In het land der zon

Part 12

Chapter 123,775 wordsPublic domain

Emma schaterde van het lachen bij den uitval van Gertrude.

„Het is geen Henri, geen Alphonse, geen Gustaaf; het is een Frank,” zeide zij.

„Een Frank?.... Foei, hoe prozaïsch!”

„Hoe heet uw man?” vroeg Adelien ietwat verstoord.

„Josef.”

„Josef!....” gierde Emma, „heet hij Josef?”

„Ja, maar het is geen Josef, dat verzeker ik u; ik heb hem dan ook herdoopt. Hij heet thans Louis, en als wij alleen zijn, heet ik hem: bibi. Maar nu verder met de confidentiën. Hoe ziet die Frank er uit?”

„Het is een wezen op twee beenen,” parodiëerde Emma.

„Dat spreekt,” zei Gertrude ongeduldig.

„Met geen waterige oogen, en bij gevolg ook geen knijpertje op den neus, met geen scheiding midden op het voorhoofd,” zei Adelien met een blosje.

„En met een kneveltje?....”

„Ja, een blond kneveltje; maar met geen stoppels op kin of wang. Lief zacht dons, dat slechts op een vlijtig gebruik van het scheren wacht, om....”

„Om wat? Kijk eens dat blosje!.... Wat een wetenschap omtrent knevel en dons! Maar het dasje en strikje, welke kleur hebben die?”

„Welke kleur?....” vroeg Adelien bedremmeld.

„Ja, welke kleur? Ik dien dat te weten, om mij een denkbeeld van Frank’s smaak te kunnen vormen.”

„Geene kleur!....” gierde Emma.

„Hoe geene kleur?....”

„Geen das! geen strik!” ging Emma voort.

„Wat, geen das, geen strik?.... Hij loopt toch niet ongedast?”

„Neen niet ongedast, maar.... ongestrikt! Hij loopt gestropdast.”

„Ge-strop-dast!!!”

Dat woord werd gescandeerd op een wijze, die diepe verachting moest te kennen geven.

„Ge-strop-dast! dus is die Frank een mi-li-tair?”

„Ja,” knikte Adelien.

„Kapitein?”

„Neen, Goddank niet!” riep Emma, terwijl zij Adelien bezorgd bij de hand greep. „Dat lieve jonge zusje aan een kapitein....!”

„Tu, tu, tu,” viel Gertrude in. „Er zijn kapiteins, die hun geld waard zijn! Een eerste luitenant dan?....”

„Neen,” schudde het hoofdje van Adelien.

„Een tweede!...”

Andermaal een ontkennende beweging van de blonde krullen.

„Geen officier dus?...” vroeg mevrouw Ridderhoff, met iets in hare stem, dat naar walging en ontzetting zweemde. „Hoe is het mogelijk, Adelien?”

„Wat bedoelt ge, Gertrude?”

„Iemand beneden uw stand!”

„Wie zegt dat?” vroeg Adelien niet zonder drift. „Frank Brinkman is een eerlijke, brave, flinke jongen, de zoon van achtenswaardige burgerlieden te Leiden, die daar zeer gezien waren, toen zij nog leefden, en hunne kinderen eene goede opvoeding gegeven hebben... Gertrude, gij moest mijn Frank zien...”

„Ja, maar... een militair, een soldaat... een korporaal misschien!”

„Een sergeant, die over een paar jaren officier zal wezen! Maar... wat is uw echtgenoot?”

„Dat weet ge wel, de deelgenoot mijns vaders in zijne landbouw-ondernemingen.”

„Maar, dat was hij toch niet, vóor hij u leerde kennen! Wat was hij toen?”

„Opzichter.”

„Opzichter?... Hoe zoudt gij het opnemen, wanneer ik op denzelfden verachtelijken toon sprak van den opzichter Ridderhoff, als gij met uw „beneden uw stand” van den sergeant Brinkman gesproken hebt, zeg?”

