In het land der zon

Part 25

Chapter 253,814 wordsPublic domain

Ettelijke leerlingen stootten den onder-adjudant aan, legden den wijsvinger op den mond, terwijl een hem influisterde:

„Heeft vroeger veel succes in Nederland op de kermissen gehad.”

„Ah bah!” zei de Stip.

„Stil, dat wil hij nu natuurlijk niet meer weten. Gij begrijpt.... nu hij als officier zal promoveeren.... verkeerd geplaatste grootheidswaanzin!”

„Zoudt gij mij in een champagne-flesch kunnen stoppen?” vroeg de onder-adjudant aan den dilettant-goochelaar.

„Wel, met het grootste gemak, adjudant. Maar niet in uniform.”

„Waarom niet in uniform?”

„Ja, zoo ziet men de boeren de kaart af.”

„Doet dat pijn?”

„Volstrekt niet. Alleen gij zit een weinig bekneld; dat is te begrijpen, niet waar?”

„Wilt gij dat straks, als wij te huis komen, uitvoeren?...” vroeg de onder-adjudant eenigszins aarzelend.

„Waar denkt gij aan? Het is thans ruim half twaalf. Wij zijn thans ter hoogte van den weg naar Matraman, en hebben dus nog ruim twintig minuten te marcheeren. Het zal dus middernacht zijn, wanneer wij thuis komen, en morgen ochtend is het weer vroeg reveille. Neen, ik ga dadelijk slapen.”

„Och, gij kunt dien toer niet uitvoeren. Het was alleen grootspraak van u, jonker.”

„Grootspraak!... ik neem op mij, u morgenavond na het avond-appèl met huid en haar in een flesch te goochelen!”

„Top!... dat is aangenomen. Mag mijne vrouw komen kijken?”

„Dat is maar zoo wat.... Ge weet, ik ben geen goochelaar van professie.... Maar, als ik mevrouw pleizier kan doen met het gezicht van haren man in eene flesch besloten, nu dan.... mij wel!”

Den volgenden avond was de geheele vierde klas in de teekenzaal tegenwoordig. De dilettant-goochelaar geholpen door een paar makkers had op de estrade, die voor het bord aangebracht was, eene tafel doen plaatsen, waarop doosjes, bekers, kaartspellen enz. prijkten. De hemel weet, hoe die jongelui aan al die zaken gekomen waren.

Nauwelijks was het avond-appèl afgeloopen, of de leerlingen waren als schimmen naar het bedoelde lokaal geslopen. Velen hunner hadden een stearine kaars meegebracht, en weldra was eene flinke doelmatige verlichting aangebracht, die nu het geheel een prettig aanzien verleende.

Het duurde niet lang of de onder-adjudant met zijne wederhelft verschenen, en namen plaats op het eergestoelte, dat voor hen bereid was. Het vrouwtje had een glimlach op de lippen, maar tevens iets wantrouwends in den blik. Zij vreesde voor een koopje van de zijde der jonkers, en had dan ook alle pogingen aangewend om haren man er van af te doen zien om zich aan die proef te onderwerpen. Evenwel te vergeefs.

„Alvorens tot de uitvoering van het kunststuk over te gaan,” sprak de geïmproviseerde goochelaar met uiterst gemaakte stemverheffing, „zal ik eenige nummers uitvoeren, die het geachte publiek de overtuiging zullen schenken van mijn meesterschap in de edele kunst van het goochelen en tooveren. Zal ik de tevredenheid van de toeschouwers verwerven, dan verzoek ik nederig om uw edeles gunst en recommandatie!”

„Hoort ge wel,” zei een der leerlingen tot den onder-adjudant, „de kermisman drijft weer boven. Als hij aan den gang is, kan hij niet nalaten in zijn oud vak weer op te treden!”

De onder-adjudant knikte toestemmend. Hij wreef zich in de handen van de pret.

