Part 16
„Ik, luin’t? Ik beijver mij om mijn troepje moed in te spreken. Ik sluit de kerels zoo dicht mogelijk aaneen. Ik maan hen aan om hun verband goed te bewaren. Ik laat hen lustig vuren en nog lustiger steken maar ik laat hen inmiddels langzaam op den hoofdtroep terugtrekken. Ziet, de weg daarheen is nog open. Kom, jongens, bedaard en kalm.... vooral mikt goed!.... Daar.... daar daagt reeds hulp op!... Hoerah jongens! wij zijn gered! Daar komt luin’t Buisson aan het hoofd van een troepje om ons bijstand te verleenen... Ik laat nog een paar salvo’s geven, en daar ik bemerk dat de vijand door de nadering van die versterking onthutst schijnt, kommandeer ik: velt geweer! er op in jongens! looppas—marsch!... En als luitenant Buisson bij ons gekomen is, is, hoeveel haast hij ook maakt, van den vijand niets meer te bespeuren.”
„En de luitenant reikt u eene hand en zegt tot u: dat is flink geageerd, sergeant Riethoven!”
Het gelaat van den luitenant-adjudant, anders zoo strak, glom van tevredenheid, terwijl hij die woorden sprak.
„Gij sergeant Marcussen, gij voert eene patrouille aan. Gij bevindt u in een dicht bosch, waarin geen weg of steg is, en waarin gij u met uw troep met het kapmes in de hand baan moet breken. Op een gegeven oogenblik ontsnapt de gids, die u meegegeven is. Hoe oriënteert gij u? Men heeft u een schetskaartje meegegeven, en gij weet dat de plaats, die gij bereiken moet, oostwaarts van u ligt.”
„Ik kijk naar de boomen, luin’t.”
„Wat, naar de boomen?”
„Of er schors op den bast is. Die bevindt zich steeds aan de westzijde; ik moet dan den anderen kant uit.”
„Domoor, dat is goed voor Europa.”
„Maar luin’t, het staat in ’t boekie.”
„Voor Europa, domoor! Gij, sergeant Van der Marle?”
„Ik luin’t. Ik kijk naar de zon. Die komt in het oosten op, dus... ik moet daarheen.”
„Maar zij staat in het zenith. Daarenboven het dichte gebladerte van het bosch laat niet vele zonnestralen door.”
„Ja luin’t, dan weet ik het niet! Wat is dat voor ’n ding het zenith, waar de zon in staat?”
„Gij, sergeant Lievekooi?”
„Wel luin’t. Ik kijk naar de schaduw, die de zon werpt. Wij hebben nu Augustus. Het zal wel September wezen, eer dat mij zoo’n koopje overkomt. Gij zegt dat de zon in het zenith staat, d.w.z. in haar hoogste punt, en het is dan bijgevolg middag. Zij staat dan loodrecht boven mij. Nu steek ik mijn laadstok zoo recht mogelijk in den grond op een plekje, dat wel te vinden zal zijn, waar de zon een doorglippertje maakt en nu wacht ik een oogenblik. Lang evenwel behoeft niet, want kijk daar komt al een eindje schaduw aan het voeteinde van den laadstok. Ik wacht nog een kwartiertje, dan is dat eindje schaduw ongeveer een halve vinger lang en het wijst naar het oosten, of dat zal niet heel veel schelen. Ik kan nu mijn marsch verzekeren door in de gewilde richting merkbare punten in het oog te nemen. Toch zou ik bij iedere gelegenheid mijne laadstokproef herhalen, om niet aan het ronddwalen te raken. Ik geloof luin’t, dat ik dan niet ver van de aangeduide plaats zou uitkomen.”
„Dat meen ik ook. Maar, wat te doen, wanneer de lucht betrokken is en er dus geen zon en geen schaduw waar te nemen valt?”
„Dan kijk ik op mijn kompas,.... als ik er een heb.”
„Maar gij hebt er geen?”
„Drommels, dat wordt lastig, luin’t.”
„Wie weet het?”
„Ik zou dan te rade gaan bij de inlandsche onderofficieren, die bij het troepje aanwezig zouden zijn,” antwoordde er een. „Ik zou hen beduiden dat ik oostwaarts op moet, en die zouden mij wel te recht helpen.”
„Zeer goed. Hoe zoudt gij dat zeggen: oostwaarts op, sergeant Nelissen?”
„Ik weet het niet, luin’t.”