Gertrude Ridderhoff was geen onedele vrouw; zij was slechts onbezonnen van aard, een echte flapuit. Zij had gesproken, zooals zij honderd, ja duizendmaal niet alleen in hare omgeving, maar ook in de gezelschappen te Batavia en te Soerabaja, zooals zij niet alleen in Indië, maar ook in Nederland had hooren spreken. O! in sommige kringen van de zoo deugdzame Nederlandsche maatschappij bezondigt men zich niet aan dankbare gevoelens jegens hen, die de steun zijn in het Vaderland van orde en wet, in de Koloniën de sine quâ non van levensbestaan. De jonge vrouw zag er evenwel niet tegen op ongelijk te bekennen, wanneer zij zich daarvan overtuigd gevoelde. Zij schreed een oogenblik stilzwijgend naast hare vriendinnen voort en dacht na.

„Gij hebt gelijk, lieve Adelien,” sprak zij na een poos. „Ik was in mijn uiting onbillijk, vergeef mij.”

Twee handen strengelden in elkander. Twee paren rozenroode lippen naderden elkander. Een kus weerklonk en werd door het gezang der karbouwvogels, die hoog in de kruinen der schaduwboomen hun schoonste lied in dien fraaien morgenstond uitgalmden, beantwoord.

„Maar....,” ging Gertrude voort, nadat de verzoening bezegeld was. „Maar, Lientjelief, heb je er wel aan gedacht, welk leven ge aan de zij van een officier te gemoet treedt? Nu hier, dan daar, aan de vier hoeken van Indië soms in twee jaren tijd, maar nergens t’huis!”

„O! als ik mijne ouders niet meer had, zou mij dat minder kunnen schelen. Reizen is voor mij een genot!”

„Mooi gezegd!—Maar, reizen met een gezin en dat in Indië! Kindlief, dan is het genot dun. Maar niet alleen dat reizen zou je het leven vergallen; denk er eens aan, dat je Frank op expeditie moet, dat je met twee, drie kinderen achter moet blijven. Verbeeld je den angst, dien je dan uit te staan hebt! Ga na dat je de tijding kunt krijgen, dat hij ziek geworden is, of gewond, of erger nog....”

„Schei uit, in ’s hemelsnaam! Goddank, ik heb dat alles niet te vreezen. Wanneer Frank tweede luitenant is, neemt hij zijn ontslag en komt dan hier op Wilatoong in de zaken van papa, maar....”

„Zooo! had je dat eerder gezegd, stoute meid,” viel haar Gertrude in de rede, „dan had je mij eene boetpredikatie voor eene bekeerlinge bespaard....”

„Ge hebt me niet laten uitpraten. Dat alles is gelukkig niet te vreezen. Mijn Frank zal niet met zijn vrouwtje heen en weer moeten reizen....”

Bij het uitspreken der woorden „zijn vrouwtje” bloosde Adelien allerbekoorlijkst; maar vervolgde met geestdrift:

„Hij zal niet op expeditie vertrekken, hij zal niet gewond raken of doodgeschoten worden; maar... al was het zijne keuze niet om den dienst te verlaten, dan nog zouden al die wederwaardigheden mij niet afgeschrikt hebben, en zou ik Frank mijne hand gereikt hebben om hem overal, waar ik aan zijne zijde zou kunnen verschijnen, te volgen. Ik ga zelfs verder; ik durf hier gerust voor mijne zuster en mijne beste vriendin gul uit te bekennen, dat ik hem zoo lief heb, dat, mocht hij omtrent zijne loopbaan van zijne gemaakte plannen afzien, en in den militairen stand wenschen te volharden, die verandering mijne gevoelens jegens hem ongedeerd zoude laten, en ik gereed zoude zijn het leven, dat hij te gemoet zoude treden, met hem te deelen.”

De lieve maagd had met zoo’n hartstocht gesproken, dat hare wangetjes, die toch al niet bleek onder de werking der morgenlucht zagen, zich nog iets hooger tintten, terwijl de vleugels van het lieve, fraai gevormde neusje trilden en eenigermate aangaven, wat in dien jonkvrouwelijken boezem omging. Gertrude keek haar verbaasd aan, en een glimp van spotzucht vloog als een waas over het gelaat van de jonge vrouw.

