Part 23
„Tida, littnant,” (neen, luitenant) antwoordde de man, zonder evenwel op te staan, terwijl hij zijne sprei nog vaster om zijn lichaam sloeg.
„Tida sakit?” (Gij zijt toch niet ziek?)
„Tida, littnant.”
„Laat dien man stil met rust,” sprak de officier tot het kader, terwijl hij zich verwijderde. „Hoe minder gij u met hem inlaat, hoe beter.”
Daarop spoedde hij voort om het avondrapport, dat hem door den sergeant der week overhandigd was, te teekenen, en dat aan den kapitein van politie in te dienen.
Na het avondappel was het nog een oogenblik luidruchtig op de chambrée van de 3e kompagnie. De soldaten zaten met elkander te praten òf op de banken, die met de beide tafels, het geheele meubilair van die kamer uitmaakten, òf gehurkt onder deze of gene slaaptafel, waar zij, gezellig bij elkander gedoken, het nieuws van den dag bespraken.
Eindelijk weerklonk het signaal „licht uit”, waarna langzamerhand de luidruchtigheid afnam en het stil werd.
Herman zat op zijne kamer over zijne boeken gebogen. Die uren van af half tien des avonds waren hem de aangenaamste, dan was iedere dienstaangelegenheid geëindigd, en het was ook eerst dan, dat hij gezet en onafgebroken aan den arbeid kon gaan. De tijd naderde ras voor hem. Hij wilde het examen afleggen voor de derde klasse, waarin Frank Brinkman dan ook zou overgaan. Lukte dat, dan zouden zij hoogst waarschijnlijk te samen officier worden. Maar ... maar ... wetenschappelijk was hij genoeg beslagen, daarvan hield hij zich overtuigd. Wat wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, talen enz. betrof, daarin zag hij zich in staat om dadelijk het officiers-examen af te leggen. Maar... de militaire vakken? De versterkingskunst, de wapenleer, de militaire rechtspleging, de dienstreglementen, de artillerie-wetenschappen, de velddienst, de militaire verkenningen, enz. enz. ja... en dan dadelijk in de 3e klasse!... Hij voelde, dat hij nog veel te leeren had. Hij zat daar dan ook bij zijn lampje met het hoofd in de hand, de oogen op het voor hem liggend boek gevestigd.
Toch was studeeren in die heete luchtstreek geene gemakkelijke taak, dat ondervond hij. Er behoorde geestkracht toe, onbezweken ijver, om na een dienstdoen, dat des morgens om vijf uur voor hem begonnen en eerst om half tien des avonds geëindigd was, gedurende die zwoele nachtelijke uren, waarin de stilte en het zachte gesuis van den wind in het loof der nabij staande boomen zoo aanlokkelijk tot rust voor het afgematte lichaam uitnoodigden, de oogen open en ze gevestigd te houden op dat vervelende boek met nog vervelender inhoud.
Herman keek op zijn horloge.
„Reeds half twaalf! Kom, nog een half uur,” moedigde hij zich zelven aan. „Dan ga ik naar mijn mandje en kan ik volle vijf uren lekkertjes slapen.”
Bij die woorden liet hij een’ begeerigen blik op zijn bed vallen.
„Nog een half uur!” mompelde hij, terwijl hij het hoofd voorover boog en den blik op zijn boek vestigde.
„De geweren,” prevelde hij, „worden dus gebruineerd [185] met... laat zien met murias ferri liquidum en met....”
Een schrikkelijke gil brak zijn volzin af. Die gil was zoo akelig en zoo doordringend, dat Herman als door eene machtige veer bewogen van zijn stoel opvloog, en zijn sabel greep. Maar ter nauwernood had hij dien ter hand, of daar verhief zich in de chambrée der manschappen een spektakel, een chaos van schreeuwen, van gillen, van vloeken, van verwenschingen, van geloop, van gebons, alsof het laatste oordeel aangebroken ware. Herman spoedde naar de deur zijner kamer, waardoor hij gemeenschap met de slaapplaats der soldaten had.
„Amokh! amokh!” [186] klonk plotseling de zoo verschrikkelijke kreet, woest en onbedwingbaar uitgestooten.
„Amokh! amokh!” herhaalden meer dan twintig stemmen, maar angstig en met vertwijfeling, die scherp afstak met den eerst uitgebrulden kreet.
