Part 13
Mevrouw Ridderhoff opende de enveloppe, keek er een oogenblik in, slaakte daarop een kreet, en viel in zwijm. De beide zusters vlogen haar te hulp, en droegen haar, geholpen door een paar vrouwelijke bedienden, naar hare kamer. Het duurde een poos alvorens de jonge vrouw bijkwam. Het eerste woord, wat ze sprak, was: „ik moet naar mijn vader!...” Daarop vroeg zij, terwijl zij in tranen uitbarstte:
„Waar is die noodlottige brief?... Ik heb hem zeker laten vallen?”
Emma spoedde naar de voorgalerij en vond daar haren vader, die haar het epistel aanreikte.
„Hoe is het?” vroeg hij deelnemend.
„Zij is bijgekomen; maar weent nu hartverscheurend. Wat zou er toch gaande zijn?”
„Laat haar maar weenen!.... Die brief is van een der ondergeschikte beambten van den heer de Vos, en deelt mede, dat het landhuis op den 23sten Mei door de ketjoe’s overvallen is, en dat Gertrude’s vader daarbij door twee klewanghouwen zwaar verwond is.”
„Schrikkelijk! Maar.... wat moet nu met die arme vrouw?”
„Zij wil weg naar haren vader.”
„Wanneer haar gestel niet te zeer geschokt is, is dat nog het beste, wat zij kan doen.”
„Maar papa, zij kan toch niet alleen die reis afleggen?”
„Daar zat ik al over te denken. Als ze....”
Daar kwam mevrouw Ridderhoff, gesteund door mevrouw Groenewald en door Adelien, naar buiten.
„Waar is toch die brief?” vroeg zij.
Emma reikte haar dien over.
„Hebt gij hem gelezen?” vroeg ze aan den heer Groenewald. „Ja?.... Wat blijft mij anders over te doen dan te vertrekken? Zeg.... raad mij toch!”
„Tracht in de eerste plaats uwe bedaardheid te herwinnen, lieve mevrouw. Mijne meisjes zullen met uwe baboe uw goed inpakken. Inmiddels ga ik mij klaar maken. Ik ga met u mede.”
„Gij gaat met mij mede? O, ik dank u!”
„Ja, althans tot Semarang. Ik hoop, dat gij met de boot, die morgen van Soerabaja vertrekt, mee zult kunnen gaan. Ik zal u aan boord brengen, en het van de omstandigheden afhankelijk stellen, of ik u naar Cheribon en verder naar het landhuis zal begeleiden.”
„O! ik dank u! Maar.... hebt gij den brief gelezen?.... Zou er nog hoop zijn? Hoe heeft zich dat toch toegedragen? Mijn vader, die bij de dessabewoners zoo bemind, zoo geëerd was!”
„Ja, ik heb den brief gelezen; hoe het zich heeft toegedragen? Dat zullen wij later nog wel eens bepraten. Nu zullen we ons voor de reis gereed maken. Wij moeten heden avond te Soerakarta aankomen om morgen ochtend van daar naar Semarang te vertrekken. Denk, dat het reeds de 9de is. Morgen in den nacht komt de boot reeds te Semarang aan.”
Helaas, de jammerende vrouw was in ’t geheel niet in staat zich met haar goed bezig te houden. Zij zat maar te weenen bij mevrouw Groenewald, die haar zoo goed mogelijk zocht te troosten en op te beuren. Emma en Adelien beijverden zich alles in te pakken, terwijl de heer Groenewald ook alle maatregelen nam om dadelijk te kunnen vertrekken. Hij schreef nog gauw een briefje aan den beambte met de postpaarden belast te Madioen, en verzond dat met den postbeambte, die flegmatisch als ieder Javaan nog altijd op den grond neergehurkt zat, maar nu vlug in het zadel sprong en op zijn klein Javaansch paard spoorslags wegreed.
Twee uren later stapten mevrouw Ridderhoff en hare bediende, vergezeld van den heer Groenewald, in een lichten tentwagen, die door een vurig vierspan getrokken, de berghelling afrende, waarlangs de weg van Wilatoong naar Magettan voerde.
„Arme vrouw!” klaagden de dames Groenewald nadat het rijtuig verdwenen was, terwijl zij de tranen trachtten af te drogen, die haar over de wangen biggelden. „Arme vrouw! God geve, dat zij haren vader nog moge weerzien!”
