Hilda van Suylenburg

Part 6

Chapter 64,032 wordsPublic domain

„En als ze komt, Hilda, moet je es opletten wat een vorstelijke verschijning. Niemand zie je ooit zoo mooi binnen komen!” zeide Ottilie met die kinderlijke opgetogenheid die sommige vrouwen leggen in haar vriendschap voor andere vrouwen. „Wat een malle vereering toch voor zoo’n modedokter! Wat zijn jullie toch nog kinderachtig. O! Hilda, als je Til haar gang liet gaan zou ze ’n uur lang kunnen gaan zitten dweepen met die engel van ’n Corona. Als het nou nog zoo’n aardige jonge man was met mooie, zwarte, melancholieke oogen zoo als die dokter Swartz, die zoo vroeg gestorven is, dan kun je het je nog begrijpen, daar waren alle dames op gecharmeerd, maar zoo’n juffrouw! .... Het is toch eigenlijk een heel onvrouwelijk beroep voor een meisje ....”

Ottilie verliet in eens de mooie houding waarin zij tot nu toe geposeerd had en antwoordde vinnig:

„Corry, je bent een lief, snoezig meisje, maar je moest niet zulke idiote dingen zeggen! passe-moi le mot! O! dat eeuwige gezeur over onvrouwelijkheid! Wie heeft er ooit aan gedacht sinds eeuwen en eeuwen om pleegzusterwerk onvrouwelijk te noemen! Iedereen is het er over eens dat dat nu eens een vrouwenwerkje bij uitnemendheid is. En als of niet doktoressen en pleegzusters precies dezelfde dingen zien en weten en behandelen! Geloof je dat men door dokterstudies dingen leert, die een geheim blijven voor de zuster van barmhartigheid die haar heele leven de vreeselijkste ziekten verpleegt en in de afschuwelijkste achterbuurten hulp brengt? Trouwens ten eeuwigen dage zijn er immers vrouwelijke dokters geweest. De moeder van Socrates was een soort doktores, en in de middeleeuwen waren het eigenlijk alleen de zoogenaamde heksen, die de macht der kruiden bestudeerden. [1] Maar toen was het een ondankbaar, zelfs een gevaarlijk werkje om zich in die dingen te verdiepen en liet men het graag aan de vrouw over.

Het is net als nu nog met het werk van pleegzusters en vroedvrouwen; zoo lang een arbeid nederig en slecht betaald is, vindt niemand het onvrouwelijk. Eerst toen het dokterzijn een eervolle, voordeelige betrekking was geworden met een kostbare, moeilijke studie vooraf, kwam men ineens tot de ontdekking dat er iets onvrouwelijks in was! Allons donc. Wat ’n onzin.”

„Ik geloof,” zeide Gladys zacht met haar haperend engelsch accent, „dat als een vrouw er roeping en gaven voor heeft—dat stel ik natuurlijk voorop—dit het werk bij uitnemendheid voor haar is. Zoo als bijvoorbeeld Corona van Oven onder alle standen werkt en goed doet, zou een man het nooit kunnen. Ze is zoo dol op kinderen en je kunt niet begrijpen wat ze niet verzonnen heeft toen mijn kleine Mary ziek was om haar zoet en bezig te hoûen. Altijd bedacht ze wat nieuws, wezenlijk geniaal. En verleden hoorde ik zelfs dat ze modelletjes had om kinderkleertjes lief en zuinig en hygiënisch te maken en bij jonge meisjes doet ze wonderen, schijnt het. Natuurlijk aan zoo’n zachte, beschaafde vrouw willen zij zooveel eerder alles zeggen, niet waar? Ik geloof stellig dat er honderde vrouwen en meisjes stilletjes zijn weggekwijnd, omdat ze den moed niet hadden om zich aan mannelijke artsen toe te vertrouwen. Misschien vindt je dat gek en overdreven, ik vind het niet, maar in elk geval is het zoo. En moreel ook, is het zooveel makkelijker en teerder om alles aan een vrouw te zeggen, die je met een enkel woord verstaat en die met je spreekt net als een oudere zuster! En dan... hoe kunnen de menschen toch van onfatsoenlijkheid spreken! Ieder die ooit iets gelezen of gehoord heelt van het samenstel van het menschelijk lichaam, wat een goddelijk mooi wonderwerk dat is, moest zich toch schamen om het bestudeeren van dat prachtige mechanisme, nog wel met het heiligend doel om te genezen, onvrouwelijk, onrein te noemen. Onrein is alleen preutschheid, die gichelt en bloost, in plaats van bewonderend neer te knielen! Durch Mitleid wissend! Kennen jullie een enkel werk waar het mooie woord van Wagner zoo goed op past als op dat van de doctores? De mooie bedoel ik natuurlijk, die ’t niet als een baantje, maar zoo als Corona, als een prachtige taak opvat.”