„En gij?... Ook niet?... en gij?... ook al niet?... Wie weet het?... Niemand?... Kom, dan papier voor den dag en opschrijven!”
De onderofficieren en korporaals schoven de blikken cilinder-trommel naar voren, die zij met een leeren riem over den schouder droegen, en waarin zij een paar boeken papier alsmede potlood en pennen voorradig hadden, terwijl de inktkoker in het deksel doelmatig aangebracht was, en waren weldra tot aanteekenen gereed.
„Het oosten heet bij de Maleiers: „timor,” dus: oostwaarts: „di sablah timor.” Het westen heeten zij: „barat,” het zuiden....”
„O! dat weet ik,” riep er een. „Dat is „kidoel.””
„Daar zou je in de Lampongs niet ver mee komen. Dat is Javaansch,” antwoordde de luitenant-adjudant. „Het zuiden wordt „selatan” geheeten en het noorden: „oetara,” ook wel „lor.” Goed onthouden! Hebt ge dat opgeschreven, korporaal Meursen?”
„Ja luin’t.”
„Hoe zegt ge dus: zuidwaarts?”
„Di sablah selatan.” „Is ’t goed zoo, luin’t?”
„Zeer goed.”
Zoo beijverde zich onverdroten de waardige officier de hem toevertrouwde onderofficieren en korporaals voor den werkkring, die voor de deur stond, geschikt te maken. Hij wees hen er voortdurend op, dat het geval veelal zich zou voordoen, als zij op zich zelven stonden, dat er dan geen raadsman bij de hand was, om eventueel gebrek aan kennis aan te vullen. Dat dan helderheid en beknoptheid bij het vervaardigen van rapporten, dat dan degelijke kennis van de dienstplichten, die grondslag van vastberadenheid en doortastendheid moesten voorzitten, ten einde, hunnen stand volkomen waardig, voor hunne ondergeschikten en voor het vaderland nuttig te kunnen zijn.
„Ja, voor uwe ondergeschikten, voor het vaderland!” ging dan de luitenant met eene voor zijn gestel onmogelijk geachte geestdrift voort. „Voor uwe ongeschikten, voor het vaderland, onderofficieren! Ik sprak van uwe belangen niet. Ik beriep mij op edeler gevoelens. Op uwe vaderlandsliefde, op uwe zorg voor den minderen soldaat! Gij zoudt voor u eigen, daar ben ik overtuigd van, u doodvechten om goed te maken, wat een verkeerd gesteld rapport, of wat een maatregel in onberadenheid genomen, bedorven zou kunnen hebben. Maar er is nog hooger taak dan zijn leven op te offeren, of veil te hebben, wanneer men te velde is, onderofficieren; dat is, dat gij u zelven bewust moet worden in allen deele aan uwe zoo schoone en zoo eervolle bestemming te kunnen beantwoorden, en daardoor voor het vaderland zoo nuttig mogelijk te zijn! Ziet, dat bewustzijn schenkt vertrouwen, en dat vertrouwen op eigen krachten vertienvoudigt in de oogen van hen, die hierover oordeelen kunnen, uwe krachten, uwe waarde en uwe verdiensten ten opzichte van het vaderland.”
Zoo sprak de edele chef en was zich zelven daarbij bewust dat vaderland, waarop hij zoo herhaaldelijk wees, den grootsten dienst te bewijzen, door een degelijk korps onderofficieren te kweeken.
Inmiddels naderde de gewichtige dag.
Een paar dagen voor het vertrek werd door het expeditionnaire bataillon de groot-tenuekleeding, de zoo ondoelmatige schako en de circassienne mouwvesten met de zoo afzichtelijk leelijke gele wingsen [126] ingeleverd. Daags daarop had de inspectie plaats van de vertrekkende troepen door den legerbevelhebber. Het 11de bataillon met de daaraan toegevoegde artillerie en genietroepen, gezamenlijk nagenoeg 1100 man sterk, stonden in marschtenue gekleed aangetreden in de lommerrijke Willemslaan,—in die fraaie laan, die het Waterlooplein met het Koningsplein verbindt—en werden daar door generaal De Stuers in oogenschouw genomen.
Het expeditionnaire korps zag er uitstekend uit, alleen de ratelende klapperdoppen, die aan de zijde der infanteristen bengelden, ontlokten den waardigen chef een glimlach; maar indachtig dat het wreed is, iemand een onschuldig stokpaardje te ontnemen, zweeg hij. Met enkele woorden tot de troepen gericht, gaf de edele krijgsoverste zijne tevredenheid te kennen, riep den vertrekkenden een hartelijk vaarwel toe, en deed de gemoederen van allen tot een geestdriftvol gejuich losbarsten, toen hij, terwijl hij den steek afnam en daarmede wuifde met een luid: Leve de koning! besloot.
