afdrijvende na en vroeg zich af, of hij niet onwillekeurig oorzaak van een ongeluk was, ook of er geen pogingen tot redding te doen waren. Onder den spoorslag van die laatste gedachte, begaf hij zich spoedig naar de politiewacht van het infanterie-kampement, dat terzijde van de kampong Bali lag, en gaf daar bevelen, dat eene patrouille de oevers der Tjiliwong zoude volgen. Zelf vergezelde hij die manschappen tot bij de brug van Matraman [190], een groot kwartier benedenstrooms gelegen; maar keerde, toen geen spoor van den vluchteling ontdekt was, langs den grooten weg naar zijne woning terug.

Toen hij zijn erf wilde binnentreden, zag hij nog licht in de voorgalerij van de woning van den Directeur der School, die met ettelijke makkers een partijtje zat te maken. Hij stapte even binnen en verhaalde, wat hem overkomen was, en gaf als zijn gevoelen te kennen, dat het waarschijnlijk een élève der school was die in de kali gesprongen was.

„Onmogelijk is het niet,” sprak de Directeur glimlachend. „Serassima is mooi, en.... een mensch is geen stokvisch!”

„Ook geen snijboon!” merkte een der medespelenden aan.

„Maar, wij zullen wel zien,” vervolgde de Directeur.

Hij liet door een zijner bedienden den onder-adjudant der School roepen, en gaf dien bevel, stipt nauwkeurig contre-appel te houden, en na afloop rapport te komen uitbrengen.

„Als een mijner jongelui in het kwartier ontbreekt, dan kunt ge zeker zijn, dat die de verliefde Don-Juan zal zijn.”

„Maar, dan is hij verdronken,” zei de majoor.... „Ik hoorde een gil, en van regelmatig zwemmen heb ik niet vernomen, wel eenig geplas.”

Weinige oogenblikken later verscheen de onder-adjudant en meldde in onberispelijk militaire houding:

„Alles is present, kapitein. Maar....”

„Maar?...”

„Maar, bij de badkamers is duidelijk zichtbaar, dat iemand over het dak binnen de inrichting gedrongen is. Die iemand moet kletsnat geweest zijn. De sporen zijn daarvan duidelijk zichtbaar en tot bij den put, die midden op de cour staat, te volgen; daar schijnt die persoon zijn kleeding uitgewrongen, te hebben....”

„En?....”

„Verder is niets meer te bespeuren. Daar houdt het spoor op.”

„En hebt gij nergens natte kleeren in de kamers der jongelieden ontwaard?”

„Neen, kapitein.”

„Ik dank u, onder-adjudant.”

Toen deze vertrokken was, zei een der aanwezigen:

„Bij nauwkeurige inspectie zouden die natte kleeren toch wel te ontdekken zijn.”

„Och kom,” antwoordde de Directeur, „zooveel opschudding, om te trachten een minnaar van Serassima op te sporen, en.... waarschijnlijk niets te vinden. Kom, het is na middernacht. Laten wij de laatste spelen.”

Kampong Bali leverde niet alleen een aanblik op baboe Serassima op. Neen, te midden van het klapperbosch en de pagger-koffiestruiken, [191] waarin hij zich verschool, bood hij voor jeugdige gemoederen, door tropenzon gestoofd en door de gloeiende sambalans en sajorans [192] overprikkeld, andere en menigvuldige aantrekkelijkheden aan. Die kampong vormde met de daaraan en opvolgend aan elkander grenzende kampongs: Ambon, Tanah Rendah, Malajoe en Bidara Tjina, die het Europeesche kwartier Meester Cornelis en den daarbij behoorenden Passar omgaven, een doolhof, waarvan de beschrijving, door eene bekwame hand ondernomen, de galante verborgenheden van de meest groote Europeesche stad zoude op zijde streven, en den tegenwoordigen realistischen schrijver Emile Zola menige studieschets zoude inspireeren.

Is het wonder, dat de vier weken arrest, de jongelieden in het vorig hoofdstuk opgelegd, lang, zeer lang vielen zelfs voor Frank en Herman, die wel is waar, de eene door zijne liefde voor Adelien, de andere door zijne herinnering aan Lydia voor ernstige afdwalingen behoed werden; maar die niettemin hunne vrijheid betreurden, en soms het door den Directeur der School gesproken woord: „de mensch is geen stokvisch!” tusschen de tanden, de eene minder de andere meer, hoorbaar gromden en variëerden, naarmate zij door hun innerlijk gevoel ten opzichte van de verplichtingen aan de toekomst of van den eeredienst voor het verledene beheerscht werden.

