In het land der zon

Part 15

Chapter 153,703 wordsPublic domain

„Laat mij hier een parenthese openen, waarde Frank, over de rottanstraf. Gij weet, ik heb nog al het zwak om over sommige zaken te pikeeren, zoo als men hier zegt, vooral wanneer die zaken van actueel belang zijn. In de dagbladen en tijdschriften, zoowel in Indië als in Nederland, is een strijd aangebonden om de rottanstraf voor de inlandsche bevolking afgeschaft te krijgen, en het leger die weldaad ook deelachtig te doen zijn. Wat men omtrent het opleggen dier straf b.v. in het Tijdschrift van Nederlandsch Indië te lezen krijgt, is somwijlen hartverscheurend, en, gebeuren er werkelijk feiten zoo als daar beschreven worden, dan valt er mijns inziens niet te aarzelen, om aan die onverlaten, welke zich aan zulke gruwelen schuldig maken, den stok uit de hand te rukken. De gebezigde voorbeelden komen mij evenwel te gekleurd voor, om ze zoo maar grif weg voor onberispelijk waar aan te nemen. Mijn gezond verstand weigert aan te nemen, dat er zoo veel zulke aterlingen aangetroffen zouden worden, zoo als daar te verstaan gegeven wordt. En is mijne meening juist, zoodat de medegedeelde gruwelen slechts als op zich zelf staande feiten kunnen medegedeeld worden, dan valt er mijns inziens in de eerste plaats tegen misbruik te waken, waarmee ik nog geenszins bedoel, dat het gebruik zoude moeten worden afgeschaft. Met de weinige ervaring, die ik nog opdeed omtrent de inlandsche maatschappij, waag ik er mij niet aan, om mij een oordeel aan te matigen of die bevolking rijp is om haar eene meer milde rechtsbedeeling deelachtig te doen zijn, dan tot heden het geval was. Dat zullen meer ervarenen moeten uitmaken, hoewel ik hun toch zou aanraden, met de voorhanden zijnde preventieve en repressieve politie-maatregelen rekening te houden, en na te gaan, of die bij het afschaffen van de rottanstraf voldoende aanwezig zijn, om het doel te bereiken. Vergeef mij die kleine uitspatting; maar, als ik wat te zeggen had, dan zou ik de inlandsche bevolking eene andere weldaad bewijzen, dan schafte ik het opiummonopolie af, dan verbood ik den invoer van dat vergift, en ik zou zelfs zoo barbaarsch wezen om den rottan met klem te baat te nemen om aan dat verbod alle kans van uitvoering te verleenen. Maar, dat zou ’s lands inkomen, derhalve ook de zakken der belastingschuldigen raken; en.... ik geef gewonnen, dat zoo iets voor een Nederlandsch staatsman niet uit het oog te verliezen is. Is het evenwel waar, dat de opium-vergiftiging alleen ter wille van de baten, die zij afwerpt in stand gehouden en aangekweekt wordt, wat dan te zeggen van de huichelarij van hen, die schreien over het gruwelijke van de rottanstraf, maar het opiummonopolie voorzichtig ongedeerd toelaten? Het opiummonopolie dat honderd, ja duizendvoudig meer rampen in een jaar oplevert, dan ooit door de meest willekeurige toepassing van de rottanstraf zoude kunnen worden te weeg gebracht! Maar, wat bovendien te zeggen van hen, die alles aanwenden, om de opium-demoralisatie ter wille van vuile geldzucht hand over hand te doen toenemen, en zich daarbij beijveren de bestuurders van Indië de middelen uit de hand te slaan, om te midden van het stelselmatig gekweekte zedenbederf nog eenigszins een schijn van orde te kunnen bewaren? Ziet, dat zijn vragen, die ons, die gekozen hebben onze loopbaan in deze gewesten te volbrengen, wel mogen bezig houden, en die ons tot nadenken moeten stemmen.

