Part 34
„O! Maud, laat ik maar naar boven gaan .... Het oogenblik .... zal gekomen zijn. Is Frederik niet thuis?”
Maud legde haar arm steunend om de jonge vrouw, en schudde het hoofd. Voorzichtig bracht ze haar in bed, met teere woorden uit haar kindsheid.
Maar het oogenblik was nog niet gekomen. Gladys viel in slaap en na een paar uur werd ze veel kalmer wakker, met iets zelfs van den ouden moed.
Toen had Maud het haar gezegd, het ongeluk van Frederik, want het was avond geworden, en Gladys had telkens gevraagd, met angstigen argwaan „of Free niet thuis was komen eten, en of Maud niet wist waar ie was.”
„O! het beteekent niks!” zeide Maud geruststellend, „de menschen, die hem hebben gevonden, wisten natuurlijk niet waar ie woonde, en hebben hem naar ’t ziekenhuis gebracht, en daar moet ie vannacht nou wel blijven, maar ’t zal wel gauw over zijn.”
Gladys zeide niets. Met krampachtig vast gevouwen handen lag ze achterover, heel bleek.
Toen, tegen elf uur werd er gebeld. Het was een particulier briefje van den dokter van ’t Ziekenhuis, een vroegere clubgenoot van van Praege, die als vriend bij hen aan huis kwam, om Gladys te waarschuwen dat er onmiddellijk gevaar was en te vragen of er geen mogelijkheid bestond dat ze nog kwam.
Maud was naar beneden gegaan, en las het briefje in groote verslagenheid: „men mocht het immers niet wagen, ieder oogenblik kon voor Gladys het moment dáár zijn.”
Met loome voeten ging ze de trap weer op. Door het stille huis, waar iedereen waakte in angstig wachten, zweefde als een ongeluksbedreiging.
Gladys zat overeind toen ze binnen kwam, met starende oogen vol vreemde ontzetting. Met een ongeduldig gebaar wees ze de baker om naar de andere kamer te gaan:
„Wat was die bel?”
„Niks kindje, een vergissing, geloof ik.”
„Nee, nee, Maud, het kwam van Frederik. Hij is zeker gevaarlijk! O! nee, bedrieg me maar niet! En ie gaat sterven en ik ook! En weet je wat er gebeurt met mijn kinderen? De aangewezen persoon om hun voogd te worden is natuurlijk Henk! .... Natuurlijk, de eigen broer van den vader! ’n voorname Meneer, een geacht ingezetene! Groote God! en z’n eigen natuurlijke kinderen laat ie in de ellende, en z’n gedrag is altijd horrible geweest! maar heel deftig, in stilte! En dat wordt de voogd van mijn kleintjes!” Ze snikte, met wringende handen.
„Nee, Glad, m’n lieveling, wees toch niet zoo bang! Ik zal immers voor ze zorgen, als jullie heen moest gaan. Ik beloof het je immers, ik zal voogdes worden!”
„Dat kan juist niet! Als dat kon was het alles goed! Maar het gaat niet. O! mijn God!”
„Waarom niet, dearest? Omdat ik misschien Amerikaansche ben? Maar als het moet, zou ik me immers dadelijk laten naturaliseeren. Ik wil alles voor je doen ....”
„Nee, Maud, het kan niet omdat je vrouw bent!”
„Vrouw ben?” herhaalde Maud.
„Ja, de wetten hier, vinden een wilden, ongetrouwden cavalerieofficier veel beter om zoo’n paar teere plantjes aan toe te vertrouwen, dan de eigen zuster der moeder. Is het niet om krankzinnig te worden? O! Maudy, maar je zult ze toch niet verlaten?”
„Dus, bij gebrek aan bloedverwanten, zou je staljongen nog eerder de voogdij over je kinderen kunnen krijgen dan ik, de gestudeerde vrouw, de eigen tante, die haar leven voor zulke kleintjes geven zou? Maar in hemelsnaam, zijn die Hollandsche vrouwen dan zoo slaperig, dat ze zoo iets dulden?”
