In het land der zon

Part 11

Chapter 113,811 wordsPublic domain

„Hoe ik den nacht heb doorgebracht?... O! als op de pijnbank, heer kapitein. Ik heb mij moeite gegeven om mijne gedachten te verstrooien. Ik heb getracht wat te rusten. Ik heb zelfs kaart gespeeld. Begrijpt gij dat? Ik heb zelfs kaart gespeeld! Maar och telkenmale en altijd trad het laatste oogenblik, dat met snelheid nadert, met al zijne verschrikkingen mij voor den geest. Toen gij daar binnentraadt weerklonken uwe voetstappen in mijn hoofd als de geweerschoten, die mij straks het leven zullen benemen. Zie, heer kapitein, de blauwe lucht, die zich met rozenrood tint. De dageraad rijst ten hemel. Over een uur zal de zon vroolijk over Gods heerlijke schepping schijnen, en ik?.. ik zal dood ter neer liggen! O, gevoelt ge, wat er wanhopigs in die zekerheid ligt? God, God! wat de tijd zich haast! hoe de uren voorbij ijlen. Gisteren toen gij bij mij waart, had ik bijna nog vier en twintig uren te leven! En thans, thans! O! die uren, ik heb ze allen geteld, wanneer de schildwacht voor de poort der gevangenis den klepel tegen de wanden der metalen klok deed aanslaan. Die slagen dreunden in mijn hoofd, zij weerklonken in mijn hart, zij deden mijn geheele lijf sidderen! En nu geen half uur meer! Wat zijn de menschen toch wreed tegenover mij. Ziet, ik heb niet gedood... en men doodt mij. En al had ik gedood, al had ik mijne handen met bloed bezoedeld, dan zou dat niet anders dan in het gevecht geweest zijn. Ik zou u of een ander hebben ter neer geslagen. Uw doodstrijd zou kort geweest zijn. En ik... ik sterf sedert weken, ik sterf ieder uur, iedere minuut. Dat is wreed, dat is beulswerk!... Heeft de maatschappij het recht mij zoo te martelen? Heeft de maatschappij het recht mij zoolang in dien vreeselijken doodsangst te laten krimpen en wentelen, om mij daarna in koelen bloede te dooden?”

Kapitein Van Dam en Herman Riethoven stonden daar, aan standbeelden gelijk, die wanhoop aan te staren. Daar was geen troost, geen verzachting bij dat vreeselijke lijden aan te brengen.

„Het had zoo anders kunnen zijn, wanneer ik te Harderwijk behoorlijk ingelicht ware geworden! Ik was dan een wakker soldaat, wellicht een verdienstelijk officier in de toekomst geweest!”

Daar liet de klok buiten den eersten slag van het noodlottige uur weerklinken. Voetstappen werden in den gang vernomen. Bij dien eersten slag van het metaal, wendde Taugwalder den blik naar het kleine strookje blauw, dat door de traliën van het venster zichtbaar was en zuchtte daarna diep. Maar nog hadden de trillingen der klok niet opgehouden, of hij keerde zich om naar de deur en sprak vastberaden:

„Ik wil als een man sterven!”

Daarna reikte hij kapitein Van Dam en Herman Riethoven de hand en prevelde met een snik:

„Ik dank u beiden!”

Bedaard en met berusting trad hij den provoostgeweldige te gemoet, die met zijne helpers in de omlijsting der deur verschenen. Hij keek scherp toe, of de knoopen van het mouwvest en van de kwartiermuts die hem aangereikt werden, wel behoorlijk gepoetst waren, beademde die, en wreef ze nog eens met zijn blooten arm op. Daarna trok hij het mouwvest aan, zette zich de politiemuts op het hoofd, bekeek zich in een klein spiegeltje, dat aan den muur hing, sloeg nog een blik op het kruisbeeld, en trad daarna moedig en met vasten tred tusschen zijne bewakers de deur der cel uit. Toen hij buiten de poort der gevangenis kwam, stond daar de pastoor. Hij wees dien niet af, maar antwoordde geen woord op zijne toespraak; hij keek hem zelfs niet aan. Met dien geestelijke nam hij plaats te midden van het executie-peloton, dat bij die poort gereed stond en schreed langzaam voort om den kortsten afstand af te leggen, die hem van de noodlottige plek scheidde.

