Hilda van Suylenburg

Part 8

Chapter 84,021 wordsPublic domain

„Toen kwam natuurlijk de ontgoocheling. De meesten kenden mij niet meer, namen geen notitie van mijn bestaan. Mijn bezoeken werden onbeantwoord gelaten. Enkelen groetten mij hoog beschermend, de meeste wendden het hoofd om, alleen een oude nicht zond mij vijftig gulden en den raad om nu goed mijn positie te leeren inzien en te begrijpen dat ik, een van Arkel die haar brood moest verdienen, in zekeren zin een schande voor de familie was, hoe verdienstelijk het ook zijn mocht dat ik mij onafhankelijk had gemaakt, en zij raadde mij aan voortaan het „freule” er maar af te laten en als juffrouw van Arkel mijn carrière te volgen.”

„En wat hebt u gedaan?” vroeg Hilda gespannen. Met haar sterke vrouwenintuïtie had zij onmiddellijk het beeld van Marguérite’s toestand in zich opgenomen. Zij had ze in haar eigen hart gevoeld, de brandende teleurstelling in de menschheid, de opstand, de bitterheid die het secondantetje deze eerste jaren moest hebben geleden.

„Ik heb haar het bankje teruggezonden met de woorden: Met dank aan jonkvrouwe Brigitte van Arkel, van jonkvrouwe Marguérite van Arkel.”

De beide meisjes lachten, maar Marguérite ging ernstig voort, het was een stuk uit haar leven zoo vol pijn, dat zij het ernstig behandelen moest:

„Natuurlijk, het trotsche bloed van mijn vader zat in mij en ik betaalde hun hoogmoed met gelijke munt, en wreekte mij waar ik kon op dezelfde kleingeestige, hatelijke manier als zullie mij vernederden, maar dat maakte mij nog ellendiger, al dacht ik ook dat het mij voldoening gaf, en soms als ik zoo’n equipage zag aankomen met mijn wapen op het portier, kwam er een woede in mij op die me slecht maakte, bepaald slecht, freule, een passie van haat en afgunst. Er waren oogenblikken dat ik met vreugde een ongeluk zou hebben gebracht in die trotsche, rijke huizen waar men weelde en geluk had en de arme schooljuffrouw verachtte, en dan schold ik op de hoogere standen en verlustigde me bepaald in de praatjes van hun schandalen die ik hier of daar opving. En soms ook weer had ik er een laf, heimelijk genot in om me toch niettegenstaande alles zoo nauw verwant te gevoelen aan die machtige menschen die toch zoo onbereikbaar hoog waren, dat ze mij, hoe ik me ook schrap zette, onder hun neerzien konden verpletteren. O! het waren zulke ontzettende jaren.

Alles verbitterde me, overal zag ik een vernedering in. Achterdocht en jaloezie maakten alles zwart. Voortdurend was ik in opstand over het domme onrecht van de wereld die mij, die ’t zelfde bloed in de aderen had en veel knapper en energieker was, zoo ver beneden mijn trotsche familie stelde, omdat ze meer geld bezat. Mijn werk zou ik wel prettig hebben gevonden, want de kinderen hielden van mij en ik doceer graag, maar dat was juist de ellende, een werkkring, waarom ik door mijn familie veracht werd, kon ik niet hoog stellen. Ik schaamde er mij over en de rampzalige strijd begon tusschen voort te moeten om te leven en zich diep vernederd te voelen door dat werken. Mijn zelfachting, de achting voor mijn werk begon heelemaal te zinken, en ik geloof, dat ik toen in staat zou zijn geweest een laagheid te doen, een huwelijk uit raison of zoo iets, om mij op te heffen uit wat ik toen mijn vernedering noemde.

