In het land der zon

Part 17

Chapter 173,783 wordsPublic domain

Inderdaad, de heeren Slierendrecht en Brinkman, beiden te paard gezeten, reden thans het ruime erf, dat zich als een smaakvol aangelegden tuin voor het landhuis Wilatoong uitstrekte, binnen. Een handgalop door de prachtvolle Kanarie-laan, [133] die naar het heerenhuis geleidde, bracht hen in weinige oogenblikken tot voor het perron. Was het toeval, overleg of gebrek aan behendigheid? Frank scheen de vlugheid van den controleur bij het uit den zadel springen niet te hebben; want deze was reeds den trap opgeijld, had reeds Adelien gegroet, Emma een handdruk aangeboden, en was met deze de galerij verder ingetreden, toen onze sergeant eindelijk met zijn rossinant klaar was, de teugels aan een toegeschoten bediende had overgereikt, en nu de treden opstapte, waar hij een allerliefst snoeperig bekje ontwaarde, dat hem schalksch glimlachend aangluurde, en dat hij, rondkijkende en zich alleen ziende, niet nalaten kon met zijn beide handen te omvatten en met kusjes te overdekken.

„Frank! mijn Frank!....” lispelde het jonge meisje tusschen twee kussen.

„Adelien! mijne Adelien!” was het hartstochtelijke antwoord daarop.

Mevrouw en mijnheer Groenewald verschenen nu weldra, die zich niet alleen beijverden hunne medereizigers van de Fernandina Maria Emma welkom te heeten, maar er een eer in stelden de Indische gastvrijheid in haren ruimsten zin te beoefenen. Toen dan ook de eerste begroetingen en plichtplegingen volvoerd waren, viel de huisheer zijn dochters in de rede, die de reizigers met ongeduldige vragen van allerlei aard bestormden, zooals:

„Mijnheer Slierendrecht, hoe maakt het mijne vriendin Juffrouw Oudenaller te Ngawi?” vroeg Emma.

Juffrouw Oudenaller was de dochter van den assistent-resident aldaar.

„Hoe hebt gij Ngawi gevonden, mijnheer Brinkman?” vroeg Adelien, schalksch glimlachende. „Is van daar de Lawoe te ontwaren?”

„Hoe vaart uw vriend Herman?” vroeg mevrouw Groenewald.

„Hebt gij tijding van kapitein Van Dam?.... Waar zit dokter Hannius?.... En hoe....?”

„Sjtt!....” beval de huisheer. „Laat de reizigers zich eerst lekker maken! [134] Kom, heeren, ik zal u uwe kamers wijzen.”

De drie mannen traden de binnengalerij van het woonhuis door, daarna de pandoppo, stapten vervolgens een smaakvollen bloementuin door, die zich achter het landhuis uitstrekte, en waarin de fraaiste rozensoorten bloeiden, en bereikten vervolgens een afzonderlijk gelegen gebouw, hetwelk zich ter zijde van het hoofdgebouw uitstrekte en een zestal logeerkamers bevatte, die allen door eene gemeenschappelijke galerij omgeven werden. Vlak daar tegenover aan de andere zijde van het landhuis, lag een dito blok.

De logeerkamers waren uiterst smaakvol gemeubeld, en bevatten daarenboven die honderde nietigheden, welker aanblik van den ernstigen man slechts een minachtend schouderophalen verwerft, maar die toch zoo’n prettig waas verspreiden, aan de geheele omgeving een gezellig aanzien verleenen, en onmiskenbaar de vrouwelijke hand in hare schikking verraden.

„Daar op den vleugel van het blok zijn de badkamers,” lichtte de heer Groenewald toe.

„Ja, eene afspoeling hebben wij wel noodig,” gaf Jan Slierendrecht lachend ten antwoord; „want de weg was zeer stoffig.”

