In het land der zon

Part 14

Chapter 143,664 wordsPublic domain

Een paar maanden waren sedert de gebeurtenissen, die wij hierboven verhaald hebben, verloopen. De heer Groenewald was eerst sedert weinige dagen van Cheribon op Wilatoong teruggekeerd. Hij had daar ginds droeve uren doorgebracht. Toen hij daar toch met mevrouw Ridderhoff aankwam, was haar vader stervende, en scheen de lijder slechts op de aankomst zijner dochter gewacht te hebben om te verscheiden. Hartverscheurend was de droefheid der jonge vrouw. Zij was letterlijk niet in staat om hare gedachten ook maar voor weinige oogenblikken tot de onvermijdelijke regelingen en beschikkingen bij zoo’n gebeurtenis te bepalen. Gelukkig, dat de heer Groenewald in de goedheid zijns harten haar naar het landhuis, dat bij Madja [115] gelegen was, vergezeld had. Deze kon de eerste regelingen omtrent de begrafenis treffen. Daarna had hij reeds plan gemaakt om, in afwachting van de terugkomst van den heer Ridderhoff, wien de verwonding en later het overlijden van den heer De Vos zoo spoedig mogelijk medegedeeld waren, het bestuur der onderneming op zich te nemen; toen zich op een vroegen morgen de heer Piet Van Diepbrugge, de reisgenoot van den heer Groenewald op de Fernandina Maria Emma, op het landhuis aanmeldde. Hij was kort geleden te Cheribon geplaatst, en door den Resident van dat gewest ter beschikking van den controleur der Afdeeling Madjalengka gesteld. Hij had de aanwezigheid van zijn reisgenoot vernomen als ook het ongeluk, dat mevrouw Ridderhoff getroffen had, en kwam nu zijne goede diensten aanbieden. Het speet den jongen man, dat hij niet vroeger daar geplaatst was geworden; maar hij was eerst sedert een paar dagen in deze streken aangekomen. Toen de heer Groenewald alles met betrekking tot den boedel geregeld had, die mevrouw Ridderhoff als eenig kind van den overledenen, onverdeeld toeviel, toen hij den bereidwilligen ambtenaar ter beschikking zoo ver op de hoogte gesteld had, dat deze in de afwezigheid van den heer Ridderhoff, de koffie-onderneming gaande kon houden, en de jonge vrouw met raad en daad kon bijstaan, toen vertrok de brave oudgast, die geen oogenblik geaarzeld had, onderneming, zaken en huisgezin achter te laten, om de dochter van een vriend in den nood behulpzaam te zijn. Toen alles geregeld was, dacht hij eerst aan zijne eigen belangen.

En zoo was hij weer te Wilatoong terug. Op de doorreis te Ngawi had hij Frank opgezocht, dien een riem onder het hart gestoken; maar ook van den chef van den jeugdigen onderofficier vernomen, dat deze uitnemend zijn plicht deed, en daardoor alsook door gedrag, ontwikkeling en beschaving zich aller achting verworven had.

„Dat jonge mensch zal zijn weg wel maken,” had de majoor militaire Kommandant van Ngawi met een glimlach van welbehagen gezegd. „Ik voeg bij die profetie de verzekering, dat hij een degelijk jongeling is.”

Uiterst tevreden was de brave vader met die goede berichten bij zijn gezin teruggekeerd.

XI.

IN HET HOSPITAAL.—DE ROTTANSTRAF.