De voorstelling nam een aanvang. De dilettant-goochelaar deed heel verdienstelijk eenige muskaatnoten verdwijnen, en terugvinden waar ze niet verwacht werden, deed ook aardige kunstjes met een kaartspel; toen hij zich evenwel aan het weggoochelen van een „djeroek” (oranjeappel) waagde, mislukte de proef gladweg. De onder-adjudant grinnikte van genoegen.

„Dat lukt minder goed” riep hij. „Ik geloof, jonker, dat ge gisteren avond gebluft hebt.”

„Om u een bewijs te geven,” sprak de goochelaar brutaal weg, „dat ik gisteren niet gebluft hebt, zal ik tot eene hoogere orde van arbeid overgaan. Ziet ge lieve dame, geachte toeschouwers, dit ei?”

Hij liet een kippenei van hand tot hand gaan. Toen allen zich overtuigd hadden, dat het werkelijk een ei was, vervolgde hij:

„Dat ei zal ik in deze flesch goochelen. In deze flesch, ziet goed toe! Wil iemand van het geachte gezelschap aan die flesch een merk maken?”

De adjudants-vrouw bond om den hals een blauw lintje met een uiterst koket strikje, dat niemand haar namaken kon, beweerde zij.

„En nu mag ik het geëerde gezelschap verzoeken, de zaal voor vijf minuten te verlaten. Als ik u terugroep, zal het ei in de flesch zitten.”

Zichtbaar was teleurstelling op het aangezicht van den onder-adjudant te lezen.

„Maar....” vroeg hij, „als ik in de flesch gegoocheld zal worden, moet ik dan ook naar buiten?”

„Neen, geachte toeschouwer,” sprak de goochelaar op echten kermistoon. „Ziet, ik stuur het ei immers ook niet naar buiten.”

Toen allen buiten waren, pelde de grappenmaker snel het ei, dat half hard gekookt was, goot een weinig spiritus in de flesch, deed dien ontvlammen, en plaatste nu het gepelde ei, dat hij met wat olie besmeerd had, met het dunste uiteinde op de opening zoodanig, dat deze hermetisch gesloten was. Het gevolg van die handeling liet zich niet wachten. Door het luchtledige, hetwelk zich door de verbranding vormde, werd er eene zuiging of beter eene drukking door de buitenlucht op het ei uitgeoefend. Langzaam gleed het door de opening naar het binnenste der flesch, waar het door zijne veerkrachtigheid zijnen oorspronkelijken vorm hernam.

Allen werden weer binnen geroepen, en gaven hunne verwondering over het kunststuk te kennen. Het adjudants-vrouwtje onderzocht met argwaan de flesch; maar zij moest erkennen, dat het strikje ongeschonden was.

„Hoe is het mogelijk?” riep de Stip. „Dat is het sterkste stuk, wat ik gezien heb!”

„Begint de overtuiging zich eindelijk baan te breken?” vroeg de goochelaar. „O! gij ongeloovige! Gij zult nog wel meer zien en ondervinden!”

„Nu is het mijn beurt!... Zal dat ook zoo gemakkelijk gaan? Een ei is een ei... Ik begrijp nog steeds niet, hoe ik in zoo’n kleine flesch zal kunnen.”

„Mag ik het hooggeachte gezelschap andermaal verzoeken naar buiten te gaan,” sprak de goochelaar met zijn tooverstokje in de hand.

„Ik ook?” vroeg het vrouwtje.

„Ja, vooral gij!” was het hoogst ernstige antwoord.

„Ik wou toch wel eens zien...”

„Neen, mevrouw; gij moogt niet zien! Als uw man gebotteld zal wezen, zult gij hem zien!”

„Een gebottelde Stip!” riep eene stem.

Het oog van den onder-adjudant schoot vuur bij het vernemen dier woorden, die naar insubordinatie zweemden. Hij bedwong zich evenwel.

„Kom, gaat nu allen naar buiten,” sprak hij, terwijl hij zijne vrouw tot aan de deur bracht.

Toen allen buiten waren, trad hij op den goochelaar toe:

„Welnu, ga uw gang, jonker,” sprak hij.

„Wilt ge werkelijk in de flesch?” vroeg deze ernstig.