„Ge zoudt u nog wel eens bedenken, hoop ik,” sprak zij. „Maar.... als de zaken reeds zoover gevorderd zijn, waarom heeft uw Frank den dienst niet vaarwel gezegd, om nu reeds op een der ondernemingen van uw’ vader werkzaam te zijn. Mij dunkt, dat dit de aangewezen weg was.”

„Wel mogelijk; maar dat heeft hij niet gewild. Hij wil mij slechts als officier naderen; hij wil mijner waardig zijn, zooals hij dat uitdrukt. En eerlijk bekend, ik kan hem daarin geen ongelijk geven.”

Gertrude antwoordde daarop niets, hoewel haar gelaat niet onduidelijk uitdrukte, dat zij haren galant in een dergelijk geval wel degelijk ongelijk zou gegeven hebben. De dames wandelden voort. De weg slingerde nog altijd zacht opwaarts; men had nu daarboven de dessa [86] Sarengan in het gezicht, welke op den nok van den bergwand gelegen was, die het bekken van de Telogo Passir aan de noordoostzij omsloot. Het was nog maar eene kleine wandeling om dien nok te bereiken; daarenboven, onze wandelaarsters waren onvermoeid en ook onbezorgd; want de dagvorstin, die boven den dalnok gestegen was, overgoot alles met haar helder licht, en had het wild gedierte, wanneer dit in de nabijheid mocht aanwezig geweest zijn, zijne schuilplaatsen doen opzoeken. Daarenboven Matjang en Singa hadden hunne vervolging van den tjelleng gestaakt, en zich wederom bij hunne meesteressen gevoegd.

„Hoe lang moet dat nog duren,” vroeg Gertrude nieuwsgierig, „alvorens uw Frank officier is?”

„Ik denk nog twee en een half jaar,” antwoordde Adelien.

„Dat is nog lang!” hernam het jonge vrouwtje met een gezichtje zoo komiek ernstig, dat het lieftallige eener teedere bekentenis, met een „dat’s jammer” er op om den voorrang streed.

„Dat is zoo,” zuchtte Adelien, „maar ik ben nog jong genoeg; ik kan nog wel wachten.”

„Men is nooit te jong om gelukkig te zijn,” antwoordde Gertrude met iets glinsterends in den blik. „Op dat gebied is iedere onbenutte dag onherroepelijk verloren.”

„Maar.... is het huwelijk dan zoo’n geluk?” vroeg Emma met eenige aarzeling.

„Of het!” riep de jonge vrouw met geestdrift. „Twijfelt gij daaraan?”

„Ik heb wel bruidjes gezien, die dien dag, voor en gedurende de plechtigheid, roodbekreten oogen hadden; terwijl de ouders en naasten er niet minder ontdaan uitzagen,” antwoordde Emma. „Mij dunkt dat zoo iets nog al te denken geeft.”

„Toch hoort men algemeen beweren,” zei Adelien, „en leest men in alle boeken, dat de huwelijksdag de schoonste dag in het leven eener vrouw is.”

„Dat is ook zoo!” bevestigde Gertrude, terwijl haar blik als van dankbaarheid tintelde.

„Er moeten toch zonderlinge dingen gebeuren dien dag,” zei Emma, „vreeselijke zelfs.... altijd afgaande op die roodbekreten oogen van ouders en van bruid.”

„Toch zoo vreeselijk niet,” antwoordde mevrouw Ridderhoff glimlachende. „Maar.... het is of de meisjes haar vriendinnetje willen uithooren?”

Emma en Adelien bloosden tot achter de lieve oortjes. Ja, nieuwsgierig waren de lieve schepseltjes. Er is voor een vrouw niets, wat zoo aantrekt als het onbekende.

„Waarom wendt gij u niet tot uwe ouders? Die zijn de beste vraagbaak voor deerntjes als gijlieden zijt.”

„Het mocht wat,” lachte Emma. „Ik vroeg papa eens bij gelegenheid, dat ik hem uit een roman voorlas, wat toch wel de voornaamste verplichtingen waren, die eene vrouw bij het aangaan van een huwelijk aanvaardde? Hij keek mij zonderling aan, en antwoordde, dat mama mij dat wel ter goeder tijd zoude mededeelen.”