Onmiddellijk na de inspectie trokken de troepen met divisiën in gesloten kolonne te zamen, defileerden voor den legerbevelhebber, die zich met zijn staf ter zijde van de laan, die de oostzijde van het Koningsplein uitmaakte, opgesteld had, marcheerden langs de Hertogslaan en keerden zoo naar hunne kwartieren terug.
Des avonds werd door de officieren van het achterblijvende garnizoen te Batavia aan hunne collega’s van het expeditionnaire troepengedeelte een kameraadschappelijk feest in de Concordia aangeboden. Voor het fraaie sociëteitsgebouw was een sierlijk tempelfront met zijne zuilen en bogen in licht bamboe-werk opgetrokken, waaraan honderde lampions aangebracht waren, die, toen het avonduur gevallen was, helder schitterden, en dien fraaien Griekschen gevel als in eene vuurzee gehuld deden uitkomen. Lustig speelde de stafmuziek en hief het „Wilhelmus” aan, toen de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië verscheen, om als Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht beoosten de Kaap de Goede Hoop dit echt Militaire feest door zijne tegenwoordigheid allen luister bij te zetten. Geheel Batavia was in en om die officierssociëteit vereenigd. Het eene gedeelte om daadwerkelijk aan het feest deel te nemen, het andere om door „nontongen” zoowel van de fraaie muziek als van de algemeene feestvreugde mede te genieten. Toen dan ook ’s Konings vertegenwoordiger tegen middernacht een dronk wijdde aan den goeden uitslag van den krijgstocht, en zijne hartelijke rede besloot met het welzijn van den Koning te brengen, toen plantte zich het „leve de Koning!” van uit de zalen van het Concordia-gebouw naar het Waterloo-plein over. Overal werd die zegekreet met uitbundig gejuich herhaald; tot in de kazernes toe, die hoewel achter de officiersgebouwen langs de zuid-oostzijde van gezegd plein gelegen, toch een vergezicht op de fraaie verlichting aanboden.
Waarom was voor den minderen militair ook geen feestdag bereid? Och, mocht die verzuchting bij den een of anderen denker opgekomen zijn, bij de nederigen van het leger vond zij geen ingang. Gewoonlijk zijn zij van afgunst vrij.
Nadat de Gouverneur-Generaal het sociëteitsgebouw verlaten had, was het feest daarom niet geëindigd. Integendeel, het was alsof de pret, vroeger door de étiquette in bedwang gehouden, nu eerst recht losbarstte. En terwijl in de kazernes allen als gelukzaligen eindelijk ronkten, weerklonk het dansmuziek in de Concordia en zweefden de Bataviasche schoonen, omstrengeld door de armen van hen, die weldra ver weg zouden zijn, door de fraaie zaal op de zoo opwekkende maat van een bevallige wals.
De dageraad verscheen aan den hemel, toen de laatste groep dames door de heeren naar hare rijtuigen geleid en daar zorgvuldig ingebakerd werden, uit vreeze voor de nadeelige gevolgen van den frisschen morgenwind. [127]
Wanneer de expeditionnaire troepen dien morgen hadden moeten uitrukken, dan zoude het officierskorps althans geen opwekkend beeld hebben vertoond; maar.... dan zoude het feest ook òf niet zoolang geduurd hebben, òf eenige dagen vroeger gevierd zijn.