Gladys had zich onder het spreken opgewonden en als zij maar eens over haar eerste verlegenheid heen was, kon zij veel beter haar Hollandsche woorden vinden en sprak ze zelfs makkelijk.

Corry stond op, haar kindermondje in een zenuwachtig lachje wringend.

„Nou, jullie zult wel gelijk hebben, hoor! Ik heb eigenlijk nooit zoo verschrikkelijk veel over die dingen nagedacht en jullie bent ook zoo vreeselijk knap. Maar nou moet ik heusch gaan. Dag Tilie. Hilda, jij blijft zeker nog? Al die diepzinnigheid is net iets voor jou!”

Zij ging heen, een beetje kriebelig. Zij wilde maar dadelijk naar Betty de Mureaux gaan. Die vond toch ook dat het geen vrouwenwerk was om dokter te zijn en die zou het ook wel bespottelijk vinden van Tilie en Glad om zich over zoo iets zoo warm te maken.

„Kom ga nou gauw mee hier naast naar m’n atelier!” zeide Ottilie, en Gladys en Hilda volgden.

Het atelier was een groote vierkante kamer; middenin stonden drie schilderezels waarop drie groote, onvoltooide bloemstukken, en juist als in het boudoir, was ook hier weer diezelfde fantastische weelde, die stijllooze opeenstapeling van kostbare en ook mooie dingen, die bonte warreling van bloemen en glanskleurige weefsels en vazen en spiegels van draperieën.

Hilda stond een oogenblik zwijgend, probeerend te begrijpen waarom zij al dat saamgebrachte moois toch eigenlijk zoo leelijk vond.

Toen zag zij naar Ottilie die met Gladys bij een tafeltje in de hoek stond om haar een nieuw soort orchideën te laten zien en op eens begreep zij hoe het was. Elk voorwerp kon mooi zijn op zich zelf beschouwd, en kostbaar was het materiaal, maar de hand die van dit alles een geheel had gebouwd had de koortstrilling der fin-de-siècle-overspanning, de oogen die deze kleuren en lijnen hadden gekozen hadden den vaag zoekenden blik van onvoldaan rusteloos verlangen, en de geest die heerschte over dit alles, die zich in dit alles had uitgesproken, had het onzegbaar evenwichtlooze van hoogen aanleg en leeg, gemankeerd bestaan. Dat was het wat de atmosfeer in deze vertrekken zoo beklemmend maakte.

Ottilie’s schetsen en aquarellen waren aardig. Hilda beschouwde ze lang en aandachtig terwijl zij samen gezellig over kunst spraken. Iets frisch en breeds lag er in, verradend een bijzonderen aanleg, maar men zag het, er was niet gewerkt, niet hard en geduldig gearbeid, om van geboren talentje te stijgen tot kunstenares.

„Hoe jammer, kijk, die rozen daar es malsch en prachtig liggen, wat jammer Tilie dat je niet wat meer werkt. Ik begrijp niet dat je er niet alle diners en partijen voor geeft om het met jouw gaven wat verder te brengen.”