„Deinst ge achteruit? Welzeker, wil ik in de flesch!”

„Kleed u dan uit!”

„Mij uitkleeden?”

„Ja, zeker. Ik heb op mij genomen om u in de flesch te goochelen, maar niet uwe kleeren. Kijk naar het ei. Als dat een pantalon enz. aan gehad had, dan zou het er ook niet ingekomen zijn.”

„Mij uitkleeden.... Kom, beken maar, dat de geheele zaak een ui is.”

„Het is geen ui! Het zal uwe schuld zijn, als de proef mislukt. Kom, kleed u uit!”

De onder-adjudant gehoorzaamde schoorvoetend.... Het ging langzaam; maar eindelijk was hij klaar. Hij stond daar voor den goochelaar, zooals hij bij zijn geboorte dit tranendal intrad.

„Welnu....”

„Daar staat klapperolie,” sprak de grappenmaker met gebiedende stem. „Smeer u daarmede de voeten en de beenen in, om beter naar beneden te glijden.”

Beteuterd keek de onder-adjudant den toovenaar aan. Hij aarzelde... alsof hij begreep, dat hij in het ootje genomen werd. Toch gehoorzaamde hij.

Toen de insmering afgeloopen was:

„Zoo zal het wel gaan,” zei hij.

„Welnu, stap in de flesch,” sprak de goochelaar op gebiedenden toon, terwijl hij de flesch op tafel zette. „Stap in! Monograppio! Pulsamonia! Trak!”

Plotseling weerklonk in de verte sabelgerinkel. De deur vloog open en de vrouw van den onder-adjudant stoof naar binnen.

„Daar is luitenant Blauw,” riep zij. „Zit mijn man al in de flesch? Laat hem er dan dadelijk uit!”

Dat had het vrouwtje nog den tijd, om in een adem er uit te brengen. Maar op het gezicht van haren echtgenoot in adamskostuum en met geoliede beenen, schrok zij, waarschijnlijk voor zijn afschuwelijk leelijk voorkomen, gaf een gil en spoedde naar de deur, waar juist de luitenant-adjudant verscheen.

„Wat is hier te doen?... Waartoe die verlichting?... Wat doet die vrouw hier?...”

Dat waren de vragen, die hem achtereenvolgens ontsnapten. De onder-adjudant was inmiddels op de knieën gevallen, en had eene toevlucht gezocht onder de tafel; wat hem maar slechts gedeeltelijk gelukte, daar zijne magere, olieachtige voeten er onder uitstaken!

„Antwoord dan toch, sergeant,” ging de luitenant voort. „Wat heeft dat alles te beteekenen?... Wie zit daar onder tafel? Hei daar! kom er eens onder uit!”

De onder-adjudant liet zich noodigen. Maar de luitenant, ongeduldig, raakte die voeten vinnig met zijne sporen. Toen kwam de Stip te voorschijn, en werd begroet door een luid hoera van de verzamelde leerlingen, die bij de deur het einde van de klucht afwachtten. De luitenant, hoe ernstig overigens in het dagelijksche leven, schaterde van het lachen, toen hij dien naakten, leelijken mageren man zag.

„Wat heeft dat te beduiden, onder-adjudant?” vroeg hij, toen zijne lachbui over was, en de krijgstucht zich weer op zijn gelaat vertoonde.

De onder-adjudant deed geen mond open. Hij stond daar als een standbeeld, maar als een leelijk standbeeld.

„Spreek dan toch!” maande de luitenant, terwijl hij zich tot den onthutsten goochelaar wendde.

„Och, luitenant, ik gaf den onder-adjudant les in het goochelen,” antwoordde deze.

„Ik zou in de flesch gestopt worden!” sprak eindelijk de Stip.

„In de flesch?”

„Ja, luitenant, hij zou gebotteld worden,” liet zich eene stem van buiten hooren.

Andermaal een lachbui van den luitenant.