Vooral waren het de zondagen, die het gemis aan vrijheid zwaar deden voelen. Ja, dan was de School zoo verlaten! Lezen, studeeren, teekenen en dergelijke, ja, dat ging nog gedurende de warme uren van den dag, die niet door het traditioneele middagdutje ingenomen werden. Maar des namiddags, wanneer de groote weg met wandelaars bezaaid was, dan liepen de gestraften de binnenplaats, waar omheen de kamertjes der onderofficieren zich uitstrekten, in groepjes op en neer, of stonden zij als arme zondaars achter het hek naar de gelukkigen daar buiten te turen of hen te benijden, terwijl soms de kreet weerklonk:

„Hoort ze eens brullen!”

Waarbij dan gezinspeeld werd op hunne overeenkomst met de wilde dieren eener menagerie, die ook achter de traliën zaten.

„Ik weet een goed tijdverdrijf!” riep een der meest levendige jongelingen van dien troep rampzaligen, toen het kijken naar den grooten weg begon te vervelen.

„Laat hooren! Maar pas op als....”

„Wij zullen een optocht houden! Een optocht bij gelegenheid.... ja, van wat?.... Kom, wij zullen den kardinaal Granvelle ophangen!....”

„Hoerah! hoerah! den kardinaal Granvelle ophangen!” was de algemeene kreet.

Men school in de teekenzaal, die vlak bij het hek gelegen was, te samen. In weinige oogenblikken was een pop vervaardigd, die met veel verbeeldingskracht van de zijde van de toeschouwers, wel iets van een kardinaal had, maar welks gelaat sprekend op den luitenant-adjudant van de Militaire School geleek. Dat hoekige, bleeke gelaat, met den spitsen neus en doffe zwarte oogen was kenbaar genoeg.

De luitenant-adjudant Blauw was een ijverig dienaar. Hij was met de instructie der exercitie-reglementen en met den politie-dienst bij de Militaire School belast; maar had geen slag om die diensten aangenaam uit te voeren. Hij was in de hoogste mate stug van inborst, hetgeen hem wel eens uit het oog deed verliezen, dat hij aanstaande collega’s voor zich had. Daarbij had hij zoo een lijmerig, vezelachtig spraakorgaan, door een onaangenamen neusklank nog verergerd, hetwelk hij, vooral wanneer hij in dienst het woord voerde, bot vierde, dat het onwillekeurig aan draderige keukenstroop deed denken, wanneer men deze laatste van zijne suikerdeelen kon ontdoen. De man was streng, door het strenge heen. Niets ontzag hij, zelfs de geringste kleinigheid niet. Voor de minste beuzeling, zelfs wanneer zij een eerste maal voorkwam, of dat de delinquent overigens een uitmuntend leerling was, eischte hij bestraffing; en meermalen moest de Directeur, die een flink militair was, maar daarbij een humaan mensch moest genoemd worden, dien ijver temperen, en die strengheid matigen. De jongelieden hadden dan ook hartelijk het land aan dien officier. Er was slechts één punt dat hem genade in hunne oogen deed verwerven, dat was: dat hij de bezitter was van een allerliefst vrouwtje, eene bevallige creoolsche, die door hare bekoorlijke gestalte en hare innemende gelaatstrekken aller oogen tot zich trok. De gelukkigen der élèves, die hunne opwachting bij de familie Blauw mochten maken, werden wel benijd en algemeen werd de schoone vrouw in de School van Meester Cornelis innig beklaagd, dat zij zoo’n „saaien kardoes”, dat was destijds de uitdrukking, tot echtgenoot had.

Toen Granvelle klaar was, kostumeerden zich de grappenmakers met alles, wat zij voor de hand vonden. Waar de prullen vandaan kwamen als heeren- en dameshoeden, japonnen, chacots, helmen enz., weet de hemel. Wat evenwel verreweg het meest op contributie gesteld werd om aan een gewenscht fantasie-costuum te komen, was het beddengoed. Zoo was er hier een die in zijn linnen sprei als in een almaviva gewikkeld was; elders verleende eene pluizige wollen deken het uitzicht van een beer aan een ander; terwijl een derde zijn „bantal goeling” [193] bij wijze van tulband om zijn hoofd droeg, en daar heen stapte met eene deftigheid en ernst, alsof hij Nathan de Wijze was, en den armen veroordeelden kardinaal geestelijken troost moest brengen.