„Welnu, verfrischt u naar hartelust. Maakt het u verder zoo lekker mogelijk. Gij ziet daar liggen kabaja’s, slaapbroeken en flanellen jasjes gereed. Die kunt gij aantrekken in afwachting dat de koelie’s (lastdragers) met uw goed aankomen. Denkt er om, om half een wachten wij u aan de rijsttafel.”

De maatregelen van den controleur waren evenwel zoo goed genomen, dat de gezegde koelies met de bagage der reizigers aangekomen waren, alvorens deze het bad, waarin zij trouwens lang gedarteld hadden, verlieten. Toen de beide heeren dan ook de binnengalerij binnentraden, waar hen de geheele familie zat te wachten, om hen met een glas morgendrank te verwelkomen, waren zij in helder witte jasjes, vesten en pantalons gekleed, en was er niets te bespeuren, dat zij dien moren ruim twaalf palen [135] steeds bergop te midden van wolken van vulkanisch stof, door de beenen hunner paarden opgejaagd, afgelegd hadden.

Nauwelijks kreeg Jan Slierendrecht de piano in bet oog, die in de binnengalerij prijkte, of hij stoomde er naar toe, opende haar, en daar weerklonk de „Carnaval de Venise” met wonderlijk kunstgevoel voorgedragen, door de ruime hal.

„Ik kon mijn gevoel niet bedwingen, toen ik uw Erard zag,” verontschuldigde de controleur zich. „Sedert ik Nederland verliet, was ik niet in de gelegenheid mijne vingeren in aanraking met eene toets te brengen.”

Emma en Adelien keken elkander verrukt aan.

„Doet gij ook aan de muziek?” vroeg Emma aan Frank.

„Och, zoo wat,” antwoordde de sergeant lachende. „Er zal wel gelegenheid komen om de dames met mijn getokkel te vervelen.”

Onder levendig gekout snelden de uren voorbij. De bewoners van Wilatoong hadden zooveel te vragen, de gasten zooveel te antwoorden en te vertellen, dat de rijsttafel reeds lang verorberd was, maar allen in de pandoppo nog bij elkander zaten. Papa Groenewald’s weetgierigheid scheen eindelijk bevredigd.

„Kom,” sprak hij, „ik ga wat rusten. Zullen de heeren dat ook niet doen?”

Jan Slierendrecht gaf te kennen, dat hij wel wat uitblazen wou. Hij was zeer vroeg op geweest, verzekerde hij, daar hij voor zijn vertrek nog een distributieplan van de omliggende gouvernements-koffietuinen te controleeren had gehad.

„Ik zal dus ook maar het gras gaan hooren groeien,” zei hij, terwijl hij zich naar zijne kamer begaf.

Toen de drie dames met Frank alleen zaten, werden voor en na de wederwaardigheden van de reisgenooten nog eens behandeld. Eindelijk herhaalde mevrouw Groenewald hare vraag van des morgens.

„Hoe vaart uw vriend Herman, mijnheer Frank?”

„Opperbest, mevrouw, voor zoover ik althans uit de laatste tijding kan opmaken. Daags voor mijn vertrek van Ngawi heb ik nog een brief van hem ontvangen, maar die is gedagteekend van 25 October. Wij hebben thans 25 November. De post van het oorlogsterrein schijnt niet bijzonder geregeld te zijn.”

„En hoe bevalt hem dat expeditie-leven?” vroeg Emma ietwat nieuwsgierig.

„O zeer goed!... Maar, hier is zijn brief, wil ik hem u voorlezen?”

Adelien klapte in de handen. Emma zorgde voor de thee, waarna alle vier in een hoekje van de pandoppo samenschoolden om naar Frank te luisteren. Deze begon:

Tjantee den 25 October 1856.

Waardste Frank!

„Ik eindigde mijn vorig epistel met het relaas van de inscheping der expeditionnaire troepen te Batavia. Aan boord gekomen, had ik gelegenheid mijn brief af te sluiten, en kon hem aan onzen goeden apotheker Behren, die in het gevolg van den legerkommandant nog een bezoek op de transportvloot had gebracht, medegeven om in de bus te doen.