Toen kwam Corona en zij lachte mij uit tot ik mij schaamde over mijn valsche schaamte! Haar voorbeeld deed eigenlijk nog meer; ik zag hoe zij rustig en hard voortwerkte, haar werk heilig houdend, hoe zij kalm glimlachte bij de kleingeestig beschermende hoogheid waarmee sommige dames haar trachtten te behandelen, ik zag hoe zij van dag tot dag meer achting en vereering won door de suggestieve overtuiging waarmede zij haar roeping volbracht en op eens als een zonnestraal in een kamer, waarvan de luiken lang toe zijn geweest, kwam het besef tot mij dat er nog een ander soort aristocratie is, dan die van rijkdom en luxe, een aristocratie van geest en hooge beschaving, die voor mij open stond als ik mijn best deed, en waar ik mij gelukkiger in zou gevoelen, dan in die van equipages en niets-doen.”

Beide meisjes zwegen, even voortsoezend over de beelden, die Marguérite’s lange verhaal had opgewekt.

„Hoe heerlijk dat u juist toen dokter Corona heeft ontmoet,” zeide Hilda.

„Ja, heerlijk! En ik wou dat ik u kon herhalen wat zij in zulke dagen tegen mij zeide. Ik wou dat ik haar woorden had opgeschreven en ze nu kon uitgeven, want al dragen ook niet veel meisjes zoo’n lastigen naam als de mijne, mijn strijd in alle nuancen en graden wordt nog iederen dag gestreden door honderden vrouwen, die door den nood gedrongen zijn om geld te verdienen, terwijl fatsoen en deftigheid werken voor geld verbieden. Dat geeft het schandevol hunkeren naar een huwelijk, het eerste het beste, en het tot den laatsten dag uitstellen om te gaan verdienen van meisjes die het hoog noodig hebben, maar die liever in den uitersten nood, de goede jaren en gelegenheden laten voorbijgaan dan tot dat gevreesde te besluiten! Het is de groote factor van zedeloosheid en energieverslapping onder de onbemiddelde vrouwen! En o! als zij het toch maar wilden begrijpen, dat nu de tijd voorbij moet zijn, dat het eervoller voor het jonge meisje is, haar leven in onhandige philantropie of in de enerveerend drukke leegheid van uitgaan te verbeuzelen of hoogstens in onbemiddelde huishoudens meidenwerk te doen, dan flink te arbeiden en zich zelve een vrij bestaan te verdienen ten nutte van het algemeen. Want dit moet het principe van werken worden, zoowel voor mannen als voor vrouwen: Nuttig zijn, iets beteekenen voor de gemeenschap! Omdat leven zonder werken niet fatsoenlijk, maar eerloos is en ook omdat er toch geen heerlijker, glorieuser, moreeler geld is dan het zelf verdiende!”

In groote opwinding had Marguérite voortgesproken, het stille gezichtje één leven. Hilda voelde zich meegesleept; het was haar op eenmaal als viel er een nieuw licht op haar vaag onbevredigd voelen van den laatsten tijd. Zij was verlegen wat te antwoorden. Marguérite had zoo vreeselijk groot gelijk, maar wat kon zij antwoorden, zij met haar beuzelleven?

Maar ze behoefde niets te zeggen. Marguérite had haar een nieuw kopje thee gebracht en bleef voor haar staan. Aarzelend, kinderlijk lief, vatte zij haar hand:

„Vindt u het niet gek van me, freule van Suylenburg, dat ik u dat allemaal zoo bij onze eerste kennismaking heb verteld? Maar! u kunt niet gelooven hoe deze kwestie mij passioneert, en uw vraag over de Madonna bracht er mij zoo van zelf op. Ik zou soms willen uitgaan en er hardop over preeken! Ik zou het onze jonge meisjes met hartstocht willen toeroepen tot ze ’t eindelijk verstonden: Ga uit en werk en grijp je aan! Gebruik dan toch je gaven en krachten, die God je er voor gegeven heeft! Stel je niet tevreden met dien toestand van te veel geld om te verhongeren en te weinig om echt van te leven, waarin zoovelen nu nog treurig voortsoezelen, werk uit al je macht in alle richtingen, je hebt evengoed als je broers recht op een onafhankelijk, werkzaam leven!”

