Part 10
Na zijn vertrek zaten de leden van den krijgsraad een poos in stille overpeinzingen verzonken. Eindelijk vroeg de president andermaal of het geding behoorlijk toegelicht was, om daarop recht te kunnen spreken. En toen die vraag met algemeene stemmen bevestigend beantwoord was, noodigde hij den auditeur-militair om binnen de tweemaal vier en twintig uren te dienen van eisch.
Drie dagen nadat de krijgsraad kennis had genomen van de conclusie van eisch, ter goeder tijd door den auditeur-militair ingediend, vergaderde dat lichaam weer. Dat rechterlijk stuk was een welsprekend betoog van de schuld der drie aangeklaagden, dat evenwel van groote welwillendheid voor Taugwalder ademde. Helaas! hier viel geen onschuld te betoogen, geen verzachtende omstandigheden te bepleiten. De schuldigen waren tot bekentenis gekomen, de getuigenissen waren verpletterend; er viel niets anders te doen, dan naar de letter van de wet schuldig verklaring en veroordeeling der beklaagden te vorderen.
Toen de voorlezing van dien breed gemotiveerden eisch beëindigd was, werd den leden van den krijgsraad een wijl geschonken om dien eisch in overweging te nemen, waarna de president tot de stemming overging. Die stemming kon niet twijfelachtig zijn. Geen enkel bezwaar werd tegen de overwegingen, of tegen de conclusie ingebracht. Het vonnis verklaarde Taugwalder schuldig aan oproer aan boord van het fregatschip Fernandina Maria Emma te hebben aangestookt, en de aanleider van den tot een begin van uitvoering gekomen opstand te zijn geweest, en veroordeelde hem dientengevolge tot de straf des doods met den kogel. De beide anderen werden schuldig verklaard aan hetzelfde feit, niet alleen, maar daarenboven aan geweldenarij met erkend plan om zich van het schip meester te maken, de bezittingen der opvarenden te plunderen en de vrouwelijke passagiers aan de meest gruwzame mishandelingen te onderwerpen en dientengevolge in verband met de artikelen 172 en 174 van het Crimineel wetboek veroordeeld tot de straf des doods met den strop.
De rechters commissarissen vergezeld van den auditeur-militair begaven zich tot de gecondemneerden om hun mededeeling te doen van het geslagen vonnis, en hen in de gelegenheid te stellen om zoo zij zulks vermeenden te moeten doen, daarvan binnen de drie dagen te appelleeren.
De tot de galg verwezenen grepen ijverig dat middel aan om hun ellendig bestaan te rekken en teekenden onmiddellijk appel aan. Taugwalder weigerde dat evenwel.
„Dat ik ter dood veroordeeld ben,” antwoordde hij, „ontzet mij zeer. De mensch is al een heel wonderlijk schepsel. Zelfs in de meest wanhopige gevallen blijft hem in weerwil van alles een sprankje van hoop bij. Dat is nu weg. Ik heb mijn lot verdiend, en zal mijn leven niet verder aan de menschelijke gerechtigheid betwisten. Ik dank de heeren evenwel, dat zij aan mijne bede gehoor hebben gegeven. Ik zal als een waardig militair weten te sterven.”
Het duurde lang eer dat het vonnis van den Zwitser door het Hoog Militair Gerechtshof geapprobeerd, en eer door den Gouverneur-Generaal het „fiat executie” verleend was. De autoriteiten begrijpen veelal niet, hoe wreed het vertragen ten dezen werkt. Ontzettend is de gedachte aan hetgeen een ter dood veroordeelde lijdt, aan het hopen en het vreezen, dat beurtelings zijn gemoed bestormt, terwijl zijne proces-stukken rustig in de archiefkasten op afdoening wachten van een groepje oude heeren, die slechts weinige uren in de week bijeenkomen om den achterstand in de rechtsbedeeling bij te werken, terwijl de gevallen uitspraak soms weken op het bureau van den Opperlandvoogd op goedkeuring of verandering ligt te wachten.
