Hilda van Suylenburg

Part 7

Chapter 73,995 wordsPublic domain

Eugénie kleurde even onder de toespeling op haar acht en twintig jaren.

„Kom ons nou maar niks wijsmaken, van je ervaringen te Malaga en te Nice hoor! Ervaringen van negentien jaar zijn en blijven kinderspel.”

Edward antwoordde niet en streek zijn zware, donker roodblonde snor omhoog met een lachje van geblaseerde ironie, dat volkomen beantwoordde aan zijn doel om Eugénie woedend te maken.

„Maar jongen!” zeide mijnheer van Starren, zonder aandacht te geven aan het gekibbel waaraan trouwens sinds jaren iedereen gewend was, „wat zie je er toch goed uit! Ik ben verbaasd over je! Wat is ie flink geworden, vindt je niet mama? En voel je je nou heusch weer heelemaal goed?”

Hij stond op en legde zijn hand op den schouder van zijn zoon, zijn oogen waren vochtig.

„Och ja, papa, natuurlijk ben ik weer goed. U hebt u in ’t najaar mijn toestand natuurlijk erg overdreven voorgesteld en....”

„Jongen ja, het is een vreeselijke angst geweest!” En op eenmaal was het den ouden man als zag hij weer zijn zoon daar voor zich liggen, het bleeke ingevallen gezicht, de roode vlekken overal, en in de blauwe Japansche kom, die het eerst bij de hand was geweest, het lichtroode, schuimende longenbloed. Den geheelen winter had hem dit visioen vervolgd en nu hij hem daar weer voor zich zag, zijn trots, zijn lieveling, zoo gezond en vroolijk, voelde hij zich op eenmaal heel week worden. Zenuwachtig, met een korten snik trok hij Edward in zijn armen.

„Maar mijn hemel, papa, laten we nou in godsnaam niet sentimenteel worden! Ik zeg u immers dat het niets te beteekenen heeft gehad. Maar Cor, kun je ons niet wat thee en koekjes bezorgen of anders maar een glas port. Dat zal mij na de reis beter smaken dan al die belangstelling in mijn gezondheid.”

Mijnheer van Starren wendde zich stil af, zich schamende over zijn zwakheid, maar Hilda, die hem tot dusver alleen met zijn dochters en vrouw gezien had, en sterk gefrappeerd was door die onverwachte teederheid, zat stil in een hoekje van de canapé, schijnbaar verdiept in het opvouwen van haar voiletje, maar haar handen beefden daarbij. Een nameloos heimwee doorsidderde haar. O! als haar vader op dat oogenblik gekomen was en haar zoo in zijn armen genomen had! Wat was die Edward voor een jongen? Was het eenvoudig jongensbluf, die het onmannelijk vindt toe te geven aan eenige gemoedsaandoening, of was het gemis aan hart?

Een oogenblik, met intense nieuwsgierigheid, zat ze hem op te nemen. Hij had zich nu languit in een grooten fauteuil neergeworpen, een houding van nonchalante distinctie. De ellebogen gesteund op de stoelarmen, de bleeke tengere handen slap in elkaar gevouwen—het waren de handen zijner moeder, aristocratisch, met week-rose toppen en glanzend gepolijste nagels—de beenen over elkaar geslagen, de onberispelijk verlakte schoenen naar voren glimmend, een beeld van achtelooze zelfvoldaanheid.

En het amuseerde Hilda, want ze zag dat hij poseerde, en zijn voorname onverschilligheid, die waarschijnlijk een zorgvuldig nadoen was van een of ander hoog eleganten, levensmoeden vreemdeling, stond grappig bij zijn frisch, jong gezicht.

„Maar Eddy, nou moet je ons nog vertellen van dien mijnheer.... jonkheer .... hoe heet ie ook weer? Die Hollander dien je daar ontmoet hebt? Eerst schreef je dat je ’m te logeeren mee woudt brengen, en later dacht je toch dat het beter was van niet?”