Gladys kreunde, haar gezichtje van heftige pijnen vertrokken. Maar na een poosje werd ze weer kalmer en met beide handen Maud’s hoofd dicht naar zich toe trekkend, zeide ze in ’n haastig gefluister: „Ja, de wetten zijn hier zóo, dat zelfs de grootmoeder, al heeft ze bewezen, door haar eigen kinderen uitstekend op te voeden, dat ze volkomen voor haar taak berekend is, geen voogdes mag worden over de weezen van haar zoon of dochter! Zelfs onze eigen, lieve moeder, Maud, als ze nog leefde, zou geen voogdes van mijn kleintjes mogen zijn! O! weet je, het komt alles voort uit dat ouwe principe, waar we in onze vroolijke meisjesjaren zoo dol om hebben gelachen: dat de vrouw een inferieur, onmondig wezen zijn zou! Maar toen wisten we niet dat het eenmaal zoo’n ramp over ons brengen zou!”
„Lieveling, wind je toch niet zoo op! Denk toch aan je kindje! Willen we samen nog es bidden, zooals vroeger, toen we klein waren?”
Gladys schudde heftig het hoofd.
„Ik kan niet, Maud, ik ben te wanhopend! O, jij bent veel beter dan ik! Jij kon altijd je verdriet uitstorten aan God en dan getroost zijn, maar ik kan niet ....”
„Toe probeer het es, lieveling. Het zou je zoo’n rust geven, als je je kleintjes in Zijn liefde kon aanbevelen ....”
„Och Maud, er zijn immers zooveel kinderen verloren gegaan, die door hun stervende moeders aan God waren opgedragen!.... En God heeft jou immers gegeven, ’n verstandige, heilige vrouw, om voor ze te zorgen! Wat kon Hij meer doen? Hij kan het niet helpen, dat de domme menschen, met hun schandewetten, je krachteloos hebben gemaakt! Maar niettegenstaande alles, Maudy, beloof je me dat je over ze waken zult?”
Rillend kwam ze overeind en bedekte Maud’s handen met kussen.
„Ik beloof het!” snikte Maud en een oogenblik hielden zij elkaar vast en weenden samen in nameloos leed.
„Bedaar toch, liefste! Maar je zult immers niet sterven, en voor Frederik is toch ook nog hoop!” „Ja, we zullen wèl sterven!” zeide Gladys sidderend. „Ik voel het! Maar ik zal je wat zeggen, Maud!....”—Haar oogen waren heel donker en fonkelden diep in de holle zwarte kringen, en een huiveringwekkend pathos was in haar op dit oogenblik.—„Als de vloek van een stervende moeder iets beteekent, Maud, zeg het haar dan, dat ik ze vloek, hier, op mijn weeënbed, de jonge vrouwen, die langer onverschillig blijven voor deze schandelijke toestanden. Zeg het haar, dat ik geen rust heb gevonden op mijn doodsbed, omdat ik mijn kinderen niet aan jou kon geven, omdat .... jij van het geslacht der moeders bent. Zeg het haar, dat ik ze vloek! vloek! vloek! als ze niet als eén vrouw opstaan, om verandering in die wetten te brengen!”
„In Godsnaam Glad, wees toch bedaard!”
Maar met een smartgekreun, zonk de jonge vrouw ineens neer. De weeën waren begonnen en er werd niet meer gesproken.
Het was een afgrijselijke nacht, en Gladys’ lijden was ontzettend, en Maud stond er bij, en later Corona, die er bij geroepen was, en zij, die zoovele vrouwen gered hadden, ze waren onmachtig hier.
Gladys kwam bijna niet meer tot bewustzijn, alleen riep ze ijlend, dat men de kinderen weg moest brengen, dat hij, Henk, ze niet vinden kon.
Het was een dood kindje, en tegen den morgen stierf Gladys, en een paar uur daarna kwam het bericht uit het ziekenhuis, dat Frederik van Praege was overleden.