„Ik zal jullie leeren, je meerderen willen bottelen!” sprak hij met grimmige stem, toen hij er in geslaagd was weer ernstig te kijken. „Morgenochtend de geheele klas op het rapport! En gij onder-adjudant, maak dat ge wegkomt!”

Zijne vrouw had zich gehaast een kapotjas te halen. Daarin wikkelde zij hare wederhelft, die nu zorgde, dat hij uit de voeten kwam.

Toen de Directeur der School den volgenden morgen de geheele toedracht der klucht vernam, was het hem niet mogelijk ernstig te blijven.

„Ik kan die snaken moeielijk straffen,” sprak hij tot luitenant Blauw, „en als reden opgeven: „den adjudant-onderofficier der Militaire School te hebben willen bottelen.” Neen, tegenover zulke uien gevoel ik mij geheel weerloos. Ik zal ze niet straffen, maar hen straks duchtig den mantel uitvegen!”

„Maar, kapitein....” wilde de luitenant-adjudant tegen die uitspraak inbrengen.

„Ik weet wat ge zeggen wilt... Ja, het was eene voorafberaamde poets. Ik wist dat er iets gaande was; maar zij hebben hunne wraak zoo geestig ten uitvoer gelegd dat, ik herhaal het, ik mij weerloos tegenover hen gevoel..... Neen, luitenant.... geen woord meer daarover!”

Luitenant Blauw bracht de hand aan de klep van zijn kepi, en kwam op het voorval niet meer terug. De legende van den gebottelden Stip bleef evenwel nog geruimen tijd bij de Militaire School voortleven.

XX.

HET TENTAMEN—LYDIA GETROUWD—HET EXAMEN.

De groote dag naderde inmiddels met rassche schreden.

De leerlingen der vierde klasse verlieten in de laatste twee maanden de inrichting niet meer. Allen zaten gedurende hunne vrije uren over hunne boeken gebogen, om door eene degelijke herhaling het geleerde nog eens te verwerken. Slechts weinigen dier jongelingen vertoonden zich aan het hek van de School, om een luchtje te scheppen, en een verstrooiden blik te wijden aan de gelukkigen der buitenwereld, die daar gedurende de koele uren van den dag heen en weer wandelden. Zelfs Serassima, de lieve bekoorlijke Serassima, vermocht slechts zelden hunne aandacht te boeien, en gelukte haar dat, och, dan was hare overwinning toch onvolkomen, daar zij slechts kortstondig nageoogd werd, en geen enkel zoet woordje haar oor bereikte. Of de lieve maagd het zich aantrok? Zij verzorgde met dezelfde nauwgezetheid de kinderen, die haar toevertrouwd waren, en liet van haar gemoedstoestand niets blijken.

Eindelijk was de dag van het tentamen daar. Het tentamen was een voorexamen, dat door den Directeur der School in alle onderwijsvakken werd afgenomen, om zich te overtuigen of zijne leerlingen degelijk gewapend in het strijdperk zouden verschijnen. Dat tentamen was dan ook in den regel zwaarder dan het examen, en werd daarom door de jongelieden het meest gevreesd. Toch liep het voor verreweg het meerendeel gunstig af; want slechts een tweetal slaagde niet, en werd onverbiddelijk door den Directeur afgewezen.

Hoewel uiterst prozaïsch en uiterst vervelend en inspannend,—zoodat de leerlingen er den karakteristieken naam: „baris bekrengat” (de zweet-exercitie) aan gegeven hadden,—bood dat tentamen toch een enkel oogenblik aan, waarin de belanghebbenden hun lachen niet konden weerhouden.

Bij dergelijke gelegenheden dicteerde de Directeur gewoonlijk de vragen, waarna hij en een der officieren instructeurs het toezicht waarnamen, om tegen stechelen en fraude te waken.