Corry riep het nieuwsgierig van achter het theetafeltje waar zij in kleine, drukke beweginkjes de kopjes rangschikte.

„Je meent zeker Maarten van Hervoren,” antwoordde Edward, „wat wou je van hem weten Cor, of ie een goeie partij voor je zou zijn? Nee dat is ie heelemaal niet, hoor!”

„Maar Eddy, heb je nou nog al niet afgeleerd altijd zulke onhebbelijke dingen te zeggen!”

„Wel mama, waarom mag ik dat niet zeggen? Aan de Riviera heb ik den laatsten tijd weer allerlei zulke verbazende dingen gezien van „la chasse au mari!” Badplaatsen zijn niet bepaald geschikt om andere opvattingen over zulke dingen te krijgen, wat zeg jij er van, nichtje Hilda?”

Hilda voelde zich een oogenblik verward, hier in eens tot getuige te worden geroepen. Zij zag zijn driest doordringende oogen op haar gericht en de ironische glimlach die haar zoo geamuseerd had, straks bij het binnenkomen, toen hij voor garçon speelde, begon haar in eens erg te vervelen.

„Ik ben nooit lang op badplaatsen geweest, maar ik wil heel best gelooven dat je daar allerlei treurige, rare dingen ziet; maar daarom kan Corry toch wel zonder bijbedoelingen naar dien mijnheer van Hervoren vragen?”

Corry klapte in haar dikke, blanke poezelhandjes, half verbaasd dat Hilda haar partij koos. „Bravo! Hildy, bravo!”

Edward streelde zijn knevel en zag het raam uit, zijn ironisch lachje kon evengoed Hilda’s antwoord gelden als de vreemde dingen die hij gezien had. Toen zich tot zijn moeder wendend:

„Ja, een oogenblik heb ik er heusch over gedacht, mama, om hem hier mee te brengen. Het is de merkwaardigste kerel die je ooit gezien hebt. Soms kan ie geweldig mooie dingen zeggen, dan zou je denken een groot philosoof en alles heeft ie gelezen, bepaald ongeloofelijk, en soms is ie ook vroolijk, uitgelaten als een klein kind, en goed voor arme menschen en beesten! En als ie wil allemachtig amusant! Maar juist op dien avond dat ik hem dan wou vragen om bij ons te komen logeeren, kreeg ik Corry’s brief over het bal van de Mureaux en dat bracht mij weer zoo duidelijk al die uitgaanmenschen voor den geest en toevallig vertelde Hervoren mij juist ook dien avond voor het eerst van zijn omstandigheden en toen begreep ik in eens dat het een stommiteit van me zou zijn geweest om hem hier mee te brengen.”

„Waarom jongen? Waren die omstandigheden dan van dien aard ..... Enfin ..... hij is toch jonkheer van Hervoren niet waar?”

„Zeker maatje, maar hij kan daarom toch wel in benauwde omstandigheden zijn? Dat gaat best samen hoor! En toen ie er een beetje vertrouwelijker over sprak, begreep ik dan ook dat hij eigenlijk geen cent op de wereld heeft. Zijn ouders moeten vroeger schatrijk zijn geweest, maar bij den dood van zijn vader was de boel op en toen is hij, zoodra ie te Delft met zijn ingenieursstudies klaar was naar Amerika gegaan, en later nog een poos naar Australië, en daar heeft ie tenminste zooveel verdiend dat ie zich zelf en zijn moeder, die erg zwak was, kon onderhouden. Maar de groote zwaai om het fortuinrad naar zich toe te halen schijnt ie niet te hebben kunnen vinden. Verleden voorjaar is ie hier thuis gekomen omdat zijn werk in Australië toch juist was afgeloopen en zijn moeder, waar ie dol op was, zoo erg achteruit ging, en toen zij in September, geloof ik, gestorven was, had ie eigenlijk wel weer dadelijk de wijde wereld willen ingaan, maar hij kreeg longontsteking en half dood hebben ze hem naar ’t Zuiden gezonden.”