Eindelijk was de optocht gereed, die nu driemaal het plein der School rondtrok en eindelijk bij den put, die het middenpunt van de plaats uitmaakte, aankwam, en zich daar rondom plaatste. Boven den put verhief zich eene galg, waaraan eene katrolschijf bevestigd was, om het waterputten te vergemakkelijken. Hieraan werd de kardinaal onder luid gejuich opgehangen, waarna de joelende jeugd een patertje langs den kant er omheen danste.

Dat gejuich en gejoel had evenwel de aandacht van den onder-adjudant, tot handhaving der politie bij de inrichting geplaatst, getrokken. Deze vertoonde zijne strenge tronie in de nabijheid, juist toen de cirkeldans in vollen gang was en de jongelieden hand aan hand in dolle vaart rond vlogen.

„De Stip! daar is de Stip!” [194] gilde eene stem.

De menschenkring stond plotseling stil als versteend. Een paar evenwel, beducht dat de onder-adjudant de wezenstrekken van luitenant Blauw in die van den opgehangen kardinaal zoude herkennen, vlogen op de pop aan, trokken haar zoo stevig aan de beenen, dat de strop brak en de kardinaal in den put verdween.

„Hij verliest zijn afstand!!” gilde eene stem op hartverscheurenden toon.

Ja, dat gaf den doorslag. Bij het lijntjes-exerceeren namelijk, wanneer de een of andere guide den bepaalden afstand tot zijn voor hem marcheerenden collega niet nauwkeurig onderhield, dan riep de luitenant-adjudant onverdroten: „de guide van het zooveelste peloton verliest zijn afstand!” en dat geval kwam soms wel honderdmaal bij zoo’n oefening voor; eigenlijk was het de eenige aanmerking, welke die officier zich veroorloofde. Het „hij verliest zijn afstand” was dan ook spreekwoordelijk geworden, en werd bij alles te pas gebracht en met de haren er bij gesleept. En zoo kwam het, dat kardinaal Granvelle, toen hij de buiteling in den put maakte, gezegd werd ook zijn afstand te verliezen.

Maar die kreet had den Stip opmerkzaam gemaakt. Hij liet de pop uit den put opvisschen, en toen hij in weerwil van die indompeling, die veel van de gelijkenis uitgewischt had, toch nog de trekken van den luitenant Blauw in den gehangene meende te herkennen, huiverde hij van verontwaardiging, en droeg den kardinaal Granvelle naar den Directeur, om zooveel snoodheid aan te klagen. Deze lachte hartelijk om de grap; maar verlengde toch het arrest van de grappenmakers met acht dagen, om het autoriteits-gevoel van den stipten dienaar, die zijn plicht deed, niet te beleedigen.

„Dat zullen wij den Stip betaald zetten!” riepen de gestraften woedend uit, evenwel zoo, dat de betrokkene die bedreiging niet kon hooren.

XIX.

DE STIP GEBOTTELD.

En het werd den Stip betaald gezet. Het is opmerkenswaardig, welken invloed de schoolbanken uitoefenen zelfs op mannen, waarvan het meerendeel de twintig jaren gepasseerd waren, ja, waaronder er telden, die de acht en twintig naderden. [195] Zij konden zich vermaken en snakerijen uithalen als knapen van 15 of 16 jaren.

Zoo gauw als verlangd werd, zou evenwel de wraak niet genoten kunnen worden, hoe ongeduldig de meesten ook waren.

„De wraak is Godenspijs!” beweerden sommigen.

„Vooral wanneer zij als koud vleesch, dus op tijd genoten wordt!” verzekerden anderen. „Geduld! betaald zullen wij het hem zetten!”

Maanden en nog eens maanden gingen voorbij, ja de geheele derde klasse had reeds examen gedaan, en was in de vierde overgegaan en studeerde druk voor het eindexamen, dat weldra zoude plaats hebben.