Maar die lange tijd kroop voor den ongelukkige ook om. Eindelijk ontving de veroordeelde het bericht dat hij voor den vollen krijgsraad zoude moeten verschijnen. En toen hij daarvoor gebracht was, werd hem andermaal zijn vonnis voorgelezen en medegedeeld dat het èn door het hoogste rechterlijk lichaam èn door den Vertegenwoordiger des Konings in deze gewesten goedgekeurd was. Nauwelijks was die formaliteit afgeloopen en was Taugwalder in het vertrek, dat hem tot gevangenis diende, teruggebracht, of de auditeur-militair vergezeld van twee commissarissen uit den krijgsraad, verschenen bij hem om hem den dood aan te zeggen, om hem kennis te geven, dat hij nog slechts tweemaal vier en twintig uren te leven had, tenzij hij gratie aan den Opperlandvoogd wenschte te vragen.
Doodsbleek, maar toch met opgeheven hoofd en met heldere stem gaf Taugwalder ten antwoord, dat hij gereed was te sterven, en dat hij geen verzoek om gratie wenschte in te dienen. Waartoe zou dat leiden? meende hij. Of tot verlenging zijner marteling, die reeds te lang geduurd had; òf tot verandering der doodstraf in tuchthuisstraf, die hij niet wenschte, omdat hij meende geene onteerende straf verdiend te hebben. Neen.... hij wenschte te sterven. Hij had nog slechts twee verzoeken in deze wereld te doen, namelijk om kapitein Van Dam nog eens te mogen zien, en om het gezelschap der sergeanten Brinkman en Riethoven gedurende de laatste vier en twintig uren, die hij nog te leven had te mogen genieten. De auditeur-militair beloofde hem, dat aan die verzoeken gevolg zoude worden gegeven.
VIII.
EENE MILITAIRE TERECHTSTELLING.
Kapitein Van Dam liet zich nooit wachten, wanneer een ongelukkige hem riep. Al heel kort na het vertrek der noodlottige Commissie, verscheen hij bij Taugwalder, wien hij met warmte de hand drukte, zonder evenwel, door aandoening overmand, een woord te kunnen spreken.
„Ziet, die handdruk van u, heer kapitein, doet mij goed,” sprak de Zwitser, terwijl hij de hand van den officier in de zijne geklemd hield. „Die hand doet mij goed! Het is een teeken dat de eerlijke lieden zich niet van mij afkeeren, al moet ik het leven laten voor hetgeen ik misdaan heb. Och, ik had het zoo misdadig niet gemeend. Gij gelooft mij toch, heer kapitein, nietwaar? Door mijn toedoen, met mijn medeweten zou uw en uw aller leven aan boord geen gevaar geloopen hebben. Ik heb slechts de vrijheid willen herwinnen, om mijne jeugdige jaren er aan te kunnen wijden, eene zekere positie in de wereld te verwerven, die mij eenmaal in staat zoude stellen, kommerloos en onafhankelijk tot de mijnen in het Zermatt-dal terug te keeren. Gij weet, heer kapitein, dat het een droombeeld van de Zwitsers is, om wanneer wij onze fraaie dalen verlaten hebben, daarin later terug te keeren, dáár van de vruchten van ons zwoegen te leven en de achtergeblevenen, zij die de bergen, welke hen omringen, niet hadden overschreden, te verblinden met de welvaart, die wij verworven hebben. Hoe kon ik na zesjarigen dienst hier in de koloniën als subaltern-militair te Zermatt terugkeeren? Zouden mij de kinderen niet nagejouwd hebben, wanneer zij mij in mijn grauwen kapotjas hadden zien verschijnen? Zoude ik dan wel het noodige geld bezitten om dat fatale kleedingstuk, hetgeen de Nederlandsche krijgslieden op tuchthuisboeven doet gelijken, tegen een voegzamen burgerjas, tegen een blauwen kiel zelfs te verruilen, om ten minste voegzaam voor de oogen der mijnen te verschijnen. Och, mijne arme ouders! Hebben die wel kunnen gissen, dat, toen zij mij te Zürich lieten studeeren, zij den grondslag legden van mijn ongeluk? Want, heer kapitein, het is de eerzucht, welke mij bezielde, die van alles schuld is. Had ik mij bij het onvermijdelijke, toen mij dat bleek, weten neer te leggen, dan zou dat alles niet gebeurd zijn. Och, och, heeft die goede brave vader, heeft die moedige berggids, die zoovele menschenlevens redde op den Monte-Rosa, op den Mont-Cervin, of op den Breithorn, zijne zuur verdiende spaarpenningen moeten opofferen om zijn kind ongelukkig te maken.... om zijn eenigen zoon tegenover een doodvonnis te plaatsen?....”