„En wat gaat ie nou doen?”

„Dat weet ik nog niet, maar hij zal er zich wel weer doorslaan, daar kunt u van op aan. U hebt nooit zoo’n kranigen kerel gezien. Als ie hier niks vindt, gaat ie maar weer de wereld in.”

„En waarom heb je hem niet gevraagd om hier te komen logeeren?” vroeg Eugénie goedig.

Edward haalde de schouders op en zag zijn moeder aan:

„Ik dacht dat jullie het gek zoudt vinden als ik zoo’n arme drommel hier meebracht. Hij mocht es verliefd op een van jullie worden, dan waren de poppen aan het dansen en dan kreeg ik er nog de schuld van.”

„Edward heeft groot gelijk gehad. Zulke individuen zijn licht geneigd van je te profiteeren als je te goed voor ze bent.”

Edward dronk kalm zijn kopje thee leeg en antwoordde niet, en ’t was Hilda op dit oogenblik alsof ze hem haten moest omdat hij de partij niet nam van den man waarover hij zoo juist met bewondering gesproken had. Wat een onrecht lag er in die laatdunkende achterdocht van haar tante, en waarom bleven al die anderen daar zoo kalmgenoegelijk onverschillig bij, in hun zelfzucht van rijken, die weten dat niemand hen ooit op die manier verdenken kan!

Stil zat zij nog een oogenblik in haar hoekje, luisterend naar de conversatie die zich weer levendig kruiste over kennissen en Haagsche nieuwtjes; toen stond zij op en ging naar boven in haar eigen kamertje en wierp zich op haar bed, groote tranen neerdruppend op haar kussen. Waarom zij weende wist zij niet. Een nameloos verlangen opwellend uit diepten in haar eigen hart die zij niet kende, niet begreep, een groot verlangen naar een onbestemd iets dat hoog en mooi zou zijn, dat haar leven zou kunnen vullen, overstelpte haar plotseling. „Vader,” snikte ze zachtjes een paar maal, maar bij het aanroepen van hem, die het middelpunt harer kinderjaren was geweest, voelde zij dat ook al had hij op dit oogenblik naast haar gestaan, hij niet vermocht zou hebben dien weemoed van haar weg te nemen. Walging van haar eigen leven, van haar omgeving, van de maanden die achter haar lagen en die nu komen zouden, was als een doffe achtergrond van dit opbruisend verlangen naar een ander, rijker leven en terwijl zij zachtjes voortweende, blij de spanning van haar onbegrepen droefheid te zien wegvloeien in die warme kristaldruppels, dacht zij aan Ottilie en Moisette en Edward en aan dien vreemde met zijn magnetische oogen en het leven scheen haar vol donkere raadsels, die, als zij oplosbaar waren, toch niets dan teleurstelling konden brengen.

Eerst het luiden van de etensbel herinnerde haar er weer aan dat het „jonge meisje” niet treuren mag in smartelijke onvoldaanheid.

„Lachen, amuseeren, schitteren, lachen,” gilden de hooge tonen van de bel, maar Hilda, onder het betten van hare roode oogen, in een plotselingen, woedenden opstand antwoordde er hardop tegen in: „Ik wil niet! Het mag niet! Dat kan niet de bestemming van het jonge vrouwenleven zijn!”

Na Hilda en Gladys’ vertrek had Ottilie van Heemeren nog verscheiden bezoeken ontvangen, meest heeren die hun digestievisites kwamen maken. Vroolijk en schitterend, met den hoogen uitdagenden klanklach, de raadselblikken der troublante oogen, de geestige boutades had zij zich bewogen in dien kleinen kring bewonderaars. Maar nu waren zij allen vertrokken; zij zag op de klok: half zes. Eerst om half acht wachtte zij hare gasten. Wat zou zij doen voor dien tijd? Doelloos stond zij voor het raam. Zij had nog geen zin zich nu al te gaan kleeden.