Al heel vroeg in den morgen waren de garnizoenen van Weltevreden, Meester Cornelis en Rijswijk, allen in groot tenu uitgerukt. De veldbataillons hadden hunne vaandels met de gebruikelijke plechtigheid afgehaald. Maar dat alles was zonder muziek, zonder hoorn- of trompetgeschal geschied; ook de trommen hadden gezwegen. Het was geen feestmarsch, die uitgevoerd werd; de troepen waren niet uitgerukt om te paradeeren. Neen, allen hadden het besef van den treurigen plicht, dien zij te volbrengen hadden; op aller gelaat was hooge ernst te lezen.

De troepen stonden thans op het plein, hetwelk zich langs den Vrijmetselaarsweg tusschen de gevangenis van Weltevreden en het gebouw der Loge de Ster in het Oosten uitstrekt, zoodanig in een groot carré opgesteld, dat de zijde langs den ringmuur der gevangenis vrij bleef. In het midden dier zijde zag men eene kleine borstwering, die den vorigen dag door een detachement sappeurs van graszoden opgezet was. Achter de gelederen der troepen en ook op den openbaren weg wemelde en verdrong zich eene onafzienbare menigte, zoowel Europeanen als Inlanders, en was daaronder, wreed genoeg, het schoone geslacht, vooral van het laatstgenoemde ras ruim vertegenwoordigd.

Daar sloeg het noodlottige uur. De bevelvoerende officier liet de troepen het geweer schouderen. Toen het executie-peloton het plein betrad, stak hij zijn sabel omhoog, waarop de tamboers een langgerekten roffel sloegen, en de hoorns en trompetten luide schetterden. Inmiddels schreed de veroordeelde met vasten gang tot voor de borstwering, keerde zich daar om met het gelaat naar de troepen, en tegenover zich het vaandel van het 11de bataillon ziende, bracht hij met afgemeten gebaar de hand aan de klep van zijne kwartiermuts en maakte het militaire salut. De provoostgeweldige trad achter hem om hem de oogen te blinddoeken. Met kalm gebaar wees hij dien af.

„Ik zal niet weifelen,” sprak hij. „Onverschrokken zal ik in de geweerloopen kijken.”

Maar toen hem de auditeur-militair en de gedelegeerden uit den krijgsraad, die de voltrekking van het vonnis moesten bijwonen, zeiden, dat de wet die formaliteit voorschreef, onderwierp hij zich, na nog een blik ten hemel gezonden te hebben, met een zucht.

Onmiddellijk na geblinddoekt te zijn, marcheerde het executie-peloton, op zes passen afstand van den veroordeelde met het front naar hem toe, op. De auditeur-militair trad voor hem, en begon de voorlezing van het vonnis.

„In Gods naam!” prevelde de ongelukkige, wien die marteling te erg werd, „maak het kort, ik ken dat vonnis.”

„De krijgsraad:” begon de auditeur-militair met meer bewogen stem, dan de veroordeelde hooren liet, „De krijgsraad: Gezien de stukken der procedure;

„Gehoord den auditeur-militair in zijne schriftelijke overgelegde conclusie van eisch, daartoe strekkende...”

„Maak het toch kort, ik smeek u!” herhaalde de veroordeelde.

„Gehoord den beklaagde in zijne middelen van verdediging.”

„Overwegende dat....”

„O! die marteling is te erg! Sla over!” smeekte de rampzalige.

Ja, de auditeur-militair sloeg over. Zijne knieën knikten onder hem. De stem begaf hem schier.