„Och het leven is niet de moeite waard om het zoo ernstig op te nemen.”

Ottilie zeide het distrait, bezig de plooien van een zilverzijden Oosterschen sluier te verschikken, en vóór zij er zich rekenschap van had gegeven. Het waren hare gewone woorden waarmee zij elke lastige opwelling van ernst uit haar leven verbande.

„Dat meen je niet Til,” zeide Gladys zacht.

Ottilie zag lachend om met hoog opgetrokken wenkbrauwen. Toen zeide zij langzaam:

„Nee, heel au fond misschien niet, maar ’t is zoo’n makkelijke spreuk! En werken? Ja soms heb ik het me wel es voorgenomen, maar er komt toch nooit van. Het leven van een huisvrouw en een vrouw van de wereld is zoo druk! Vandaag heb ik nou bijvoorbeeld den heelen morgen doorgebracht met het versieren van mijn tafel voor het diner van vanmiddag. Ik heb een nieuwe kleurcombinatie uitgevonden, o, je zult zien, het komt in de mode. Paarse, heel donkere orchideën met goudgeel satijnen linten en kleine strikjes van paars fluweel met goudpailletten. Het is heel goed geworden, goed van toon, heel rijk, maar ’t heeft natuurlijk een langen tijd genomen. En zoo is er altijd wat! Ga maar na bij je zelf. Wanneer zou ik moeten werken?”

„Ja maar dat is het juist wat mij voor me zelf ook zoo begint te hinderen. Is het niet zonde om een heel leven te gebruiken voor al zulk beuzelwerk?”

Ottilie lachte en trok even de schouders op.

„Je bent een grappig meisje, Hilda, dat heb ik wel dadelijk gesnapt! Zonde? Wie denkt daar nou over? Het leven van de vrouwen uit onze wereld is nou eenmaal zoo! Toilet en duizende mondaine plichtjes, een beetje charité, een beetje lektuur, wat boodschappen doen, teaen, passen, briefjes schrijven, tennissen, fietsen, bezoeken maken, musiceeren, ontvangen, menus samenstellen, dàt is ons werk nou eenmaal!”

„Maar de maatschappij heeft al heel weinig aan al dien arbeid. Me dunkt al dat luxewerk, om het zoo maar es te noemen, waar we ons mee aftobben, en toch eigenlijk op den duur ons onvoldaanheidsgevoel niet mee verdrijven, heeft toch voor niemand eenige waarde?”

Hilda zag vragend naar hare beide toehoorsters. Zij had het meer als een probleem dan als een meening uitgesproken, want dit alles raakte van zoo nabij haar eigen levensvraagstuk.

„Wat ’n positief droge opvatting, wie denkt er nou over of zijn arbeid voor de maatschappij waarde heeft of niet? En als ik dan vanmiddag mijn tafel in mooie kleuren zie schitteren en mijn gasten zijn verrukt en ik heb het bewustzijn dat niemand dit heele seizoen een mooiere tafelversiering heeft gehad, noem je dat allemaal niets?”

„Neen, niets! Voor een vrouw in de kracht van haar leven met jouw gaven!”

Hilda had het heftig gezegd en Gladys met haar zachte stem, voegde er bij:

„Ik geloof toch ook, Tilie, dat natuurlijk je tafel en je huis en je zelf mooi maken heel goeie dingen zijn, die je lang niet moet wegcijferen en die vooral hier de Hollandsche dames, wel es wat al te veel vergeten, maar het kan toch geen vulling zijn voor een heel volwassen-menschen-leven! ’t is allemaal wat je daar straks voor werkjes opnoemde: tijdpasseering maar geen tijdgebruiking! of is dat geen hollandsch woord?”