„Ik hervat thans mijn verhaal, maar waarschuw al dadelijk, dat gij in dit mijn schrijven geen geregeld relaas van den veldtocht zult vinden. Daartoe ontbreekt mij vooreerst ervaring, en dan bovenal den ruimen blik, die het alles moet kunnen overzien, om zich aan zoo’n arbeid te wagen. Dat is dus goed begrepen. Gij moogt in mijn geschrijf niets anders zien, dan eene mededeeling van wat mij wedervoer of van wat in mijne onmiddellijke omgeving voorviel.

„Het was den 10en Augustus toen wij het havenkanaal van Batavia uitstevenden, en koers zett’en naar de flottilje, die in de nabijheid van het eiland Onrust op ons wachtend ten anker lag. Die flottilje bestond uit het oorlogsfregat Prins Frederik der Nederlanden, uit het oorlogsstoomschip Amsterdam, uit de koopvaardijschepen President Plate, Alcor en Cornelia, uit het gouvernements civiele stoomertje Bennett, uit ettelijke kruisbooten [136] en uit een twintigtal „majang-prauwen” en „tjunia-prauwen,” [137] welke laatste met genie- en artillerie-materieel, alsook met levensmiddelen bevracht waren. Hoe de troepen over die vaartuigen verdeeld werden, kan ik niet opgeven, maar de 3de kompagnie, waarbij ik behoor, zooals gij weet, en de 1e kompagnie kwamen aan boord van het stoomschip Amsterdam. Op dat vaartuig scheepte ook de staf van het bataillon in.

„Van het leven aan boord zal ik maar zwijgen. Ik zal slechts vertellen, dat die twee kompagnieën ter gezamenlijke sterkte van 308 onderofficieren en manschappen in eene ruimte gestuwd werden, veel kleiner dan aan boord van de Fernandina Maria Emma voor slechts 180 man voorhanden was, terwijl op het dek en op de brug tusschen de beide raderkasten een aanmerkelijke ruimte door een groot aantal Bataviasche koelies werd ingenomen. Hoe wij op elkaar gepakt stonden, laat zich begrijpen, en dat er van rusten of van slapen niet veel inkwam, zal u duidelijk genoeg zijn. Ik vond gelukkig een plaatsje toen het donker geworden was en de officieren het dek verlaten hadden, op..... den 60 ponder, op cirkel-affuit, die het achterdek bewapent. Ik had er wel willen inkruipen, hoewel ik het daarbinnen niet ruim zou gehad hebben, maar de windprop, die de monding van het stuk sloot, kon ik niet afnemen zonder geraas te maken. Hoe ik nog een paar uren heb kunnen slapen en daarbij mijn evenwicht bewaren, is mij een waar raadsel. Iets voor 5 uur voelde ik mij onzacht bij den kraag gevat. Het was de constabelsmaat, die mij wekte.

„„Drommels, sergeant,” zeide hij, „dat is geen zacht bed. Kom, op! ik moet het stuk laden voor het morgenschot!”

„Ik vloog natuurlijk overeind, en was nog niet geheel van mijne slaperigheid bekomen, toen zich van de brug het kommando: „vuur” liet hooren en het kanonschot donderend weerklonk, en statig rollend door het nabijgelegen gebergte indrukwekkend weerkaatst werd. De dageraad kleurde spoedig daarop het Oosten met hare rozeroode vingeren, en weldra werd het anker gewonden en waren wij onder stoom. O ja, ik heb nog vergeten te melden dat wij ’s avonds te voren na zonsondergang ten anker gekomen waren onder den hoogen Sumatra-wal tusschen Poeloe Seboekoe en Tandjong toea [138]. Toen de zon nu verrees, spreidde zich de Radja Bassa-berg, gij weet wel, dien wij bij onze aankomst in Straat Sunda bewonderd hebben, voor ons oog uit. Wij stoomden een groot uur, toen het anker andermaal in den grond viel. Wij waren aangekomen. Het schip lag bij drie kleine eilanden, Poeloe tiga [139] genaamd, die uiterst zonderling gevormd, en als eene voortzetting van het eiland Seboekoe te beschouwen zijn. Voor en na vereenigde zich de vloot. Vooral was daarbij het opstevenen van de Prins Frederik der Nederlanden indrukwekkend, dat zeekasteel, hetwelk met zijne twee rijen vuurmonden en met al zijne zeilen in den wind aan een naderenden berg van zeildoek gelijk scheen.