En een oogenblik hield de wereld op met haar lichtzinnig gesnater, een enkel oogenblik was men gefrappeerd door den plotselingen dood van die twee jonge menschen, maar niemand dacht er aan in welke wanhoopsangsten Gladys was heengegaan.
In de Oude Molstraat, in zijn armoedige kamer op de tweede verdieping, waar alles het onderkomene, verlepte had, van achteruitgegane menschen, die sinds jaren, om zich nog even staande te houden, kamers verhuren, zat Moisette voor zijn schrijftafel. Een stapel papieren lag vóór hem, die hij aandachtig doorlas, met nu en dan een kleine zucht van ongeduld. Hij vond het verschrikkelijk vervelend deze soort lektuur, waar hij zich heelemaal niet in thuis voelde, maar een kinderlooze, zeer gefortuneerde nicht in Poitiers, had hem tot haar erfgenaam gemaakt, en hij was nu wel genoodzaakt kennis te nemen van de stukken, die men hem daarover had toegezonden. Telkens dwaalden zijn gedachten echter af; het idee, dat hij nu rijk was, kon hem soms ineens fascineerend overweldigen. En hij dacht aan Hilda. O! hij wist wel, dat zij tot de vrouwen behoorde, wier liefde niet afhankelijk is van een beetje meer of minder geld, maar ’t was toch net of dit fortuin hem dichter bij haar had gebracht. Zij had hem altijd getoond, dat ze niet van hem hield, hij wist het wel, en met razende onrust kwam die zekerheid altijd weer z’n hoopvolle oogenblikken bederven. „Maar tot dusver was ie ook zoo angstvallig geweest. De vrees, dat iemand uit haar omgeving, of zij zelf misschien, hem verdenken zou van onzuivere bedoelingen, van berekening, had hem onhandig en teruggetrokken gemaakt. Maar nu, nu hij haar gelijke was geworden,—want was in deze eeuw geld eigenlijk niet evenveel als geboorte?—nu zou hij heel anders zijn.”
Hij had haar in lang niet gezien! heel zonderling! sinds September niet, en ’t was nu al December. Hij had niet den moed gehad naar haar te vragen, uit vrees dat men zijn geheim zou raden. Een paar oude dames hadden er hem al mee geplaagd, en hij kon het niet hebben, dat onkiesche handen dat teere plekje aanraakten. Zorgvuldig had hij dus altijd vermeden om over haar te spreken, ofschoon hij innerlijk van verlangen getrild had om iets van haar te hooren, en hij overal getracht had haar te ontmoeten. Maar nu zou hij er openlijk voor uitkomen, dat hij haar het hof wou maken. Iemand van zijn fortuin hoefde zich niet meer zoo schuw weg te houden! en hij zou vandaag nog naar mevrouw Cranz gaan en haar vragen waar Hilda toch was.
Sinds Bernard’s declaratie en haar weigeren, wist hij wel, dat zij zelden meer bij de oude mevrouw kwam. Een pijnlijk onderhoud had er tusschen haar plaats gehad. Mevrouw Cranz had dringend gesmeekt dat Hilda op haar besluit zou terugkomen, en zich over Bernard zou ontfermen, Hilda had droevig geweigerd, en ofschoon zij met veel kussen en tranen gescheiden waren, in haar omgang was sinds dien tijd een kleine smartelijke bijsmaak overgebleven, die het Hilda onmogelijk maakte om nog dikwijls te komen.
Maar in elk geval zou mevrouw Cranz toch weten waar Hilda was. Hij had haar het laatst gezien twintig September, op een tentoonstelling in den Kunstkring, en er was toen iets vreemds over haar geweest, alsof ze rondliep in een droom, sterk vervuld van de eene of andere gedachte. Hij had haar zien staan, onbewegelijk, voor een teekening van Thys Maris, een kwartier lang, met een zonderlingen glimlach, en toen heengaan met een diepen zucht en een optrekken van de wenkbrauwen alsof ze worstelde met vragen waarvan ze de oplossing niet vinden kon.
Moisette strekte zijn beenen lang uit onder de schrijftafel, achterover hangend in zijn stoel, de hand onder het hoofd, een beweging van genot om zich aan zijn gedachten over te geven.