„Zal men evenwel doordrijven, dat ook bij het leger de rottanstraf afgeschaft worde, dan begaat men m. i. eenen misslag, die, wordt hij volkomen beraden en na gezet nadenken volvoerd, aan landverraad gelijk staat. O, ik weet het wel! Er worden zulke fraaie, zulke schetterende volzinnen gebezigd, wanneer men overr het menschonteerrende van het toepassen van rrottanstrraf op de verrdedigerrs des Vaderrlands, op hen, die de eerr geschonken worrdt om onderrr de plooien van het rroemrrijke Orranje-vaandel ten strrijde aangevoerrd te worrden, spreekt! Die volzinnen, een weinig van hunne hoogdravendheid en hunne rrr’s ontdaan, zijn volmaakt van toepassing voor een militie-leger zooals in Nederland, waarbij de loteling, de eenvoudige boerenlummel ingedeeld wordt, en die ten rechte tegen te ruwe behandeling, die zou kunnen plaats hebben, beschermd behoort te worden, maar niet voor een leger, dat zoo als het Nederlandsch Indische uit alle holen der wereld samen geworven wordt, en in welks gelederen soms de meest gedemoraliseerde en gedepraveerde wezens eene plaats innemen. Herinner u nog maar eens de schandelijke uitspattingen en walgelijke tooneelen te Harderwijk. Hier bij de Europeesche kompagnieën is dronkenschap en liederlijkheid aan de orde van den dag. Hoe zal met zulke bestanddeelen huis gehouden kunnen worden, wanneer de vrees voor den rottan verdwenen zal zijn? Het is mij een raadsel! en ik verklaar de poging om de rottanstraf af te schaffen voor eene uiting van philantropische krankzinnigheid. Ja, geeft hier aan het leger eenvoudige boerenlummels, die van achter den ploeg weggehaald zijn, dan kan hier ook zonder stok huis gehouden worden; maar zoolang men elementen uitzendt, die uit de meest verderfelijke holen van Europa te saam gebracht worden, moeten de middelen voorhanden zijn om orde en tucht nadrukkelijk te handhaven. Dat de kerels zelven de nuttigheid van eene lichamelijke kastijding inzien, blijkt daaruit, dat wanneer een hunner zich aan goedverkoopen schuldig maakt, zijne kameraden een oogenblik te baat nemen, wanneer geen onderofficieren of korporaals in de chambrée aanwezig zijn, om den delinquent op de bank uit te strekken, en hem met de zool hunner schoenen eene afborsteling toe te dienen, die bij een duchtige rottankastijding niet behoeft achter te staan.

„En geloof nu niet dat het inlandsche element bij het leger van beter gehalte zou zijn dan het Europeesche. Hier boven sprak ik van de inlandsche recruten als van eene kudde geschoren schapen; maar dat was beeldspraak. Van schapen hebben zij niets; integendeel, het zijn wezens, van welker ondeugden misbruik is gemaakt, en die op de liederlijkste wijze door de wervers met behulp van opium en spel [122], die beide kankers der inlandsche maatschappij, in het net gelokt zijn, derhalve alweer niet tot de bovenste lagen dier maatschappij behooren, en bijgevolg de middelen, om binnen de perken eener doelmatige krijgstucht gehouden te worden, niet ontberen kunnen.

„Vergeef mij, beste Frank, dien zijsprong. Ik hoop dat je niet vinden zult, dat ik mijn brief noodeloos verlengd heb. Het zijn kwestiën, die je—al maakt ge ook plannen om op een gegeven oogenblik het leger te verlaten—belang moeten inboezemen; vooreerst: omdat ge met de indische maatschappij nog inniger in aanraking zult komen dan ik wellicht; maar ook: omdat gij uw Vaderland liefhebt, welks belangen en toekomst door die kwestiën niet onaangeroerd gelaten worden. Ik hervat nu mijn verhaal van Kleermakers:

„Na dat tweede vijf en twintigtal ontvangen te hebben, richtte hij zich op; wel was zijn blik nog brutaal, maar de moed ontbrak hem toch om zijne snorkerijen bot te vieren. Het bloed zijpelde toch door zijn pantalon, en daar stond een emmer koud water gereed om de beleedigde deelen af te wasschen en te verfrisschen. Toen hij daarmeê klaar was, moest ik in zijne tegenwoordigheid mijne escorte de geweren laten laden, terwijl ikzelf dat ook deed. Hij trad daarna tusschen de bajonetten, en ving met dat warme zitvlak den marsch aan, die eerst te Anjer moest eindigen.

„In den beginne ging alles goed. Kleermakers hield zich uitstekend en marcheerde flink door. Maar, te Tangerang nachtverblijf moetende houden, scheen hij daar gelegenheid gevonden te hebben om sterken drank machtig te worden. Ik vernam later, dat een Chinees hem een paar pompelmoezen bezorgd had, waarin darmen, met arak gevuld, verborgen waren. Genoeg, toen ik den volgenden morgen van die plaats wilde afmarcheeren, lag Kleermakers bewusteloos dronken op de „baleh baleh”; er was geen beweging in hem te krijgen. Ik liet hem met koud water begieten; het hielp alles niets. Hij was lijk en bleef lijk; het eenige wat ik uit hem kon krijgen was: „sla mij maar dood,” met stotterende en half onmachtige stem uitgestooten; terwijl hij niet in staat was de oogen te openen.