„Maar waar is nu de brief van Frank?” vroeg Adelien, toen zij met hare zuster en hare moeder in de voorgalerij van het landhuis had plaats genomen. „Zou pa hem medegenomen hebben?”
„Neen,” sprak mevrouw Groenewald. „Hier is hij. Kom, lees hem ons voor.”
Het jonge meisje greep den brief met hartstocht, brak hem open, keek eens naar de naamteekening, en toen daar werkelijk die twee woorden stonden: Frank Brinkman, met eene ontzettende krul er onder, kon zij niet nalaten het papier aan hare lippen te brengen, en een kus daar ter plaatse op te drukken.
„Malle meid!” prevelde Emma met een glimlach.
„Ik zie je ook nog eens zoo mal worden, zusje-lief!” antwoordde Adelien. „Ik begin nu, luistert. Ngawi.... wat! is hij te Ngawi? Dus vlak bij om zoo te zeggen!”
En het lieve kind wendde den blik naar het noorden, waar van uit de galerij van het landhuis de blauwe gekartelde band van den Goenoeng Segoro Woeroeng, aan welks voet Ngawi als het ware gelegen was, ontwaard kon worden en zuchtte eens.
„Kom, ga voort,” zei Emma. „Zuchten helpt niet veel.”
„Ngawi, den 4 Juni 185....”
„Dus is de brief reeds vijf dagen oud,” viel hare moeder haar in de rede. „Ga voort.”
„Geachte heer Groenewald! Sedert uw vertrek van Batavia is daar niets voorgevallen, wat bijzondere vermelding verdiende. Ik vreesde dan ook onbescheiden te zijn, wanneer ik u met nietsbeduidende voorvallen lastig viel....”
„Domme lummel,” lachte Emma, „alsof niet een zeker iemand met spanning en ongeduld zat te wachten naar die nietsbeduidende voorvallen.”
„Neen, Frank had gelijk,” zei de moeder. „In zijne omstandigheden is bedeesdheid een schooner sieraad van den jongeling, dan te groote vrijpostigheid. Maar ga voort, Adelien.”
„... Lastig viel. Nu ik evenwel verplaatst, en niet al te ver van Wilatoong verwijderd ben, moet ik iets van mij laten hooren.
„Zoodra mijne verdere getuigenis in die noodlottige zaak van het oproer aan boord van de Fernandina Maria Emma ontbeerd kon worden, vertrok ik naar Semarang. Hoe die reis mij bevallen is? zult gij mij vragen. Waardste heer Groenewald, ik meende al heel veel akeligs ondervonden te hebben, gedurende den tijd, dien ik bij het Koloniaal Werfdepôt te Harderwijk doorbracht. Och, dat moet nog een paradijs genoemd worden, vergeleken bij het verblijf aan boord van de boot, die mij naar de hoofdplaats van midden-Java overbracht. Gij kijkt verwonderd op. Gij hebt die reis ook gemaakt met uwe familie; maar, gelukkige menschen! gij waart passagiers eerste klasse, en kondt dus onmogelijk in uw ruim salon met ruime hutten waarnemen, wat in het vooruit van zoo’n boot omgaat. Laat mij u vertellen, dat wij met ongeveer 250 militairen aan boord waren, die naar Semarang, Soerabaja, Makassar en de Molukken bestemd waren. Velen dezer soldaten hadden hunne vrouwen en kinderen bij zich. Verder waren nog een tachtig dwangarbeiders, Javanen, Chineezen en Maleiers aan boord. Eindelijk nog een honderdtal dekpassagiers; ook weer vertegenwoordigers van bijna alle rassen en bewoners van den Indischen archipel, waaronder de Arabieren met hunne vieze bokkenlucht niet te vergeten. Voeg ik er nu nog bij, dat er voor al die menschelijke wezens nog niet eens de helft der ruimte, als die aan boord van de Fernandina Maria Emma voor het detachement benoodigd gerekend werd, aanwezig was, om bij slecht weer, zooals wij troffen, onder dak te komen, dan zal ik niet behoeven te beproeven een schets te geven van het vieze, het zedelooze, het walgelijke, wat uit zoo’n opeengepaktheid van menschen van verschillende geslachten en rassen, van onbesprokenen met misdadigers, in een vunzig hol moest geboren worden. Waarlijk, als ik vroeger voor mijn vertrek van Batavia, in de dagbladen onder de aangekomen of vertrokken personen vermeld zag: Z. M. troepen en bannelingen, dan dacht ik steeds, dat het eene geestelooze aardigheid was der heeren redakteurs of dagblad-uitgevers om hun publiek te believen; maar toen bij die reis ondervond ik, dat de couranten de waarheid slechts aangaven, de waarheid naakt en zonder kommentaar, en dat de landsverdedigers gedwongen waren in eene walgelijke promiscuïteit met dwangarbeiders, soms verscheidene dagen en nachten te verwijlen.