Maar ineens klonk het aanrollen van een rijtuig, pijlsnel, wild rennend kwam het aan en in een oogwenk was het voorbij. Alleen een visioen had het achter gelaten van koolzwarte paarden, kleine koper en kristal fonkelingen van lantaarns en daar boven, op den hoogen bok een glimlach teeder familiaar, een groet met de zweep in ’t voorbij vliegen.

Ottilie groette lachend terug en liet zich toen zinken op een van haar kleine fauteuils.

„Wat ’n dolleman is ie toch om zoo te hollen en nog wel op de Bezuidenhout die zoo smal is! Maar wat heeft ie ze flink in de hand, die wilde zwarten en keurig netjes groeten kan ie ook in zoo ééne seconde. Een echte ridder!”

Zij glimlachte, maar met een nuance van medelijden.

„Arme jongen, ik zal hem toch maar een invitatie voor Zondag zenden, anders zal ie al te ongelukkig zijn. Het schijnt een groote vlam te worden. Als ie nou maar niet lastig wordt, kan het nog wel amusant zijn, goed om den tijd door te komen tot we naar Zwitserland gaan.”

Loom stond ze op en ging naar haar schrijftafeltje met een kleine gaapbeweging vol lusteloosheid. Toen schreef ze met groote letters, zoo als de mode was van dat oogenblik, het adres: Jhr. Mr. van Smaarth. En terwijl ze de invitatie deed, glimlachte ze weer haar wreede sphinxenlachje en herhaalde met een zucht: „Poor fool! en dat noemen de dichters liefde! Boeken en boeken vol, allemaal over liefde! die .... niet bestaat! Niets dan wat zinnelijkheid en ijdelheidsstreeling en convenance, dat is de heele verhouding tusschen man en vrouw!”

Ze stond op en trad langzaam voor den grooten spiegel, de handen achter het hoofd gevouwen, en beschouwde zich lang met nieuwsgierige aandacht. Ze stond dikwijls zoo en zij vond zich mooi, ze genoot in de bekoring van haar eigen beeld.

„Als liefde bestond, had ik haar moeten ontmoeten! Beantwoord ik niet heelemaal aan het ideaal, waarvan mannen droomen als zij van vrouwelijke bekoring spreken? En toch heb ik nooit iemand ontmoet die mij waarachtig om me zelf liefhad! ’t Is niets dan een dichterleugen, liefde. Alsof niet van Smaarth alleen zich zelve, zijn eigen genot in mij liefhad, als of niet mijn man alleen een sierlijk ornament in zijn huis, een goeie huishoudster voor zijn tafel, een jong, vroolijk gezelschap in zijn leege uren in mij liefhad. Wat kan het ze allemaal schelen wat of ik voel en lijd en of ik verga van verveling, verveling, verveling!”

Zij had het woord hardop gezegd en het verlichtte haar het met hartstocht te herhalen in een gril van machtelooze wanhoop.

„En al die menschen die gelooven dat ik gelukkig ben, omdat ik jong en mooi en rijk en artistiek en bewonderd ben! Als of ik niet verging van kou en leegte en onbevrediging en verveling!”

Toen ging de deur open en mijnheer van Heemeren trad binnen. Hij was veel ouder dan Ottilie en zijn hooge magere gestalte begon zich aan de schouders wat te buigen, maar in zijn zorgvuldig geconserveerden ouderdom zag hij er zeer voornaam uit, vooral zooals nu als hij in rok en witte das was.

„Ottilie, is het geen tijd dat je je gaat kleeden? anders ben ik bang dat je je weer zoo zult moeten haasten.”

„Ja zeker ik zal dadelijk gaan,” zeide zij vriendelijk beleefd, zooals zij gewoonlijk tot hem sprak en zij ging heen nog zachtjes neuriënd „verveling.”