„Daar stond ik. Gij zult mijn toestand gevoegelijk begrijpen. Het was om wanhopig te worden! Veertien dagen provoost, dat stond er op, dat zou mij de Rijn niet afwasschen! En met die veertien dagen provoost ging een groot gedeelte mijner vooruitzichten verloren; want een tweede ongeluk zou mij in het verderf storten. Gij zult mij zeggen, dat ik beter had kunnen oppassen! Frank, bij alles wat heilig is! ik had mijn plicht stipt gedaan; ik had den man geen oogenblik uit het oog verloren, en ongetwijfeld heeft een der manschappen van het escorte hem moeten behulpzaam zijn, om aan dien drank te komen; want hij kent de taal des lands nog minder dan ik, en nog eens; ik was steeds bij hem. Wie gaat ook denken, dat arak binnen pompelmoezen besloten kan zijn. Hij heeft ook alleen de uren kunnen bezigen, terwijl ik vermoeid van den marsch rustig sliep, om zich te bedrinken. Maar, wat nu gedaan? Door bemiddeling van het kamponghoofd kreeg ik eene „tandoe” [123] met twee dragers om den bewusteloozen verder te transporteeren. Dat zou evenwel niet geheim kunnen blijven, want dat hoofd moest door bemiddeling van den controleur van het gewest de noodzakelijkheid der verstrekte transportmiddelen door den officier van gezondheid te Serang, hoofdplaats der Residentie Bantam, doen bekrachtigen. En die zou met dien dronkenlap niet om den tuin te leiden zijn. Ik herhaal het, ik was wanhopig.

„Maar in dien nood kwam gelukkig redding! Toen ik Tjikandi, een grenskampong tusschen de Residentiën Bantam en Batavia binnen marcheerde, kwam ik dokter Arendsenraedt tegen,—gij weet wel, die jonge officier van gezondheid, dien wij bij Dr. Hannius eens ontmoet hebben. Hij was sedert naar Bantam overgeplaatst, en deed juist eene tournée door de residentie in het belang der vaccine. Openhartig deelde ik hem mede, wat met dien dronkaard gebeurd was, welke straf mij te wachten stond, en welken invloed dat op mijn toekomst kon hebben. Hij trad op de tandoe toe, waarin Kleermakers, thans ontwaakt, met een hoogrood gelaat en met beloopen oogen lag, voelde hem den pols en sprak:

„„Die man heeft zwaar de koorts. Natte compressen op het hoofd! Zure limonade onder weg. Kom hier bij het kamponghoofd binnen, dan zal ik u wat pillen voor hem geven.”

„Hij deed zoo; hij deed meer. Hij gaf mij een bewijs van de ziekte van den man. Febris synocha schreef hij, geloof ik. Hij verschafte mij daarenboven de noodige transportmiddelen tot Anjer. Ik had hem wel de handen willen kussen van dankbaarheid!”

„„Zorg voor den lijder, laat hem vooral niet alleen,” sprak de menschenvriend beteekenisvol.

„Nu, dien raad kwam ik getrouw na. Ik zorgde wel, dat de dronkaard geen droppel drank meer machtig werd. Maar ik was toch blij, toen ik hem aan boord van de kruisboot afgeleverd had, die hem naar de Lampongs moest overbrengen, en ook dadelijk haar anker lichtte en derwaarts vertrok.

„En nu beste Frank, ga ik eindigen; ik geloof niet, ge u te beklagen zult hebben, dat ik tekort van stof geweest ben. Mijn brief heeft wel wat van een brochure. Kerel, als je daarvoor maar niet te veel port zult moeten betalen. Schrijf dan maar om je te wreken een epistel van den dubbelen omvang van dezen. Ik zal betalen en denken; meâ culpâ. En nu een handdruk van je vriend.

Herman Riethoven.