Zoo ging het ook toe op den dag, waarop de leerlingen van hunne kunde in de vaderlandsche geschiedenis moesten doen blijken. Frank Brinkman en Herman Riethoven zaten in een en dezelfde bank, evenwel niet naast elkander. Een jongman, die eigenaardig genoeg, ook zijne humaniora doorworsteld had, evenwel niet te Katwijk of te Rolduc, maar te Sint Truiden op Belgisch grondgebied, zat tusschen hen in. De Directeur had eene vraag omtrent het Tweede Stadhouderlooze Bestuur opgegeven, en zaten de jongelieden in de schriftelijke beantwoording verdiept, met des te meer ijver, naarmate daartoe slechts weinig tijd—een half uur—gegund was. Herman en Frank hadden in een ommezien hun antwoord gereed, en zaten in ledigheid het ophalen der beantwoorde vragen af te wachten. Anders was het evenwel gesteld met hun buurman. Die zat te zuchten, te zweeten en op zijn potlood te kauwen, alsof hij dat wilde verslinden; terwijl zijn vel papier vlekkeloos wit bleef. Eindelijk van een oogenblik gebruik makende, dat de opzicht hebbende officieren eenigszins uit zijne buurt verwijderd waren, zeide hij tot Frank met een wanhopigen zucht:

„Ik herinner mij van dat Tweede Stadhouderloos Bestuur geen lor.... Help mij toch.”

Dat de arme drommel er zich niets van herinnerde was te begrijpen. In de inrichting waar hij zijne opvoeding erlangd had, was er wel het allerminst werk van gemaakt, om hem op de hoogte van de geschiedkundige bijzonderheden van een naburig protestantsch land te brengen.

Frank greep in de goedheid zijns harten een klein stuk papier van weinige duimen vierkant, krabbelde daar wat op, en schoof het daarna zijnen benarden makker ongemerkt toe. Deze verborg het onschatbare stukje papier onder het vel, waarop hij zijne vraag moest beantwoorden. Bij iedere gunstige gelegenheid wierp hij een blik op het reddende geschrift, om dan met ijver zijn arbeid voort te zetten. Het scheen dat zijn herinneringsvermogen door Frank’s vluchtige aanteekeningen krachtig te hulp werd gekomen.

Maar.... bezat de Directeur valksoogen? Of had de delinquent, door zijn succes verbijsterd, alle voorzichtigheids-maatregelen verzuimd? Wie zal dat uitmaken? Op een gegeven oogenblik evenwel, dat de arme examinandus er het minst verdacht op was, verscheen plotseling eene hand voor zijne oogen, die zijn vel papier optilde, en zich van het snippertje, waarop Frank gegriffeld had, behendig meester maakte. Dat geschiedde zoo vlug, dat er zich niet tegen te verzetten was geweest.

De Directeur—want hij was het, die het bedrog opgespoord had—bekeek zijne vangst aandachtig, terwijl een glimlach om zijn lippen speelde. Eensklaps trad hij op luitenant Sopoc toe, die met hem het toezicht deelde.

„Hebt gij wel ooit zoo’n aardig stecheltje gezien?” vroeg hij, terwijl hij den luitenant het stukje papier aanreikte.

Deze nam het, bekeek het; maar zette een van verbazing vreeselijk dom gezicht, dat den glimlach van den Directeur in een gullen lach deed overgaan. Daarna keerde luitenant Sopoc het papiertje het onderste boven, en bekeek het andermaal opmerkzaam. Toen die aandacht evenmin beloond werd, en hij even wijs bleef, keerde hij het van ter zijde, eerst rechts, daarna links, om het eindelijk ook op de achterzijde te bekijken.

Bij die laatste beweging kon Frank Brinkman, die toch al alle moeite aangewend had, om niet uit te proesten, zich niet meer bedwingen.

„Kapitein?” vroeg hij aan den Directeur, „is het mij veroorloofd even buiten te gaan. Ik heb mijne vraag af.”

„Ja, sergeant Brinkman, ga buiten maar uitlachen,” sprak de Directeur goedig.