Riethoven met den sabel in de vuist vloog de chambrée in, om de orde te handhaven en, als het noodig mocht zijn, hulp aan te brengen. Helaas! in de chambrée was de verwarring ten top. Allerwege werd onder de slaaptafels een angstig gegil, een geween en gesnik van vrouwen en kinderen vernomen, die daar eene schuilplaats gezocht hadden; en aan de andere zijde van de chambrée wielde een troep mannen te zamen, ongekleed, ongewapend, die in eene wilde vlucht uit den weg stoven voor een razenden, die volkomen gekleed en met den kris in de vuist hen achtervolgde, stekende en verwondende; die hij maar bereiken kon.
Op den vloer, te midden van de chambrée lagen verscheidene menschelijke wezens uitgestrekt, vreeselijk verminkt, een daarvan met de ingewanden over den grond slepende, te wentelen, te kermen en te steenen; terwijl aan den kant van den woesteling nieuwe angstkreten, nieuw doodsgerochel vernomen werd.
Herman poogde ettelijke manschappen, die vluchtende de deur der chambrée trachtten te bereiken, te verzamelen. Maar de angst en schrik waren te groot.
„Djaga baai baai, sergeant!” (pas op, sergeant) riepen hem ettelijke soldaten toe, maar verdwenen door de buitendeur.
Plotseling kwam het gros der vluchtelingen, steeds vervolgd door den amokhmaker, die zijn bloedig werk voortzette, naar den kant van Herman Riethoven stuiven, om ook door de deur naar buiten te komen.
„Moendoer!... moendoer, sergeant!” (achteruit, achteruit sergeant!) riepen hem eenigen toe. Anderen poogden hem mede te slepen, ten einde hem buiten gevaar te brengen.
Maar de onderofficier stond pal. Hij liet den vluchtenden troep om zich heen trekken. Eindelijk verscheen de amokhmaker, die een der vluchtelingen op de hielen vervolgde, en zijn wapen reeds ophief, om den stoot toe te brengen.
„Batjo!” riep Herman Riethoven met eene stentorstem, die boven het heerschende geweld uitklonk.
De Boeginees, zijn naam hoorende, hield halt, keek met opgeheven kris verbijsterd rond.
„Batjo!” herhaalde de sergeant met krachtig bevelende stem. „Marri sini,” (kom hier).
Akelig keek de woesteling met woest glinsterende en rollende oogen rond. Eensklaps ontwaarde hij Riethoven.
„Kafir!” (ongeloovige!) huilde hij en stormde met dreigenden kris op hem los.
De bedoeling was niet twijfelachtig. Moordzucht was op ’s mans gelaat te lezen. Het schuim stond hem op de lippen. Herman was dan ook op alles voorbereid.
„Lempar itoe sendjata!” (gooi weg dat wapen!) gebood hij.
„Kafir!” brulde de woestaard en stortte zich op den sergeant, om hem met zijn wapen te treffen.
Maar deze kalm en bedaard ontweek den schok door een zijwaartschen sprong; maar bracht zijn belager een houw met den sabel op den rechter-arm toe, die dat lichaamsdeel verlamde, waardoor de kris op den grond viel. Brullend bukte het monster zich snel om het wapen op te rapen en den sergeant te lijf te gaan. Maar deze maakte zich de gelegenheid ten nutte, en bracht den amokhmaker achtereenvolgens drie slagen op den schedel toe, die dezen eindelijk bewusteloos deden neerstorten. Voor nog dat Riethoven tot bezinning gekomen was, en zich rekenschap kon geven van wat er omging, waren eenige soldaten toegesprongen, die den woesteling nu met kris- en bajonetsteken verder afmaakten. Toen de patrouille van de politie-wacht op het rumoer verscheen, was hij reeds een lijk.
Het alles was zoo spoedig in zijn werk gegaan, dat het voor een droom gehouden had kunnen worden, lagen de gekwetsten daar niet op den grond te wentelen, te kermen en te klagen.
In allerijl werden „tandoes” (draagtoestellen) bijgebracht om de ongelukkigen naar de infirmerie of naar het hospitaal te Weltevreden te brengen. Bij de verzorging der rampzaligen kwam men tot de verschrikkelijke overtuiging, dat bij die amokhpartij drie dooden, waaronder eene vrouw, gevallen waren; terwijl een tiental zwaar gekwetsten, waaronder verscheidene levensgevaarlijk, verzorgd moesten worden.