Hilda zag tot haar op met haar sympathiek jonge glimlach van opgetogenheid.

„O! Waarom doet u het niet! Waarom gaat u niet uit preeken? Ik geloof dat u ons allemaal zou kunnen meeslepen!”

Maar Marguérite, met iets mats in eens na de opwinding van haar spreken, schudde het hoofd.

„Later misschien. Eerst moet ik zelf nog een boel leeren en lezen en denken en dan..... Waarschijnlijk kom ik later aan het hoofd van de kostschool en als ik er dan een opvoedingsinrichting van gemaakt heb, zooals ik mij die voorstel, waar wij denkende, voelende vrouwen zullen klaarmaken, inplaats van zooals nu, welgemanierde volleerde jonge dames—wat een grappig veelbeteekenend woord nietwaar: volleerd?—dan ga ik misschien uit om te preeken.”

Op dit oogenblik kwam Corona binnen. Zij had blijkbaar hard geloopen en zag er onder het strooien voorjaarshoedje met de animatie van het snelle gaan, jonger en vroolijker uit dan den vorigen avond.

„Preeken, Maggy? Wou je gaan preeken? Maar je doet je heele leven niets anders, kind! Is ze niet al te zwaar op de hand geweest, freule?”

Marguérite antwoordde met gezochte deftigheid, maar om haar oogen wemelde het van lachtrekjes.

„Je moest je schamen, Corona van Oven. Eerst laat je je gasten alleen zitten en dan luister je aan de deur wat zij zeggen. Maar hier in deze zelfde kamer heb ik zooveel preekjes van jou gehad, dat ik hier gerust durf zeggen dat ik op mijn beurt ook eens zou willen gaan preeken.”

Hilda stond op; het was laat geworden en zij moest uit eten.

„Ik hou erg veel van die soort van preeken!” zeide zij lachend. „Mag ik er nog eens meer een komen hooren?”

„Ik hoop, dat u heel dikwijls komen zult!” zeide Corona hartelijk.

En terwijl Hilda naar huis ging, vreemd ontroerd door dien blik op een leven vol werk en strijd, dat haar nieuw was en boeiend scheen, zeide Marguérite van Arkel:

„Ik geloof dat je gelijk hebt, Cora mia, er zit iets heel aardigs in dat meisje. Het zou zonde van haar zijn, als zij verloren ging in het fladder-leven van niets-doen.”

„Ik geloof het ook! Heb je nog iets dieper met haar kunnen gaan dan de gewone praatjes?”

„Ja, het kwam zoo van zelf. Zij vroeg hoe je aan de Madonna kwam, en toen heb ik haar het heele verhaal van mijn ziekte gedaan.”

„En geloof je dat het haar pakte; dat zij het begreep?”

„Ik geloof het zeker. Maar hoe heb je haar gisterenavond in dat korte oogenblik eigenlijk zoo ineens ontdekt onder al die menschen?”

„Ik had al van haar gehoord door mevrouw Cranz en door Gladys van Praege, en gisteravond viel het mij op, hoe koel zij was tegen den jongen Cranz, die haar blijkbaar erg het hof maakte, en toen begreep ik dat zij bepaald anders moest zijn, dan de meeste, om zoo’n prachtige partij niet vriendelijker te behandelen.”

„Misschien was het koketterie?” zeide Marguérite aarzelend.

„Neen, Maggy, dat kun je toch wel dadelijk zien, ze ziet er niet uit als een kokette, vindt je niet?”

„Neen, maar met die echte uitgaan-meisjes kun je ’t nooit weten, ze zien er soms zoo lief en onschuldig uit en ondertusschen ....”

„Nee!” zeide Corona warm, „van die comediantjes heeft Hilda heelemaal niets. En dan toch Maggy, al kunnen die listige onnoozelheidjes ook nog zoo makkelijk haar dupes onder de heeren maken, geloof je dat wij er ooit een van beiden zouden inloopen? Vrouwen zien onder elkaar zoo oneindig scherp.”