Den daaropvolgenden dag liet de reveille zich reeds ten half vier hooren. Een oorverdoovend gejuich steeg uit de kazernes op. Iedereen was bij de expeditionnaire troepen in de weer. Onderofficieren en manschappen vlogen naar buiten om zich rondom de putten handen en gezicht met het heldere water te verfrisschen, dan spoedden zij zich naar de keuken om hun laatste ontbijt te halen. Maar dat ging spoedig in zijn werk; want van nu af waren de minuten, ja de seconden geteld. Weldra verscheen het grootste gedeelte der manschappen reeds in volle marschtenue onder de voorgalerij der kazernes en schaarde zich daar in rij en gelid. Het duurde niet lang of de generaalmarsch liet zich hooren, en trokken de afdeelingen naar de algemeene vergaderplaats. Inmiddels had zich een der flankkompagnieën, voorafgegaan door de tamboers en de kapel van het korps, maar toch met stille trom naar de woning van den bataillonskommandant begeven, ten einde het vaandel af te halen. Zoodra dit, door den onderadjudant-vaandeldrager getorst, onder de voorgalerij verscheen, sloegen de tamboers den ban, hief het muziek het „Wilhelmus” aan, terwijl de kompagnie de geweren presenteerde, als om eer te bewijzen aan het dierbare kleinood, dat het ver verwijderde vaderland vertegenwoordigde. Onmiddellijk daarop werd het vaandel onder het spelen der muziek naar de algemeene vergaderplaats gebracht, alwaar het met de daartoe bestemde vaandelwacht zijne plaats onder dezelfde eerbewijzen in de bataille-linie innam.
En nu eindelijk weerklonk het kommando forsch en helder:
„Met sectiën rechts, om naar de linkerzijde af te marcheeren.... Marsch!!!”
Ja, „marsch!” Hoe dikwerf had dat kommando op diezelfde plaats niet weerklonken, om de troepen naar het oefeningsveld te voeren; thans klonk het om hen naar het veld van eer te geleiden! Een geestdriftvol gejuich ging uit de gelederen op en begroette dat: „marsch!” De bevolen beweging werd met de nauwkeurigheid van afgedrilde troepen uitgevoerd, en onder het geroffel der trommen en het geschetter der muziek zetten de expeditionnaire troepen de eerste schreden op den weg.... waarlangs velen, zeer velen niet zouden wederkeeren. Maar kwam ook al die gedachte bij een enkelen op, zij beving evenwel niemand.... dat was genoegzaam op te maken uit de algemeene opgewektheid, die allerwege heerschte. Op den langen marsch langs Rijswijk en Molenvliet naar Batavia’s reede werd er geen huis gepasseerd, waar het hoerahgejubel den vertrekkenden toegebracht, door dezen niet even geestdriftvol beantwoord werd.
Eindelijk was de Kleine Boom [128] bereikt, en maakten de troepen halt. Voor een oogenblik werden zij in bataille geformeerd. Hier ontsponnen zich nu tafereelen, die voor den aandachtigen beschouwer niet van belang ontbloot waren. Het oogenblik van afscheid was gekomen. Wild en woest baande zich hier eene Javaansche vrouw een weg door de menigte en vloog, van smart gillend, haren echtvriend, die daar in het gelid stond, om den hals. Zij had een knaapje aan de hand en droeg een zuigeling in haar „slendang” [129] gewikkeld, op den rug. Zij reikte den vader zijne kinderen, opdat hij ze nog eens mocht kussen. Deze leunde zijn geweer tegen een naast hem staanden makker, greep het jongetje, zette dat schrijlings op zijn ransel en schouders, prangde het jongste kind aan zijn hart, overdekte het met snuivende zoenen [130] en wel met zooveel onstuimigheid, dat het wicht beangst begon te schreien. Elders wisselde een jeugdig officier een teederen handdruk, een blik, waarin een wereld lag opgesloten, met eene lieve blozende jonkvrouw, een onzer noordsche zusteren, die bij dat vertrek ruim vertegenwoordigd waren, en een innig blijk van belangstelling aan de dapperen, die vertrekken zouden, kwamen geven. Nog verder prangde een bejaard kapitein, terwijl eene enkele traan, aan zijn oog ontglipt, langs zijn reeds grijzenden knevel neerdroppelde, zijne wederhelft aan zijne borst, greep zijne kinderen en overdekte hen met kussen. Daar verder reikten vrienden en bekenden elkander als laatst vaarwel de hand:
„Vaarwel!.... Blijf gezond!.... Alle succes!.... Dag Anna!.... Tabeh Sarina!.... Tabeh Sidin!....”
Dat waren de kreten, die vernomen werden. Het geheel vormde in dat oogenblik een tooneel van verwarring, een concert van gillen en snikken, dat evenwel het menschenhart goeddeed, en waarbij naast geheele berusting de meest mogelijke vastberadenheid te ontwaren waren, om het vaderland met opoffering van gezondheid en leven te dienen.
Herman Riethoven, die dat alles ernstig, evenwel niet zonder geestdrift waarnam, moest erkennen, dat het dagelijksche leven moeielijk zulke hartverheffende tafereelen kon aanbieden.