Ottilie staarde zonder antwoorden met vreemde, peinzende oogen naar haar doek. Toen ging Gladys weer voort, zacht, suggestief:

„En als je nou, om es ’n voorbeeld te noemen, in plaats van de vorige weken eindelooze visites te maken, die je toch niets kunnen schelen en zoo al meer, hard had gewerkt aan dit doek en er iets goeds van gemaakt had en je had het gezonden naar het kinder-ziekenhuis om hier of daar een kalen wand vroolijk te maken, geloof je niet dat je dan iets beters had gedaan? geloof je niet dat een goed schilderij en blije kindergezichtjes een mooier resultaat zijn van gebruikten tijd dan complimentjes van voorname gasten?”

Ottilie bleef een oogenblik nog zwijgen; haar lichten raadseloogen half gesluierd door de zwarte wimpers staarden strak voor zich uit en een moment, als een regenwolk die door de winden snel voort wordt gejaagd boven een zonnelandschap, kwam er over haar gezicht een uitdrukking van namelooze pijn. Toen schudde zij het hoofd en lachte weer:

„Met jullie valt niet te redeneeren! Ik geloof dat jullie nog vrouwenhervorming wilt gaan preêken. Maar ik ben veel te oud om nog bekeerd te worden! Mijn heele leven heb ik geleerd dat het de roeping van de vrouw is om te trouwen en dan haar huishoudentje te doen en een sieraad voor haar huis te zijn. Nou dacht ik al dat ik dat ideaal vrij nabij was gekomen en nu komen jullie mij vertellen dat ik eigenlijk mijn leven... verdoe! ’t is erg hard vindt je zelf niet?”

Hilda kon niet antwoorden. De huisbel had geklonken en Ottilie met een blik op de pendule riep in eens gejaagd:

„Hoe is ’t mogelijk, al half vijf! Dan is mijn rustuur voorbij en kunnen er weer bezoekers worden toegelaten. ’t Zal zeker visite zijn, en Jacob heeft misschien nog niet eens de thee binnen gebracht.”

In een oogwenk was zij voor den grooten Venetiaanschen spiegel met de vingers de donkere kroesvlokjes op haar voorhoofd friseerend, de strik verplooiend van haar ceintuur van mort doré satijn die van voren lang neerglansde over haar reebruin fluweel kleed.

„’t Is hier ook alweer, net als overal, de kwestie van het evenwicht! Een heele boel van die kleine luxewerkjes zijn heel lief en goed als je ze maar geen te groote plaats in je leven laat innemen. Visites en diners en paars fluweelen strikjes met goudpailletten zijn allerliefst als ze maar niet een levensdoel moeten voorstellen!”

Gladys had het haastig gefluisterd, want men hoorde voetstappen naderen. Hilda knikte, maar Ottilie had blijkbaar niet meer geluisterd. Toen de deur openging, en Jacob aandiende: „Mijnheer van Brehnen,” stond zij midden in de kamer, half geleund tegen een hoog marmer zuiltje, poseerend het hoofd even op zijde gebogen om de weeke ronding van hals en schouders mooi te doen uitkomen.

„Mijnheer van Brehnen, mevrouw van Praege en freule van Suylenburg hebben mij heelemaal den tijd laten vergeten, zoodat u ons komt overvallen in het atelier, maar als u ’t goed vindt, gaan we weer naar mijn boudoir, daar kunnen we prettiger praten.”

Zij reikte hem de hand en zag hem met haar zonderling bekorenden glimlach aan. Toen ging zij vóór naar het boudoir, het nauw gesnoerde bovenlijf licht wiegend op de zware heupen, een gang van ongedistingeerde gratie. Hilda volgde het laatst, huiverend in een vreemde ontstemming.

Was deze vrouw met haar sleepend uitheemsch accent, haar uitdagenden glimlach en die zonderlingen gloed in de oogen, dezelfde die straks in ’t atelier zoo eenvoudig en rustig had zitten praten? De klank van de huisbel die haar had herinnerd de buitenwereld en haar eigen rol daarin, was voor haar geweest als Klingsor’s stem als hij Kundry tot haar rampzalig werk roept. Alles was op den achtergrond getreden, alles vergeten, behalve de groote leus der mondaine: „Behagen!” En was ’t niet wezenlijk alsof een toovermacht haar daar juist had opgeroepen? Hoe kon anders deze intelligente, begaafde vrouw zich vernederen tot het willen bekoren van dien kleinen, dikken Stephaan van Brehnen, zoo’n onbeduidend jongetje met zijn wit blonde ooghaartjes en zijn fletse kleine oogen en rozig kinderteint en roodblond snorretje, waar hij verlegen telkens op probeerde te bijten.