„En, toen zich mijne genegenheid voor Frank geopenbaard had,” vervolgde Adelien, „deed ik dezelfde vraag aan mama en kreeg ik ten antwoord, terwijl zij mij een zoen gaf, dat zij mij dat wel daags voor mijn huwelijk zou vertellen.”

Gertrude gierde het uit van het lachen. Hare zilverstem klonk luid door het geboomte.

„Ja, de oudjes zijn geheimhoudend,” zeide zij.

„Er wordt dus onderwijs vóór het huwelijk verstrekt?” vroeg Emma nadenkend.

„Als gij ons die vraag wildet beantwoorden.... mevrouw Ridderhoff?” vleide Adelien. „Gij weet! en.... wij smachten naar weten.”

„Ik...? kom wees wijzer.”

„Heeft Truitje geheimen voor hare Emma en voor hare Adelien?” parodiëerden de beide meisjes, tegelijkertijd, de vraag van straks van het jonge vrouwtje.

„Ja.... maar, ik kan toch niet....”

„Och toe! och toe!” smeekten de twee lieve kinderen, opgewonden van nieuwsgierigheid.

„Neen!... neen!...” lachte Gertrude. „Maar ik wil u wel vertellen.....”

„Wat?” vroegen de beide meisjes te gelijk.

„Sjt!..... Eerst kijken!”

De drie dames waren boven op de nok van den Goenoeng Sarengan aangekomen, en haar blik boorde thans in de diepte, waar zich een lief meer aan hare voeten uitspreidde. Op de watervlakte zweefden nog eenige ijle nevelwolkjes, die zich als flarden van afgescheurd gaas vertoonden, die evenwel voor de zonnestralen weken, den oever al meer en meer naderden, een toevlucht zochten in de kruinen van het hoog geboomte, dat de steile bergwanden versierde, welke den dalketel, waarin het meer lag te glinsteren, rondom omgaven, aldaar een oogenblik vertoefden, zich vertoonden alsof hier en daar een lichte stoomstraal te midden van die dichte loofkronen ontsnapte, om dan eindelijk op de takken en bladeren als dauw neer te slaan, en zoo te verdwijnen. Gertrude klapte in de handen en riep geestdriftvol uit:

„O! wat is dat mooi! wat is dat mooi!”