„Van de voeding aan boord zal ik niet veel vertellen. Het walgt mij nog, als ik aan de vuilvieze rijst denk, die geene bestaande kleur vertoonde, half rauw en half aangebrand was, en waarbij een stukje „dengdeng” [98] dat niet eens van de huidharen gereinigd was, of een stuk gedroogden visch, dat week, kleverig, uiterst kort van vezel, en hier en daar sporen van leven van wege de maden vertoonde, of een onnoozel kleine „ikan sapat” [99] gevoegd was, die niet minder bedorven was, en niet minder walgelijk rook.
„Ik was blij toen ik te Semarang voet aan wal zette, en uit die ontzettend walgelijke omgeving bevrijd was....”
Adelien staakte hare voorlezing een oogenblik. Zij haalde diep adem. Het was of het lieve kind door de nachtmerrie bezocht werd.
„Arme jongen!...” prevelde zij.
En zich met de hand over het voorhoofd strijkende, vervolgde zij:
„... Bevrijd was. Ik moest een paar dagen in, of beter, buiten die plaats blijven, want het fort Pontjol [100], waarin ik logies verkreeg, ligt buiten de stad op de moerassige kust, die het heet te beschermen, ter zijde van den weg naar Bodjong [101]. Hoewel het verblijf binnen dat bedompte fort, hetwelk zoo vochtig is, dat een geestig genie-officier het dezer dagen zeer juist met den naam van bomvrije dames badinrichting begiftigd heeft, ook niet tot de aangenaamste behoort, zoo was het toch eene verademing na dat anderhalf etmaal lange lijden aan boord van het stoomschip. De voeding was trouwens daar bij het subsistenten-kader geheel verschillend, althans genietbaar, en wat daaraan ontbrak, kon ik gemakkelijk bij een „toekan-auer” aanvullen. Gij lacht, en ik zie in den geest juffrouw Adelien ook de lieve lippen tot een glimlach plooien bij het beeld, dat ik voor zoo eene wandelende gaarkeuken gehurkt of op een bankje gezeten zou zijn, om mij de rondgevente lekkernijen te laten smaken. Ja, lach maar; ik beken gul uit dat de schraalheid der militaire keuken mij te Batavia en te Semarang meermalen genoopt heeft, mijne toevlucht tot den „toekan-auer” te nemen, en dat ik dan bij avond naast de walmende „palita” (lampje) van den gaarkeukenbaas, onder een overgrooten tamarindeboom gezeten, aan zijn „katoepat” met „sajor-peteh” [102] en een karbouwen-lapje [103] er bij, mij voor een gering aantal duiten niet weinig te goed deed.”
De dames lachten van harte bij die beschrijving.
„Wat mag hij toch meenen met zijn karbouwen-lapjes?” vroeg Adelien. „Zijn dat oessi-oessi?” [104]
„Neen,” sprak mevrouw Groenewald, „dat zijn „babat”. Maar ga voort. Ik vind dien brief interessant.”
„Ik ook,” zei Adelien. „Maar, waar was ik ook weer. O ja.... hier:
„.... te goed deed. Te Semarang heb ik veel rondgewandeld, maar daarvan zal ik u niets schrijven, die plaats kent gij genoegzaam. Gij zoudt mij daarvan eene betere beschrijving kunnen geven. Toch moet ik mijne bewondering uitspreken over de zoo prachtvolle Bodjong-laan, met haar majestueus geboomte, hetwelk eene zoo weelderige schaduw verleent, niet alleen aan den weg, maar ook aan de tuinen, die de villa’s, ter weerszijde van den weg, omgeven; ook over het zoo fraaie Residentie-huis aan het einde dier laan, en over de Generaals-woning daartegenover, twee gebouwen, die kunstgevoel en stijl verraden; over den fraaien wandelweg langs Randoesari en niet het minst over den weg van Djoemblang naar Karang Bidara [105]. De stad zelve vond ik liever aangelegd dan het eigenlijke Batavia, en heeft meer overeenkomst met een Europeesch stadje, hoewel de riool-geur, dien men er geniet, afschuwelijk is, en iedere vergelijking ten nadeele van Semarang doet uitvallen.