„Het was ongeveer elf uur, toen de booten, die de twee kompagnieën debarkeeren moesten, van de Amsterdam afstaken, en het was middag toen die sloepen op een kleinen afstand van het strand, te midden eener lichte branding, die de geheele kust als met eene zilveren franje omgaf, op het zand vast bleven zitten. Wij sprongen allen te water, en in een ommezien waren wij op het strand behoorlijk gerangschikt en werden de geweren geladen.

„Frank, wat dat rinkelen van de laadstokken in de geweerloopen voor een eigenaardig gevoel aan iemand mededeelt, is onbeschrijfelijk. Men gevoelt, dat dat laden iets anders te beduiden heeft dan bij het schijfschieten. Nooit hebben dan ook de kerels de patroon met meer aandacht afgebeten en het geweer met meer zorg geladen.

„Onmiddellijk nadat een voorwacht gevormd was, werd de marsch naar den hoofdkampong Radja Bassa ondernomen. Toen wij het strand verlaten hadden, dat een vijftig meter breed was, uit wit zand bestond, waartusschen veel koraal-brecciën en zeer fraaie schelpen gevonden werden, troffen wij een voetpad aan, dat evenwijdig liep aan de zee te midden van struikgewas, hetwelk het uitzicht niet geheel belemmerde, terwijl talrijke klapper- en andere boomen het pad aangenaam overschaduwden. De marsch strekte zich hoogstens gedurende een uur langs het strand uit, daarna werd landwaarts ingetrokken langs een bergstroom, die, van de hoogte afdalende, zijne heldere wateren over zijne rotsbedding, die soms trapsgewijze naar beneden voerende, vaak versperd was met steenmassa’s, die onoverkomelijk schenen, liet dartelen, schuimen en klateren. De kampong Radja Bassa ligt ongeveer op zes of zeven minuten gaans van de zee af, zoodat wij hem, de kronkelingen van het pad medegerekend, binnen het half uur bereikten.

„Wij vonden het nest geheel leeg. Geen enkel levend menschelijk wezen werd bespeurd, slechts eenige kippen liepen hier en daar, en schenen zich om ons niet te bekommeren. Bij het uiteinde van den kampong vonden wij eene geit aan een boom gebonden, die onder hevig geblaat zich trachtte los te rukken, toen zij ons zag. Eenige galadakhonden liepen snuffelend onder de huizen, maar stoven weg bij ons verschijnen. In vele huizen werd nog vuur in de dapoer [140] aangetroffen; bij enkelen was de rijst gaar, zoodat kon aangenomen worden, dat de bevolking eerst sedert kort geleden de vlucht genomen had.

„Een vijftal veldwachten werden als eerste veiligheidsmaatregel uitgesteld, die op aanwijzing van den luitenant Buisson hare schildwachten plaatsten; zoodat de kampong weldra door een beschermende keten omringd was, die iedere nadering ontdekken moest. Vervolgens werden de twee kompagnieën in een viertal ruime huizen onder dak gebracht. Ja, die woningen waren geen paleizen, het waren zelfs geen kazernes; maar met hun dicht atappen [141] dak, met hare kadjang-omwanding [142], verschaften zij een aangenaam koele binnenruimte, waarvan het genot evenwel erg getemperd werd door totale afwezigheid van eenig meubelstuk, en door den vloer van „niboeng” [143] latten, die tot slaapplaats moest dienen, maar het lichaam tot pijnbank verstrekte.