En werkelijk van het punt, waar de drie jonge dames stonden, hadden zij een prachtig gezicht op het meer, dat zich een twee honderd voet beneden haar in bijna ronden vorm uitstrekte. Alleen vlak tegenover haar, dus aan den zuidkant was de cirkelvorm ietwat afgeplat, en stak daar eene kleine bergachtige kaap eenigszins ver in het meer uit. De dalketel-wanden stegen steil uit het water op, en verhieven zich trotsch daar boven. De stijfheid der lijnen werd evenwel gebroken door het hoog geboomte, dat die steile omwanding bekleedde, zoodat de heldere meerspiegel, waarin de zon hare stralen verblindend weerkaatste, in eene bevallig hoog gebombeerde omlijsting van het levendigste groen gevat was. Het water was zoo helder, dat van de hoogte, waarop de drie vriendinnen dat tafereel stonden te bewonderen, de bodem van het meer, hier en daar met wit zand, waarnaar het meer genoemd was, en uitgebleekte lava-trachiet, en elders met donkergroene waterplanten bedekt, volkomen duidelijk te ontwaren was. Toch kon zich niet ontveinsd worden, dat dit meer zeer diep moest zijn. Het woud bestond voornamelijk uit Plosso-boomen [87] waarop en waartusschen vele parasietsoorten en slingerplanten groeiden, die met hun levendig groen aan de meer donkere loofkronen van het hoogwoud met hunne roode bloemtrossen, die als gloeiende kolen schitterden, eene eigendommelijke maar bevallige schakeering bijzetten. Hier en daar waren geheele plekken van het helderste wit, of van het fraaiste violet of paars te midden van dien rijken bladerendos te ontwaren, dat waren daar plaatsen, waar een paar soorten Voortloopende Winde als de Tjakkar-beh-beh en de Tjoemplingan [88], die met hare fraai witte kelkvormige bloemen geheele boschpanden met een grillig maar uiterst bevallig behangsel tooiden, en daarbij eene afwisseling in die meeromlijsting brachten, die verrukkelijk mocht genoemd worden. Ter rechter zijde der jonge dames steigerde de Goenoeng Eendil omhoog; achter haar een sterk verbrokkelde vulkaan-massa, die in den Argo Doemilak, in den Belo Boendoetan, in den Argo Boengko, maar vooral in den Lawoe hare hoogste toppen bereikte, en verleenden die aan het landschap een uiterst woest uitzicht, dat tot bewondering maar ook tot ernst stemde. Toen zij zich omkeerden, met den rug naar het meer, spreidde zich de dalvlakte van Madioen voor hare oogen uit, die uiterst bevallig tusschen de Willis [89] en de Lawoe besloten was. Die dalvlakte, met hare rijstvelden, die amphitheatersgewijze langs de berghellingen afdaalden, met hare dessa-boschjes [90], die als donkergroene eilandjes verrezen te midden der lichtgroene sawah’s [91] welke onder de waterlaag die hen bedekte, glinsterden, met hare fraaie rivier, die van die hoogte gezien als een zilveren lint door het dal kronkelde, was verrukkelijk schoon te noemen. Onze bewonderaarsters stonden op de hellingen van den Lawoe; tegenover haar verrees de Willis en begrensde de vlakte in het oosten. In het zuiden omlijstte het Zuidergebergte het dal en daar ver in het noorden verhieven zich de Goenoeng Segoro Woeroeng en de Goenoeng Rendil, tusschen wier voorgebergten de Solo-rivier zich baan gebroken had, en sloten daar den gezichteinder met hun gekartelden rand af.

„Wat een betooverend uitzicht hier,” sprak mevrouw Ridderhoff bewonderend.

„Kijk,” sprak Adelien, terwijl zij diep beneden haar wees, „daar ligt het landhuis.”

„En die dessa daar dicht bij, dat is Plahoesan, en daar verder, dat is Magettan,” vulde Emma aan.

„Kijk, wat kunt gij de Kaboepaten [92] duidelijk onderscheiden.”

„En die groote plaats daar in het oosten?” vroeg Gertrude.

„Dat is Madioen, de hoofdplaats der Residentie, en daar ginds iets meer noordwaarts, dat is Poerwodadi, het oude Modjopahit uit de geschiedenis der Javanen. En daar in het zuidoosten dat is Ponorogo.”

„Het is schoon, overschoon hier!” mompelde de jonge vrouw.

„Zoudt gij hier uwe mededeeling, die ge zooeven afgebroken hebt, niet willen voltooien?” vroeg Adelien, met van nieuwsgierigheid bevende lippen.

„Welke mededeeling?” vroeg Gertrude argeloos.

„Gij wildet ons iets mededeelen.... over.... over het.... onderwijs voor het.... huwelijk,” stamelde het jonge meisje rood als een belle fleur.

„Gij zeidet zelfs,” wilde Emma aanvullen, „dat gij....”

„Jawel.... ik herinner het mij thans. Maar.... wat beweegt zich daar ginds op den weg naar het landhuis?.... Zie ik goed? een man te paard!”

„O, dat is de postbode, die tweemaal per week van Madioen over Magettan en Plahoesan naar het landhuis komt,” zei Emma.

„Kom, spoedig naar beneden!” zei mevrouw Ridderhoff, blij eene reden te hebben om hare beloofde mededeeling niet te voltooien. „Ik verwacht een brief van mijn bibi.”

Adelien was haar reeds op zijde. Zij scheen ook haast te hebben.

„Verwacht gij een brief van Frank?” vroeg Gertrude.

„Ik?... neen!” antwoordde het lieve kind met een allerbekoorlijkst inkarnaat blosje op de wangen.

„Hij mag nog niet schrijven,” vulde Emma ietwat spottend aan.