Maar onder het opgaan van de trap was zij reeds verdiept in de vraag wat beter zou staan bij haar nieuwe japon, haar paarlen collier of de antieke parure van amathysten.

Op het diner bij de van Praegen had Hilda Corona van Oven ontmoet. Tegen half tien was zij gekomen, een mooie verschijning, met iets zeer edels, de hooge slanke gestalte in ’t lange zwart fluweelen kleed, dat tegen het bonte lichtglanzen der andere damestoiletten streng afstak, maar mooi deed bij den zuidelijken ivoorteint en de groote grijze oogen. Zij hadden een oogenblik prettig samen gepraat en Corona had Hilda geïnviteerd om den volgenden dag bij haar te komen afternoon tea drinken. „Dat mag je wel apprecieeren!” had Gladys schertsend gezegd, „want dokter van Oven is niet gul met haar invitaties!”

Maar Corona had levendig geantwoord dat zij meende met de freule van Suylenburg bijzonder prettig te zullen kunnen praten.

Het kleine huis op het Lange Voorhout dat dokter van Oven bewoonde, was niet moeilijk te vinden. In duidelijke eenvoudige letters stond het zwart tegen het grijze huisfond: Dr. Corona van Oven, arts.

Het zag er heel gewoon uit, en toch leken zij Hilda iets heel bijzonders, die woorden die daar stonden.

Een kindermeisje, aan elke hand een klein bleek kindje, kwam juist voorbij de stoep. Het eene kleintje bukte zich om een steentje op te rapen, dat glinsterde in de zon. „Wil je wel es niet zoo ondeugend zijn, akelig nest! en die vuiligheid laten liggen,” snauwde het meisje, ruw schuddend het teere armpje. Het kind huilde niet en liep voort, misschien alleen nog iets bleeker en doffer. Een paar werklieden kwamen aan, in ’t voorbijgaan de zoele voorjaarsatmosfeer besmettend met een stroom van vuile lucht, en hun lach was nog vuiler toen zij het kindermeisje een paar gemeene woorden toeriepen. Daar ratelde een equipage voorbij, een verlept blonde vrouw, een hoed met veel rozen, witte handschoenen, van achteren gezien niets dan een kostbaar kanten parasol en het was voorbij. Hilda groette even en zag toen weer naar de letters en als een revelatie voelde zij opeens hoe de wereld schijnbaar veranderingloos in de sleur van elken dag voortleeft, terwijl er groote dingen geschieden. Kinderleed, ruwheid, smerige ellende, zonde en wufte onverschilligheid schijnen overal hun gang te gaan, maar hier als een blij zegeteeken van overwonnen veroordeel stonden een paar beteekenisvolle woorden als een belofte voor de toekomst.

De voordeur ging open en Marijken, Corona’s oude meid kwam voor.

„Is u de freule van Suylenburg?”

„Ja, de dokter wacht mij.”

„De dokter is net uitgeroepen. Dat gaat altijd zoo. Je weet nooit of ze thuis zal zijn of niet. Maar lang geloofde ze niet dat het duren zou en ze heeft me gezegd of u maar op d’r wachten woudt. Freule van Arkel is er ook al, die zou ook komen thee drinken.”

Hilda ging binnen, teleurgesteld. Zij vond het idee van daar met een vreemde dame te moeten zitten erg vervelend, en vroeg zich af wie het wel zijn kon. Zij kende aan het hof een ouden mijnheer en mevrouw van Arkel, maar die hadden geen kinderen. Waar kwam nou deze freule vandaan?

Corona’s kamer was een ruim en stil vertrek aan den achterkant van het huis, hoogst eenvoudig met iets van den grooten ernst van haar beroep. Het ameublement van mooi donker eikenhout met rood leer, de groote bureau-ministre, de kasten en tafels vol boeken, het zag er alles streng uit, maar toch ook rustgevend voor diegenen die met gefolterde zenuwen van buiten uit het gewoel tot haar kwamen. Geen enkele dier weeldeprullen waarmede de modesalons van tegenwoordig overvuld zijn, stoorde de harmonie van dit werkheiligdom. De eenige versiering, en die was vorstelijk, bestond uit een photographie van Braun naar Rafael’s Sixtijnsche madonna, origineele grootte. Overweldigend was de indruk der zwevende figuur. Zij vulde, zij verslond het heele vertrek, het verlichtend met haar reinheidsglans.