„Middelerwijl waren aan de koks een paar hutten aangewezen, waarvan zij eenvoudig de omwandingen gedeeltelijk en de vloeren geheel wegbraken, zoodat zij een hoogst eenvoudig afdak erlangden, dat evenwel aan de sober gestelde eischen geheel voldeed. Iedereen rammelde van den honger. Wel was er voor het debarkeeren nog een maal aan boord genuttigd geworden, maar dat was zoo omstreeks te tien uur geschied, en de zon was haren ondergang zeer nabij, toen het signaal „etenhalen” zich hooren liet.

„Eindelijk viel de avond. Het was helder weer en daarbij wassende maan, waardoor een goed uitzicht aan de schildwachten verleend werd. Toch werd de postenketen hier en daar versterkt, en de schildwachten verdubbeld. Zoolang de maan scheen, bleef het rustig. Maar nauwelijks was deze zoo omstreeks tegen één uur ondergegaan, of daar hadt ge het spektakel gaande. Aan den noorderkant van den kampong barstte het geweervuur los, en breidde zich weldra over de geheele postenketen uit. Het was een leven als een oordeel, wat nog vermeerderd werd door de vele echo’s van den Radja Bassa-berg, die ieder schot twintigvoudig herhaalde, en het aan een ratelenden donder gelijk deed zijn. Bij het eerste schot had ik reeds het oor gespitst. Bij de spoedig daarop volgende was ik opgevlogen. Ook de manschappen, die gekleed lagen te rusten, waren bij de hand en grepen hunne geweren, zoodat, toen de hoornblazer het alarmsignaal liet weerklinken, de troepen reeds aangetreden stonden, gereed om op te rukken. Het vuren duurde inmiddels onafgebroken voort; maar zonderling, er liet zich geen enkel schot van buiten af hooren; onmiskenbaar waren het allen modelgeweren, die afgevuurd werden. Ik kreeg spoedig bevel om met een twintig man de oosterveldwacht te gaan versterken, die het meest vooruitgeschoven aan den voet van den Radja Bassa en derhalve bij een aanval het meest blootgesteld was.

„Bij de veldwacht aangekomen, vernam ik dat haar kommandant zich met het grootste gedeelte van zijne manschappen in de schildwachtenketen begeven had, en daar lustig aan het schieten deel nam.

„„Maar wat is er gaande?” vroeg ik aan een der achtergebleven soldaten.

„„Ik weet het niet, sergeant,” was het antwoord. „Ik hoor, dat de vijand zich voortdurend in grooten getale met brandende lichtjes op de rijstvelden vertoont, en derhalve wat in zijn schild moet voeren.”

„„Met brandende lichtjes? Hou-je mij voor den gek, flankeur?”

„„Waarachtig niet, sergeant. Ik vertel u, wat ik zoo even van een afgelosten schildwacht vernomen heb.”

„Het vuren hield inmiddels aan. Aan die onzekerheid moest een einde komen, ik mocht daar niet werkeloos blijven. Ik nam vier man met mij mede, en liet de overigen onder bevel van een korporaal achter, hem aanbevelend onder de wapens te blijven en goed uit te kijken. In de postenketen ontmoette ik den veldwachtkommandant en vroeg hem:

„„Ik ben met twintig man versterking aan de wacht aangekomen. Wat is er toch aan de hand?”

„„Ziet ge dat niet?” was de wedervraag.

„„Wat?”

„„Wel, die lichtjes.”

„Ik tuurde en tuurde nogmaals. Ja, geheel in de verte zag ik te midden van het groen zich iets bewegen, alsof brandende kaarsen heen en weder gedragen werden.

„„Zouden dat menschen zijn?” vroeg ik. „Ik kan geen gedaante in de nabijheid daarvan ontwaren.”

„„Als het geen geesten zijn, dan moeten het menschen zijn, die die lichtjes dragen.”

„„Maar vindt gij het niet te dol, dat menschen in het holle van den nacht met een kaars in de hand voor onze voorposten zouden komen zwerven? Het zou zijn, alsof ze om een kogel kwamen smeeken.”