„Wat kon bij een jong meisje zulk vragenvol gedroom anders beteekenen dan verlangen naar ...? Natuurlijk, ze had Cranz wel geweigerd, omdat .... enfin .... z’n reputatie .... misschien ook ’n wezenlijke antipathie? Maar nu ze zich blijkbaar onbevredigd, zoekend begon te voelen, nu was de tijd gekomen, dat hij, Moisette, te midden van de leegheid van haar meisjesleven zou verschijnen en het zou weten te vullen met nieuwe emoties ....!”
„Dominee, daar is juffrouw Wendelings.”
Hij kwam overeind met een kleinen schok van tegenzin.
„Laat de juffrouw maar even hier naast, in de spreekkamer.”
Haastig begon hij de papieren bijeen te schuiven, en borg ze weg. Toen ging hij naar een hoek van de kamer, waar een kleine deur achter ’n armoedige portière van dunne, vuilbruine stof wegschool, en opende die.
„Komt u binnen, juffrouw Wendelings, kan ik iets voor u doen?”
Hij zei het heel zacht en vriendelijk, juist neerbuigend genoeg om even te herinneren dat hij op een hoogtetje stond.
Bertha zag er slecht uit, en het verlies van haar frischheid maakte haar leelijkheid nog grover. Ze droeg een armelijk rouwtje, uit de half versleten kleeren van haar moeder gemaakt, want in ’t voorjaar, kort nadat zij haar ontslag had genomen van het kantoor, was de oude mevrouw gestorven.
Zwijgend zat Bertha aan de tafel, midden in de kamer, Moisette was tegenover haar gaan zitten en wachtte. Maar verlegen, zenuwachtig de handen in elkaar geperst, bleef ze zwijgen.
„U hebt mij misschien iets te vragen?”
„Ik kwam ... u zeggen ... dominee ... Dominee ik kwam u vertellen dat ik geëngageerd ben.”
Iets warm vriendelijks kwam in zijn gezicht. Niettegenstaande al zijn overtuiging, dat hij goed had gedaan met haar weg te nemen van haar kantoor, was er toch soms in zijn geweten een angstig klein kneepje geweest over haar toekomst.
„Wel, wel, dat vind ik aardig! Dat doet me plezier, juffrouw Wendelings! Ik feliciteer u van harte, en .... wie is de uitverkorene!”
„Mijnheer B. R. Jastens.”
Hij zag haar vragend aan; de naam zeide hem niets.
Toen ging ze voort, heel mat, met verlegen, toonlooze stem:
„Hij woont in de Batjanstraat. Hij is gepensioneerd Indisch Ambtenaar, en hij is negen en zestig jaar.”
Bij ’t zeggen van zijn leeftijd zag ze even schuw op, om te zien welken indruk het op Moisette zou maken.
„Dan is er wèl een zeer groot verschil tusschen u beiden! maar men ziet dikwijls dat dat de beste huwelijken geeft ....”
„O! ja, hij zou m’n vader kunnen zijn.”
Moisette werd onrustig bij de slappe moedeloosheid in haar manieren. Hij zocht om iets hartelijks te zeggen.
„En hebt u elkaar al lang gekend? ....”
„Ja, al twee jaar. Vroeger liep ie me altijd na, maar ’k was bang van hem. En verleden jaar heeft ie me ook gevraagd, maar ’k wou niet. Hij heeft zoo iets engs en dan is er ook nog zoo’n Indisch kind van hem in huis, ’n meisje van veertien, ’n ondeugende kat, en daar was ik ook bang van.”
„En heeft nou toch Amor over dat alles gezegevierd? Kom aan, dat is goed.”
Hij glimlachte, vreeselijk banaal in zijn gewild doen, alsof hij nog in liefde bij haar geloofde. Maar zij antwoordde niet, te gebroken om te reageeren, en slap ineengezakt bleef ze tegenover hem zitten.