„Gelet op de artikelen 81 en 100 van het Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te lande,” en zijne stem verheffende zooveel hij zulks vermocht, schreeuwde hij schier:

„Rechtdoende IN NAAM EN VAN WEGE DEN KONING!”

„Presenteert de geweren!!” klonk bij die woorden het kommando van den bevelvoerenden officier.

Die twee korte en droge slagen, welke bij die handgreep vernomen worden, wanneer goed gedrilde troepen haar uitvoeren, drongen den ongelukkige in de ooren. Eene beweging als van schrik overviel hem.

„In Gods naam, die marteling duurt te lang! Ik smeek u, maak er een eind aan!” bad hij.

„Veroordeelt hem over zulks tot de straf des doods met den kogel....”

De auditeur, die zelf het bewustzijn schier verloor, kon niet voortgaan. Een der leden van de commissie uit den krijgsraad tikte hem op den schouder en wees op den veroordeelde. Deze waggelde als een beschonkene, strekte de handen uit, alsof hij om genade wilde bidden.

„Gauw, gauw!” prevelde hij, „maak er een einde aan!”

De auditeur-militair trad achteruit... De officier, die het executie-peloton kommandeerde en ter zijde daarvan stond, maakte een gebaar met den sabel, waarop de manschappen van dat peloton het geweer vaardig maakten en den haan onhoorbaar spanden. Op een tweede gebaar brachten zij het geweer in den aanslag.

De rampzalige gevoelde als bij intuïtie, dat het noodlottige oogenblik naderde.

„Goed mikken, kameraden!” riep hij.... „Vader!.... Moeder!....”

De officier deed eene forsche beweging met den sabel naar den grond. Twaalf schoten weerklonken in een en denzelfden knal.... Taugwalder wankelde een ondeelbaar oogenblik onder die losbranding en stortte achterover. Een officier van gezondheid, die gereed stond, trad naderbij, knielde bij den gevallene, die hoewel de twaalf kogels hem de borst doorboorden, nog lag te stuiptrekken en te zieltogen. Op een teeken van hem, naderde een reserve-schutter, plaatste de tromp van zijn geweer in het oor van den stervende en brandde los. Dat was het genadeschot.

„Hij is dood!” verzekerde de geneesheer, die den pols van den gevonnisde gegrepen had.

Onmiddellijk na dien laatsten knal trok de kommandeerende officier zijne troepen tegenover den gevallene met pelotons in gesloten kolonne te zamen, en kommandeerde vervolgens:

„Om te defileeren: Kolonne voorwaarts: guide rechts, MARSCH!”

En toen de beweging begonnen was:

„Hoofd van de kolonne links!”

Met slaande trom, met volle muziek en met geschouderd geweer defileerden de troepen voor den gevallene, terwijl de vaandels bij het voorbij trekken voor het zielloos overschot diep ter aarde neigden.

O! had de ongelukkige dat nog eens kunnen zien! Had hij, die met zooveel vuur bepleit had, dat hem toch een onteerende dood gespaard zoude worden, kunnen zien, hoe het Oranjevaandel zich voor zijn stoffelijk omhulsel boog en dat nog een groet toezond, gewis zijn gelaat, dat nu door de saamgeknepen lippen van vertwijfeling in dien laatsten stond getuigde, zou een meer zacht verscheiden verkondigd hebben.

Toen kapitein Van Dam, die met Herman Riethoven na het vertrek van Taugwalder in diens cel gebleven was, den knal der geweerschoten vernam, sprak hij:

„Aan ’s menschen gerechtigheid is voldaan!...” En met een snik: „O, die doodstraf! die doodstraf! Wie zal er ons van verlossen?.... Wat heb ik mij een moeite gegeven om den ongelukkige te redden! Ik ben zelf op audiëntie bij den Gouverneur-Generaal geweest om gratie te vragen; en.... wat antwoordde die machthebbende mij: „Bij God is genade te verwerven, bij mij niet!””

Herman ijsde bij het hooren van die woorden.

„O!” dacht hij: „Als ik slechts een wensch te doen had, dan zou die klinken: dat die woorden dien verwaten almachtswaanzinnige in herinnering mogen komen, wanneer ook voor hem dat bange uur zal aangebroken zijn, en hij op het punt zal staan om rekening en verantwoording te gaan afleggen!”

IX.

NAAR TELOGO PASSIR.

„Strekken wij onze wandeling niet wat ver uit? Gisteren hoordet gij papa nog verhalen, dat er in de nabijheid der „goedang” (magazijn) sporen van een „toetool” (panter) [78] ontwaard zijn.”

„Och, je weet dat papa steeds zeer bezorgd is voor ons. Als ik niet beter wist, dan zou ik denken, dat hij bang van aard is.”

„Emma!”

„Nu ja, ik zeg immers: als ik niet beter wist. En ik weet het beter. Ons paatje is geen snoever, maar als het er op aan komt, is hij de mannelijke moed in persoon.”

„Kom, laat ons dan aan zijne raadgevingen gehoor geven en naar huis terugkeeren.”

„Wat een bange meid! Alsof een toetool te vreezen is! Hebben wij daarenboven onze honden niet bij ons? Matjan!... Matjan!... Singa!... Singa!...” [79]

Een paar prachtige kangoeroe-honden, fraai gestreept alsof het tijgers waren, snelden toe en sprongen tegen haar op, die hen geroepen had, ook tegen hare gezellinnen, en poogden de lieve gezichtjes, die zich van die liefkozingen lachend trachtten te vrijwaren, op echte hondenmanier te likken en te liefkozen.

„Kom stil, Matjan!” riep zij, die wij reeds Emma hoorden noemen.

„Diam!... diam!” (stil, stil!) riepen de twee anderen.

De honden gehoorzaamden niet terstond en bleven voortstreelen en voortlikken. Maar plotseling scheen iets in het struikgewas ter weerszijden van den weg hunne aandacht te trekken. Een oogenblik stonden de fraaie dieren, alsof zij in brons gegoten waren, met steil gespitste ooren en den neus in den wind.

„Wat is er, Matjan? Wat is er, Singa?”

De honden snoven nog een poos de lucht in, en stormden daarop woest blaffende het struikgewas in.

„Wat zou er aan de hand zijn?” vroeg een van Emma’s gezellinnen, niet zonder een zweem van ongerustheid.

„Ik weet het niet,” was het antwoord. „Maar... sjt... luistert!... Ha, ha, ha!.... het is een tjelleng [80] (wild zwijn), die door de honden nagezeten wordt en ons zoo in angst gejaagd heeft. Hoort gij het woedende geknor, hetwelk het geblaf onzer honden beantwoordt?”

De drie liefelijke wezens, welke daar bij elkander stonden, spitsten de oortjes, luisterden aandachtig en vormden een schilderachtige groep te midden van het lachende groen, hetwelk haar allerwege omgaf. Alle drie waren in sarong en kabaai gekleed, dat luchtige huis-toilet in Nederlandsch Indië, hetwelk haar bevallig stond, met smaakvol geborduurde slofjes aan de bloote voetjes, waarmede zij door den frisschen dauw, die het fijne gras van den weg, waarop zij zich bevonden, als met parels overdekte, voortschreden.

Aanvankelijk verschrikt en bevreesd gemaakt door het woedende geblaf der honden, hadden zij elkander om het middel gevat, alsof zij bescherming van elkander verwachtten en hadden, zoo gegroepeerd, met angstigen blik uitgekeken in de richting, waar de honden verdwenen waren. Toen zij evenwel het geknor van het opgejaagde zwijn vernamen, gloorde een glimlach om de lieve lippen; want zij voelden zich gerustgesteld. Zij wisten toch dat de tjellengs zich ongaarne in de nabijheid eens tijgers ophouden, en dat, waar een dezer wilde dieren aangetroffen wordt, de andere niet te verwachten is. Toch bleven de drie dames nog een oogenblik turen, zonder elkander los te laten.

De lezers vernamen reeds dat eene van het drietal Emma heette. Wanneer er nu bij verteld wordt, dat de naam van eene der twee anderen Adelien was, en dat het drietal jeugdige schoonen, dat onze aandacht boeit, zich in dit oogenblik van het verhaal te midden van een uitgestrekten koffietuin bevond, dan zullen de lezers gewis raden, dat wij hen in gedachten op Wilatoong, een der koffieondernemingen van den heer Groenewald, op de hellingen van den Lawoe [81] gelegen, gevoerd hebben, en dat twee dier dames zijne dochters zijn.

De derde van het drietal was eene vriendin, maar eene gehuwde vriendin, d.w.z. een lief schepseltje, dat, hoewel van denzelfden leeftijd nagenoeg als Emma, door hare maatschappelijke positie, vooral in de oogen van de jeugdigere Adelien, als met een geheimzinnigen stralenkrans—als die uitdrukking te bezigen is—getooid was. Zij toch had reeds den slagboom overschreden, die hare gezellinnen nog van het aantrekkelijke onbekende afsloot. Zij wist reeds, wat? Ja, dan zouden de beide zusjes even wijs geweest zijn.

Die vriendin was de dochter van een koffieplanter, evenals de heer Groenewald was, wiens onderneming in de Residentie Cheribon op de hellingen van den Tjerimai [82] gelegen was. Voor haar huwelijk heette zij Truitje de Vos; maar hoorde thans met ongemeen veel genoegen, wanneer zij mevrouw Gertrude Ridderhoff genoemd werd. Haar echtgenoot was als opziener bij haren vader in dienst getreden, en was nu, na zijne degelijkheid in landelijke zaken bewezen te hebben, diens deelgenoot in zijne onderneming geworden, en verving den niet meer jeugdigen man waardig en volkomen.

Mevrouw Gertrude Ridderhoff was in den volsten zin des woords eene liefelijke verschijning. Zij was eene Oostersche bloem in hare volle beteekenis. Zij had een fraai besneden gelaat met zeer regelmatige trekken, dat lieftallig en innemend genoemd mocht worden, hoewel de matte en zachte bronstint van de fijn gedonste huid, die haar buitendien veel bekoorlijkheid bijzette, duidelijk liet ontwaren, dat zij van gemengd bloed was. Een ander onbedriegelijk kenmerk daarvan waren hare gehoorwerktuigen, die kinderlijk klein, allerliefst geboord en met hare oorlelletjes verrukkelijk om te stelen, bevallig gevormd waren; maar welker schelp eenigszins naar voren gebogen was, alsof zij niets waarneembaars wilde laten ontglippen.