„Toch wel aan papa,” hernam Adelien en verried daardoor welke hoop haar hartje koesterde.

„Kom, laten wij voortijlen!” sprak mevrouw Ridderhoff gehaast, in de verwachting een brief van bibi te ontvangen.

„En uwe mededeeling, Gertrude?” vroeg Emma.

„Daar is nu geen tijd toe. Kom, wij moeten voort,” antwoordde de jonge vrouw.

En voort stoven de drie bevallige wezens de koffieaanplantingen door, de berghellingen af.

Van de beloofde mededeeling kwam niets terecht. De omstandigheden helaas! zouden daartoe het hare ruimschoots bijdragen.

X.

DE AANKOMST VAN DE BRIEVENPOST OP EEN LANDHUIS.

Toen de drie jonge dames de voorgalerij van het landhuis Wilatoong binnentraden, zat daar de heer Groenewald op een wipstoel te wiegelen naast eene tafel, waarop een menigte pakketten en brieven uitgespreid lagen. Vlak voor die tafel, evenwel eenigszins ter zijde, zat de postbeambte, een Javaan in zijn gewone dessakleeding, met een grooten „toedoeng” [93] naast hem op den grond, en een bandelier met koperen plaat op de borst, waaraan een lederen tasch bengelde, welker belangrijke inhoud thans op het tafelvlak was overgegaan. De man zat op geen stoel, maar eenvoudig gehurkt, of neen, met het zitvlak op den grond, terwijl hij de beide beenen kruiselings gevouwen voor zijn abdomen gerangschikt had, en licht voorovergebogen met de ellebogen op de beide knieën rustte. Hij keek den blanken, die in zijne papieren verdiept zat, aandachtig aan, gereed om iedere vraag terstond te beantwoorden. Deze had hem reeds gevraagd: om hoe laat hij Magettan verlaten had, waarop hij ten antwoord ontvangen had, terwijl de Javaan de beide handen te samen gevoegd boven zijn voorhoofd bracht en daarbij boog:

„Djam limô droh!” [94] (om vijf uur, heer).

„Zijn de Raden Maas Adipati [95] en de heer Controleur welvarend?”

„Engèh, droh!” (ja, heer).

„Is er geen nieuws in de negorij?”

„Bottèn, droh!” (neen, heer).

„Hebt gij geen tijgers onderweg ontmoet, of hunne sporen opgemerkt?”

„Bottèn, droh! Kiahi [96] bottèn onten, droh!” (neen, heer; er zijn geen tijgers, heer).

In dat oogenblik stoven de drie jonge dames de trappen op en de voorgalerij binnen.

„Zijn er brieven, pa?” vroeg Adelien eenigszins onstuimig.

„En couranten, en mode-journalen, en illustraties, en andere lectuur?” vroeg Emma.

„Is er een brief van mijn bibi?” vroeg mevrouw Ridderhoff. „Van mijn man?” verbeterde zij, toen zij een ondeugend lachje op de lippen van den heer Groenewald zag ontluiken.

„Hier is er een, mevrouw; en.... hier nog een, en.... hier nog een. Maar de adressen zijn van verschillend handschrift; zoodat die niet alle drie van bibi kunnen zijn. Een komt van Ceilon, de twee anderen van Cheribon.”

Gertrude greep de drie epistels.

„O! deze is van Louis!...” kreet zij.

„Van Josef!” fluisterde Emma.

„Wilt ge wel eens zwijgen!” zei het jonge vrouwtje met komieke verontwaardiging.

„Wilt ge wel eens met de handen uit mijne korrespondentie blijven, neuswijs nest!” bekeef papa Groenewald zijne jongste dochter, terwijl hij haar met een courant een paar tikjes op de handen gaf.