De komst van Bamberg Jr. te Batavia zou eindelijk de gewenschte gelegenheid tot wraakoefening aanbieden. Of de bedoelde Bamberg een zoon van den ouden, van den beroemden Nederlandschen vlug-vingerigen goochelaar was, doet hier niets ter zake. Genoeg zij het, dat die junior als fuselier in Indië was aangekomen, en weldra aangezocht werd om van zijne talenten te doen blijken. Aanvankelijk gaf hij zeer bescheiden voorstellingen bij familiën aan huis, daarna, zich op meer uitgebreid gebied wagende, in de lokalen der sociëteiten de Harmonie en de Concordia, en verdiende daarmede zooveel geld, dat hij een plaatsvervanger stellen en den militairen dienst verlaten kon, waardoor hem de gelegenheid geopend werd zijne goochelaars-talenten eene hoogere vlucht te laten nemen en in ruimeren kring op te treden. Bij familiën—zoo redeneerde hij—diende de kunst alleen tot vermaak van de baboe’s en van de kinderen. In de sociëteiten bleef zijn kring slechts tot de leden bepaald. Neen, de waardige mededinger van zijn vader, van Bosco en van Robert Houdin wenschte een waardiger, een grootscher tooneel te betreden!

Eenmaal zoo ver gevorderd met zijn gedachtengang, kondigde hij voorstellingen aan in het schouwburglokaal te Weltevreden, nabij de brug van Passar Baroe gelegen, en was de toevloed van toeschouwers zoo groot, dat het er veel van weg had, alsof de geheele bevolking door de goochelkoorts was aangestoken. Gansch Batavia, ten minste wat betreft de Chineesche, de Arabische en de Europeesche ingezetenen, stroomden naar het komediegebouw en trachtten een plaatsje machtig te worden. De zaal, die toch nog al ruim genoemd kon worden, was iederen avond propvol, en zoodanig was de toevloed, dat telkenmale de toegang aan ettelijke honderden geweigerd moest worden, omdat met den besten wil van de wereld geen zieltje meer te plaatsen was.

Dat bij die algemeene opgetogenheid de leerlingen van de Militaire School ook verlangden om de wonderwerken van den goochelaar te zien, is licht te begrijpen. De Directeur voldeed dan ook zeer gaarne aan het ingekomen verzoek en bepaalde dat de jongelieden klasgewijs de voorstellingen zouden bijwonen.

De onder-adjudant, met het toezicht belast, was het geluk beschoren de klassen te begeleiden, en had telkenmale door de mildheid der leerlingen toegang tot de voorstellingen bekomen. Hij was een eenvoudig man, wiens begrippen niet ver reikten, en had daarom wel aanleg om bij de toeren, die hij zag volbrengen en die werkelijk opmerkenswaardig waren, aan bovennatuurlijke tusschenkomst te gelooven. Er was voornamelijk een kunststukje, dat een levendigen indruk op den onder-adjudant gemaakt had. Bamberg had namelijk eene jonge lieftallige dame laten plaats nemen op eene tafel, die midden op het tooneel stond, en had haar met een grooten beker van groen merinos overdekt. Hij maakte daarna zijn publiek opmerkzaam, dat de tafel met geen kleed bedekt was en een ieder dus kon zien, wat daaronder omging. Vervolgens bewoog hij zijn tooverstaf, sprak eenige abakadabrische woorden uit, tilde toen den beker op en liet den verbaasden toeschouwers zien, dat de lieve inhoud verdwenen was. De oolijke goochelaar noemde dat: de nieuwerwetsche maagden-roof.

„Drommels!” mompelde de Stip binnensmonds, „het is goed, dat de jonkers dat kunstje niet kennen!” Hij noemde de leerlingen steeds jonkers. „Zij zijn dat even goed als de kadetten der Militaire Akademie,” was daaromtrent zijne meening.

„Ja, het is goed, dat de jonkers dat kunstje niet kennen” vervolgde hij. „Wie zou over zijne vrouw, wie over zijn dochter kunnen waken, als zij zoo maar weg gemoffeld konden worden?”

De Stip had een beeldig mooi vrouwtje, ook eene lieve creoolsche, en was daar niet weinig trotsch op. Hij begreep evenwel, dat hem dat bezit wel benijd werd, en dat menige begeeringsvolle blik op het bevallige wezen geworpen werd.