„„Gij kent de inlanders niet, schijnt het. O, zij zijn zoo leep!”

„„Maar, wat zou hunne bedoeling zijn met die manoeuvre?”

„„Wel, om ons te overvallen.”

„„Om ons te overvallen? Het is om te lachen! Vooreerst zouden zij dan geen kaarsjes meedragen, maar veeleer in het donker voortsluipen. Ook zouden zij wel trachten te naderen.”

„„Sjt!... daar heb je er een paar... Zie, daar bij dien hoek van het bosch!...”

„En zich tot zijne manschappen wendende:

„„Vuur! jongens, vuur!” riep hij, terwijl hij ook zijn wapen in de aangewezen richting afschoot.

„Wat zal ik je zeggen, Frank. Toen ik die twee lichtjes in het zwarte donker, onder het bladerendak van het hoog geboomte zag schitteren als twee vurige oogen, die mij aanstaarden, greep ook mij een onverklaarbaar gevoel aan, dat mij noodzaakte het gegeven voorbeeld te volgen. Ik bracht den kolf van mijn geweer aan den schouder en pang!... daar kraakte ook mijn schot. Was het begoocheling of werkelijkheid? De beide lichtjes verdwenen, alsof zij in een afgrond verzonken waren. Ik moest zeker iets geraakt hebben. Er was evenwel geen gelegenheid om te gaan onderzoeken wat; want het was uitdrukkelijk verboden zich buiten de postenketen te begeven. Het vuren hield evenwel aan, totdat de dageraad aanbrak. Toen verdwenen de lichtjes en met hen de aanleiding tot schieten.”

„Toen het volkomen dag was, werd ik uitgezonden met een sterke patrouille om het voorliggend terrein te doorzoeken, en na te gaan of er gewonden of dooden gevallen waren, en of slechts bloedsporen aangetroffen zouden worden. Er waren vele, zeer vele honderden kogels verschoten geworden; het moest toch zeer waarschijnlijk geacht worden, dat enkelen daarvan raak geweest waren. Maar hoe ik ook zocht, er was niets te vinden, niets, niets hoegenaamd, zelfs geen gebroken takje, zelfs geen platgetrapt grasscheutje, niets wat de tegenwoordigheid van den mensch had kunnen verraden. Ik wil wel bekennen, dat ik beteuterd stond te kijken; ik had die twee lichtjes zoo netjes onder mijn schot zien vallen. En,... nu was daar niets! Dat was maar een droom....”

Frank werd in zijne lezing door een schaterlach van de jonge dames Groenewald gestoord.

„Dat geloof ik wel, dat hij niets vond,” zei Adelien.

„O, wat zijn die „tottokhs” toch dom!” meesmuilde Emma.

„Verwachttet gij dan, dat er niets gevonden zoude worden?” vroeg Frank verbaasd.

„Wel zeker,” antwoordde Adelien steeds lachende. „De lichtjes, die Herman gezien heeft, waren.... Maar ga voort. Wellicht zal hij u zelf vertellen, hoe hij zich beet heeft laten nemen.”

Frank hervatte zijne voorlezing.

„Zoo ging het gedurende vier nachten. Telkens als de maan onder was, begon dat akelige schieten. Den vierden nacht kwam ik op wacht. Ik prentte mijne manschappen goed in, dat al zagen zij ook lichtjes, zij mij wel waarschuwen mochten, door bij voorbeeld te fluiten, maar niet mochten schieten, wanneer zij niet duidelijk menschengestalten ontwaarden.

„Tot drie uur ongeveer bleef het volmaakt rustig in de postenketen. Toen evenwel de maan ondergegaan was, barstte het geweervuur bij de schildwachten der overige veldwachten los, en onmiddellijk vernam ik van de mijnen een gefluit om mijn aandacht te wekken. Ik begaf mij dadelijk bij mijne schildwachten en, jawel! duidelijk zag ik op een afstand van ongeveer 300 passen eene veel grootere menigte lichtjes dan de vorige avonden.