Er was een poosje benauwende stilte, toen begon ze, haperend, schuw vlak langs hem heenziende, naar een vlek op het behang:
„Ik kwam u vragen, of u ons zoudt willen trouwen?”
„Zeker m’n kind, zeker wil ik dat doen.”
„’t Is al over veertien dagen, ziet u. U begrijpt .... ik moet nou toch al van hem leenen, want ik heb geen cent meer in huis, en dus vindt ie, hoe eer hoe beter. ’t Pensioen van mama is natuurlijk dadelijk opgehoûen en ik heb haast niks kunnen verdienen; in Tesselschade en Arbeid-Adelt hebben ze me es wat werk gegeven, maar ze vonden dat ’k niet mooi genoeg naaide. Ik kan het ook niet zoo erg goed en ’t is ook zoo moeilijk! En ’t geeft toch nauwelijks droog brood, al kon ik het! En ’k heb zeventig brieven op advertenties geschreven voor juffrouw van gezelschap en kinderjuffrouw en op eén huwelijksadvertentie zelfs, maar d’r is niks op gekomen, en .... nou is dit wel het eenige!”
„Ja, dat is het! En laat het u tot een troost zijn, dat het huwelijk toch ook uw eigenlijke bestemming is. Het is wel jammer, als men het niet met dat zekere enthousiasme aangaat, wat alles gemakkelijk maakt, maar ik verzeker u, wanneer u al uw best doet om een getrouwe, christelijke gade voor mijnheer Jastens te worden, dan zult u daarin een groote satisfactie vinden, zooals elke deugdzame plichtsbetrachting die geeft!”
Bertha stond op, ineens. Een razende verbittering tegen den man, dien zij liefhad, en die nooit iets van haar liefde had willen begrijpen, en nu in dit wanhoopsoogenblik een paar holle zinnetjes over plicht tegen haar durfde .... leuteren, schudde haar even wakker uit haar dofheid van overwonneling. Ze had lust om hem ook pijn te doen, en iets van haar eigen rampzaligheid in hem te zien echoën.
„Weet u dat freule van Suylenburg naar Amsterdam is gegaan om voor advocaat te studeeren?”
De stoot was te onverwacht, Moisette kon hem niet met zijn gewone kalmte van zelfbeheersching pareeren.
„Sinds wanneer? Weet u het heel zeker?”
„Heel zeker! En er wordt verteld, dat ze ’n gelofte heeft gedaan om nooit te trouwen!”
Het laatste verzon ze er bij, terwijl ze het uitsprak. Van nature was ze goedhartig, maar de pijn van dit oogenblik gaf haar een onweerstaanbare prikkeling van boosaardigheid.
„Dus u wilt ons trouwen? Morgen over veertien dagen?”
„Ja, ja, ik kom nog wel es bij u aan, om er over te spreken.”
Hij stond op, zenuwachtig, en liet haar uit op het portaal, en hoorde niet eens den krijtenden snik, die opklonk uit de nauwe, donkere trap toen ze afdaalde. Hij vloog terug in zijn kamer en greep zijn hoed, maar toen zag hij Corona van Oven op den drempel van het spreekkamertje staan.
„O! dokter .... Ik wou juist naar u toe gaan ....”
„U moet me vergeven, mijnheer Moisette, maar de meid liet me daar binnen, en de deur stond aan en .... ik kon niet helpen .... dat ’k hoorde wat hier gezegd werd ....”
Uitdagend stonden zij tegenover elkaar. Een kleine prikkeling van antipathisch aangelegde naturen was er altijd tusschen hen geweest, maar tot dusver, als hun wegen elkaar kruisten, meestal in arme woningen, hadden ze dat verborgen achter gewilde hoogachting.
„U mocht het gerust hooren, het waren geen geheimen; juffrouw Wendelings kwam me vragen om haar huwelijk in te zegenen.”
„Ja, maar hoe kunt u nou toch zoo iets goed vinden? Ziet u dan niet dat het huwelijk, dat dit arme kind gaat doen, prostitutie is?”
„Nee, zulke verbintenissen komen soms heel goed terecht.”