Bij het terugmarcheeren naar de School, liep natuurlijk—de weg van Weltevreden naar Meester Cornelis is lang [196]—het gesprek over het geziene. Allen waren opgetogen, niet het minst de Stip, die in zijn leven zoo iets niet gezien had. Onverholen gaf hij zijne bewondering te kennen, niet het minst over de schaking.

„Dat heeft alles niets te beduiden,” sprak een der leerlingen; „ik heb Bosco gezien. Die deed andere toeren. Daar zijn deze slechts kinderwerk bij.”

„Kinderwerk?” vroeg de onder-adjudant ongeloovig.

„Ik heb het te Antwerpen bijgewoond, dat Bosco op de markt een mand met eieren kocht. Toen de koop gesloten was, nam hij een ei uit de mand, tikte het stuk, streek den inhoud over zijn hand en haalde er een Napoleon d’or uit.

„„Dat zijn zonderlinge eieren,” zei hij tot de verbaasde boerin.

„Hij maakte een tweede, een derde, een vierde ei open, en steeds met hetzelfde gevolg.

„„Dat’s een mooie daghuur,” zeide hij. „En nu nog die volle mand...”

„„Die eieren zijn niet meer te koop!” schreeuwde de boerin; terwijl zij hare handen over de mand uitstak. „Die eieren zijn niet meer te koop!”

„„Maar vrouwtje, ik heb ze gekocht.”

„„Maar, nog niet betaald! ze zijn dus nog mijn eigendom! Neen, die eieren zijn niet meer te koop!”

„Bosco, die natuurlijk niet bekend was, mocht praten en pruttelen zooveel hij wilde, hij moest de plek zonder eieren ruimen. Toen hij weg was, tikte de boerin alle hare eieren stuk, om den goud-oogst op te steken; maar gij kunt denken: zij vond geen enkel goudstuk.”

„Ja, maar....” wilde de onder-adjudant tegenwerpen.

„Een anderen keer kwam hij door eene straat, waar men bezig was eene herstelling aan de gasbuizen te bewerkstelligen. Hoewel een onaangename motregen viel, en het zeer morsig was, stonden toch zooals gewoonlijk een groot aantal straatslijpers naar de werkzaamheden te kijken.

„„Wat is hier te doen?” vroeg Bosco; terwijl hij zich door den kring van nieuwsgierigen drong.

„Een oogenblik keek hij in den kuil, waarin een paar mannen aan de herstelling arbeidden. Plotseling sprong hij er in, greep een handvol modderige aarde, streek die op den palm der hand uit elkander, en haalde er een goudstuk uit.

„„De lui vertrekken met hoopen naar Californië,” zei hij, „om goud te zoeken, terwijl zij het hier maar voor het oprapen hebben.”

„Met een bukte hij weer en bracht thans twee goudstukken te voorschijn.

„Dat zijn zestig francs te saam,” riep hij uit. „Dat’s genoeg voor vandaag.”

„En hij verwijderde zich met een tevreden glimlach op het gelaat.

„Hij was nauwelijks uit het gezicht verdwenen, of al de toeschouwers sprongen in den kuil, stootten en verdrongen elkander, wroetten in den modder, vloekten en raasden tegen elkander, en begrepen eindelijk dat zij beet genomen waren.”

„Ja, maar,” hernam de Stip, „dat waren staaltjes van vlugvingerigheid,—mooie staaltjes dat moet ik bekennen—maar toch niets anders. Die goudstukken had hij reeds in de hand of in zijn mouw.”

„En wat zult gij dan van het volgende zeggen? adjudant? Luister:

„Bij eene voorstelling vertoonde hij aan het publiek twee duiven, de eene vlekkeloos wit, de andere onberispelijk zwart. Twee allerliefste diertjes. Nadat hij ze goed had laten bekijken, beet hij de beide duifjes een voor een den kop af....”

„De barbaar!” kreet de onder-adjudant.

„Ja, zoetsappig was het niet,” vervolgde de verhaler, „maar vooral was het een wreed gezicht, toen die arme diertjes daar lagen te spartelen en hij de kopjes uitspoog, en aan het publiek vertoonde. Maar toen er een gemor onder het publiek over die noodelooze wreedaardigheid—zooals gemompeld werd—ontstond, haastte hij zich om zijn moordbedrijf te herstellen. Maar, bij zijn haast vergiste hij zich, en ziet daar fladderde eensklaps de witte duif met den zwarten, en de zwarte duif met den witten kop op den romp door de zaal rond....”