Hilda had zelf den dorst naar succès gekend, maar op dit oogenblik had zij een klaar inzicht tot welk een vernedering hij voert als het een passie wordt. Haastig nam zij afscheid, het was haar als kon zij op eens niet meer adem halen in het geurende, bonte geglans dier kamer, en Gladys ging met haar mee.

„U komt nog al veel bij Ottilie?” vroeg Hilda toen zij op straat naast Gladys voortging.

„O ja, we wonen zoo vlak bij elkaar en ze trekt mij toch altijd weer aan. Ik heb zoo’n vreeselijk medelijden met haar. Zij verbeeldt zich dat ze zich amuseert en eigenlijk doet ze niets dan onophoudelijk bonte sluiers trekken over afgronden van verveling. Als ze maar es in iets waarachtig belang kon stellen, maar ik weet niet .... Haar opvoeding, haar man, haar kennissen, haar mooiheid, alles spant samen om haar in dat onbeduidende, gedachtelooze leven te houên, waar ze veel te goed voor is, en dus geen vrede in kan vinden, en daardoor komt ze tot allerlei verkeerde dingen. Ik geloof.......”

Ineens hield zij stil. De tram was voorbij gekomen en een lange, jonge man, toen hij Gladys had gezien, was er afgesprongen en stond voor hen.

„Dag Gladys.”

„Dag Maarten.”

„Wat een goed voorteeken, dat ik jou het eerste van alle menschen ontmoet!”

„Foei, wat bijgeloovig, wie gelooft nou aan voorteekens. Ben je al lang terug?”

„Ik ben nog geen uur in de stad.”

„Wat zie je er goed uit.”

„Niet waar? om honderd jaar te worden! Maken de kinderen het goed?”

Zij stonden voor elkaar en zagen elkaar aan met blije weerziengezichten. Toen dacht Gladys aan Hilda:

„Mijnheer van Hervoren; freule van Suylenburg.”

„Laat ik de dames niet staande houên, mag ik even mee oploopen? Hoe gaat het met de kinderen, Glad?”

En terwijl zij samen voortgingen werd aan Hilda even het verhaal gedaan van hun oude vriendschap. Als ingenieur was Maarten van Hervoren een tijd lang in Amerika werkzaam geweest en toen de intieme vriend geworden van Harry Arlington, Gladys’ jong gestorven lievelingsbroer. Dagelijks was hij toen bij hen aan huis gekomen, eigenlijk evenveel omgaande met de meisjes als met de broers op de vrije Amerikaansche manier. Maar later, toen Harry gestorven was en Hervoren naar Australië was gegaan, hadden zij elkaar bijna geheel uit het oog verloren totdat verleden voorjaar Maarten in ’t land was teruggekeerd om zijn moeder, die zeer ziek was, te bezoeken.

Toen hadden zij elkaar weer ontmoet, in blijde verwondering dat het lot hen weer had samengevoerd aan deze zijde van de groote zee en de oude jeugdvriendschap was opgebloeid. Voor Gladys vooral, in haar nieuwe vaderland, was het zoo’n vreugde geweest met iemand te kunnen spreken die haar als jong meisje, bijna nog als kind gekend had en haar ouders en vrienden en familie en ’t ouderlijke huis, en honderd herinneringen aan Maud en Harry en de andere broers had bewaard. Maar in ’t najaar was mevrouw van Hervoren gestorven en Maarten, wiens gezondheid daardoor al zeer was geschokt, had kort daarop longontsteking gekregen en, bang voor tering, had de dokter hem naar het Zuiden gezonden.