„„Mogen we schieten?” vroegen de schildwachten.

„„Neen,” was mijn antwoord. „Ik ga er zelf naar toe.”

„Ik ontdeed mij van mijn buikgordel en patroontasch, zette mijn geweer tegen een boom, trok mijn sabel uit de scheede, wierp mij zoo gewapend op den buik in het struikgewas en sloop voort in de richting waar ik de lichtjes waargenomen had. Na een ongelooflijk moeielijken tocht van ruim een half uur in de duisternis, waarbij ik voornamelijk door mieren, die mij als met vuur brandden, gehinderd werd, zag ik plotseling boven mij twee glinsterende oogen mij uit de kruin van een boom begluren. Ik stond op....”

XIV.

EEN WANDELING.—VAN RADJA BASSA NAAR BANDOELOE.

„Komt er heden niets van de theetafel?” vroeg de heer Groenewald, in slaapbroek en kabaai uit zijn slaapkamer te voorschijn komende en de pandoppo binnen tredende.

De dames keken verwonderd op, vooral toen ook de heer Slierendrecht voor den dag kwam en eveneens een kopje thee reklameerde.

„Hoe laat is het dan toch?” vroeg mevrouw Groenewald.

„Wel bijna vier uur, vrouwtjelief. Ik heb me wat verslapen.”

„Ik ook,” betuigde de controleur.

„En wij moeten nog mandi! Gelukkig dat wij drie „tampat mandi” [144] hebben, anders kwam er geen einde aan.”

„Dan zullen wij ons met de thee haasten,” antwoordde Emma, terwijl ze opstond. „De heeren zouden reeds kunnen beginnen te baden, dan vinden zij daarna hun kopje thee klaar staan.”

In een oogwenk was het gezelschap uit elkander; maar een uur later ook weer geheel vereenigd; thans evenwel in wandelcostuum om van de heerlijke namiddaguren in de vrije buitenlucht te genieten. Het was een zeldzaam schoone dag. De bladeren van het geboomte ritselden, zacht bewogen door de avondbries; de lucht was buitengewoon helder en doorschijnend en het uitspansel, schier donkerblauw, vertoonde zich grenzenloos diep voor het oog.

„Wat zijn de ons omringende bergen scherp begrensd,” merkte Jan Slierendrecht bij de wandeling op.

„Kijk eens, men kan al de lengteribben van den Argo Doemilak daar voor ons en van den Willis daar rechts duidelijk onderscheiden,” vulde mevrouw Groenewald aan.

„En - wat schijnen die bergtoppen ons nabij te zijn,” sprak Emma.

„De reden daarvan is, dat het een paar dagen geleden terdege geregend heeft,” verklaarde de heer Groenewald, „nimmer is de dampkring zuiverder en helderder dan wanneer zij door eene flinke regenbui van de daarin zwevende stofdeeltjes gezuiverd is. Die scherpte van omtrekken der bergen duidt op veel vocht in den dampkring, en is voor den opmerker eene aanwijzing, dat nog veel regen te verwachten is. Nu, die zal welkom wezen, want mijn koffieaanplant heeft tengevolge van de langdurige droogte in den Oostmousson nog al geleden. Hoe meer water er zal vallen, hoe beter.”

„Als het nu in deze dagen maar niet regent,” antwoordde Adelien, „want dan zou menig pleiziertochtje letterlijk in het water vallen.”

De wandelaars waren de lommerrijke lanen der aangrenzende koffietuinen ingeslagen; zij mochten de wandeling niet te ver uitstrekken, om niet door den donker verrast te worden.

„Gij hebt zeker wel een blik aan onzen tuin achter het woonhuis gegund, heeren?” vroeg Adelien aan Frank Brinkman en aan Jan Slierendrecht.

„Zeer zeker, juffrouw Adelien,” was het antwoord van Frank. „Wij hebben vooral de fraaie collectie rozen bewonderd.”