„Waarin Semarang evenwel boven Batavia de kroon spant, is in de talrijkheid van de muskietenzwermen, die den nieuweling iedere hoop op slaap benemen. Herinnert gij u nog wel hoe die bloeddorstige insecten Herman Riethoven en mij den eersten nacht van ons verblijf in Nederlandsch Indië toegetakeld hadden....”
„Ja, zeker herinner ik mij dat!” gierde Emma het uit.
„Ik ook,” antwoordde Adelien. Zij herinnerde zich zeer goed die oogdeksels en wangen vol builen, maar meer dan dat, ook de kuur die aangewend werd en wat er op volgde. Bij die herinnering sloot het lieve kind een oogenblik de oogen en bloosde allerbekoorlijkst. Die blos ontging mama Groenewald niet. Zij had toch het geheele gebeurde toen van de „neneh” vernomen.
„Kom, ga voort, Adelien,” zei ze goedhartig.
„Och, hadt gij eens kunnen zien, hoe ik na den eersten nacht te Pontjol ontwaakte. Ik had moeite om in het eerste half uur mijne oogleden open te houden, en dat lukte mij eerst, nadat ik die deksels herhaaldelijk met koud water gewasschen had. Ja..... sirihkalk had ik niet, en.... al had ik haar gehad, er was niemand om mij den liefderijken dienst te bewijzen om die op de pijnlijke plaats te strijken....”
Het jonge meisje verborg een oogenblik haar gelaat in hare handen. Zij gevoelde hoe Frank bij het terneer schrijven van die herinnering van verlangen gezucht moest hebben; maar zij gevoelde ook, hoe de blikken van mama en Emma thans op haar gevestigd waren. Zij vermande zich en ging dus voort:
„Gelukkig, dat alles is voorbij. Twee dagen later vertrok ik naar Ngawi, mijne bestemming. Dien weg hebt gij met uw huisgezin ook afgelegd, maar in uw ruimen reiswagen, onder geheel andere omstandigheden dan ik dat gedaan heb. Voorgelicht door kameraden, had ik in plaats van een „koeda galaddak”, waarop ik volgens de regeeringstarieven slechts aanspraak had, een „koeda haloes” [106] genomen, natuurlijk met bijbetaling van zooveel, en meende nu geborgen te zijn. Er was mij veel verteld van zoo’n „koeda haloes”; maar ik ben nogal goed ruiter, zoodat ik er niet aan twijfelde of ik zou er wel komen. Maar, wat keek ik vreemd op, toen een ongelukkig paardje voorgebracht werd, dat mij kinderspeelgoed toescheen, zoo klein was het, van eene onbeschrijfelijke kleur, die in de kazerne met den naam van melkboerenhondenhaar bestempeld werd, met een bleek-gelen staart, die over den grond sleepte en bijgevolg alles behalve zindelijk was, met zeer lange manen, die nog langer schenen, daar het diertje den kop heel laag liet hangen, even alsof het als een jachthond den grond wilde besnuffelen. Het was daarbij houtmager en de beeldspraak, dat men zijne ribben kon tellen, mocht op dien naneef van Bucephalus zonder overdrijving toegepast worden. Het zadel, als het ding, wat er wel eenigszins den vorm van had, zoo mag genoemd worden, was niet van leder, maar van eene soort gestikt laken, dat, op vele plaatsen gescheurd en versleten, het vulsel nieuwsgierig liet doorgluren. De stijgbeugelriemen waren veel te kort, en de toomriemen waren met stukjes rottanreepen aan de stang verbonden. Mijne kameraden hielpen mij dien rommel met kunst- en vliegwerk in orde brengen. Mijne krijgsmakkers verzekerden mij, dat ik met dat kleppermansspul Oenarang wel zou halen, maar dat ik daar moest zorgen, dat mij een beter paard, maar ook beter tuig geleverd werd.