Die vaderlijke tikjes kwamen wel wat laat. Het lieve kind had reeds een brief gegrepen, en bekeek dien aandachtig. Zoo als zij daar een ondeelbaar oogenblik stond met die enveloppe in de hand, met het hoofdje licht voorovergebogen, terwijl de zachte ruigte van haren prachtvollen lichtblonden haardosch haar hagelwit maar toch heerlijk gecarneerd voorhoofd als in een nimbus omgaf, welke zich in de morgenzonnestralen als eene matzilveren omlijsting vertoonde, die met fijn gouddraad doorweven was; met hare donzige perzikwangen, waarop de bergwind een allerliefst blosje getooverd had; maar vooral met hare smachtende azuurblauwe oogen, die zich met iets weemoedigs maar met eene kracht van uitdrukking in den blik op het papier vestigden, alsof zij den inhoud bekend of onbekend wilden verslinden,—was zij een etherisch wezen gelijk, een van die wezens, zoo als de Fornarina, die een Raphaël van geestdrift deed blaken en hem de type zijner schoonste scheppingen ingaf.

Zooals de bekoorlijke maagd daar stond met de zoo fraai gevormde lipjes, half ontsloten als eene pas ontluikende roos; met de rosé neusvleugels trillend en wijd geopend, alsof zij den geur, door dien brief waarschijnlijk uitgestraald, met kracht wilde inademen; met de zoo heerlijk gemodelleerde borst, die, door het fijne batist van de kabaai zedig bedekt, zich toch deed gelden, waarneembaar op en neer zwoegende den blik beving maar geenszins uittartte,—straalde als een akkoord, of beter nog als een rythmus van kiesche en kuische bekoorlijkheden van haar uit, dat noch door het penseel des schilders, noch door den steekbeitel des beeldhouwers weer te geven was, en dat slechts trillend van levensgenot en bevallig en aanbiddenswaardig door den machtigen adem des Almachtigen geschapen kon worden.

„Voor u pa, niet voor mij,” zei het jonge meisje met een zucht.

De heer Groenewald sloeg zijn arm om den hals zijner Adelien, gaf haar een zoen, en fluisterde haar in het oor:

„Wij zullen hem straks samen lezen!”

Adelien bloosde en beloonde haren vader met een dankbaren blik. Het was een uiterst lieftallig wezen. Opgevoed door eene liefdevolle moeder, aanvaardde zij nu reeds in haar karakter ongemerkt het zelfopofferende en het zachtzinnige van de degelijke gade. Zij ontlook tot vrouw, zooals zij zich in hare volle bevalligheid en in hare volle reinheid tot maagd ontwikkeld had. Haar geest bezat eene gedweeë bevattelijkheid, gepaard aan eene buigzame wilskracht. Toch bemantelde hare goedhartigheid eene zekere mate van zelfstandigheid, hoewel haar hart in den regel hare geestvermogens beheerschte, en zij dientengevolge eerder tot gelatenheid en onderwerping dan tot tegenstand en strijd geneigd scheen.

„Voor u pa, niet voor mij!” herhaalde zij, terwijl zij den brief overgaf.

„Wel, Gertrude, hebt ge goede tijdingen,” vroeg Emma aan hare vriendin. „Gij zet een gezicht bij uwe lectuur als zeven dagen westmoessonsweer.”

„Van Ceilon zijn de tijdingen uitmuntend, maar van papa.... Het is akelig,” antwoordde de jonge vrouw, terwijl zij de ontvangen brieven samen vouwde. „Maar van welken datum is dat schrijven? Laat zien.... Van 10 Mei en wij hebben thans reeds 9 Juni....”

„Ja, mevrouwtje, de post gaat niet vlug op ons gezegend Java! Maar gij zeidet: het is akelig! Wat is akelig? Toch geen onaangename tijdingen, hoop ik?”

„Jawel, zeer onaangename tijdingen. Ik moet weg.... dadelijk vertrekken! Mijn vader schrijft mij, dat er ketjoe’s [97] in de buurt zijn.”

„Juist eene reden om hier te blijven, volgens mij,” lachte Emma.

„Juist een reden om naar huis te gaan,” antwoordde mevrouw Ridderhoff. „Als er gevaren te trotseeren zijn, dan meen ik, dat, nu mijn man ver is, de dochter naast haren vader moet staan!”

Adelien knikte goedkeurend met het hoofd.

„Maar.... waar heb ik mijn derden brief gelaten?.... O hier!....”