Eindelijk, op een teeken van den bataillons-chef, stak de korporaal-tamboer zijn stok met zwaren koperen knop in de hoogte. Eene flinke roffel weerklonk; de hoornblazers bliezen het: geeft acht! en een oogenblik later braken de troepen kompagnie’s gewijze af en daalden in de vaartuigen af, die aan de kade van het havenkanaal gereed lagen, en staken van wal; terwijl de korpskapel het „Wilhelmus” speelde, waarop de stafmuziek, die aan den wal bleef, met het: „Wien Neerlands bloed” antwoordde.
Onder uitbundig gejuich volgde de menigte de kojangs-prauwen langs de beide kaden van het kanaal, en wisselden geestdriftvolle hoera’s met de vertrekkenden. Toen de vaartuigen evenwel de Welkomstbatterij voorbijgestevend waren, kwamen zij meer en meer onder den invloed van den landwind, die in dit vroege morgen uur nog stevig doorstond. De zeilen werden geheschen, en onder dien druk werd weldra zoo’n vaart bereikt, dat de wandelaars niet meer volgen konden. Voor en na bleven deze achter, en nog voor dat de prauwen ter hoogte van het Oude Water-kasteel gekomen waren, was er geen enkele meer te bespeuren.
De zon dook daar ginder uit den schoot der baren op, toen de vaartuigen het havenkanaal uitstevenden en het ruime sop bereikten.
XIII.
OP WILATOONG.—HERMAN IN DE LAMPONGS.
„Hebt ge het nieuws van papa reeds gehoord?” vroeg Adelien Groenewald aan hare zuster.
„Welk nieuws?”
„De controleur Slierendrecht is te Magettan geplaatst, en komt heden nog te Wilatoong aan.”
„Dat’s een buitenkansje. Dan hooren wij weer iets van de buitenwereld. Hij komt het laatst van Ngawi, niet waar?”
Adelien bloosde bij die vraag onder den doordringenden blik van hare oudere zuster.
De beide meisjes waren in de voorgalerij van het landhuis gezeten. De zon stond reeds hoog, en het was warm in den dampkring. Vestigde zich het oog op eenig donker getint voorwerp als een rotsblok, het verouderd dak eener Javaansche woning, de grauwe wegen, die zich langs de berghellingen slingerden, dan ontwaarde het duidelijk de trillingen en de golvingen van de verhitte en daardoor opstijgende luchtlagen. In die galerij was het evenwel betrekkelijk koel. Hooge schaduwrijke boomen beschutten toch het dak van de woning tegen de brandende zonnestralen, terwijl de galerij voor en ter zijde door groen geverfde „kree’s” [131] beschermd was, waardoor de luchtige morgenwind vrij kon gieren, die dus niet alleen de drukkende warmte van daarbuiten afweerden, maar ook het schelle licht zacht temperden, dat bij vollen zonneschijn wel eens het zijne er toe bijbrengt, om het ondragelijke van de warmte te vermeerderen. De blik naar buiten werd evenwel door die „kree’s” niet onderschept. Tusschen de latjes door was het geheele landschap zichtbaar. De blik kon dan vrij waren over Madioens fraaie dalvlakte.
„Maar de controleur komt niet alleen,” ging Adelien voort.
„Niet alleen? Wien verwacht papa dan nog?”
„Nu raad eens.”
„Kom, zusje, ge weet, dat ik niet gelukkig in het raden ben. Wie komt er?”
„Frank,” antwoordde het lieve kind met een bekoorlijken blos op de wangen en een weinig hapering in de stem.
„Frank? Wat komt die hier doen?”
„Toen papa laatst op zijne doorreis te Ngawi was, heeft hij verlof voor hem aangevraagd. Dat kon toen niet, waarom niet? Dat weet ik niet. Thans heeft hij voor veertien dagen verlof gekregen, en nu heeft hij van de gelegenheid gebruik gemaakt om met den heer Slierendrecht meê te reizen.”
„Dat’s prettig! Wij zullen ’s morgens paardrijden....”
„En wandelen,” viel Adelien in. „En schuitje varen op het meer.”
„Wij zullen den Lawoe beklimmen.....”
„Dat zal papa wel niet willen.”
„En overdag zullen wij zitten lezen. Frank zal wel zeker beeldig kunnen voorlezen?”
„En ’s avonds muziek maken.”
„Kent hij muziek?”
„Ik geloof het wel. Ik meen, dat hij mij daarvan iets verteld heeft.”