Onder de zwaar verminkten bevond zich ook de korporaal Kasteels. Hij was niet heel nuchter te huis gekomen, en had om zijne slaapplaats te bereiken, Batjo moeten voorbij stappen. Zoodra deze zijnen gehaten mededinger in het oog kreeg, was hij met den kris in de vuist opgevlogen, en viel Kasteels als eerste offer van de wraakzucht van den Boeginees. De eerste gil, die Riethoven gehoord had, was door het eerste slachtoffer uitgestooten. De korporaal had niet minder dan zeven doodelijke wonden, ongeteld de minder gevaarlijke steken, die hem in armen en schouders waren toegebracht.
Na die daad werd de moordzucht over den rampzaligen opiumschuiver meester. In blinde woede verhief hij zich van zijn prooi.
„Amokh! Amokh!” schreeuwde hij en stak een vrouw dood, die met haar kindje aan de hand, hetwelk zij buiten gereinigd had, juist in dat oogenblik naar binnen trad.
En daarop ontspon zich het tafereel, waarvan wij poogden een schets te geven.
„Hadt gij hem maar in de politie-kamer gestopt, sergeant,” fluisterde eene stem Herman in het oor.
„Ja, had ik!” gaf deze met een zucht ten antwoord, „maar, wie kon zoo iets voorzien?”
XVIII.
OP DE MILITAIRE SCHOOL.
Die moordgeschiedenis had een diepen indruk op Herman Riethoven gemaakt. Weken zouden voorbijgaan, eer zijne geschokte zenuwen tot bedaren waren gekomen, eer hij weer tot zijnen normalen toestand teruggekeerd zoude zijn. Het gebeurde toch veel malen, dat hij over dat verschrikkelijke voorval des nachts droomde, dat hij dan dien verschrikkelijken amokhkreet andermaal hoorde, het gillen der verschrikte vrouwen en kinderen vernam, dat het geklaag der gewonden en het gerochel der stervenden in zijn ooren drong. Hij zag dan den rampzalige onder zijne sabelhouwen ineenzakken, hij zag de verschrikte soldaten op den rampzalige toespringen om met hunne krissen in zijne ingewanden te wroeten en... dan ontwaakte hij met een gil en meende, alvorens hij over de ontzetting, door die droomen veroorzaakt, vaardig werd, die verschrikkelijke geluiden, die zijnen slaap zoo schrikkelijk gestoord hadden, nog te hooren. En dan te midden van den nacht verscheen in vurige letters voor zijn oog in vlammend letterschrift het woord: OPIUM!
Ja, daar was de grondoorzaak van die schrikbarende misdaad, waarvan hij getuige was geweest. De opium! Van den zielstoestand des rampzaligen was misbruik gemaakt, om hem tot het gevaarlijke heulsap te verleiden. O! hij zou daarbij eene verdooving van zijn leed putten! Hij zou zijne ontrouwe gade leeren vergeten! Hij zou eene andere leeren liefhebben, eene andere, die hem zou beminnen boven alle andere mannen! Dat werd hem ingefluisterd door een der beunhazen van den opiumpachter, die er steeds op uit was, om nieuwe slachtoffers voor den hartstocht van het opiumschuiven aan te werven. En de ongelukkige had geloof geslagen aan die verraderlijke woorden. Hij had de opiumpijp ter hand genomen. En... o zaligheid! reeds bij de eerste pijp werd de hem gedane voorspelling gedeeltelijk verwezenlijkt. Hij vergat.... hij zag een hoeri met aanmoedigende blikken om hem heen dartelen;... maar.... als hij dan ontwaakte... dan weken de droombeelden, dan hernam de werkelijkheid hare rechten. Hij wilde andermaal vergeten, andermaal genieten. De doses opium werden sterker genomen, naarmate zijn gestel meer en meer gewoon aan het verdoovingsmiddel geraakte. Er kwam eindelijk een tijd, dat de werkelijkheid voor den droom niet wilde wijken, dat het vergift slechts verbittering, haat en wraakzucht in zijn overspannen gemoed deed ontvonken. Toen de ongelukkige dat stadium bereikt had, was de amokhpartij, het bloedbad, niet verre meer.