„Ja, dat is waar, en je zult wel gelijk hebben dat Suylenburgje beter dan de meesten is, eigenlijk geloof ik het zelf ook wel, en wij kunnen ons best voor haar doen, maar geloof je heusch, Cora dat het ooit gelukken zal om een meisje uit die wereld tot werken te krijgen?”

„Wij moeten het in elk geval probeeren. Het kan niet lang duren of zij zal zich onbevredigd gaan voelen. Misschien doet ze ’t nu al, en dan zullen we zien! Het moet er toch eenmaal toe komen dat de rijke en voorname vrouwen aan het werk trekken. De vrouwenzaak zou er zoo oneindig hooger door worden wanneer principes en niet alleen meer geldnood de meisjes aan den arbeid deed gaan!”

„Amen!” zeide Marguérite. En in een elan van dartele teederheid hare beide armen om Corona heenslaande:

„O! Corretje, ik wou dat ik rijk was! Niet meer om naar ’t hof te gaan in wit satijn met parelen, maar om een groote school op te richten waar ik meisjes tot geëmancipeerde vrouwen zou willen opvoeden! Zie je, niet zoo als de domme wereld van ons denkt als we van emancipatie spreken, dat we vrouwen tot mannen willen maken, maar vrouwen tot waarachtige vrouwen, niet meer, zooals nu de meesten zijn opgevoed tot vrouwelijke kinderen, die alleen maar lichamelijk volwassen zijn. En dan zou ik aan de heele wereld willen zeggen: zie jullie het wel? Ik ben schatrijk en toch blijf ik „schoolmamzel”. Het is heerlijk om elken dag een vaste taak te volbrengen, waar je in geloofd en waar je je geschikt voor voelt. Heerlijk om trotsch te zijn, op ernstig plichtgetrouw werken!”

Corona bukte zich, zachtjes glimlachend, en kuste haar op het voorhoofd. Toen, met een vreemd vertrekken van pijn in haar bleeke gezichtje fluisterde zij:

„Blijf je bij mij eten, lieveling? Ik wou je spreken .... Ik wou je laten lezen ..... Ik heb een brief van Frank .....”

Sedert Edwards thuiskomst was er in huis een vroolijke gezelligheid gekomen die Hilda er tot nog toe niet gekend had. Niet dat hij zooveel thuis was: Scheveningen en zijn nieuwe rijpaard namen hem een groot gedeelte van den dag in beslag, maar aan tafel, nu de stilte van het zomerseizoen begon en men dikwijls alleen onder elkaar was, vulden zijn komieke verhalen en grapwoorden heel wat stille oogenblikjes aan.

Mijnheer van Starren vertoonde zich meer in den huiskring, mevrouw scheen minder koelvormelijk als Eddy haar liet lachen en met Corry kon hij stoeien langs de trappen en door de kamers als een paar jonge honden. Alleen Eugénie was in zijn bijzijn nog scherper in haar replieken dan vroeger. Woorden van boosaardige geestesscherpte, van wreed koud spotten en hatelijkheden in bedekte termen werden er voortdurend tusschen hen gewisseld. Het was een antipathie die zich reeds als kinderen bij hen had doen gevoelen, en die zich bij het groeien van hun vernuft en het zich weinig ontwikkelen van hun gemoedsleven noodwendig moest accentueeren. Maar Eugénie bleef den laatsten tijd veel alleen op haar kamer en haar afwezigheid, misschien nog meer dan Edwards bijzijn, gaf iets van rust en gezelligheid in de huiskamer.