Wat was het geval geweest? Frank had de verlangde inlichting omtrent het Tweede Stadhouderlooze Bestuur behoorlijk opgeschreven; maar had daarbij van het Grieksche alphabet gebruik gemaakt, zoodat het betrapte stecheltje onberispelijk Nederlandsch bevatte, evenwel met Grieksche karakters geschreven. Was het te verwonderen dat luitenant Sopoc dom keek? Dat Grieksch was in de volle beteekenis van het woord Grieksch voor hem. En was het te verwonderen, dat de arme drommel, die van dat Grieksche stecheltje gebruik gemaakt had, tot het tweetal behoorde, dat niet tot het examen toegelaten werd; en dat Frank Brinkman een boetpredikatie te hooren kreeg, omdat hij zich tot dat bedrog geleend had?

De dagen, die verloopen moesten tusschen het tentamen en het examen, werden goed besteed. Allen, zoowel de instructeurs als de leerlingen, hadden den toetssteen van ieders zwakke zijde gevonden; zoodat de overblijvende tijd nuttig besteed kon worden, om het ontbrekende aan te vullen.

Noch Frank, noch Herman evenwel behoefden zich ongerust te maken. De uitslag van het tentamen was voor hen zoodanig geweest, dat zij op een even gunstigen uitslag mochten hopen. Toch bleven ook zij over hunne boeken gebogen, hoewel de prikkel der noodzakelijkheid ontbrak.

Op een namiddag evenwel, dat Herman zat te repeteeren, zoo als het heette, dwaalden zijne gedachten wel van het onderwerp, dat hem moest bezig houden, af. Hij had den aardrijkskundigen cursus van Van Heusden voor zich liggen. Die was het hoogstwaarschijnlijk, welke zijn geest aan het omdolen hielp. Hij repeteerde toch de rivieren, die den Nederlandschen bodem besproeien.

„De Maas,” zoo las hij binnensmonds, „treedt iets bezuiden het dorp Eysden het Nederlandsche grondgebied binnen. .... Eysden,” zoo bracht hem zijn verbeeldingskracht te binnen, „Eysden.... het land der mirabellen, der mei- en der welsche kersen!.... Eysden!... die uiterste punt van mijn vaderland... van mijn Limburg... wanneer heb ik dat het laatst aanschouwd?... Laat zien... O, dat was, toen ik met Frank op de heuvelspits klom, waarop de ruïne van Lichtenberg gelegen is, en ik Lydia.... Lydia!... ja, voor het eerst aanzag, zooals ik... Maar weg met die gedachte!... ik wil bij mijne repetitie blijven... Van Eysden stroomt de Maas noordwaarts naar Maastricht... Ja, ik zie dien loop voor oogen... Mij dunkt, ik bevind mij op een der sierlijke Maasbooten van Bonhomme, die den dienst tusschen Luik en Maastricht verrichtten... Kijk, wij verlaten Eysden, waar het grenskantoor op Nederlandsch grondgebied gelegen is en waar de douane-formaliteiten afgeloopen zijn, wij stoomen zuidwaarts voor den stroom af... Ha!... daar buigt zich de Maas met een sierlijke bocht naar den Pietersberg toe... Ziet, daar zijn de Sept Caveaux, [197] die zuilengang! die in het mergel van den berg is uitgehouwen... Daar boven verheft zich het kasteel van Caastert, daar beneden aan den voet van den berg ligt het dorpje Lanaye, waar het Belgisch grenskantoor op den linker Maas-oever is... Aan den anderen oever iets lager verschijnt het dorpje Boekholtz met zijn lief kasteeltje, dat zich schilderachtig in den helderen stroom spiegelt... Daar vlak tegenover verheft zich indrukwekkend en dichterlijk de bouwval van Lichtenberg... Daar is Slavante... Slavante!... Zouden de konkernollenstruiken daar nog staan? [198] Die stille getuigen van... Het is reeds ruim vier jaren dat ik Maastricht verlaten heb; in die vier jaren kunnen zij wel opgeruimd zijn... Maar, waar dwalen mijne gedachten weer af?.... Bij Maastricht neemt de Maas de Jeker, eene kleine linker zijrivier, en iets beneden die stad de Geul, eene rechter zij....”

Er werd op de deur geklopt.

„Binnen” riep Herman.

De sergeant-fakteur trad binnen, en reikte hem een brief over.