Taugwalder stond daar met gebukten hoofde, terwijl hij steeds de hand van kapitein Van Dam in de zijne geklemd hield. Zijne ontboezeming ontvlood zijne lippen met eene radheid, eene gejaagdheid, alsof hij vreesde haar niet ten einde te zullen brengen. De kapitein, die zielsinnig medelijden met den rampzalige had, wist niet wat daarop te antwoorden. Hij gevoelde dat hij zich zonder troost, zonder woorden tegenover een zoo groot ongeluk bevond. Tegenover zoo eene natuur, waren gemeenplaatsen zoo niet wreed, dan toch overbodig en nutteloos geweest. Hij zweeg dus, maar keek den ongelukkige met deernis aan.
„Ik heb den geestelijke geweigerd, dien men tot mij zenden wilde,” ging de arme ter dood veroordeelde voort nadat hij een poos gezwegen had. „Wat zou die man mij kunnen vertellen,” vervolgde hij met een bitteren glimlach op de lippen, „hetgeen indruk op mij zou maken kunnen? Hij zou mij spreken over leven en dood, over een leven na dit leven, zooals hij dat in zijne jeugd geleerd heeft en zooals dat in zijne boeken staat, die hij voor zoo’n gang mijwaarts zoude geraadpleegd hebben. Maar, weet die man wat sterven is? Neen, dat weet hij niet! Hij moge aan nog zooveel sterfbedden gestaan hebben! Men leert niet sterven, door te zien sterven; dat leert men alleen, wanneer men in onmiddellijk doodsgevaar is. Dat leert men, wanneer men lange weken op de eindbeslissing der machtigen der aarde zit te wachten. Dan sterft men ieder uur, iedere minuut, iedere seconde. Dan doet ieder gedruisch aan de deur, aan het slot den rampzalige opschrikken. Dan ontwaakt hij ’s nachts plotseling uit een benauwenden verschrikkelijken droom, bij het gekraak der geweerschoten, die het doodvonnis voltrekken, of bij het zien van het doodoffer als een zeef door de kogels doorboord en met bloed overstroomd.... Neen, men kan mij niet leeren sterven! Ik heb den dood herhaaldelijk onder de oogen gezien op de slagvelden in de Krim, in het gevecht, in de spanning, in de aandoeningen, in de opgewondenheid van het gevaar, als het een kamp om het leven gold.... ik heb hem ook herhaaldelijk zonder die opgewondenheid gezien op den Gorner-Gletscher, op de hellingen van den Monte-Rosa, een anderen keer op den Theodul-Gletscher bij den top van den Matterhorn, toen de Foehn met zijne verstikkende lucht en zijne sneeuwstormen mij met donderend geweld om de ooren woei, en mijn oog verduisterden, terwijl eene aarzeling, een misstap, hoe gering ook, een doodelijken val onvermijdelijk ten gevolge moest hebben. Ja.... ik heb den dood herhaaldelijk onder de oogen gezien! Ik vrees den dood niet.... ik zal hem overmorgen manmoedig tegemoet treden. Toch voel ik, dat thans te sterven, zwaar is! Toenmaals zou ik licht gestorven zijn. Maar nu?.... Och, waartoe dienen al die beschouwingen? Er is niets te veranderen aan mijn noodlot! Nogmaals kapitein, ik dank u, dat gij den armen veroordeelde uwe ridderlijke hand hebt komen reiken. Gij hebt daardoor een edel werk verricht!”