Gelukkig voor Herman dat zijne overplaatsing naar de Militaire School spoedig volgde. Hij zou nu in eene andere omgeving komen, die het schrikkelijke tafereel langzamerhand op den achtergrond zoude dringen. Ronduit bekende hij, dat hij zich gelukkig, ja, gered gevoelde, toen hij uit die omgeving, die hem dat alles steeds herinnerde, verlost werd. Toch speet het hem, dat hij op de School niet bij Frank in ééne kamer gehuisvest kon worden. Hij smaakte evenwel het genoegen na afgelegd examen bij zijn vriend in de 3de klasse geplaatst te worden; zoodat beiden nog een jaar aan die inrichting door te brengen hadden, alvorens tot het officiers-examen toegelaten te worden. Langzamerhand herkreeg Herman zijnen normalen toestand, en kon zijn studiën met ijver voortzetten.
„Stilte jongelui! luister nu aandachtig.... Maar.... eigenlijk moest ik die voorlezing staken.... wij hebben nog de rivieren van Java’s noordkust te behandelen...”
„Och, toe luitenant! Die rivieren kennen wij van de Tji Oedjoeng af, die ten zuiden van Lebak in Bantam op den Goenoeng Halimoen ontspringt en in de Java-zee uitwatert, tot de Kali Banjoe Pait, die in het kraterbekken van den Goenoeng Idjen haar oorsprong heeft, en zich in de Madura zee stort. Maar die geschiedenis van Nederlandsch Indië, door u te samengesteld, is zoo mooi!....”
„De stijl is zoo pittig!....”
„De taal zoo onnavolgbaar verheven!....”
„Zoo zwierig!....”
„Zoo tot het hart sprekend!.... Zoo....”
Het was een broehaha van stemmen, hetwelk zich daar in een der onderwijslokalen van de Militaire School te Meester Cornelis verhief en ten doel had, het ijdelheidsgevoel van den in functie zijnden officier-docent te streelen.
Die leeraar was een man van middelmatige gestalte, eer klein dan groot, niet erg uit de kluiten geschoten, met een matbleek, scherphoekig kaal en glad gelaat, met rusteloos rondglurende oogen, die noode anderer blik vermochten te trotseeren, met sluike blonde haren, die weinig zorg daaraan besteed verrieden, met een korten maar zeer bewegelijken nek, die in de staande modelboorden soms zulke potsierlijke wendingen maakte, en zich daarbij rechts en links uitrekte, alsof zijn eigenaar het er op toelei, zijn hoofd aan de staande boorden, die het als in een schotel omsloten hielden, te doen ontglippen.
De man, die op den naam van Sopoc antwoordde, was uiterst goedig van karakter,—hij zou geen mug kwaad hebben kunnen doen;—maar onuitstaanbaar pedant en zenuwachtig. Hij had zich in het hoofd gehaald, dat hij geroepen was om eene geschiedenis van Nederlandsch Indië te schrijven, en van dat oogenblik verscheen hij bijna nooit meer in het openbaar zonder een dikke rol folio-papier onder den arm, die hem een zeer gewichtig uiterlijk verleende. Geen grooter genoegen kon men hem baren, dan hem te verzoeken eenig saillant feit uit zijn werk voor te lezen. Steeds was hij daartoe bereid, tot zelfs in de sociëteit toe, wanneer hij daar des morgens een oogenblik aan de „kletstafel” plaats genomen had. Werd hij dan na afloop gecomplimenteerd, hetgeen hem steeds te beurt viel, dan stond hij van zijn stoel op, gaf zich op het voorste gedeelte zijner voeten met eene veerkrachtige beweging op, en liet zich met een schok op zijne hakken neerkomen, dan krabde hij verlegen met zijn rechterwijsvinger in zijne boorden, trok die als het kon nog hooger, terwijl het hoofd daarbij merkwaardige kapriolen volvoerde. Zijn mond stamelde daarbij schuchter enkele onverstaanbare woorden, als eene jonge maagd, die het eerste complimentje opvangt.