„In negen van de tien gevallen is het ’n zedelijke zelfmoord! Dat „goed terecht komen” beteekent zoo dikwijls in versuffing of verbittering zwijgen! En in elk geval zijn het uit zulke huwelijken, dat de laffen, de cynischen, de gloedloozen, de zwakken d.i. de misdadigers geboren worden! En dat moest u weten, dominee.”
Hij zag haar even strak aan, zonder eigenlijk te verstaan, te veel vervuld van het nieuws over Hilda om te kunnen ingaan op beschouwingen over Bertha’s besluit.
„Is het waar, wat ze straks gezegd heeft over de freule van Suylenburg?”
„Dat ze in Amsterdam studeert? ja! maar ....”
„En u hebt haar dien weg ingedreven?”
„Nee, ik heb haar de richting van den weg alleen aangeduid, maar ze is hem zelf, uit vrijen wil, ingegaan.”
„Ja, dat kennen we, die vrije wil! Denkt u dat ik niet weet, hoe u ’n massa jonge meisjes met stil geweld aan het werk hebt gezet om ze maar van ’t huwelijk af te hoûen? ’k Ben blij dat ik ’t u nu es zeggen kan. Ik vind het onverantwoordelijk!”
„Ik zet ze aan ’t werk, omdat haar leven leeg is: vol van beuzelarij en leeg van geluk. En als ik ze daardoor kan redden van zoo’n huwelijk, waarbij de drijfveer van de bruid meer is verliefdheid op verandering, dan liefde tot haar man, wel des te beter! Maar ik wil ze volstrekt niet van het huwelijk zelf afhoûen. Als ze op haar pad iemand tegenkomen, dien ze liefhebben, dan gaan ze immers van zelf met hem mee! Daar hoeven we heusch geen theorieën over te verkondigen!”
En Corona glimlachte.
Moisette scheen niet te luisteren, opgewonden ging hij voort:
„Maar het wordt tegenwoordig immers ’n rage, dat alle jonge meisjes het huis uit willen, om maar een of ander te beginnen, ook al zijn ze thuis nog zoo noodig! Het is misérable met die emancipatie.”
„U vergist u,” zeide Corona koel. „Dat „thuis zoo heel noodig zijn”, is in de meeste gevallen maar ’n fictie, getuige het feit dat, zoodra er zich ’n huwelijk voordoet, al die bezwaren, die het meisje weerhielden om zich naar hartelust aan ’t een of ’t ander te wijden, dadelijk vervallen! Gewoonlijk beteekent het „thuis niet gemist kunnen worden”, het egoïste verlangen van de ouders om wat gezelligheid om zich heen te hoûen, of wat sleur, of wat angst dat de wereld het gek zal vinden, of er wat achter zal zoeken, als meisjes het huis uitgaan, die ’t niet bepaald voor het brood moeten doen.—Zeker, er zijn gevallen dat er heusch thuis groote plichten te vervullen zijn: bij ziekelijke ouders, of moederlooze broertjes en zusjes en zoo meer, maar gelooft u dan niet, dat, als ik zoo’n geval ontmoet, ik juist de eerste zal zijn, juist in naam van de emancipatie, die ernst en verantwoordelijksgevoel wil, om haar te wijzen op de taak, vlak in haar nabijheid, in plaats van op eene aan den blauwen horizont! Maar u begrijpt toch wel, dat elke vrouw, die toewijding in zich voelt, in zulke omstandigheden van zelf zal thuis blijven! En .... doet zij ’t niet, wel, dan is ’t eenvoudig dat zij nog niet rijp is voor dat zware liefdewerk! Laat haar dan maar gaan, waarheen haar heur lust trekt, om zich zelf te ontdekken; dat zal beter zijn èn voor haar eigen, èn voor haar huisgenooten, dan haar tegen wil en dank thuis te hoûen, zooals dat tegenwoordig nog dikwijls gebeurt! Want plichten, die alleen door vrije toewijding goed zijn te volbrengen, en alleen veredelen, als zij met bewuste zelfverloochening worden gedaan, zijn ’n vloek, en voor ’t karakter ’n groot gevaar, als zij in dwang worden volvoerd!”