Veel zat zij alleen, maar niemand bekommerde er zich over wat zij daar eigenlijk al die uren uitvoerde. Niemand nam er eenige notitie van als zij zoo lang wegbleef en niemand wist dat zij dan soms stil ineengezonken, uren lang in haar stoel zat, hopeloos dof voor zich uitstarend met een slap slaperig gevoel in haar hoofd, alsof het leeg was, tot haar oogen toevielen en onder de neergeslagen wimpers tranen weggleden en de bovenlip zich met kleine kramptrekjes optrok als van lachen, akelig lachen. Soms ook zat zij te lezen met brandend roode vlekken van inspanning op de wangen, voorover gebogen, ademloos het gif inzuigend van romans uit een leesbibliotheek, die zij zorgvuldig, zelfs voor Corry, verborgen hield. En als zij dan beneden kwam in gezelschap, soms mat en klagend over hoofdpijn, soms koortsig opgewonden, was er niemand die acht gaf op die vreemd afwisselende stemmingen.

De huisgenooten vonden haar lastig en prikkelbaar, maar niemand verdiepte zich in de oorzaak daarvan. In hoeveel gezinnen leven niet de familieleden geestelijk verder van elkander verwijderd, dan wanneer zij vele dagreizen van elkaar gescheiden waren? Wat zij aan zouden doen, waar zij heen zouden gaan, om zich te amuseeren, en wat zij af te keuren vonden in hun wederzijdsche kennissen, dat waren de eenige punten van belangstelling in elkaars voelen en denken, die de van Starren’s kenden.

Juni was heet en droog dat jaar. Brandend scheen de zon op de kiezelpaadjes van den tuin en honderde rozen kaatsten de stralen terug in verblindenden kleurengloed. Hilda en Corry zaten in de veranda, warme geurende lucht stroomde bedwelmend binnen, maar de groote marquise hield den zonnegloed buiten en met de donker gehouden tuinkamer tot achtergrond, de afhangende varens, de beide meisjes in haar lichte zomerkleedjes, lag er iets feestelijk rustigs in de geheele omgeving.

„Hê, wat heb jullie ’t hier lekker! Zeg meisjes, twee nieuwtjes, is dat niet veel voor zoo’n snikheeten morgen, dat je al je verstand voelt wegsmelten?”

Edward wierp zich languit op de rieten sofa. Keurig, bijna fatterig zag hij er uit in zijn nieuw fluweelen rijpak, met de lichtgele, leeren slopkousen, toegegespt tot aan de knie en de kokette jockeypet, waarop hij ijdel was als een kostschoolmeisje.

„Twee nieuwtjes, Eddy?”

„Ja, eigenlijk zelfs drie, maar dat derde beteekent minder voor jullie, dat is alleen maar, dat Maarten van Hervoren weer een goeie betrekking gekregen heeft, en nog wel hier in de stad, aan de fabriek van Lagrange en Co.”

Een zacht gichelen liet zich in de donkere achterkamer hooren, waar Eugénie en Betty de Mureaux bij de piano muziek aan het doorbladeren waren. Edward sprong op:

„Neem me niet kwalijk, freule! Ik had u in de schemering niet zoo gauw gezien.”

„Toch geen godenschemering?” vroeg Betty, op den klank afgaande, want zij had geen flauw besef wat het woord beteekende.

„Een godinnenschemering!” zeide Edward met de mooiste buiging uit zijn flirtrepertoire, maar zijn koel ironische glimlach zeide het dubbelzinnige van zijn antwoord.

Betty echter nam het als een compliment op en lachte een behaagziek lachje.

Het was een klein dik meisje met zwaar plompe bewegingen. Het dunne gladde haar, licht blond, was van achteren in een armoedig knoopje gewonden, het geheele gezichtje, wasachtig rose, onbeduidend, had Hilda dikwijls herinnerd aan een boerennaaistertje te Suylenburg. Het waren de zware vormen van den landbouwstand, de matte teint en de stijve bewegingen van een zittend leven en zij had zich verwonderd hoe deze erfgename van het oude refugié-geslacht, dat zich sinds eeuwen in weelde had kunnen verfijnen, dit grove type kon aanbieden. Toch hield zij wel van Betty, iedereen hield van haar. Zij was zoo goedig en zacht, vooral onder meisjes alleen, want als er heeren bij waren, had zij soms iets nerveus dat haar onnatuurlijk maakte.