„Is het waar?...” riep de Stip verbouwereerd uit. „Kom, jonker, je neemt een loopje met me.”

„Het is zoo waar, adjudant, dat weinige weken later Bosco, dienzelfden toer te Konstantinopel in het Serail in tegenwoordigheid van den Padischah vertoonende, het te kwaad kreeg.”

„Hoe zoo? De toer was toch bewonderenswaardig!”

„Jawel, dat vond de Emir el Moenemin, dat wil zeggen, de Beheerscher der Geloovigen, ook. Zijne Hoogheid had met alle aandacht zitten kijken, en was werkelijk zijne verbazing niet meester. Den volgenden morgen evenwel liet hij Bosco roepen.”

„„Hier hebt gij twee mijner vrouwen,” sprak Zijne Hoogheid, „eene negerin en eene Circassische. Kom spoedig, verwissel de hoofden dier dames.”

„Bosco, meenende dat het eene grap was, bekeek de beide vrouwen, die ieder in haar soort betooverend schoon was, met een kennersoog, en antwoordde glimlachend:

„„Ik kan die hemelsche wezens het hoofd niet afbijten, zooals ik dat met de duiven deed. Daartoe is mijn mond niet ruim genoeg.”

„De Padischah gaf een teeken.

„Dadelijk verscheen de beul in oud-Turksche kleeding, met den krommen sabel ontbloot in de hand.

„„Die man zal dat werk wel verrichten,” sprak de Sultan met ernst. „Als gij de hoofden maar verwisselt.”

„De twee vrouwen stonden te rillen van angst. Zij kenden hun heer en konden niet gissen, wat dat alles te beteekenen had. Angstig onderzochten zij haar geweten, of hare trouw bij deze of gene gelegenheid wel den toets van het onderzoek kon verdragen.

„„Allerdoorluchtigste Keizer,” bracht Bosco, die begon te merken, dat het meenens was, „het is mij onmogelijk...”

„„Djangan bitjara kossong!” (Geen ijdele praatjes) viel hem de Padischah in de rede.”

„Spreekt de Sultan maleisch?” vroeg de onder-adjudant.

„Wel zeker, daar is hij Sultan voor. Hebt gij een Sultan gezien, die geen Maleisch spreekt?”

„Neen....”

„„Djangan bitjara kossong!” herhaalde de Gebieder met indrukwekkende stem. „Doe wat ik u zeg.... anders laat ik u onthoofden.”

„Bosco wierp zich op de trappen van den troon op de knieën, smeekte om genade en betuigde, dat hetgeen de Groote Heer van hem verlangde, onmogelijk uit te voeren was. Het was alles te vergeefs. De Sultan bleef op zijn stuk staan, en gaf den goochelaar twee uren den tijd om te gehoorzamen. Gelukkig dat de Fransche gezant de zaak vernam. Deze spoedde zich naar het paleis Seraï Bournoe, en verkreeg eindelijk dat de arme drommel in vrijheid gesteld werd. Deze maakte evenwel, dat hij buiten de grenspalen van het Turksche gebied kwam.”

„Het was een sterk stuk,” sprak de onder-adjudant, „maar ik vind den maagden-roof sterker!”

„Och kom,” sprak een ander van den troep. „Zoo iets zou ik wel kunnen!”

„U jonker?”

„Ja, ik. Als hij die dame in eene flesch had gestopt, dan ware het wat anders geweest!”

„In eene flesch?”

„Ja, in eene flesch!”

„Die zou toch een breeden hals moeten hebben!” sprak de onder-adjudant lachende.

„Geen breede hals. In een gewone champagne-flesch!”

„Och kom. Hebt gij ooit zoo iets gezien? Een mensch in eene champagne-flesch?”

„Of ik zoo iets gezien heb? Verscheiden malen. Maar dat niet alleen; ik kan dien toer zelf verrichten. En ik wou wel eens zien, of Bamberg mij dien nadeed.”

„Zelf verrichten?” vroeg de onder-adjudant. „Hebt gij dan iets aan het vak gedaan?”

„Zoo wat uit liefhebberij,” was het antwoord.