Hilda had de schilderij dikwijls en nooit zonder groote ontroering te Dresden gezien, maar vandaag frappeerde het haar bijzonder.

Dit was niet de teedere moeder die haar kindje koestert, niet de weemoedsvolle jonkvrouw, vóórvoelend de Mater Dolorosa, niet de hemelkoningin in extatisch opzien tot haar zoon, niet de heilige maagd in beate onnoozelheid. Dit was niet de incarnatie van gebed en vroomheid en jubelende Godsliefde of stille aanbiddende contemplatie zooals de primitieven hun Madonna’s hebben gemaakt, noch ook de gezocht mooie vrouw, het ideaal van vrouwelijk schoon, dat de renaissance heeft geschapen. Deze Sixtijnsche Maagd heeft haar eigen plaats. Het is de hoogreine vrouw, de glansoogen wijd geopend starend in de verre toekomst, in één blik overziende het al, de smarten der realiteit en de vreugden van het ideale streven. Zij ziet ze vóór zich, de lijdende, zondigende menschheid, smachtend naar het verlossende liefdewoord en ’t machtige voorbeeld, zij ziet de hoog heilige taak en ’t vreeselijke wee, wachtend haar kind, en toch fier, zonder aarzelen schenkt zij het der wereld. De teederdragende handen houden nauwelijks het lichaampje vast, zij bieden het aan, heel de houding is een voorspel van ’t sterke, vrijwillige offer te Golgotha volbracht; geen week weenende moeder om haar zoons physieke lijden, alleen de hooge vrouw die in den smartelijken ernst van helderziendheid, een stille vreugdeglorie om den mond, haar kind tot het hoogste wijdt. Vrouwen die iets van dezen blik hebben verstaan, zullen groote zonen opvoeden.

Een oogenblik stond Hilda midden in de kamer, getroffen, toen dacht ze aan freule van Arkel en groette. Het was een tenger meisje, niet jong meer, met kleine, bruine oogen vol intelligentie, in een kleedje van kleurloos bruin, het type der geëffaceerde distinctie, waarin Haagsche dames met weinig fortuin uitmunten.

Gedurende haar vroegere reisjaren was Hilda zorgeloos gemakkelijk in haar omgang met vreemden geweest, maar in de leerschool harer tante had zij den laatsten tijd tegenover onbekenden iets van de voorzichtige stijfheid aangeleerd, die een onaangename eigenaardigheid van veel Hollanders is.

Na een kleine banaliteitenwisseling, zette zij zich zwijgend in Corona’s stoel, terwijl Marguérite van Arkel, blijkbaar volkomen thuis, begon thee te zetten. Een poosje zaten zij bij elkaar, in een vervelend zwijgen, toen zeide Marguérite lachend, een klein beetje verlegen:

„Ik geloof, freule, dat Corona ons samen gevraagd had omdat zij dacht dat wij beiden iets aan elkaar zouden hebben. Zij heeft mij van u verteld en ik geloof dat wij prettig zouden kunnen praten. Willen we dus maar dadelijk beginnen en niet onzen tijd verliezen om onder een paar onnoozele opmerkingen te zitten wachten tot wij deftig aan elkaar zijn gepresenteerd?”

Hilda lachte, haar onweerstaanbaar jong lachen dat heel haar gezichtje verlichtte. Toen was alle reserve voorbij.

Een half uur hadden zij druk zitten praten, bijna vergetend te wachten op Corona’s komst, in de blije verwondering harer ontwakende sympathie.