„Maar vertelt u nou gauw uw nieuwtjes, of zijn het geheimen voor mij?” zeide Betty, met een poging in haar fletse oogen om schalks te kijken.

„Nee, zeker niet freule, ze zullen u ook interesseeren, denk ik. Wel, het eerste is, dat Valérie Vermaezen begin September trouwt op hun buiten te Wassenaar, en dat er groote feesten komen, waar iedereen op gevraagd wordt.”

„Hoe aardig!” riep Corry bijna juichend. „Zij was eerst van plan om in November te trouwen en dan hier in de stad, maar buiten zal het veel aardiger zijn!”

„Nou, dat groote nieuws had ik jullie ook wel kunnen vertellen! Als of ik, die haar bruidsmeisje zal zijn, dat niet al lang wist!” Eugénie zeide het met tergende minachting.

„En waarom vertel je het dan ook niet? Je bent altijd zoo gewichtig en geheimzinnig, als je zoo iets hoort!” zeide Edward, boos dat zijn nieuwtje bekend was.

„Och, ik vind dat nou zoo belangrijk niet. Ik maak niet zoo’n drukte over zoo’n bruiloft.” Koud sarrend, uit de hoogte klonk Eugénie’s antwoord.

Edward stoof op.

„En wat vindt de freule dan wél belangrijk? Wat is er ooit belangrijk voor vrouwenhersens, dan de partijen die er zullen zijn en de toiletten, die zij zelve en haar vriendinnen zullen aanhebben en de heeren die ze daar zullen ontmoeten? Dat is jullie heele leven! En dat geeft zich dan nog airs van zoo’n trouwfeest niet hare aandacht waardig te keuren.”

Betty zag vleiend teeder tot hem op, maar hij lette niet op haar.

„Maar mijnheer van Starren, waarom spreekt u nou zoo in ’t algemeen? Corry en ik vonden uw nieuwtje heel belangrijk. En dan .... wij stellen toch ook nog in een heele boel andere dingen, dan die u daar opnoemde, belang!”

Eugénie en Edward stonden tegenover elkander, elkaar strak uitdagend aanziende; hij vuurrood in die machtelooze drift, waarin Eugénie hem telkens wist te prikkelen, zij zeer bleek, het hoofd achterover, de koude oogen, de opgetrokken bovenlip éen tergende minachting. Buiten zich zelve barstte hij uit:

„Nou, die heele boel andere dingen zullen allemaal wel even interessant zijn als de japonnen kwesties. Alsof dames zich ooit interesseerden voor ernstiger dingen! Daar hebben ze immers geen hoofd en geen tijd voor! Zooals Schopenhauer zegt: de vrouw is maar een tusschenwezen, tusschen man en kind!”

Driftig, persoonlijk beleedigend, slingerde hij zijn woorden naar Eugénie.

„Maar, dat moet u ons niet verwijten, dat kunnen wij toch niet helpen!” riep Betty koket pruilend. Het scheen niet in haar op te komen, dat Schopenhauer’s uitspraak minder juist kon zijn.

„Eddy, Eddy, wat hol je door!” Zacht legde Hilda haar hand op zijn arm.

„Edward, lieve jongen, je bent een echte parvenu!” zeide Eugénie ijzig kalm.

Het kwam striemend op hem neer, hem treffend in zijn teerste gevoel. Sinds maanden was al wat chic en elegant was, zijn hoogste streven geweest, met jonge naïviteit had hij genoten van het bewustzijn een van Starren te zijn, en rijk en voornaam.

„Hoe meen je dat?” vroeg hij onthutst, heftig kleurend.

„Parvenus, beste jongen, zijn menschen die een weelde hebben verworven, die zij nog niet sterk genoeg zijn, om in volkomen evenwicht te dragen. En nu schijnen het dons op hun bovenlip en een hoopje boeken in hun hoofd voor sommige jonge heeren zulke verbazende schatten te zijn, dat zij die niet zonder bluf kunnen bezitten en op iedereen neerzien, die het niet zoo ver kan brengen. Later als je er wat aan gewend bent, zul je dat parvenuachtige superieurvoelen wel afleeren.”