Adelien en Emma hadden met Truitje samen bij de Zusters-Ursulinen te Batavia school gelegen, en van daar ook dagteekende hare vriendschap. Truitje was eenige jaren voor hare vriendinnetjes naar Europa vertrokken, en was daar op eene kostschool voor jonge dames geweest. Gedurende het verblijf der familie Groenewald in Nederland, had zij deze gedurende de vacantie een enkele maal opgezocht, en had toen het kostschoolleven, vooral in het zoo heerlijke België, hemelhoog geprezen. Mevrouw Groenewald had zich evenwel door het klatergoud van uiterlijke beschaving, hetwelk het aanvallige deerntje vertoonde, en het vernisje van bon ton dat haar omgaf, niet laten bedwelmen; maar had hare dochters als eene goede moeder in hare onmiddellijke nabijheid gehouden. Plotseling was Truitje naar Indië vertrokken, lang voordat de familie Groenewald aan de terugreis dacht. Niet lang na hare terugkomst in haar geboorteland was het luchtige schepseltje in het huwelijk getreden. En toen haar echtgenoot op aandringen haars vaders eene reis naar Ceilon ondernam, met het doel om daar de zich in die dagen voorspoedig ontwikkelende koffiekultuur te bestudeeren, had zij het voornemen opgevat en uitgevoerd om haren onbestorven weduwentijd bij hare vriendinnen door te brengen. En daar was mevrouw Gertrude Ridderhoff nu. Zij was natuurlijk op Wilatoong met de meeste hartelijkheid ontvangen; zij gevoelde zich daar geheel op haar gemak, hoewel zij zich toch bekennen moest, dat de vroeger bestaan hebbende innigheid tusschen haar en Emma en Adelien niet meer dezelfde was. Er was iets tusschenbeiden gekomen, zoo iets alsof Gertrude sedert haar huwelijk wat meer wist dan hare vriendinnen, en alsof deze tegen haar opzagen, als tegen een hooger staand wezen, en bijwijlen haar met een blik aankeken, alsof zij op het punt waren eene vraag te doen, die evenwel schuchter achterwege bleef.

Een oogenblik stonden die drie liefelijke beelden daar als ineengestrengeld, de armen om elkanders middel geslagen, toen het geblaf der kangoeroe-honden, dat zich eerst in de verte verloren had, andermaal naderde en de dames eensklaps een tjelleng, gevolgd door een zestal biggetjes, op weinige passen afstand van haar zagen verschijnen, daar stand houden om hare jongen tegen de aanvallen van de honden te verdedigen. Matjang en Singa pakten de wakkere moeder de een bij een oor, de ander bij een achterhammetje. Wel knorde en schreeuwde zij vervaarlijk, zij scheen zich evenwel slechts lauw te verdedigen. Maar nauwelijks was het laatste harer kleintjes den weg overgestoken en onder de overhangende takken der koffiestruiken verdwenen, of zij schudde zich even als een poedel, die uit het water kwam, deed door die beweging de beide honden loslaten en achteruit stuiven, gaf in het voorbijsnellen Matjang een duw met haren snoet, die gelukkig ongewapend was, maar waardoor de hond toch jankend en huilend achteruit geworpen werd, en verdween toen op hare beurt in den koffietuin. Het geheele tooneel had slechts weinige seconden geduurd.

„Matjan, sini! Singa, Singa, sini!” riep Adelien met hare zilveren stem.

Maar te vergeefs, de honden stoven het opgejaagd wild achterna, en weldra verloor hun geblaf zich in de verte.

Het was een heerlijke ochtend. De zon kwam nog niet boven den rand van den bergnok uit, op welker hellingen de koffietuinen van Wilatoong aangelegd waren. Hoewel de lucht zich helder blauw boven onze wandelaarsters uitstrekte, zweefde toch een lichte ijle nevel langs het aardrijk en hulde boomen, planten en bergtoppen in een soort van zilveren gaas. Het was in de Meimaand, die ook in de bergstreken van Java zoo heerlijk kan wezen. De westmoesson had uitgewoed en het aardrijk overvloedig gedrenkt. Wel was de droge tijd reeds ingetreden, maar de grond van vocht verzadigd, was in zijn vruchtbaarste tijdperk. Het plantenrijk vertoonde zich in zijn schitterendste gewaad, terwijl de bergmassa’s, die sponsen door de natuur daargesteld om het overtollige water in het natte jaargetij op te vangen, op te schuren als het ware om het in het daaropvolgende regenlooze saisoen te laten doorsijpelen, hare bronnen overvloedig lieten kwellen en de beekjes, die door de ravijnen naar omlaag spoedden, luid klaterden, ruischten, dartelden en kabbelden en zoo een akkoord vormden met het gekweel en het gekir der vogels, die in het loof van struiken en boomen snaterden en waaronder de karbouwvogel, [83] en vele soorten houtduiven het sterkst vertegenwoordigd waren.