„P. S. Hoera! driemaal hoera! De staffourier deelt me daar mede, dat het 11de bataillon op voet van oorlog gebracht wordt, en dat wij spoedig zullen uitrukken. Waarheen? Ja, dat wist hij niet, of dat wou hij niet zeggen, de olijkert. Dat er iets aan het handje was, kon in den laatsten tijd wel bemerkt worden. De recruten moesten zoo spoedig mogelijk afgeëxerceerd worden. Ook werden veelvuldig militaire marschen en daarbij velddienstoefeningen uitgevoerd. Volgens de ervaringrijken een onbedriegelijk teeken! Salut, een volgende maal daarover meer.”

XII.

VOORBEREIDING TEN STRIJDE.—VERTREK.

Neen, de staffourier had met Herman geen loopje genomen. Het bericht, dat het bataillon expeditionnair verklaard was, kwam met de waarheid overeen. Al heel spoedig werden de ransels, [124] de veldflesschen en de „gollokh’s” [125] aan de manschappen verstrekt. Het zoo gehate gele ledergoed,—dat den man het uitzicht gaf van een pakje, hetwelk onder kruisband verzonden moest worden, en waaraan destijds eene bajonetscheede,—die nooit gebruikt mocht worden, maar waarin een driekant houtje, voorzien van een fraai aangegeelde lus, gestoken was,—en eene zoo ondoelmatig mogelijk maar glinsterend verlakte patroontasch op de minst daarvoor geschikte plaats van het menschelijk lichaam bengelden,—werd vervangen door een bruikbaren patroonzak van zacht leder, en door eene sabelbroek, waarin dat wapen of de gollokh bevestigd kon worden, en die beiden aan den buikriem gedragen werden. Dat was tot hiertoe uitstekend; maar nu kwam er de overdreven zorg bij, die het alles met een bespottelijk waas overdekte. De bataillonschef, een diepe... denker, kwam op de lumineuse gedachte, dat de troep te velde zijnde, bij het lesschen van zijn dorst, niet uit de hand kon drinken. De man had voorzeker het voorbeeld van Diogenes, die op het gebied van geringe behoeften en van zelfverloochening met den besten veldsoldaat kon wedijveren, vergeten. Eene bataillons-orde verscheen, waarbij gelast werd, dat ieder man zich eene halve klapperdop moest aanschaffen, die middels een touwtje aan de greep van sabel of „gollokh” bevestigd zou worden. Er volgde nu een wedstrijd tusschen de kompagnieskommandanten, omtrent de gelijkvormigheid, de bevestigingswijze, enz. dier doppen; terwijl van uit den hoogen met den meest mogelijken nadruk gelast werd, dat die drinknappen op twee duim links van de gaatjes,—waardoor het bevestigings-touwtje geregen moest worden, en die op hunne beurt op één duim beneden den rand geboord moesten zijn,—van ’s mans stamboeknummer met cijfertjes van vijfstreep hoogte in witte verf zeer netjes geschilderd, voorzien moesten zijn. Hoeveel dagen arrest en politiekamer er voor die klapperdoppen uitgedeeld werden, alvorens zij naar den zin waren, was niet te berekenen. Ook Riethoven kreeg daar zijn deel van, hoewel zijn kapitein humaan genoeg was, om hem slechts eenige dagen kwartier-arrest op te leggen.

De eerste maal, dat het bataillon zoo opgetuigd, de kazerne uitrukte, verwekte het wel sensatie. Die klapperdoppen bengelden en klepperden bij iederen stap zoo tegen de sabel—of gollokhscheeden, en veroorzaakten daardoor zoo’n geluid, alsof een overgroot aantal klepperlieden, met hunne ratels de tijdmaat van den pas aangaven. Iedereen liep uit om te zien, wat dat spektakel te beduiden had. Nimmer heeft een krijgsoverste zooveel succes met zijn korps behaald, vooral van de zijde der straathonden, die bij dat ongewone leven, hetwelk door geen tamboers of hoornblazers te overstemmen was, de landsverdedigers al jankend en huilend omringden.

Eindelijk werd aan het bataillon nog eene zevende kompagnie toegevoegd, bestaande voor de helft uit zoogenaamde Buitenzorgsche walbusschutters (Europeanen) en voor de andere helft uit Afrikanen, waardoor het korps thans op eene sterkte van 30 officieren, 366 Europeesche, 54 Afrikaansche en 633 inlandsche onderofficieren en manschappen, of van 1053 geweerdragenden gebracht was, hetgeen ongeveer 150 man per kompagnie maakte. Ook werd toen bekend, dat de Lampongs het doel van de expeditie zouden zijn.