Betty de Mureaux stond op, pijnlijk verlegen onder dat gekibbel en haar afscheidnemen voorkwam een nieuwen uitval van Edward.

Hilda liet haar uit en toen zij weer binnen kwam, waren de beide meisjes verdwenen en Edward stond in de veranda te bladeren in het boek, waarin zij had zitten lezen. Hij was nog woedend.

„En Eddy, nou het tweede nieuwtje!”

Hij keek op, wantrouwend. Haar oogen waren groot open, vol vriendelijkheid, zonder leedvermaak over Eugénie’s vernederende terechtwijzing.

Dat scheen hem op eens tot rust te brengen, weer in zijn goed humeur.

„Kan het je heusch iets schelen?”

Hilda stelde op dit oogenblik er meer belang in, om zijn gekwetst gevoel te verzachten, dan in hetgeen hij te vertellen had, maar lachend knikte zij ja.

„Wel, ik heb vanmorgen een invitatie gekregen van Lord Hampden, je weet wel, dien ik aan de Riviera heb ontmoet, om van den winter op zijn jacht mee naar Japan te gaan.”

„O Eddy, hoe heerlijk!” riep zij hartelijk.

„Ja, maar nou de meisjes het toevallig niet gehoord hebben, moet je er maar liever met niemand over spreken, want ik denk dat papa het niet makkelijk goed zal vinden. Hij rekent er zoo stellig op, dat ik nou ga studeeren, en daarom zal ik m’n nieuwtje maar liever tot Augustus voor me houên, tot we kamers gaan zoeken in Utrecht. Dan is het nog tijd genoeg om met het gezanik te beginnen. Maar Hildy, waar haal je dat boek vandaan?”

„Ik heb het van Corona geleend. Het is prachtig, ik zou willen dat iedereen het las.”

Edward glimlachte, zijn aangeleerd quasi voornaam cynisch glimlachje, dat hij had afgezien op reis van oudere mannen, die het leven waarlijk cynisch had gemaakt.

„L’Histoire morale des femmes, Legouvé. Zoo, lees je over vrouwenemancipatie! gut Hildy, ga je daar toch maar niet mee vermoeien.”

„Waarom niet?”

Edward schudde het hoofd.

„Je krijgt het toch niet gedaan, dat de meisjes zich wezenlijk gaan interesseeren voor de groote vraagstukken van onzen tijd, en dan is het maar beter dat ze niet te veel over vrijheid en rechten hooren.”

Hilda zag in de verte naar den zonglanzenden tuin. Daar fonkelden de donker roode rozen en de geelwitte met mat zijden reflets, alle hadden groote scherpe doornen, en daar was het koele schaduwplekje onder de kastanje, en verder was alles gehuld in het levenbrengende licht. Dat was de wereld met licht en schaduw, met pijn en vreugde en hier binnen heerschte voorname schemer. De marquise scheidde die beide werelden. Als de marquise werd opgetrokken op dit oogenblik, zou de veranda juist zijn als de tuinen daarbuiten, vol scherp licht en zwarte schaduw. Kon ook die andere marquise, geweven uit onverschilligheid, onkunde, wuftheid en fatsoen, in wier droomerig schemerlicht de meeste dier vrouwen nu voortsuften, die niet door nood het leven in waren gedrongen, niet ook eens opgetrokken worden? Dan zouden vanzelf de sluimerende verandabewoonsters wakker worden en zich midden in het leven voelen, niet meer als daar buiten staande toeschouwsters.

„Waarom zouden meisjes geen belang kunnen leeren stellen in de vraagstukken van haar tijd? Ik doe het toch ook wel.”

„Ja, maar jij bent ook een uitzondering, die den regel bewijst.”