„Ik zal op die rossinanten en op de Javaansche zadelmakersprodukten niet meer terugkomen. Waar ik ook kwam, en hoeveel ik ook in verband met mijne nederige onderofficiers-beurs bood, ik kreeg geen betere. Dat moet ik evenwel er bij verklaren, dat die katjes beter liepen, dan ik aanvankelijk had durven hopen. Wel gebeurde het een enkele maal, dat zoo’n diertje, alvorens den marsch te beginnen, geen poot van de plaats wilde verroeren, en eene koppigheid aan den dag legde, die niet dan met eene ontzettende vracht zweepslagen gebroken kon worden; maar was het eindelijk in beweging gebracht, dan ging het weer goed en onderhield het een sukkeldrafje, dat wel veel verschilde van den fieren gang van een Arabischen of Perzischen klepper, maar toch uur aan uur zonder te verminderen volgehouden werd.
„Wat van de reis te vertellen, dat harer waardig zal zijn? Ik heb ervaren, dat ik in mijn leven nog niet veel gezien heb, al meende ik het tegendeel, dewijl ik, voor ik naar Indië vertrok, de Ardennen doorreisd en de Rijnstreken bezocht had. Ik voel, dat ik geen vergelijkingen maken kan. Ik heb evenwel juffrouw Adelien, na het verlaten van Rio Janeiro hooren verklaren, dat Java het schoonste land der wereld was; na wat ik gezien heb, ben ik geneigd die uitspraak ten volle te onderschrijven. Reeds bij Djoemblang, toen ik de eerste hoogte bestegen had, die de strandvlakte van Semarang begrenst, en mij daar omkeerde, slaakte ik een kreet bij het fraaie panorama, dat zich voor mijn oog ontrolde met zijne terrasgewijze afdalende rijstvelden, waarin zich de dessa’s als donker groene eilanden te midden van den goudgelen arenoogst voordeden, en waarvan Semarang met zijne heldere witte villa’s en huizen het middenplan en de blauwe zee, waarop tallooze witte zeilen ontwaard werden, die haar bevallig spikkelden, den achtergrond vormden. Daarbij kwamen nog de fraaie kokospalmen, die de huizen van Javanen en Europeanen omgaven, en haar als met een fijn groen kantwerk omsluierden, dat onder de bries wuifde en het geheele vergezicht eene aantrekkelijkheid verleende, die het voor mij betooverend maakte.
„Toen ik Oenarang nabij kwam, kreeg ik den grootschen berg van dien naam [107] aan mijn rechterzij in het oog, die mij verheven en afwisselende gezichtspunten opleverde. Bij Merak Mati [108], kreeg de bergreeks, die zich bij het Djamboegebergte aansloot, en zoo een vereeniging met den Telemojo [109] daarstelde, een meer verbrokkeld aanzien, en vormde, toen ik de Toentang [110] overgetrokken was, die laatste bergrug, den overgang naar den Merbaboe, [111] die zich weldra voor mijn oog in al zijne statigheid verhief, en aan welker voet het plaatsje Salatiga zich allerliefst uitstrekte. En overal schoone landouwen, uitgestrekte rijstvelden, lief gelegen dessa’s, bewonderenswaardige vergezichten, die bijna altijd door hooge blauwende bergketenen schilderachtig begrensd werden.
„Te Salatiga heb ik in de zoogenoemde galadak [112] nachtlogies genoten. Och, ik zal daarover maar zwijgen, ook over dat, hetwelk mij te Soerakarta aangeboden werd. Nederland en Nederlandsch Indië—dat heb ik reeds volop ontwaard—zijn ondankbaar genoeg om hunne verdedigers in hokken te huisvesten, waarin zij bij hare bespottelijke philantropische neigingen er tegen op zouden zien gevangenen op te sluiten, in hokken, die voor varkenstallen wellicht zouden kunnen dienen, wanneer de varkenshoeder niet weerhouden zoude worden door de zekerheid, dat zijn beschermelingen door het wandgedierte weggedragen zouden worden. Te Soerakarta ontwaarde ik daarenboven des morgens bij mijn vertrek tot mijn schrik, dat mijne kist door de witte mieren [113] aangetast was. Zij schenen hun aanval wat laat begonnen te hebben, althans zij waren nog niet binnen de kist doorgedrongen, en hadden zich vergenoegd met den bodem gedeeltelijk af te knagen en hare vieze gele mijngangen langs een der zijwanden op te trekken. Ik vernam later dat het Europeesch without voor die beestjes als paté de foie gras moet smaken.