Hij was thans bezig de jongelieden der derde klasse onderwijs te geven. De tafel der werkzaamheden gaf aardrijkskunde aan; maar hij had geen weerstand kunnen bieden aan de verleiding, om zijnen leerlingen weer enkele bladzijden uit zijne geschiedenis voor te lezen. „Dat was toch geen verloren tijd” zoo redeneerde hij bij zich zelven, „want de Indische geschiedenis moeten zij toch ook kennen, en met nu op een ander uur de aardrijkskunde te hervatten, blijf ik stipt binnen de grenzen van mijn plicht.”
„Ik wil wel aan uw verzoek voldoen” sprak hij, terwijl hij zijn linker boordpunt hoog ophaalde. „Ik zal u eene bladzijde uit den Bondjolschen opstand voorlezen, die, zooals gij weet, in het begin van 1833 losbarstte. Luistert nu aandachtig.”
De vier en dertig leerlingen, die de bewuste klasse uitmaakten, zetten zich schrap. Er waren er bij, die de hand aan de oorschelp brachten, en haar dan trompetsgewijs ombogen, om toch maar geen lettergreep verloren te laten gaan. Allen waren geheel gehoor. De luitenant kuchte en hemde, schraapte zich de keel, bewoog den hals links en rechts, trok zijne boorden met eene zenuwachtige beweging andermaal omhoog en liep van stapel:
„Onder vele, ja onder de ontelbare heldendaden der troepen van het roemvolle Nederlandsch Indische leger, valt er eene aan te wijzen, die niet alleen diepen indruk gemaakt heeft op de inlandsche stammen in deze gewesten, maar ook de opmerkzaamheid tot zich getrokken heeft van al de beschaafde natiën der geheele wereld, als ik niet vreesde mij aan overdrijving schuldig te maken, zou ik zeggen: van het gansche heelal!....”
„Van het gansche heelal!.. O! hoe schoon, hoe sierlijk is dat uitgedrukt!..” viel een der leerlingen den voorlezer in de rede.
„O! hoe schoon! hoe sierlijk!” herhaalden alle aanwezigen in stomme bewondering.
De luitenant had niet gemerkt, dat een der jongelieden op een gegeven oogenblik den vinger omhoog gestoken had, waarop die uitbarsting van opgetogenheid volgde.
„Sjtt! Stil jongelui!” zei de luitenant, het hoofd vol ijdelheid op het boordjes-bord latende rollen. „Laat mij vervolgen: Van het gansche heelal! maar inzonderheid de bewondering van elken krijgsman ontvonkt heeft. Dat is de roemvolle terugtocht, die de luitenant-kolonel Vermeulen Krieger van Pisang op Agam volvoerde. Niet alleen in den kring van de operatiën van den kleinen oorlog, niet alleen onder de voornaamste partijgangerstochten zal die terugtocht een merkwaardige plaats innemen; neen, hij zal de eerste plaats, den hoogsten rang verwerven, wanneer hij slechts door eene geniale, door eene geestdriftvolle pen, als die van een Victor Hugo of een De la Martine, aan de vergetelheid zal ontrukt worden. Want die tocht, hij staat, wanneer alle bijzonderheden behoorlijk overwogen worden, niet beneden den Terugtocht der Tien Duizenden in Klein Azië! Vermeulen Krieger, de Nederlandsche Overste, streeft Xenophon, den Griekschen veldheer, op zijde!”
Daar ging de vinger omhoog.
„O! hoe mooi! hoe verheven!” blaatten de vier en dertig stemmen andermaal.
„Stil dan toch, jongelui! Laat mij voortgaan:
„Toch wordt die Terugtocht der Tien Duizenden als het grootste Militaire wonder der wereld in alle geschiedenissen vermeld, terwijl hij evenwel bij de tegenwoordige wijze van oorlogvoering niet die leerrijke voorbeelden van vastberadenheid, van kalm beleid en van onwrikbaren heldenmoed kan aan de hand doen, die deze terugtocht van Pisang naar Agam geleverd heeft, en waardoor hij niet alleen eene boven alles uitstekende plaats in onze roemrijke nationale krijgsgeschiedenis moet innemen, maar als eene hoog ontstoken fakkel in de geschiedrollen van de oorlogen der beschaafde volkeren moet schitteren!”
Bij die ontboezeming had de luitenant, als door geestdrift vervoerd, zelf den vinger opgestoken, om den stand dier hoog ontstoken fakkel aan te duiden.
„O! hoe overweldigend verheven! hoe goddelijk dichterlijk!” klonk het van alle kanten.