Dat van het kader, zoowel van officieren als van onderofficieren en korporaals, in dien voorbereidingstijd veel gevergd werd, zal wel niet behoeven verteld te worden. De bataillons-chef had voortdurend bijeenkomsten met eerstbedoelden, en de luitenant-adjudant van het bataillon beijverde zich om de onder zijne leiding staande onderofficieren en korporaals meer en meer voor de taak, die hen wachtte, te bekwamen.

O! die luitenant-adjudant van het 11e bataillon was een eenig man. Hij leeft voorzeker in de herinnering van zijne ondergeschikten voort, en niemand hunner zal aan hem denken, zonder een gevoel van onbegrensde achting te ondervinden, hoewel die achting een welwillende glimlach niet behoeft buiten te sluiten. In ik weet niet meer welke beschrijving van militaire typen staat te lezen: dat de bataillons-adjudant het beste met een herdershond kan vergeleken worden, die door den bataillons-chef met een wenk als door den herder met zijn schopje, heinde en ver gejaagd wordt. Dat was vooral het geval, wanneer het korps bataillons-exercitiën uitvoerde. Dan liep hij, dan draafde hij, dan marcheerde hij beurtelings met deftige afgemeten passen, dan plaatste hij jalonneurs, alsof hij asperges plantte, dan liep hij soms achter de guides aan, alsof hij hen in de kuiten bijten wilde, dan riep hij, dan wenkte hij, dan was hij nu eens vóór het front van het bataillon, dan weer er achter, nu eens aan het hoofd, een oogenblik later aan den staart der kolonne, en daarbij hijgend en buiten adem, bij welke oefening ook de tong te voorschijn kwam om onsierlijk op onderlip en kin te prijken. Ja, dat beeld van herdershond was ten opzichte van luitenant Buisson vrij getrouw, vooral wanneer hij op het exercitie-terrein verscheen. Had hij evenwel de onderofficieren en korporaals om zich heen geschaard om hun onderwijs te geven, dan vertoonde hij weer een ander beeld, dan was hij de vaderlijkheid en de gemoedelijkheid zelve, hoewel die door een zweempje letterknechterij getemperd werden.

„Korporaal Guillemins,” luidde eens een zijner vragen, „wat is het laatste woord van de tweede afdeeling der soldatenschool?”

De genoemde korporaal bedacht zich, en bedacht zich nogmaals. Eindelijk:

„Ik weet het niet, luin’t,” antwoordde hij.

„Een teeken, korporaal Guillemins, dat gij uwe theorie niet geleerd hebt.”

Een andermaal:

„Wat moet de soldaat des morgens, nadat de reveille geblazen is, hebben, korporaal de Man?”

„Zijn broodje en zijn koffie, luin’t!”

„Mis, korporaal de Man, hij moet dan zijn gezicht gewasschen hebben.”

Een andermaal:

„Sergeant Riethoven, waarmede moet de soldaat zijn geweer onderhouden?”

„Met een lap met kompagnie’s vet doortrokken, luin’t.”

„Niet goed geantwoord, sergeant Riethoven. Hij moet zijn geweer met zorg onderhouden.”

Het gezicht van Riethoven te beschrijven, hetwelk hij bij die terechtwijzing zette, is eenvoudig eene onmogelijkheid. Luitenant Buisson, hoe ernstig en strak van gelaat overigens bij zijne aanraking met den minderen militair, kon een glimlach niet verbergen.