„En ben je nou heusch weer even goed als vóór je ziekte? Hoe heerlijk toch van het Zuiden!” zeide Gladys hartelijk.

„Als het kan, ben ik nog beter. Ik voel me heerlijk, zie je, en dat zal me goed te pas komen! Want ik ga nou aan ’t werk zooals ik nog nooit gewerkt heb.”

„Hoe dan? is je betrekking zoo druk?”

„O nee, ik heb helaas nog niet eens een betrekking. Maar ik ga me met hartstocht op de sociale studie toeleggen. Je zult eens zien! Mijn hoofd is vol plannen, als nou mijn beurs ook maar vol goud was om die plannen uit te voeren!”

Hij lachte met een jongen hoopvollen lach en zijn lenig, tenger lichaam rekte zich uit met een beweging van groote energie.

Hilda zag glimlachend tot hem op, maar toen ze zijn oogen ontmoette, klare, lichtblauwe oogen met scherp geteekende, zwarte randjes om het blauw, had zij een zonderling gevoel alsof hun blikken elkaar aanraakten, alsof zij iets uit het diepst van hun zelf, ze begreep niet wat, in dien blik tot elkaar voelde naderen. En het zonderlingste was dat zij die heel subtiele, intieme aanraking volstrekt niet onaangenaam vond, integendeel een week gevoel van rust was in eens over haar gekomen, alsof zij altijd zoo zou willen voortloopen in het paarsrose licht van den vroeg-voorjaars zonneondergang en van tijd tot tijd de immaterieele liefkoozing ontvangen van de oogen van dien vreemden jongen man.

„Heb je die plannen in ’t Zuiden opgedaan?” vroeg Gladys.

„Den heelen winter heb ik veel gewerkt en nagedacht, maar je weet wel, mama stelde zoo’n belang in al die sociale dingen en verleden zomer toen ik altijd bij haar was, zijn mijn oogen er eigenlijk eerst voor open gegaan en nou passioneert het me wezenlijk.”

Toen Maarten den naam van zijn moeder had uitgesproken, had hij even gewacht, en zijn stem had even getrild; het was maar een nuance geweest, maar Hilda’s oor, misschien nog meer haar instinkt om droefheid te verstaan, waar zij ze ook ontmoette, had het opgevangen, en verlangend om sympathie te geven zag ze weer tot hem op.

En weer gebeurde het zonderling ontroerende, weer boog hij zich tot haar over voorbij Gladys, aan wier anderen kant hij ging, en weer was het als of er onzichtbare draden uit hun oogen gingen, die elkaar aanraakten en wier contact haar stil gelukkig maakte.

Maar zij waren op de Heerengracht gekomen en Gladys stond stil voor het huis van de familie van Herkelen.

„Kom je vanavond thee drinken Maarten? Je moet me niet kwalijk nemen, maar ik heb beloofd hier een zieke op te zoeken.”

„Natuurlijk, derangeer je niet voor mij. Heel graag, dus tot vanavond.”

Hartelijk zeiden zij elkaar vaarwel. Toen boog hij voor Hilda, en wat zij anders nooit deed aan vreemde heeren, zij reikte hem haar hand. Het was alles zoo zonderling vandaag, alsof ze hem al jaren lang kende en als of zij heel lang geleden nog eens zoo, precies zoo, de Bezuidenhout met hem gewandeld had en hetzelfde, precies hetzelfde had gezegd en gehoord en gevoeld.

Hilda had stil naar haar kamertje willen gaan, en zelfs gehoopt dat zij niemand in de gang zou tegen komen, maar een vreemde vroolijkheid op het anders zoo deftige gezicht van den knecht, die haar open deed, en het zien van een paar groote handkoffers en reisdekens in de vestibule, gaven op eens een andere richting aan haar gedachten. Vroolijke, drukke stemmen klonken uit de kamer, en de knecht zeide haar met geheimzinnige plechtigheid:

„Freule, de jonker is onverwachts uit het Zuiden thuis gekomen. De heele familie is in het salon.”