„Stil dan toch!
„Vermeulen Krieger was in December 1832......”
„Ik meen dat de tafel der werkzaamheden aangeeft, dat thans aardrijkskunde zou gedoceerd worden!” klonk een stem, die zich van den kant der deur, in de zij-galerij van het schoolgebouw liet hooren. Het was de kapitein, Directeur der Militaire School, wiens opmerkzaamheid door de eerste uitbarsting der bewonderende jongelieden getrokken was geworden, de galerij ingetreden was om te vernemen wat daar gaande was, en zoo getuige geweest was van de geschiedkundige voorlezing en natuurlijk ook van het spelletje, dat de jongelui met hunne opgetogenheidskomedie gespeeld hadden.
„Wilt u het lesuur maar eindigen en mij volgen, luitenant,” sprak hij verder tot den docent. „Wat de jongelui betreft, ik had van hen, die eenmaal officier wenschen te worden, meer achting, meer égards jegens hun meerderen verwacht. Zulk vergeten van een hunner voornaamste plichten mag ik niet door de vingers zien. Ik straf dan ook de geheele klasse met vier weken arrest!”
De luitenant-instructeur ging met den directeur deemoedig mede, om zijn „sans-prendre” met alle ondergeschiktheid te genieten; maar wie het ergste op hun neus keken, dat waren de bewonderaars van den dilettant-geschiedschrijver. Vier weken arrest! Dat wilde zeggen: vier weken opsluiting in de schoolinrichting; dat wilde zeggen: vier weken lang de paar uren vrijheid derven, die tweemaal ’s weeks des avonds, en des zondags den geheelen dag den jongelieden geschonken werden; dat wilde zeggen: achter de ijzeren traliën van het hek te staan turen naar de gelukkigen, die daar buiten de volle vrijheid genoten, langs ’s Heeren wegen voortstapten met den sabel kletterend en trillend bij iedere schrede op de beide kuiten, en niet nalieten op het erf van de hoofdofficiers-woning, die schuins tegenover het schoolgebouw, aan de andere zijde van den grooten weg, gelegen was, een steelsgewijzen blik te werpen, ten einde Serassima te ontwaren, die op dat uur steeds met de kinderen van den bewoner van dat huis daar heen en weder drentelde. O! die gelukkige stervelingen!
Wie van de onderofficieren, die in die dagen de Militaire School bezochten, kende Serassima niet?
Serassima met haar allerbevalligst kinderlijk naïef gelaat; met haar koddig gevormd, wel eenigszins platgedrukt neusje; met hare fijne maar zwellende lippen, die bij een glimlach het fraaiste en regelmatigste gebit der wereld te zien gaven, een gebit dat door het fatale sirih-pruimen nog niet ontsierd was; met hare fraaie amandelvormige zwarte oogen; met haren rijken haardosch, die, naar achteren gestreken, de lieve gelaatstrekken zoo bevallig deed uitkomen, en tegen het achterhoofd in een zwaren kondeh opgebonden was, waarin hier en daar eenige melattie-bloempjes [187] prijkten en heerlijk geurden; met hare licht bruine gelaatskleur, die in den hals en het keelkuiltje in een donker brons overging, en het lieve wezen eene onbeschrijfelijke bevalligheid bijzette; met hare goed gevormde schouders en aangenaam gewelfde borst, die door de kabaai zoo zedig mogelijk bedekt was; met haar dun middel, hetwelk in waarheid met twee handen omspannen kon worden, met hare goed gevulde heupen, die plastisch door den „sarong” omgeven, buitengewoon weelderige wendingen konden maken; met hare kleine handen doch breed uit elkander getrapte ongeschoeide voeten, was de bekoorlijkste, de slankste, de kleinste en de fraaistgevormde baboe, die Java’s bodem ooit gedragen heeft. Dat was ten minste de meening van de geheele Militaire School van Meester Cornelis.
Of de ega van den heer des huisgezins evenveel bewondering voor hare kleine baboe aan den dag legde, valt te betwijfelen; maar Serassima had zoo veel zorg voor den kleinen sienjo en de kleine nonnie [188], dat de goede moeder, daardoor afgeleid, de soms onverholen bewonderende blikken, die de majoor, haar heer en meester, op de verzorgster zijner kinderen sloeg, niet zag of niet wilde zien.