Nu evenwel het bataillon op voet van oorlog verklaard was, scheen een andere geest in den luitenant Buisson gevaren te zijn. Van letterlijke opdreuning der reglementen, van het „vervallen en vervangen” was geen sprake hoegenaamd meer. De geestdoodende uitpluizerij eener menagerekening, of de geheimzinnigheden van een „uitrukkende staat” of van een „mutatierapport” werden niet meer beoefend. Daarentegen beijverde de brave officier zich om zijn kader in het kort en bondig stellen van patrouille- en veldwachtrapporten te oefenen. Het scheen wel wat laat. Maar bij den zoo drukkenden garnizoensdienst te Weltevreden, en door het steeds aanwezig zijn van een groot aantal recruten, had hij gedurende de weinige uren, die hem wekelijks tot oefening van het kader gegund waren, hoogst zelden het tiende gedeelte van die gegradueerden te zijner beschikking gehad, en had dan die uren moeten besteden om hun de geheimnissen te ontvouwen van den garnizoensdienst, b.v. welke eerbewijzen voor de burgerlijke overheden, voor een Raad van Indië, voor een Resident—uiterst wichtige vraagstukken in het oog van die ijdele hoogwaardigheidsbekleders—èn door de posten èn door de schildwachten te volvoeren waren, als ook de verborgenheden van den inwendigen dienst, van het administratie-reglement, van.... enz., enz. Voor de wezenlijke bestemming van den onderofficier, namelijk: voor zijne vorming tot veldsoldaat was niet veel tijd overgebleven. Thans evenwel, nu hem het kader schier dagelijks gedurende vele uren ter beschikking gesteld werd, nu kon met die vreeselijke garnizoenssleur gebroken worden, nu hervatte hij de zoo gewichtige taak, die hem beschoren was, en bracht haar in die weinige weken, die tot voorbereiding gelaten waren, met vlijt en inspanning tot een goed einde. Hoe menigmaal rukte hij met het kader uit, bezette dan veldwachten, liet hen voorhoeden of achterhoeden vormen, bracht hen aan het verstand, dat meestal bij onze Indische oorlogen, wel verre van met legers, met legerafdeelingen, met divisiën of met brigades te opereeren, de troep in tegendeel in kleine gedeelten versnipperd werd, waardoor het kon en moest voorkomen, dat aan onderofficieren en soms ook aan korporaals eene soms aanzienlijke mate van onafhankelijkheid van handelen moest toevertrouwd worden, en hen derhalve eene verantwoordelijkheid ten deel viel, welke in Europa slechts aan officieren beschoren was. Vooral trachtte hij gevatheid bij hen te doen ontkiemen, om bij iedere gebeurlijkheid tot handelen gereed te zijn, en steeds bracht hij hen op terreinen, waar aanschouwelijk kon gemaakt worden, wat hij bedoelde.

„Sergeant Devens, gij zijt kommandant van de voorwacht eener marcheerende kolonne. Het terrein is, zooals gij ziet, en zooals hier in Indië gewoonlijk voorkomt, zeer bedekt. Heel ver kunt en moogt gij u van den hoofdtroep niet verwijderen. Evenwel door het kronkelen van het pad, en ook ten gevolge van de vertraging, door de kolonne bij het vervoer van geschut enz. ondervonden, zijt gij uit haar gezicht geraakt. Plotseling bespringt de vijand u hier uit dat struikgewas. Kom, snel, antwoordt, wat zijn uwe maatregelen?”

„Mijne maatregelen, luin’t?”

„Ja, de vijand dringt op; met den klewang in de vuist bedreigt hij uwe gelederen. Kom, snel, wat doet gij?.... Gij denkt te lang.... Gij, sergeant Willekes?”

„Ik luin’t? Ik vecht me dood.”

„Dat ’s heel braaf! maar dat redt uw troep niet. Gij sergeant Maasdijk?”

„Ik los mijn schot.”

„Goed zoo, maar waarom?”

„Wel luin’t, om de kerels te raken.”

„Om geen andere redenen?”

„N.. een!”

„Je bent een uilskuiken, sergeant Maasdijk! Wat is het doel van de voorwacht?”

„Om op den vijand te letten, en als ik hem zie, om den hoofdtroep te waarschuwen, luin’t.”

„Juist, om den hoofdtroep te waarschuwen. Die kan onmogelijk den geheelen marsch afleggen met het geweer vaardig. In de allereerste plaats moet die gewaarschuwd worden om eene overvalling te voorkomen. Hadt ge tijd, dan zoudt gij gauw een briefje schrijven, nietwaar? Maar daar valt niet aan te denken. Dus gij schiet. Goed. Maar.... wat dan?”

„Dan herlaad ik mijn geweer.”

„Ik herhaal, sergeant Maasdijk, je bent een uilskuiken.”

„Tot uw dienst, luin’t.”

„Gij sergeant Riethoven, wat zoudt gij doen? Zoudt gij ook uw geweer herladen?”

„Zeker luin’t, als daar tijd voor was. Maar in de eerste plaats zou ik mijne manschappen om mij heen verzamelen in een dicht carré, ik zou trachten de vooruitgeschoven spits tot mij te trekken, en alsdan den vijand met kogel en bajonet te keer gaan, en zoo wachten tot dat hulp van de zijde van den hoofdtroep opdaagt.”

„Maar, wanneer die hoofdtroep ook in gevecht gewikkeld is? Kom, snel, het geweervuur barst ook allerwege in die richting los. Hoort, daar dreunt een kanonschot,..... nog een,... nog een! Wat doet gij?”