Zij zag hem aan, sprekend met groote kracht, om zijn aandacht te trekken, die ze zag dat afwezig was. Ze had zoo dikwijls over deze idées moeten strijd voeren! en zoo dikwijls meisjes zien ten onder gaan, voor wier jonge schouders de taak te zwaar was, of voor haar aard ongeschikt, en die door haar omgeving, zonder het minste gewetensbezwaar, kalm, alsof het van zelf sprak, werden opgeofferd.
Maar Moisette dacht aan Hilda’s belofte om niet te trouwen en Corona’s woorden gingen over hem heen, zonder dat hij ze overwoog.
„Nou goed, het kan ook wel zijn, dat, als ’t er op aan komt, de meeste meisjes thuis gemist kunnen worden, maar het beginsel van de emancipatie: dat de vrouw overal nuttig kan zijn, en niet geboren is uitsluitend voor ’t gezin, blijft afschuwelijk! Of kunt u ontkennen, dat men den laatsten tijd, juist onder de geëmancipeerde vrouwen zoovelen vindt, die niks van het huwelijk willen weten?”
„Vindt u ’t niet heel natuurlijk, Dominee, dat, nu ’t meer algemeen bekend begint te worden, wat ’n schandelijk afhankelijke positie onze wetten aan de getrouwde vrouw toekennen, sommigen zich voornemen er zich nooit aan te onderwerpen? Zulke meisjes trouwen niet of worden vrije-liefdeapostels. Maar vergeet u ook vooral niet, dat er altijd mannen en vrouwen zijn geweest, die geen roeping voor het huwelijk voelden! De millioenen die elkaar in de Bouddhistische en Christelijke kloosters eeuwen lang hebben opgevolgd, kunnen het getuigen, waarom zouên er dus ook onder de „nieuwe vrouwen” niet enkelen zijn die, om de eene of andere reden niet verlangen ’n gezin te stichten.”
„Maar de emancipatie zal het in de vrouw aanmoedigen, dat ze zich aan ’t huwelijk onttrekt! Door de meisjes voor allerlei betrekkingen op te voeden, zal men ze leeren neerzien op het stille werk van de huismoeder.”
„Juist het tegendeel!” riep Corona warm. „Als het meisje er voor opgevoed wordt om haar eigen brood te verdienen, zal ze het huwelijk niet meer beschouwen als ’n eenige uitkomst van onderhouden worden, en zullen dus de huwelijken uit zuiverder motieven gesloten, dit is, mooier worden! Het huwelijk zal dan beteekenen: een roeping, geen beroep meer, en dan pas zal de echtgenoote-moeder geëerd worden, zoo als het moet! Juist vroeger werd er op de getrouwde vrouw neer gezien! De Grieken dachten hun heiligste godinnen maagdelijk, de middeleeuwen voerden de aanbidding der moedermaagd tot het hoogste op, en noemden rein alleen de ongetrouwde vrouw! Natuurlijk, in ’n periode, toen het huwelijk zoo ontzettend laag stond, [18] moest wel het vrouwelijk ideaal zich in de jonkvrouw incarneeren! Maar ik zeg u, het zal de triomf der twintigste eeuw zijn, dat de vrouwmoeder, die zich in mooie, vrijwillige liefde gegeven heeft, ook rein en onbevlekt zal worden genoemd, en dan zullen onze hoogst staande meisjes alle dweepen met gewilde, onnatuurlijke eenzaamheid laten varen en blij-trotsch, wanneer het lot er haar toe roept, haar liefdestaak aanvaarden.”
Moisette zag haar aan, een beetje bedremmeld om haar zoo eenvoudig zeggen van al deze dingen, die door de dames van zijn gemeente gewoonlijk onder geheimzinnig lachen en kleuren werden verstopt. Maar het gaf hem toch ook een gevoel van vertrouwen, en ineens barstte zijn geheim hem door de lippen.