„En wij zullen dansen! O, heerlijk, wij zullen dansen!” kreet Emma opgewonden uit.
„Als papa maar geen streep door de rekening maakt....”
„Waarmeê?”
„Wel, als papa logé’s heeft, dan verlangt hij erg een partijtje te maken.”
„Stil, dan zullen we hem met mama opschepen en met.... ja met wien? Wacht.... ik zal den regent verzoeken, dat hij des avonds hier komt gedurende die dagen. Dat is een fijne ombreur.”
„Dan zijn ze nog maar met hun drieën. Je weet dat papa niet gaarne met drieën ombert. Dat is te druk, zegt hij. Maar.... de controleur zou als vierde man meê kunnen doen.”
„En met wien zou ik moeten dansen, zusjelief? Goed uitgedacht, om met je Frank een tête à tête te hebben. Dan zoudt gijlieden mij wel naar de piano verwijzen, of naar de Mookerheide wenschen.”
„O, Emma!.... Maar dat’s waar ook. Wie zou moeten piano spelen? Wij kunnen toch niet dansen zonder muziek!”
„Wij zullen sienjo Priston verzoeken!”
„Ja, dat’s goed.”
Sienjo Priston, was schrijver op het bureau van den heer Groenewald. Hij kende geen noot, al was die ook zoo groot als een schilderhuis. Toch tokkelde hij niet onverdienstelijk een paar walsen en een paar polka’s op de piano. Maar zijne kunstwaarde bereikte haren hoogsten trap van volmaking bij het bespelen der „soeling.” [132] Hij kon dat instrument laten huilen, lachen, zuchten, spreken, loeien, blaten, mauwen of blaffen. In één woord, als sienjo Priston zijne „soeling” aan de lippen had, dan was hij sienjo Priston niet meer, dat wil zeggen een bloode en domme jongen, die vooral in tegenwoordigheid van Europeesche jonge dames geen oog durfde opslaan; maar dan was hij een virtuoos, die met ten hemel geslagen oogen zijn geest en zijn hart in zijne fluit poogde te leggen, en die dan soms zulke aandoenlijke tonen daaraan wist te ontlokken, dat hij zelf in snikken uitbarstte en zijn gemauw staken moest, terwijl zijne toehoorders een luid gelach aanhieven.
„Maar de vierde man? Ik zie het nog gebeuren, dat de heer Slierendrecht bij het partijtje aangetrokken wordt en.... die wou ik toch wel voor mij behouden,” zei Emma.
„Bracht Frank zijn vriend Herman maar mede, niet waar?”
De oudste zuster bloosde op hare beurt.
„Och, dat kan nu eenmaal niet. Die is ten oorlog getrokken. Marlborough s’en va-t-en guerre! Waarheen ook weer? Ik ben het glad vergeten.”
„Naar de Lampongs.”
„Wel bekome het hem! Hij zal nu nog wel eens aan de Fernandina Maria Emma denken. Het moet niet alles zijn op zoo’n expeditie!”
„Het was toch een eigenaardig karakter,” zei Adelien, „dat mij wel aantrok.”
„Wat vond mijn zusje aantrekkelijks in de terughoudendheid van dien lummel?”
„Ja, wat moet ik daarop antwoorden? Ziet, zijne standvastigheid aan zijne eerste liefde boezemt mij achting in. Frank heeft mij wel eens een portret van die Lydia laten zien. Het was een lief, aanvallig kopje. Toch moet ik erkennen, dat gij schooner en bevalliger zijt. Van die meening was Frank ook....”
„Zoo!.... Ik ben uw galant wel dankbaar voor die meening. Maar.... wat bedoelt gij met de vergelijking van mij met die Lydia, die ik zou....”
„Wel, dat Hermans genegenheid wel zeer sterk moet wezen, om koud tegenover u te blijven. Zulke standvastige karakters bekoren mij.”
„Lieve dweepster....”
„Maar, als wij met den Regent ook den zoutverkooppakhuismeester verzochten, om met papa een partijtje te maken.”
„Een saaie vent, maar.... ik zal het doen,” zei Emma.
„Ada toean toean njang datang!” (Daar komen heeren aan) waarschuwde een bediende, die op de treden der voorgalerij gehurkt zat, gereed om de jonge dames op den eersten wenk te bedienen.
De beide zusters stonden op, en spoedden naar voren.
„Waarachtig, daar zijn ze!” juichte Adelien, terwijl ze in de handen klapte. „Daar is Frank, daar is mijn Frank!”