„Kan ik niets meer voor u doen, Taugwalder?” vroeg kapitein Van Dam, wien de stem in de keel stokte alsof daar iets wrangs zat. „Hebt gij uwe laatste beschikkingen getroffen? Hebt gij uwe ouders geschreven? Kan ik u in iets behulpzaam zijn?”
„Dank u, heer kapitein, voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde de veroordeelde met zachte stem. „Beschikkingen heb ik niet te maken; want ik bezit niets ter wereld dan mijn lichaam, dan mijn arm hart!... Maar... wat zeg ik? ook dat behoort mij niet; dat behoort de wet, dat zal weldra doorboord en zielloos daar neer liggen. Ja, ik heb aan mijne arme ouders geschreven, een heel langen brief. Ik zal er straks en morgen wat bij voegen. Wilt gij u met het verzenden van dien brief belasten? Ja?.... O! ik dank u. Ik heb den heer auditeur verzocht of de sergeanten Riethoven en Brinkman den laatsten dag mijns levens bij mij mochten komen doorbrengen. Hij heeft mij dat beloofd. Ik zal een hunner den brief geven, om hem u te overhandigen. Och, als ik u bidden mag; maar....” ging hij aarzelend voort, „ik... durf.... niet....”
„Wat durft gij niet? Spreek op, Taugwalder! Wat ik voor u doen kan, zal gebeuren!”
„Och, heer kapitein, schrijf bij dien brief een paar regels. Schrijf aan mijn braven vader, aan mijn goede moeder, dat ik zoo slecht niet was, als zij wel meenen zullen. Schrijf hen dat ik mijne daad diep verfoeid en berouw er over gevoeld heb. Schrijf hen, dat ik in mijne laatste oogenblikken aan hen gedacht en hun aandenken gezegend heb. Gij zult verzachting aanbrengen, heer kapitein, bij de vreeselijke pijn, die mijn dood hen veroorzaken gaat. Zult gij dat doen?”....
„Ik beloof het u, Taugwalder,” sprak de kapitein diep bewogen.
„Zult ge? O!... dat zijn toch geen woorden, om mij maar te paaien, om mij af te schepen? Nietwaar, de beloften aan stervenden gedaan zijn heilig? Die volvoert men altijd!” riep de ongelukkige in de grootste opgewondenheid uit.
„Taugwalder, ik beloof het u op mijn woord als officier; ik zal uwe ouders schrijven. Ik zal hen de geheele toedracht mededeelen. Ik zal hen schrijven, hoe gij als soldaat gedwaald en hoe gij als soldaat geboet hebt; maar ik zal er bijvoegen, dat gij een eerlijke kerel gebleven zijt, en u tot in het laatste oogenblik een goed zoon getoond hebt!”
„Ik dank u, heer kapitein! ik dank u!... Om Godswil laat mij nu alleen.”
„Nog een enkel woord, Taugwalder. Straks zeidet ge dat ge verzocht hadt, dat de sergeanten Brinkman en Riethoven bij u zouden komen. Arme kerel, dat verzoek zal u een teleurstelling baren. De sergeant Brinkman is na beëindiging van uw proces, dus reeds geruimen tijd geleden, naar Ngawie, eene plaats in de binnenlanden van Java vertrokken.”
„Is dat ver van Batavia, heer kapitein?” vroeg de rampzalige.