„Hoe zou toch de dokter aan deze prachtige reproductie komen?” vroeg Hilda naar de Madonna wijzend.

„Dat kan ik u makkelijk vertellen, want ik heb ze haar zelf gegeven.”

„Zeker na ’n gevaarlijke ziekte? een dankoffer?”

Marguérite glimlachte met een warme kleur die aan haar stil, bleek gezichtje een gloed van jeugd teruggaf. Toen met het abandon, het spontaan vertrouwen dat zoo wonderbaar ontstaat soms tusschen vrouwen die elkaar nog vreemd zijn, maar voelen dat zij elkaar begrijpen, antwoordde zij zacht:

„Ja, voor de redding van een gevaarlijke ziekte. Een heel gevaarlijke, omdat zij moreel was. Ik heb u al gezegd dat ik het eigen nichtje ben van den adjudant der Koningin, en dat ik Fransche les geef hier aan een kostschool. Dat was mijn ziekte! Begrijpt u dat?”

Hilda’s spanningsblik liet haar dadelijk voortgaan:

„Mijn oom aan het hof, veel schatrijke familie hier, allemaal uitgaande in de hofkringen, en ik een arme schooljuffrouw! Kunt u u indenken wat dat een pijn van valsche schaamte, vernedering, afgunst was. Tot mijn twaalfde jaar was ik ook rijk geweest. Het is de oude, eeuwig zich herhalende geschiedenis der groote families, die te gronde gaan. Mijn moeder was jong gestorven, en in zorgelooze verkwisting leefde mijn vader voort in een luxe, die hij vond dat noodzakelijk bij zijn stand paste maar die zijn beurs hoe langer hoe minder toestond. Gelukkig heeft hij zijn ruïne niet lang overleefd; hij had niet in armoe kunnen leven, mijn arme papa! .... Maar ik bleef alleen achter en leerde voor mijn examens in een vochtig, kil kamertje bij vuile menschen in den kost en had niets om me te wapenen tegen de hardheid van dat nieuwe leven dan de herinnering aan prachtig speelgoed en kleeren en een eigen ponny en aan de illusie om later in wit satijn met parelen naar het hof te gaan. Toch, behalve natuurlijk de enkele oogenblikken dat ik mij zelve erg miskend en diep te beklagen vond, waren mijn meisjesjaren niet ongelukkig. Ik leerde makkelijk en er waren op de kweekschool en later op de Fransche kostschool verscheiden juffrouwen en meisjes waar ik veel van hield. Heel wat uurtjes van echt dol meisjeslachen en jong dweepen kan ik mij herinneren uit dien tijd. Eerst toen ik klaar was en toevallig hier in den Haag een betrekking kreeg, begon de verbittering en de ellende. In een echte kostschoolmeisjesonnoozelheid had ik mij zoo half voorgesteld dat ik heel goed tegelijk secondante kon zijn en aan het hof kon komen en bij al mijn familie, als ik maar geld genoeg opspaarde om een mooie japon te koopen. Ik was drie-en-twintig, en had al mijn lagere aktes en die van hoofdonderwijzeres en middelbaar fransch a. De laatste jaren waren dus niets dan hard leeren geweest. Van de wereldverhoudingen kende ik niets. O! ik ben wel een echt specimen geweest van die akelige halfontwikkeling die de tegenwoordige opvoedingsmethode kweekt: aan den eenen kant een bergenhooge opeenstapeling van schoolboekengeleerdheid en aan den anderen kant volkomen onkunde van het leven, volkomen gebrek aan inzicht en begrijpen, waar het in de wereld toch juist op aan komt. Natuurlijk was ik trotsch op mijn akten en ik stelde mij voor dat mijn familie in den Haag ook trotsch op mij zou zijn, en ik daar allemaal hartelijke menschen zou vinden die hun eenzaam nichtje dat zoo hard gewerkt had en zoo knap was, met liefde zouden overladen.”

Zij lachte even, het rustige lachje van overwonnen leed.