„Een mailbrief,” zei hij, en spoedde weg, om den inhoud zijner tasch verder rond te deelen.

Herman Riethoven brak den brief open.

„Van Ubaghs,” mompelde hij, na de handteekening ingezien te hebben. „Wat mag die mij te melden hebben? Hij is niet schrijflustig van aard.... Laat zien.”

Weldra was Herman in zijne lektuur verdiept, en lag zijn Van Heusden vergeten daar. Och, die geheele repetities geschiedden slechts pour acquit de conscience. Hij was blij, dat hij een voorwendsel had, dit vervelend boek op zijde te schuiven. De brief bevatte slechts allerhande nieuwtjes van Maastricht en van Limburg, die slechts voor een inboorling dier streken belangrijk konden genoemd worden. Toch deden zij Herman genoegen en vaak krulde zich zijne bovenlip tot een glimlach.

„Het zijn nog altijd de oude Maastrichtenaars, met hun maatje oud bier, met hunne Momus-sociëteit, met hunne liefhebberij voor muziek en hun opgeruimd karakter!” mompelde hij, toen hij het vrij lange epistel geëindigd had. „Maar geen woord over.... O, in dit hoekje staat T. S. V. Pl. Nu, laat zien:

„P. S. Ik zou nog vergeten het voornaamste te melden. Uwe ouders zullen u wel geschreven hebben, dat Lydia Fraenkel gehuwd is.....”

„Lydia gehuwd!.... Wel neen, dat hebben mijne ouders mij niet geschreven!.. Lydia in de armen van een ander!...” riep Herman hartstochtelijk en opgewonden uit, terwijl hij den brief liet vallen, en zich het gelaat met beide handen bedekte.

Zoo bleef hij een poos zitten.

Wat ging er in die oogenblikken in zijne ziel om?

Een kwartier, een half uur verstreek. Eindelijk hief hij het hoofd weer op.

„Kom, laat mij man zijn!” sprak hij tot zich zelven. „Wat scheelt mij toch? Heb ik mij niet herhaalde malen met de gedachte vertrouwd trachten te maken, dat zij een ander zou toebehooren? Nogmaals, wat scheelt mij? Had zij mij trouw beloofd? Neen, neen, neen! Kom, ik ben gek!”

Hij greep andermaal den brief, die voor hem op tafel lag, en hervatte het lezen daarvan:

„...Uwe ouders zullen u wel geschreven hebben, dat Lydia Fraenkel gehuwd is....”

„Neen, dat hebben zij niet,” viel hij zich zelven andermaal in de rede. „O, ik begrijp waarom. Mijne goede teergevoelige moeder heeft mij die smart willen sparen. Zij kent de inborst van haren zoon beter dan hijzelf. Waarachtig, nu ik wat kalmer geworden ben, moet ik erkennen dat ik nimmer heb kunnen denken, dat die tijding, die toch vroeg of laat te verwachten was, mij zoo zou aangrijpen!... Kom, laat mij dat fatale post-scriptum eindigen:

„... gehuwd is met Eduard Van der Wouden, nog een oude kennis van u. Hij beweert ten minste met u te Rolduc te zijn geweest. Dat jonge paar schijnt zeer gelukkig met elkander te zijn, vooral nu hunne huwelijksliefde onlangs door de geboorte van een flinken zoon, een jongen als melk en bloed, bekroond is....”

Andermaal ontglipte de brief aan Hermans hand. Bleek als een doode zat hij daar, en staarde met strakken blik op die noodlottige regels, die hem zoo aangrepen.

„Een zoon!...” zuchtte hij. „Een zoon!...”

Meer vermocht hij niet uit te brengen. Hij snakte naar adem, greep naar zijn halsdas, maakte dien los met een gebaar, alsof hij der verstikking nabij was, omvatte daarna zijn hoofd met beide handen, sprong van zijn stoel op, en doorliep zijn klein vertrek met de gejaagde en onbestemde bewegingen van een wild dier, dat in eene kooi opgesloten was.