„Zeer ver. Derwaarts gaande, reist men eerst een paar dagen over zee, en daarna een viertal dagen over land.”
Taugwalder zuchtte eens.
„In Gods naam!” zei hij gelaten. „Ik had dien onderofficier nog wel eens willen ontmoeten. Maar, het zal mij toch wel vergund zijn, zijn vriend, den sergeant Riethoven te zien? Die is toch niet vertrokken?”
„Neen; ik zal er dadelijk werk van maken, dat aan uw verzoek voldaan wordt. Is er nog iets, waarmeê ik u aangenaam kan zijn?”
„Neen, dank u, heer kapitein. Maar.... zie ik u nog voor....? Ik zou u nog zoo gaarne de hand willen drukken, alvorens....”
„Och, dat beloof ik u. En nu... Taugwalder, moed!”
„Die zal mij niet ontbreken. Goeden dag, heer kapitein!”
Den volgenden avond zaten Herman Riethoven en Peter Taugwalder in de cel, die laatstgenoemde tot gevangenis strekte, bij elkander. Op de kleine tafel stond, behalve eene helder brandende astraallamp, een overvloedig maal, dat evenwel door den veroordeelde onaangeroerd was gelaten. Alleen dronk hij van tijd tot tijd een zeer klein teugje wijn. Ook stak hij bijwijlen eene sigaar aan, deed dan eenige trekken, blies den rook boven zich uit, maar liet haar daarna weer gedachtenloos, of beter in gedachten verzonken, uitgaan, om haar een oogenblik later weer aan te steken. De deur van het kleine vertrek stond wijd open, om den schildwacht, die daarvoor in den gang met eentonigen pas op en neer drentelde, en den sergeant van de wacht aan de gevangenis, wanneer hij zulks noodig oordeelde, den vrijen blik daarin te gunnen. In den hoek van het vertrek stond eene krib met stroozak en hoofdkussen, die de sporen droegen, dat daarop heen en weer gewoeld was. Inderdaad, Taugwalder had verscheidene malen gedurende dien laatsten dag getracht zoo geen slaap te genieten, wat hem bij zijne gemoedsstemming onmogelijk was, dan toch zijn opgewonden zenuwgestel door rustig uitgestrekt te liggen tot bedaren te brengen. Helaas! dat gelukte weinig of niet. Nauwelijks lag hij toch, dan werd hij door zielsangst gedreven om weer op te vliegen. Het was hem dan alsof hij door die rust diefstal aan zijn eigen leven pleegde, of hij daardoor zijn bestaan feitelijk verkortte. Boven die krib hing een groot kruisbeeld. Verklare het, wie het kan; Taugwalder had den toegang tot zijn persoon voor den pastoor der R. K. gemeente, waartoe hij behoorde, afgewezen; toch had hij in den morgen van den laatsten dag voor zijne terechtstelling om dat kruisbeeld verzocht, hetwelk uit het Roomsche kerkgebouw was geleend geworden, en waarop hij herhaaldelijk gedurende den dag een langen blik sloeg, zonder evenwel een woord te laten ontglippen van hetgeen op godsdienstig terrein in zijn binnenste omging. De ijverige geestelijke destijds te Batavia, in dat verzoek eene toenadering vanwege den veroordeelde ziende, was snel aangeloopen gekomen om zijne diensten andermaal aan te bieden, maar was wederom afgewezen.
De lange uren van dien dag waren voor beide personen, die daar thans in het avonduur bij elkander zaten, voorbijgekropen onder afwisselende gemoedsstemming bij den veroordeelde, die haren weerslag niet miste bij hem, dien hij verzocht had, hem in dat laatste etmaal ter zijde te staan. Nu eens was de arme ter dood veroordeelde diep neerslachtig, wanhopig en scheen onder die foltering zijn denkvermogen, zijn bewustzijn van handelen te verliezen; een volgend oogenblik was hij door een woord van zijn toespreker aangemoedigd, of beurde hij zich zelven op, en verscheen in dat kort te voren bijna gebroken oog de weerslag van wat in zijne ziel omging, en ademden zijne trekken niet alleen kalme berusting, maar ook moed en vastberadenheid.