De lucht was daarbij alsof zij geparfumeerd was. Geen wonder! De millioenen koffiestruiken, die de berghelling allerwege overdekten, waren in vollen bloei en terwijl die helder witte bloesems, in bundels in de bladoksels ontloken, de takken op pluimen deden gelijken, op witte pluimen geschakeerd met glinsterend, levendig groen, vervulden zij den dampkring met een zachten fijnen ambergeur, die verrukkelijk was. Aan iedere bladpunt hing een dauwdroppel, die, zoolang de lichte nevel zijn ijl kleed over het plantsoen uitstrekte, als eene matte parel prijkte, maar kort daarop als een diamant tintelde, en de heldere kleuren van het prisma allerwege weerkaatste, toen de zon den bergnok te boven was gerezen, den ijlen nevel voor zich uitdreef en het geheele landschap met haar licht overgoot. Hoog boven de regelmatig geplante koffietuinen wuifden de spaarzame loofkruinen van de schaduwboomen [84], die in een koffietuin nimmer ontbreken, onder de morgenbries; maar zette aan het geheel eene eigenaardige bekoorlijkheid bij, daar die boomen thans in vollen bloei waren, en met hare purper-roode trosvormige bloesems eene vergulde tint hoog boven de aanvallige koffiestruiken vormden.

„Wij moeten niet te ver gaan,” sprak Adelien, „ik ben te zeer geschrokken straks.”

„Neen,” antwoordde Emma, „wij zullen slechts die hoogte nog opkuieren, dan kan Gertrude het vergezicht over de Telogo Passir [85] genieten, en....”

„Wij zullen van dien top den weg in het oog kunnen houden,” viel hare zuster in; „die naar het landhuis voert. Gij weet dat heden de postbode moet aankomen, en....”

„Verwacht gij brieven?” vroeg de vriendin.

„Ja....” antwoordde Adelien met eenige aarzeling, terwijl een blosje hare lieve koontjes verfde.

„Is het onbescheiden te weten van wien?” ging Gertrude met ondeugenden glimlach voort. „Kom, spreek, wij vriendinnen hebben geen geheimen voor elkaar. Is ’t zoo niet?”

De drie dames waren inmiddels vooruitgetreden en bestegen de door Emma aangeduide hoogte, die zich wel steil voor het oog voordeed, maar langs welker hellingen de weg tusschen de regelmatig aangelegde koffieaanplantingen zigzagsgewijze, maar slechts zacht-klimmend naar boven slingerde. Gertrude had bij de laatste woorden haren arm om de leest van Adelien geslagen, en keek haar met een aanmoedigend glimlachje op de lippen in de oogen.

„Heeft Adelien geheimen voor haar Truitje?” vroeg zij.

In oogenblikken van verteedering noemde het lieve vrouwtje zich zelve Truitje.

„Neen....” antwoordde het jonge meisje aarzelend. „Van wien zoudt ge willen, dat ik brieven verwachtte?”

„Van wien? Wel, van.... een Henri, een Alphonse, een Gustaaf, of hoe zoo’n wezen ook heeten moge! Van een wezen op twee beenen, met eene fraaie scheiding in het haar op het midden van het voorhoofd, met een rood of blauw dasje met uiterst eleganten strik om den hals, met een fijn kneveltje op de bovenlip en eenige stoppels op kin of wangen, en een knijpertje op den neus om de waterige oogen te maskeeren. Van zoo’n heertje, die fijn geganteerd bij dozijnen in den Haag, in Amsterdam, in Brussel, in Parijs langs de straten drentelen, en die kunst—het drentelen wel te verstaan—bij uitstek kennen. Kom, vooruit met de bekentenis! ik zie aan je blozen dat ik raak gespeeld heb. Hoe heet hij?”