Hilda begreep dat zij onmiddellijk naar binnen moest gaan; zij mocht niet onhartelijk schijnen, en de komst van haar neef maakte haar toch ook wel wat nieuwsgierig. Uit zijn brieven, die meestal kort en onbeduidend waren geweest, had zij zich nauwelijks een idee van hem kunnen maken, alleen zoo nu en dan was er een woord van ironie in voorgekomen dat haar aan Eugénie’s scherpe uitvallen had doen denken. De meisjes spraken bijna nooit over hem. Eugénie scheen vroeger veel met hem te hebben gekibbeld, Hilda had haar tenminste dikwijls met nadruk hooren zeggen dat zulke aankomende jongens vreeselijk lastig zijn in huis, en aan Corry was hij blijkbaar volkomen onverschillig geweest. „Aan zoo’n gymnasiumjongen heb je heelemaal niets!” die behoorde tot een categorie van wezens waarvoor zij nog geen belangstelling kon voelen. Wat hare tante betreft, deze had zij een paar malen aan kennissen een uitvoerig verhaal hooren doen van Edward’s bloedspuwing en het gevaar waarin hij verkeerd had; in dergelijke ziekteverhalen, die zij tot in de kleinste bijzonderheden mededeelde, was mevrouw van Starren onvermoeid, vooral wanneer zij vertrouwelijk met dames van haar eigen leeftijd zat te praten. Van het karakter van haar zoon had zij echter nooit gesproken, alleen scheen zij er trotsch op te zijn dat hij vlug, zonder blokken het gymnasium had afgeloopen.

Toen Hilda binnen kwam ging er juist een groot gelach op, een lachen zoo vroolijk en eerlijk als er maar zelden in den goud-purperen salon weerklonk. Edward stond midden in de kamer, gedrapeerd in een grijs geruiten plaid, een samenspraak voorstellende, die hij op reis had bijgewoond tusschen een Engelschman die bijna geen Fransch verstond en een garçon van het Grand Hôtel in Parijs. Er was een onweerstaanbare humor in de wijze waarop hij het misverstand weergaf, nu eens het snelzuivere Engelsch van den Brit met de daartusschen radeloos uitgestooten pogingen om een Fransch woord samen te stellen, en dan weer het vloeiende Fransch van den garçon, alles te zamen nog komieker klinkend door het overslaan van zijn jongensstem.

Of hij het werkelijk alles zoo had bijgewoond, of wel het meeste er op dit oogenblik bij verzon, onder den prikkel van het vleiend gevoel zoo het middelpunt te zijn, was moeielijk te zeggen, maar hij speelde aardig en Hilda bij de deur lachte mee met al de anderen tot hij zijn plaid wegwierp en haar deftig kwam begroeten.

„Ik hoef niet te vragen of je een goeie reis hebt gehad,” zei ze lachend.

„Nee, dank je, een perfecte reis. Ik ben wel een beetje eerder gekomen dan ik geschreven had, maar een paar van mijn beste kennissen daarginds gingen nu weg en toen ben ik er ook maar van door gegaan, want nou zou het er al te vervelend zijn geworden.”

„Waren die kennissen heeren of dames?” gichelde Corry.

„Heeren, natuurlijk; dames zijn nooit de moeite waard om er vroeger of later om weg te gaan.”

„C’est ça! Nice heeft je niet veel beleefder gemaakt, maar misschien ben je nog wat jong om over zulke dingen te oordeelen.”

Eugénie zeide het vinnig met een tergend lachje van bescherming.

Edward zag haar uitdagend over zijn schouder aan.

„Ja, jong in jaren ben ik zeker, genadige freule, ik zal zelfs niet ontkennen dat u mij negen jaren vóór bent, maar misschien dat mijn woorden van straks eerder van ervaring getuigen dan van al te groote jeugd!”