Zwijgend zaten beiden thans bij elkander, de veroordeelde met half gesloten oogen als in gedachten verzonken, Herman Riethoven even stil, beducht om den gedachtengang of den sluimer wellicht van zijn ongelukkigen metgezel te storen. Zij zaten zoo een wijl, toen de nadering van eene ronde de nachtelijke stilte kwam storen. Eerst werd in de verte het regelmatig geluid van den afgemeten militairen tred vernomen. Dat geluid naderde, naderde, naderde nogmaals, hield eensklaps op. Eene stem vroeg toen, hoewel fluisterend, toch waarneembaar aan den schildwacht: „niets nieuws?” en klonk het antwoord, terwijl de schildwacht het geweer schouderde: „niets, sergeant!” Waarop de ronde, bestaande uit een vijftal gewapende mannen, waaronder de kommandant, voorafgegaan door een gevangenbewaarder met eene brandende lantaarn in de hand, de geopende deur voorbijtrok, de ronde-sergeant een doorzoekenden blik door het vertrek liet waren, en zich verwijderde, terwijl de afgemeten tred van den verwijderenden troep langzamerhand verzwakte, en eindelijk in de verte geheel wegstierf.
„Waartoe toch al die omhaal?” vroeg Taugwalder, terwijl hij het hoofd oplichtte en zijn makker aanzag. „Zou men meenen dat ik zou willen ontvluchten? Veronderstel, dat ik zulks zou willen, waar zou ik heen?”
„Het is slechts eene formaliteit, door de reglementen voor dergelijke gelegenheden voorgeschreven,” antwoordde Riethoven. „En de ondergeschikte militair heeft zich daarnaar stipt te gedragen.”
„Men kan anders die moeite wel sparen, en die arme drommels met rust laten..... Mij heeft die ronde jammerlijk gestoord. Och, ik vertoefde voor een oogenblik bij mijne ouders..... Dat is alweer voorbij!.. Wat spoedt de tijd toch voort!.... Heb ik u al den brief, voor mijne ouders bestemd, ter hand gesteld?.. Neen?... Zie, hier is hij. Gij moet hem aan kapitein Van Dam overhandigen, die zal er een eigenhandig schrijven bij doen. Dat heeft hij mij beloofd..... Is het adres wel duidelijk?... Laat zien... Herrn Peter Taugwalder, Zermatt. Kanton Wallis. Schweiz. Ja, dat is voldoende. Er is slechts een Peter Taugwalder in het geheele dal.... Ik zou de tweede geweest zijn, als ik teruggekeerd ware.... Als!.. als... vreemd woord. Als deze brief daar ginds aan zal komen, zeg, hoelang zal ik dan begraven zijn?... Zes of zeven weken, niet waar?”
„Maar Taugwalder, is dat uw leven niet noodeloos verbitteren, door u met zulke vragen bezig te houden? Is dat niet uw’ moed aan het wankelen brengen?”
„Gij hebt gelijk, maar kan ik anders? Zeg, is het mij mogelijk eene andere gedachte te hebben, dan die mij aan mijn snel naderend einde herinnert?... Moed!... Moed om te sterven! Och, gij weet niet, wat gij zegt. Zie ginds eens door de traliën van dat venster omhoog. Wat ziet ge?.... De sterren, niet waar?... Die zult gij morgen avond weer aanschouwen, als gij den blik omhoog wilt richten. En ik?... ik?... hoeveel voet zal ik dan reeds onder de aarde liggen?... Ja, zie door die traliën heen?... Maar neen, gij kunt niet zien, wat ik daar zie. Het oog der stervenden ziet in de toekomst. Ik ga sterven, gij niet!... Wat ik zie?... Ik zie mijne moeder met hare grauwe loshangende haren, met saamgevouwen handen boven haar gelaat, dat zij ten hemel wendt. Zij vloekt het oogenblik, toen zij mij in haren schoot ontving, zij vloekt het oogenblik, toen zij mij het levenslicht schonk. En toch... ziet de eeuwige moederlijke liefde! in weerwil van de smart, die ik haar bereid heb, strekt zij liefdevol de armen naar mij uit... roept zij mij!... Hoort gij haar niet?... Peter! Peter!... Ja, moeder, ik kom!”