Frank Brinkman had waarheid medegedeeld, toen hij aan den heer Groenewald schreef, dat zijn vriend Herman Riethoven ongesteld was. Dat het evenwel weinig te beteekenen zou gehad hebben, was minder juist. De zieke zelf had zoo bericht, en Frank had geen enkele reden gehad die mededeeling te wantrouwen. Op een namiddag was Herman van het exerceeren te huis gekomen, had zijne schoenen uitgeworpen en toen ontwaard, dat zijne voeten door die onhebbelijke lompe dingen zeer geschaafd waren, en ontvellingen vertoonden. Hij bette de pijnlijke plekken zorgvuldig; maar ... hij had de week, en moest dus den kwartierdienst in zijnen geheelen omvang volbrengen. Hij wilde geen zijner graadgenooten verzoeken voor hem in te vallen; niet uit trots, maar omdat bij het gebrek aan kader de dienst voor hen loodzwaar was, en hij niemand hunner een zijner vrije uren wenschte te ontfutselen. Het was dien avond recht druk in de kazerne. De onderadjudant der week was jarig, had derhalve wel wat diep in het glaasje gekeken, en meende nu ongeëvenaard jolig te zijn, door den hoornblazer der politiewacht bijna voortdurend signalen te laten toeteren. De hoorn zweeg geen oogenblik stil. Tusschen het inrukken van het exerceeren en het „eten onderofficieren” had de jarige zeker vier of vijfmaal „sergeant van de week met geconsigneerd appel” laten blazen; maar daarbij steeds de geplaagde onderofficieren een bittertje aangeboden, dat door Herman’s collega’s dankbaar aangenomen, maar door hem beleefd van de hand gewezen was. Het gevolg van dat heen en weer geloop bleef niet uit. De gekwetste deelen aan zijne voeten werden zoo pijnlijk, dat de patiënt zijn schoenen niet meer aan de voeten kon houden. Hij verscheen dan ook met de sokken boven op het schoeisel aan tafel.

„Sergeant Riethoven, waarom zijt ge niet behoorlijk gekleed?” was de vraag van den onder-adjudant der week.

Herman beleed zijne ongesteldheid.

„Hebt ge permissie van den dokter?”

„Neen, adjudant; maar ik zal morgen op het ziekenrapport verschijnen,” was het antwoord.

„De schoenen behoorlijk aan de voeten, anders stop ik je in de kast!” was het barre bevel.

„Maar adjudant, ik kan ze niet verdragen.”

„Kan me geen donder schelen! Dan moet ge u maar ziek melden.”

Dat wilde Riethoven juist vermijden; want dat was zijn dienst op zijne kameraden doen overgaan.

Zuchtend en met pijnlijk verwrongen gelaat voldeed hij aan het bevel.

Maar was het toeval of plagerij? Dien avond weerklonk die fatale hoorn voortdurend, en steeds was het de sergeant van de week, die geroepen werd. Hinkend kwam de arme gekwetste dan aangestrompeld, en werd bij slot van rekening nog bespot.

„Sergeant Riethoven!” klonk het dan uit des adjudants mond, „als ge in dienst niet beter hinken kunt, zal ik je voordragen voor het baantje van sergeant-ziekenvader, of van tweede luitenant-vroedvrouw!”

Alle aanwezigen lachten. Als een adjudant-onderofficier zich tegenover zijne ondergeschikten eene ui veroorlooft, dan is hij de geestrijkste man ter wereld, en kan het niet anders of een goedkeurend gelach moet hem beloonen.

Eindelijk toen ten half tien het signaal „licht uit,” weerklonken had, wierp Herman zich doodmoe op zijne legerstede om rust te genieten, en om zijne voeten verlichting te bezorgen. Toen hij zich ontkleedde, zag hij met schrik, dat de beleedigde plaatsen er zeer ontstoken en gezwollen uitzagen. De pijn nam hand over hand toe, en het duurde niet lang of wondkoorts trad in, zoodat de lijder nog dienzelfden nacht naar het hospitaal gedragen moest worden.

Daar lag nu Herman. De koorts week dadelijk voor de zware chininegiften, die dokter Eiwit, een verbazend knap geneesheer, hem te gelijk met een streng dieet voorschreef. ’s Morgens: een weinig arrowroot, des middags: een weinig arrowroot, en des avonds: een weinig arrowroot, dat was de voeding, welke den jongen man gedurende volle een en twintig dagen verstrekt werd. Bij het einde dier periode rammelde hij dan ook van den honger, en verstoutte hij zich om bij de morgenvisite den dokter meer eten te vragen. Deze, een lang schraal man met doodsbleek gelaat, vestigde een doordringend oog op den vrager.

„Hoe is het met de voeten?” vroeg hij zonder er naar te kijken.

„Bijna genezen, majoor.” [116]

„Laat je tong eens zien!”...

En zich tot den ziekenvader wendende, die hem als een trouwe poedelhond op de hielen volgde, met de dieetlijst in de hand:

„Laat dien man een’ boeboer (pap) op den buik leggen!” beval hij.

En terwijl de daarnaast liggende zieken het uitschaterden van het lachen over die geestelooze aardigheid, schreed de Esculaap met strak gelaat, aan een beeld gelijk verder, om wellicht bij de volgende lijdenssponde even luimig zijne spotziekte bot te vieren. Of Herman ook al pruttelde, het hielp hem weinig. Toen de visite afgeloopen was, kwam de ziekenvader met een helper, en werd den armen hongerlijder eene heete pap op de maagstreek gelegd. Hij had veel liever een stevig beefsteak er in gehad.

Die teleurstelling schrikte hem evenwel niet af, om daags daarna nogmaals op vermeerdering van voedsel aan te dringen. Hij beleed ronduit, dat hij zich onpasselijk ten gevolge van gebrek gevoelde. Het onmensch trad daarop langs Herman’s krib naar het hoofdeneind toe, betastte het hoofdkussen, en antwoordde op ijskouden toon:

„O! zoo lang als daar nog stroo in is, heb jij geen honger, sergeant.”

En voort stapte hij.

„Drommels, ik had dus eerst dat stroo moeten opgepeuzeld hebben?” dacht Riethoven. En met een snik in de keel prevelde hij: „Zou het dan toch waar zijn, wat mijne brave moeder beweerde, dat hij die vader en moeder vermoord heeft, nog te goed is voor de Oost? Je wordt hier nog erger behandeld dan een beest. Ik ben overtuigd, dat die kerel bij zijne zieke kat nog een schoteltje melk zou neerzetten, of zijne zieke koe een bos gras zou laten voorwerpen. Voor zijn evenmensch heeft hij slechts eene naargeestige aardigheid over.......”

En toen het ontbijt binnengebracht werd:

„Daar heb je ze weer met hun lamgeslagen arrowroot! Het is net of je een lepel koude stijfsel in je keel laat glijden. Wat ’n kost! En, werd hij nog maar in genoegzame hoeveelheid verstrekt!”

Tegen het vallen van den avond wandelde Herman het hospitaal rond, dat—het moest in weerwil van zijn mopperbui erkend worden—uiterst doelmatig op eene landtong, die door een der veelvuldige kronkelingen der Tjiliwong gevormd werd, aangelegd was. De verschillende ziekenzalen—er waren er zeven—verhieven zich regelmatig op een tamelijken afstand van elkander, terwijl de daartusschen gelegen ruimten ingenomen werden door een goed aangelegden botanischen tuin, waarin de heerlijkste tropische gewassen van de grootsten tot de kleinsten prijkten, en die niet alleen den weetgierigen bevrediging bood, maar ook bij frischheid en voldoende schaduw den lijders eene prettige omgeving, zoo belangrijk in hun toestand, verschafte.

Op dat gebied had Riethoven nog weinig gezien, maar hij moest erkennen, dat van de ziekenhuizen, die hij in Frankrijk, België, Nederland, de Rijnstreek had kunnen waarnemen, dit nog wel het doelmatigste, het zindelijkste was, ook dat de verstrekkingen, door het Gouvernement toegestaan, zoo onbekrompen mogelijk moesten genoemd worden. Had hij geen dokter Eiwit, een echte menschenhater, op zijn pad ontmoet, dan ware hij geneigd geweest het Groot Militair Hospitaal te Batavia de meest volmaakte bestaande inrichting van dien aard te noemen. Nu hij echter van den honger rammelde, en zich wee aan het hart gevoelde, bleef die lofspraak ver van zijne lippen; integendeel hij drentelde ontevreden voort.

Bij zijne omzwerving kwam hij terzijde van zaal 2 langs de Tjiliwong te recht, ontmoette daar een zijner kennissen, een onderofficier, die op zaal 7 [117] verpleegd werd en knoopte met dien een gesprek aan. Het was een fraaie avondstond. De zon was reeds ondergegaan, en hoewel het avondpurper de lucht in het westen nog kleurde, en zich in de zacht kabbelende rivier spiegelde, zoo zag de hemel in het oosten toch donker blauw, en vertoonden zich daar reeds talrijke sterren aan het uitspansel. De avond- en morgenschemering duren tusschen de keerkringen niet lang. Men kan dan het licht waarneembaar zien af- of toenemen. Zoo ging het ook hier. De beide onderofficieren hadden plaats op eene bank genomen, om van het lieve gezicht te genieten, hetwelk de rivier, die daar voor hen een bocht maakte en bij gevolg eene tamelijk breede oppervlakte vertoonde, aanbood. Zij vlood daar schilderachtig tusschen twee kampongs met name Pedjambon en Katapang, welke op twee op elkander volgende landtongen en bijgevolg op beide rivieroevers gelegen waren. In laatstgenoemden kampong weerklonk de gamelang [118]—wellicht ter gelegenheid van een huwelijksfeest—zacht en aangenaam, en zette aan dat avonduur een eigenaardige bekoorlijkheid bij. De avond was intusschen al meer en meer gevallen. De sterren schitterden in het zenith en weerkaatsten liefelijk in de stil daar heen vlietende rivier. De beide kampongs teekenden zich met hunne vruchtboomen en struiken, waartusschen hier en daar een lichtje glinsterde, fantastisch tegen de donker blauwe lucht af, terwijl een zacht windje door de loofkruinen voer, en een zacht lispelen teweegbracht, hetwelk als het gefluister van een dankgebed kon vernomen worden. Had Herman’s maag zijne rechten niet zoo onbedwingbaar doen gelden, dan waarachtig zou hij in dien fraaien avondstond genoten hebben. Nu leed hij zichtbaar.

„Wat heb ik een honger,” herhaalde hij misschien voor den tienden keer tegen zijn makker, wien hij zijn wedervaren met den dokter verteld had.

„Hebt ge dan geen geld bij u?” vroeg deze.

„Neen, ik dacht hier niets noodig te hebben als wat sigaren, die ik meebracht. Mijn beetje geld sloot ik, toen ik naar het hospitaal ging in mijne kist, en leverde die in de kompagnie’s rustkamer in. Maar, wat zou ik met geld uitvoeren?”

De ander keek hem eens aan. Zoo veel onnoozelheid verraste hem.

„Met geld is alles te doen. Geef eens een „stali” (kwartje) aan een der oppassers; binnen vijf minuten hebt ge een flinke kom aardappelen met groenten en een stuk kip er bij. Hier in zaal 2 hebt ge een „Jan den dief,” [119] die u aan brood, kaas, ham en God weet wat kan helpen.”

Het speeksel liep den hongerigen den mond uit alleen bij het hooren dier lekkernijen.

„Helaas, ik heb geen geld bij mij,” zuchtte hij geeuwend.

Een oogenblik zaten zij bij elkander als in gedachte verzonken. Plotseling vertoonde zich in de rivierbocht bij kampong-Ketapang iets schitterends op de oppervlakte des waters, dat met den stroom meegevoerd werd. Onze vrienden keken scherp uit. Toen de verschijning wat naderbij gekomen was, zagen zij vier lichtjes, die een zuiver vierkant vormden.

„Wat kan dat zijn?” vroeg Riethoven zijnen makker.

Deze antwoordde niet dadelijk, maar keek nog scherper toe. De vier lichtjes waren nu de kaap van kampong Pedjambon genaderd, en op het punt deze om te stevenen. Plotseling vroeg hij Herman:

„Kunt ge zwemmen?”

„Als een eend!”

„Ge hebt honger?... Ja?... Daar is eten!”

„Maar wat is dat dan toch?”

„Dat is een offervlotje, waarop gewoonlijk levensmiddelen te vinden zijn. Maar.... wilt ge het bereiken, haast je dan.”

Het was intusschen geheel nacht geworden. Niemand was in de buurt. Herman smeet zijne ziekenjas en broek uit en was spoedig te water. Het verlichte voorwerp was in den stroom geraakt, die op de gemelde kaap brak en zette thans naar de overzijde. Toen het evenwel het midden der rivier bereikt had, dreef het, even ver van beide oevers verwijderd, voor den stroom af. Herman had niet te veel beweerd, toen hij zeide als eene eend te kunnen zwemmen. In weinige slagen was hij bij het begeerde, en had er de hand op gelegd. Hij stootte het voorwerp nu voor zich uit en bracht het zoo aan wal. Op het drooge gebracht, bleek het een vlotje te zijn, bestaande uit draagbalkjes van een pisangstam gesneden, die het een groot drijfvermogen verleenden, en waarop een klein rasterwerk van bamboe aangebracht was. Op de vier hoeken brandden roode waskaarsjes, en daartusschen lagen op een groot bord gerangschikt vier stuivers-broodjes, acht gekookte eendeneieren, vier kippeneieren, een paar katoepats, eenige stukjes dengdeng, een groote tros „pisang radja,” [120] een paar pompelmoezen en een zakje waarin een paar gulden en eenig kopergeld. Naast het bord stond een aarden pot, waarin....

„O, ik zie het al,” zei Herman’s makker, „het is het offer eener kraamvrouw aan den kaaiman, uit dankbaarheid voor de spoedige verlossing. Kom hier, ik zal dien pot maar in de rivier gooien.”

En nog voor dat Herman er zich tegen had kunnen verzetten, als hij zulks gewild had, was de pot met zijn inhoud in de diepte verdwenen. De hongerige stond daar met een broodje in de eene, en een ei, dat hij in de haast gepeld had, in de andere hand, en deed zich in den volsten zin des woords te goed.

„Overeet je nu maar niet,” sprak zijn makker, „bewaar wat tot morgen. Denk er om, niet dagelijks drijven zulke vlotjes op de rivier.”

Neen, zich overeten, dat deed Herman niet; maar de aangeraden spaarzaamheid zou noodeloos blijken. Den volgenden dag kwam kapitein Van Dam, die piket had, zijn tournée in het hospitaal maken. Riethoven klaagde hem zijn nood, en verhaalde hem het avontuur van den vorigen avond. Lachend gaf de kapitein hem de verzekering dat hij zou zorgen, dat daarin verandering zou komen. En werkelijk, bij de volgende visite deed dokter Eiwit met een zuurzoet gezicht „portie” verstrekken aan den sergeant Riethoven, en schreef hem vier dagen later het hospitaal uit.

Het garnizoensleven ging thans zijn rustigen gang. Maanden, en nog eens maanden vloden heen, waarbij zoowel Frank Brinkman te Ngawi als Herman Riethoven te Weltevreden de ervaring opdeden, dat de militaire dienst in Nederlandsch Indië geen sinécure genoemd kon worden.

„Drommels,” schreef laatstgenoemde aan zijn vriend, „als ik in gedachte zoo wat naga wat ik op militair gebied te Maastricht, een der grootste garnizoensplaatsen van ons Nederland, zag uitvoeren, en dat ook toets aan hetgeen ik deswege van officieren en onderofficieren vernam, dan moet erkend worden, dat het „dienen” hier iets anders is dan ginds. Daar hebben zij het alleen in den rekrutentijd een weinig druk, d.w.z. gedurende vier maanden van het jaar; hier heerscht die drukte het geheele jaar door. Hier zijn steeds rekruten; wij hebben er thans ongeveer driehonderd bij het bataillon. Als die afgeëxerceerd zijn, dan worden ze naar de buitenbezittingen gezonden en krijgen wij weer andere nieuwe lummels in de plaats. En heeft het in Europa voeten in de aarde, om bij het opkomen der miliciens van een boer een mensch te maken, dan laat ik je gissen, welke moeite het kost om een aap zoover te brengen. Want de Javanen, Madureezen en Boegineezen, die ons uit de binnenlanden hunner respectieve eilanden aangebracht worden, zijn niet veel meer dan apen, en bevestigen Darwin’s stelling volkomen. Voeg daarbij dat die luidjes een hollandsch kommando moeten leeren gehoorzamen, waarvan zij geen jota verstaan niet alleen, maar waarvan zij zelfs de strekking niet begrijpen, omdat het geheele samenstel der militaire maatschappij, dat samenstel van orde en regelmaat, van beredeneerde ondergeschiktheid en van... zelfverloochening in hunne maatschappelijke omgeving geheel ontbreekt, en zij voor laatstgenoemde deugden of hoedanigheden, zoo als ge het noemen wilt, in hunne taal geen woorden bezitten; dat de instructeurs hun dialekt niet spreken en verstaan, maar een soort brabbelmaleisch uitstooten, hetwelk op de strandplaatsen van den geheelen Indischen archipel volkomen verstaanbaar is, maar door die pas aangeworven lummels niet begrepen wordt. Als gij zoo’n troep rekruten voor het eerst bij elkander ziet, dan komt u ten gevolge hunner onbeholpenheid, en ten gevolge van hun rampzalig uiterlijk het beeld van eene kudde geschoren schapen voor den geest, die door een noordwester hagelbui overvallen worden, bibberend met de koppen naar elkaar toe te samen schuilen, en zoo het einde hunner ellende afwachten.

„Toch worden van die apen flinke soldaten gemaakt, dank zij het korps onderofficieren, dat zich met het beste meten kan; maar.... hoeveel geduld, hoeveel toewijding, hoeveel geestkracht daartoe benoodigd is, zal wel nimmer een burger en nog wel een Nederlandsch burger aan het verstand te brengen zijn.

„Voeg nu bij die diensten de transporten, dan kunt gij u eenigszins een denkbeeld maken, van wat er zoo wat omgaat hier in het hoofdgarnizoen van Nederlandsch Indië. Ik ben sedert ik bij het 11de bataillon ingedeeld werd, reeds tweemaal naar Anjer en eens naar Cheribon geweest, om manschappen, die bij de garnizoenskompagnie in de Lampongs [121], of bij die in laatstgenoemde plaats ingedeeld waren, over te brengen, en eens naar het eiland Onrust om arrestanten af te halen. Bij die soort diensten kan een onderofficier zijn genoegen wel op; want behalve de afmattende en vermoeiende marschen in dit warme klimaat, heet het oppassen meer dan ooit, of hij staat steeds met één been in de provoost. Streng is men hier uitermate, echter voor zooveel ik reeds heb kunnen nagaan, is dat ook hoogst noodig. Maar om je een voorbeeld te geven, hoe licht bij zoo’n gelegenheid een koopje te snappen is, laat ik hier een klein verhaal volgen.

„Ge herinnert u toch nog den sergeant Kleermakers aan boord der Fernandina Maria Emma, nietwaar? Aan boord paste hij vrij wel op; maar ge weet ook, dat hij een gesjeesd kadet was, en gij kunt onmogelijk vergeten hebben, hoe hij te Harderwijk aan zijn zucht voor sterken drank bot vierde. Hij werd ook bij het 11de bataillon ingedeeld; maar, was zijn gedrag aan boord bij gebrek aan het gevloekte vocht onberispelijk, hier was hem de verleiding èn in de militaire cantine èn op Passar Senin te groot. Dronkenschap, en nog eens dronkenschap en daardoor mankeeren in dienst waren schering en inslag bij hem. De straffen bleven natuurlijk niet uit. Eerst kwartierarrest, daarna politiekamer, vervolgens provoost en nog eens provoost, later cachot en andermaal cachot. Eindelijk volgde degradatie, en werd hij in verband daarmede overgeplaatst naar de Lampongs. Nog voor dat hij derwaarts vertrok, verkocht hij al zijne kleedingstukken, om aan zijn noodlottigen hartstocht bot te vieren. Op een avond kreeg ik bevel om op transport naar Anjer te gaan, en moest mij daartoe met de vier man escorte, die mij toegevoegd werden, den volgenden morgen ten half zeven bij den onder-adjudant van de week vervoegen. Toen ik mij op het bepaalde uur aanmeldde, werd de rampzalige voor het front der 1ste kompagnie gebracht, op den buik op een bank gelegd, terwijl eene saamgevouwen sprei om die bank en om zijne lendenen en armen bevestigd werd, om iedere beweging te verijdelen, waarna hem vijfentwintig rietslagen toegediend werden op dat lichaamsdeel, hetwelk door de natuur tot zitkussen aangewezen is. Kleermakers gaf geen kik, hoewel de korporaals, die den rottan hanteerden, en van weerszijden der bank stonden, er geducht op lossloegen. Toch kon ik opmerken, dat hij in het kussen, hetwelk zijn hoofd ondersteunde, krampachtig beet. Toen hij opstond, was hij bleek als een doode. Hij keerde zich tot den kompagnie’s kommandant en zeide met schorre stem:

„„Kapitein, ik dank je; je hebt me laten uitkloppen, laat me nu ook alsjeblief afborstelen.”

„Hoever een mensch niet zakken kan, niet waar? In de gelederen der kompagnie werd een gegrinnik vernomen. Er zijn steeds menschen, die in zoo’n tarten genoegen vinden. De kapitein antwoordde dood bedaard:

„„Aan je verzoek zal worden voldaan, fuselier Kleermakers. Korporaals, nog vijf en twintig!”

„En andermaal weerklonk het eentonig en afgemeten geluid van de rottanslagen op de strak gespannen pantalon, een geluid dat iemand, met een weinig gevoel bedeeld, door merg en been snijdt.