„Van Salatiga vertrekkende, bood de weg tot bij Kaligandoe nog menig verrukkelijk vergezicht aan; maar van daar slingerde hij te dicht bij den Merbaboe over de hellingen en voortzettingen van dien berg. Het uitzicht werd zeer beperkt, en de bergmassa van dien uitgebranden vulkaan was te nabij, om daarvan een bevredigenden aanblik te verkrijgen. Wat mij op dat trajekt het meeste trof, was de diepte en woestheid der ravijnen, waardoor de weg leidde, soms over zeer wrakke bruggen, die over bruischende bergvloeden voerden.
„Toen ik Bojolali voorbij was, kreeg ik eerst een goed overzicht van den Merapie, [114] den eersten nog werkenden vulkaan, dien ik te zien kreeg. Hoewel ik niet ontkennen kan, dat het gezicht van dien kegelberg zijne grootsche zijde heeft, zoo was de indruk van dat gezicht toch niet zoo aangrijpend, als ik wel verwacht had. De eruptiekrater, die zich, van mijn standpunt gezien, even boven den verheffingskrater vertoonde, kwam mij onnoozel klein voor, en deed mij aan een knaap denken, die over den schouder van zijn vader kwam uitkijken, terwijl de magere stoompluim, die zonder kracht en heerlijkheid ontsnapte en onmiddellijk naar het westen omboog, er veel van had, of die knaap zich met eene hanenveer getooid had. Vergeleken bij hetgeen ik mij van een vulkaan voorgesteld had, was, hetgeen ik zag, kinderachtig te noemen.
„Ik kwam in Soerakarta doodvermoeid aan. Vergeet niet, dat ik in twee dagen 64 palen te paard had afgelegd, hetgeen voor iemand, die aan het rijden niet gewoon is, een flinken toer genoemd mag worden. Ik ging dan ook zoo spoedig mogelijk rusten om des anderdaags vroeg mijne reis voort te zetten. Ik zou dien dag tot Gendingan, en den daaropvolgenden tot Ngawi rijden.
„De weg van Soerakarta tot Ngawi is vrij eentonig. Alleen het gezicht op den Lawoe, dien ik aan mijne rechterhand behield, vroolijkte mij op. Het bewustzijn, dat daar ginds ergens op die hellingen de lieve familie woonde, die zich op de zeereis mijner aantrok, mij en mijn’ vriend Herman zoo veel vriendschap bewees, en waar ik nu veel dichter bij kwam te wonen, ziet dat gaf mijn gedachtenloop, die door het eentonige van het mij omringende landschap, wel tot droefgeestigheid neigde, eene meer prettige richting. Van Gendingan uit ontwaarde ik op de berghelling eenige witte stippen, die hoogstwaarschijnlijk Europeesche woningen aanduidden. Ik vroeg of dat Wilatoong was. „Neen,” was het antwoord, „dat is Djati-rogo. Wilatoong ligt aan de andere zijde van den berg.” Ik zuchtte eens. Ik had zoo gaarne een blik willen werpen op het verblijf, dat zooveel goeds, zooveel edels, zooveel......”
„Nu ga voort, zusje!” maande Emma aan. „Ge blijft steken? Kom hier.... zooveel goeds, zooveel edels, zooveel liefs bevat. O, zoo... was dat het woordje wat haperen bleef? Nu, bloos maar niet; hij mag wel, nietwaar mama?
„Wat zal ik van Ngawi vertellen?” ging Emma voort. „Ik ben er nog te kort om daarvan iets mede te deelen. Dat dus voor een volgenden keer. Mijn vriend Herman is te Batavia bij het 11e bataillon ingedeeld geworden. Ik vond hier een brief van hem. Hij schrijft mij, dat hij eenigermate aan het sukkelen was; maar dat hij goeden moed behield, en het zich wel schikken zou.
„En nu, geachte heer Groenewald, ga ik mijn zeer lang epistel afbreken. Ik hoop, dat gij en uwe lieve familie deze regelen in den besten welstand moogt ontvangen. Groet mevrouw Groenewald en juffrouw Emma recht hartelijk van mij. Voor juffrouw Adelien draag ik u evenwel op, haar een..... Waarom deins ik voor mijne opdracht terug? Gij kent toch ons beider gevoelens. Welnu, ik hervat moed. Het zal daarenboven uwe straf zijn, dat gij niet toestaan wildet, dat wij met elkander briefwisseling hielden. Ik draag u dan op mijne Adelien een hartelijken kus op de wang te drukken van wege haren
FRANK.”
Bij dat luisterrijke slot van dien brief was het jonge meisje opgevlogen en had haar vuurrood gezichtje aan den boezem harer moeder verborgen.