„Taugwalder, bedaar, bedaar, in ’s hemels naam!” kreet Herman wanhopig. „Door zulke gedachten toegang te verleenen, door haar te koesteren, vernietigt gij uwe geheele geestkracht, die gij straks zoo noodig zult hebben, om uwen laatsten gang in deze wereld af te leggen. Kom, drink een glas wijn.”
Werktuigelijk greep de ongelukkige zijn glas, bracht het aan de lippen; maar nog voor dat die door het druivennat beroerd werden, zette hij het weer neder.
„Geestkracht!... Ja, gij hebt gelijk, steeds gelijk! Ik heb straks geestkracht, veel geestkracht noodig! O! die zal mij niet ontbreken, dat zult gij wel zien. Arme vriend! welken schrikkelijken nacht berokken ik u, niet waar? Maar ik moet toch iemand bij mij hebben. Als ik dien akeligen nacht alleen had moeten doorbrengen, dan zou men morgen slechts een waanzinnige in de cel teruggevonden hebben. Neen... gij hebt gelijk, ik moet geestkracht hebben! O! kon ik die schrikkelijke gedachten maar verbannen. Is daar niets voor te doen? Kom, laten wij kaartspelen. Ik was nog al een hartstochtelijk minnaar van een partijtje. Misschien zal me dat een oogenblik doen vergeten.”
De kaarten werden gebracht. Het partijtje nam een aanvang. Hoe beide partners hunne gedachten bij die stomme stukjes bordpapier in die oogenblikken konden bepalen, dat is moeielijk te verklaren. Maar het middel gelukte een wijl, zelfs in zoover, dat Taugwalder een oogenblik twistte en kibbelde over de betaling van eene duit [77]. Hij had waarachtig niets te veel gezegd, toen hij beweerde, dat hij een hartstochtelijk kaartspeler was. Dat duurde zoo omstreeks tot vier uur in den ochtend. Toen voelde Taugwalder zich zoo afgemat van de vreeselijke inspanning, om zijne gedachten bij de kaarten te bepalen, dat hij zich op zijn bed wierp en ook in een loomen dommel, dat geen slapen en geen waken was, geraakte, waarin hij zich tallooze malen dan op deze en dan op gene zijde wentelde, en daarbij soms zware zuchten, maar ook onzamenhangende woorden uitstiet, die evenwel aanduidden, dat het bewustzijn kortstondig geweken was. Herman zat op een stoel aan het voeteneind van de krib, waarop de rampzalige lag, en staarde hem zonder een vin te roeren met stomme smart aan.
Zoo vlood een groot uur heen. De dag begon aan den hemel te komen. Een zwak flets en bleek licht brak reeds door de traliën van het venster, toen een tred in den gang, die naar de cel voerde, weerklonk en den ongelukkige deed ontwaken. Met een schreeuw van angst vloog hij overeind.
„Ik ben het, Taugwalder,” sprak kapitein Van Dam geruststellend. „Ik kom mijne gelofte gestand doen en u nogmaals eene hand reiken. Zeg, hoe hebt gij den nacht doorgebracht?”
Op die vraag schudde de veroordeelde het hoofd en sprak met doffe stem, ja, het geluid baande zich sissend een weg tusschen zijne tanden, alsof hij zich geweld moest aandoen om de woorden uit te brengen: