Part 33
En daar ginds was Betty de Mureaux met haar eeuwig kinderachtig giegelen en Annie van Gaefden met haar diadeem van reigerveeren! Zij wist hoe bloedig wreed dat tooisel was verkregen, [16] maar wat kon haar dat schelen, als het maar goed stond? En daar verder was Corry met haar onschuldig gezichtje, en valsch eerzuchtig hart, en Agathe van Brehnen, die straks vol ophef verteld had van haar tir aux pigeons in Berlijn bij Gräfin von Prinsau. Zoo’n duifje dat losgelaten wordt en dan schieten! De kunst is om het diertje niet doodelijk te treffen, maar de pootjes er af! O! dol amusant! en dan de vossenjacht bij Lord Kingsline, waar ’n arm klein vosje door de honden bijna dood gejaagd en dan verscheurd wordt, o! allergezelligst! En daar was ook nog Mathilde van de Bransen, wier hoogste illusie het was om met een Engelschen groot-grondbezitter te trouwen, en bij wie geen enkele kamenier het kon uithouden, en mevrouw Jalingama, die zich zoo onbevredigd en onbegrepen voelde, en haar drie snoezige babies altijd op de kinderkamer liet met heel bedenkelijke bonnes, en freule Verakker, die haar leven tusschen het tennisveld en het rijwiel verdeelde en Eugénie, met haar overprikkelde zenuwen,—wat had ze er dien avond toch vreeselijk slecht uitgezien—en mevrouw de Mureaux, de goedige, brave, wier ontwikkeling niet verder ging dan het feuilleton uit de courant, en meiden en naaisterspraatjes! en nu eindelijk Ottilie .... En met al deze typen van vrouwen voor oogen, aan wier schoot het niet mogelijk is, dat een zedelijk mooi en krachtig geslacht opgroeit, durfde men nog de vrees uitspreken, dat echte vrouwelijkheid zou verloren gaan, als de meisjes anders werden opgevoed, met meer besef van rechten, maar ook vooral van plichten! Het was om te lachen, maar heel bitter! En wat bedoelde men toch met dat vrouwelijke dat zou verloren gaan? In China was het vrouwelijk om verminkte voeten, hier, in sommige kringen, om ziekelijk dunne middeltjes te hebben, en onwetend en zenuwachtig te zijn. En zeker, al zulke kunstmatig aangekweekte, door de traditie geijkte eigenaardigheidjes zouden door de emancipatie verjaagd worden, maar nooit dat aangeborene, dat onuitsprekelijke, dat de vrouw maakt tot een ander wezen dan de man. De stempels van de natuur laten zich niet uitwisschen, en zeker niet door wat folianten en professoren en collegebanken! Wat is in den loop der tijden niet gebeurd met de vrouw? En door alle omstandigheden heen, heeft zij toch haar eigen karakter bewaard! In de middeneeuwen heeft zij gevochten en haar burchten verdedigd, terwijl de man aan de kruistochten deelnam, ze heeft geloofsvervolging, gevangenissen, vluchtend rondzwerven gekend, in Amerika is ze haar man gevolgd in de wildernis, waar ze ontzettend hard werken en haar kinderen en woning dikwijls bloedig tegen de Indianen verdedigen moest, ze is mishandeld, vernederd, verlaten, bedorven, verkocht, bespot, aangebeden, onteerd geworden, op alle wijzen, ze heeft zich dood gezwoegd, door idiote modes heeft men haar lichaam verminkt en haar geest, door kunstmatig domhouden, hier heeft men, door haar slaafs-afhankelijk te maken, de ondeugden der slaven in haar aangekweekt: sluwheid, onwaarheid, gebrek aan fierheid, daar heeft men, door haar te vergoden, haar ijdel en wreed gemaakt, en niettegenstaande dat alles is de vrouw vrouw gebleven, en zal zij dat eeuwig blijven! ten spijt van alle pessimisten die haar bij emancipatie ontaarding voorspellen!”
Hilda zat met de kin rustend op de handen, de ellebogen op de knieën gesteund. Langzaam, onder het voortpeinzen over deze dingen, voelde ze de onrust van haar schrik wegglijden.
Toen zag ze ineens, naast zich op den grond, een lange zwarte schaduw zich bewegen; ze keek op met ’n kleinen schok van vrees, die overging in blijheid.
„Goeien avond, freule. Gut, bent u hier heel alleen?”
„Goeien avond, mijnheer van Hervoren. Ja ik had zoo’n behoefte aan wat lucht en beweging, vindt u het heel erg ... ongepast?”
„Ik vind het heel erg .... begrijpelijk! Als u nou toch maar zoo alleen niet al te ver de duinen ingaat!”
„Ik ben op m’n terugweg.”
„Mag ik ’n eindje met u meegaan?”
Zij knikte met een stralenden glimlach.
„Wat ’n heerlijk toeval, dat ik u vanavond nog even kan spreken, want morgen vroeg moet ik naar Chemnitz.”
„Naar Chemnitz? .... Denkt u voor lang?”
„Dat zal er van afhangen. Nou de fabrikant dood is, hebben de werkstakers alleen met de weduwe en den toezienden voogd van de kinderen te doen, en die toeziende voogd is toevallig juist iemand, waar ik vroeger in Amerika, mee aan hetzelfde werk ben geweest en goed mee opschieten kon. En nou wou ik zien of ik met hem den boel niet gauw weer op orde kon krijgen, en zóo dat de positie van de arbeiders wezenlijk ’n flink stuk verbetert, want hun grieven waren billijk.”
„Zal het lang duren?” herhaalde Hilda.
„Ik weet niet, ik hoop het niet! Maar ik heb onbepaald verlof hier van de fabriek, omdat er hun hier ook veel aan gelegen is, dat het werk daarginds weer gauw doorgaat.”
Hilda liep zwijgend voort. Iets kilgrijs was ineens over de naaste toekomst gegleden. Eugénie weg, Corry’s huwelijk op handen: dagen van leugenachtige feestelijkheid, nou dit ook weer met Eddy .... en dan nog Maarten weg .... ze huiverde terug voor die eenzaamheid.
„Als u terugkomt, zult u mij hier niet meer ontmoeten!”
Ze zeide het onder een plotselingen drang, vóór ze nog goed had nagedacht.
„Gaat u dan weg .... freule?”
„Ja.”
„Waarheen?”
„Naar Amsterdam. Ik kan het hier niet meer uithouên. Ik zal Corona vragen of ze geschikte kamers voor me weet. ’t Volgende jaar, zou ik toch gegaan zijn voor de Academie, en nou ga ’k maar liever wat vroeger.”
„Vindt uw oom het goed?”
„Hij weet het nog niet. Ik heb het vanavond pas bedacht, maar ik denk dat ze ’t thuis heel prettig zullen vinden, nou ik toch zulke overdreven denkbeelden heb!”
Ze glimlachte, met een nuance bitterheid om den mond.
Hervoren zag haar aan. Ze was zoo mooi, vanavond en zoo jong, zoo aristocratisch in de hooge beteekenis van verfijnde beschaving, zoo fier en zoo teer!
En Maarten, die de laatste maanden overal met vuur had verkondigd dat vrouwen de wereld in moeten even goed als mannen, dat de maatschappij nooit in haar evenwicht kon komen vóór het vrouwelijk element er volkomen een gelijke plaats naast het mannelijke heeft ingenomen, Maarten voelde zich zwak worden in dit moment, vol angst om haar, die zoo onervaren en broos ineens zou staan midden in de branding. Een oogenblik kende hij die vrees, die velen van de edelste, genereuste mannen het onrecht laat begaan van de vrouw terug te dringen, ver van het groote leven. Maar toen viel hem een woord van zijn moeder in: „Het is zoo natuurlijk, dat een man, die de worsteling, de wreedheid, het gevaar van den levensstrijd kent, als hij een meisje ziet mooi en rein, haar ver uit het gedrang zou willen wegvoeren, ergens, in een veilige burcht met hooge muren. Maar laat hij niet vergeten, dat binnen die muren wel eens doodelijk vergiftige bloemen konden staan van verveling, en onvoldaanheid, en bekrompenheid en heimwee naar meer ruimte! Elke man, die uit angst dat haar engelenvleugels zullen worden bezoedeld, een vrouw zou willen opsluiten in een kooitje, al was het van goud en fluweel, zou na een poosje merken, dat haar vleugels verdord en verslapt zijn en dat hier of daar duivelenhorentjes zijn gegroeid.”
Hij nam zachtjes haar hand, zonderling ontroerd. In godsnaam, dit kindje moest het volle leven dan ook maar ingaan, zooals toch eigenlijk alle grooten onder de menschen gedaan hebben, en waar zij komen zou, zou ’n beetje meer liefde en vreugde zijn!
„Maar wanneer zie ik u dan weer? Zal ik u dan vooreerst nergens meer kunnen ontmoeten?”
Zij zag hem vol aan met haar groote oogen, en met een glimlach vol wonderbare belofte, zeide ze heel eenvoudig:
„O! ja zeker, alle Zondagen zal ik thuis zijn voor mijn vrienden. U moet me gauw komen opzoeken! Gladys zal u mijn adres wel geven .... vaarwel ....”
Alles was nog donker en stil in huis, toen Hilda thuis kwam, alleen in de keuken werd gelachen, de luide lach van dienstboden, die visite hebben en hun meesters uit weten.
In de kamers kroop de schemering geheimzinnig uit de hoeken en wischte de omtrekken der meubels uit, in de serre slechts viel nog wat licht van den wolkenloozen avondhemel, waaraan de zon haar glans nog maar kort van te voren had onttrokken.
Hilda zette zich neer in haar gewone schommelstoeltje; de eenzaamheid en donkerte van het huis lieten haar onverschillig, alles was licht in haar, alles vol stralende levensblijheid.
De gedachte dat Maarten wegging, misschien voor een langen tijd, was haar op dit oogenblik zelfs niet eens meer pijnlijk. Hij ging om daar ginds goed te doen, onrecht te herstellen! En in haar enthousiaste meisjesverbeelding zag ze hem staan met zijn klare magnetische oogen en blonde haren, midden tusschen de zwart dreigende figuren der fabriekwerkers te Chemnitz, en als hij sprak zouden de harde trekken zich verzachten, hij zou hun weten te geven, dat, wat voor velen, in deze bange tijden van worsteling en argwaan, een hooge weldaad is: het volle vertrouwen in éen dien zij geestelijk boven zich voelen. En dan zou hij hun toestand verbeteren, alles regelen. Ze had het den laatsten tijd van alle kanten gehoord, hij was zoo vreeselijk knap, en zoo goed! O! ze was trotsch op hem! En in liefde is het hoogste weelde, trotsch te kunnen zijn! En in dien tijd zou zij in Amsterdam haar kamers inrichten: één heel eenvoudig slaapkamertje met veel zon en veel lucht en een zitkamer .... O! heel anders dan hier al die meisjesboudoirs met hun overlading van prullen, stijl twee-guldens-bazaar! Het zou een mooie kamer zijn, met die voorname, zeldzame mooiheid die elke beurs kan bekostigen, n. l. afwezigheid van alles wat leelijk is. Het zou eenvoudig, bijna streng zijn, maar alles wat er was moest goed van kleur, van vorm, van lijn wezen! Het moest alles getuigen van een intens verlangen naar harmonie; de dagelijksche omgeving oefent immers onbewust een grooten invloed op ons uit, en wie de mooiheid verwaarloost in de kleine werktuigen van het bestaan—meubels, kleeding, versierselen—kan nooit volkomen naderen tot die hartstochtelijke liefde tot mooiheid in alles, mooiheid in het zichtbare om ons heen, mooiheid in het onzichtbare van denken en voelen, die ten slotte voert tot een hoog menschenleven!
Hilda stond op, in een ontroering van vreugde: „En als dan haar kamer heel mooi was geworden, zou Maarten komen .... op ’n Zondag ....”
Zij stak een kandelaar aan op den schoorsteen om mee naar boven te gaan. Maar bij het opvlammen van het licht zag ze ineens in den spiegel het schilderij daar tegenover, het portret van een overgrootmoeder van Suylenburg, geheimzinnig stralend in de donkere kamer in haar hofkleed van het eerste keizerrijk, wit satijn met den manteau de cour van goud brocaat.
Het was een prachtige vrouw, ze was een Française geweest, een gravin de Grandonne, die een schitterende rol had gespeeld aan het hof van Joséphine. De familie-legende zeide, dat alle beroemdheden van dien tijd aan haar voeten hadden gelegen, zelfs Napoleon zou een tijd lang haar gunst hebben gezocht, maar na zijn tweede huwelijk was ze in ongenade gevallen, en getrouwd kort daarop met den generaal van Suylenburg, die haar naar Holland had gevoerd.
Hilda draaide zich om en stond voor het portret, den kandelaar hoog houdend om het mooie kopje te zien, maar nu ineens voelde ze de stilte van het huis doodsch om zich heen, en kreeg ze ’n zonderling dringende behoefte iets te uiten van haar trillende emoties.
„Het zijn heel andere tijden, grootmama!” zeide ze lachend, „heel anders, nietwaar? Andere politiek, andere zeden, andere illusies, andere vrouwen! Wat hebt u uw haar kunstig gefriseerd. In m’n volgend leven zal ik geen tijd hebben om zooveel zorg aan mijn kapsels te geven, dat moet u me maar niet kwalijk nemen, ik neem u immers ook niet kwalijk dat u er zoo veel tijd aan hebt besteed? Wij moeten elkaar met rechtvaardige toegefelijkheid zien te beschouwen, ieder in de lijst van onzen eigen tijd, eigen omgeving, eigen opvoeding. En heusch, ik zal u geen schande aandoen, al zouden in uw oogen mijn opvattingen, als u ze had kunnen voorzien, al heel erg zonderling zijn geweest! Waarom kijkt u zoo strak in den spiegel met dien vagen trotschen lach? Omdat de held van Austerlitz u heeft liefgehad? Maar ook ik heb de liefde van een held, verstaat u dat? en de beroemdsten zijn niet altijd de grootsten! Er zijn zooveel soorten van helden, nietwaar? dat zult u nu ook wel weten, nu u van uit de hoogte neerziet op al het kleinmenschelijk gezwoeg om ’n beetje meer eer en macht. En ik ben blij mevrouw, dat mijn held geen zwarte oogen en bloedige handen heeft, en lauwerkransen, maar een vredepalm en de haren en den glimlach van een jongen zonnegod.” En in de opwinding van haar ontwakende liefde, genoot Hilda bijna kinderachtig van deze gevonden vergelijking, toen ging ze weer voort:—„Alles, alles verandert, nietwaar? Alleen jeugd en liefde en verlangen naar geluk blijven hetzelfde, en ik beloof het u, ik zal er mijn deel van nemen, al zal ik soms de toga en den baret dragen, zooals u vroeger uw manteau de cour! Bonsoir, grootmama. Blijft u maar gerust zoo trotsch staan lachen. Ik heb zoo’n idée, dat ik meer zal genieten, van wat het leven waarachtig heerlijks en moois te geven heeft, dan u het ooit hebt gedaan!”
Toen ging Hilda naar boven en onder het opgaan van de trap zong ze neuriënd een van die naïef teere Italiaansche liefdesliedjes, die men in zuidelijke nachten, in de verte hoort zingen, en ze glimlachte tegen de duisternis.
Gladys lag stil achterover op haar rustbed. Kleine trekjes van pijn gleden soms even over het vermagerde gezichtje, maar de oogleden, met de lange wimpers lagen mat gesloten, alsof ze sliep.
Ze lag te peinzen, zooals ze tegenwoordig zoo dikwijls deed, in haar lange gedwongen rusturen; ze dacht aan haar huwelijk en hoe het zachtjes aan een ruïne was geworden, in plaats van de tempel, dien ze gewild had. Eerst was ze toch gelukkig geweest, wel al heel gauw met oogenblikken van pijnlijke verwondering, maar ze had altijd honderd soorten excuses voor Frederik kunnen vinden: z’n opvoeding was ook zoo oppervlakkig geweest, en z’n vrienden zoo ruw! Hij had ook geen zusters gehad, hoe kon ie dan weten, hoe licht een fijnvoelende vrouw gewond is, hoe kon hij haar dan begrijpen, als ze zich soms ineens gekrenkt terugtrok, of smachtend bij hem kwam, zwijgend bedelend om woorden, die hij nooit zei.
Maar toen, langzamerhand, was ie hoe langer hoe ruwer geworden, en ze was bang beginnen te zijn, en vreemd, ze had een korten tijd er een akelig genot in gevonden om voor hem te vreezen.
Maar op een avond, had ze hem in de naaste kamer tegen vrienden hooren bluffen over de beste manier om een vrouw te regeeren. „De Rus, die z’n vrouw met den knout geeft,” had ie gezegd, „was veel beter menschenkenner dan de Amerikaan, die haar als z’n gelijke behandelt, want de vrouw is nou eenmaal de geboren onderdane, ze geeft alleen liefde aan wie haar angst inboezemt, als ze verliefd is, heeft ze behoefte om op haar knieën te dienen.”
O! wat had ze dien avond gehuild, uren en uren lang! Maar toen had ze ook begrepen waarom Frederik’s theorie in sommige huisgezinnen schijnbaar opging en hoe ze er hem zelf mogelijk wel in had versterkt. Oorspronkelijk toch is er in elk jong, onbedorven mensch, zoowel man als vrouw, een instinct gelegd om zich slechts aan den besten den edelsten te geven. Dit is het ingeschapen principe van zelfbehoud van het ras, dat zich doet gelden overal, waar de huwelijkskeus niet bepaald wordt door wat iemand bezit aan fortuin of rang, overal waar niet door sociale wanverhoudingen van eeuwen dit instinct te zeer is verbasterd. Bij elk paar, dat elkaar lief heeft, vindt men er de uiting van in een eigenaardige behoefte om elkaar te verheerlijken: de man ziet in zijn verloofde een feetje of een heilige, waarvoor hij zou willen knielen, de vrouw ziet in haar man een held, waartegen ze zou willen opzien in een gelukkig gevoel van ontzag.—En misschien is dit wel de groote les van het leven over de verhouding tusschen man en vrouw, dat in de oogenblikken van hoogste intimiteit, waarin het twee individuen gegeven is, elkaar te naderen, zij zich beiden aanbiddend voor elkaar voelen neerbuigen, in een onbewust raden van het goddelijke dat in hen is.—Maar in een maatschappij als de onze, met zooveel onwaarheid en verwrongenheid, valt dikwijls van dien oorspronkelijk mooien drang niets meer te bespeuren dan de karikatuurachtige echo er van, in de zinnetjes van den banalen hofmaker, of in de laffe onderdanigheidsphrases van energielooze vrouwen, en menigmaal geeft zelfbedrog den leugennaam van eerbied en hoog opzien aan wat slechts is: misdadig zwak toegeven en vreezen. Ja, dat was het! Het vreezen van de vrouw, en er een soort voldoening in vinden was de karikatuur, de ontaarding van haar ingeboren verlangen om hoog te houden den vader van haar kinderen! In veel huisgezinnen, waar de man door flinkheid meent te regeeren, dankt hij zijn prestige alleen aan dat onbewuste verlangen van de vrouw, en veel van de macht, die de man tot dusver bekleed heeft, was daaraan alleen te wijten! Want zoo menige vrouw, in een uiterst pogen om in de platheid van het dagelijksch leven, in haar man, dien zij scherpzinnig genoeg is om in al zijn kleinheid te hebben doorzien, toch den held harer jeugdidealen te redden, zoekt een leugenachtige bevrediging in vreezen, als hoog opzien niet meer mogelijk is.
Gladys bleef stil liggen peinzen. Ja, zoo was het ook met haar gegaan, maar na die korte periode van angst waren de lange jaren gekomen van geduldig, droevig worstelen, tot ze overwonnen was verleden .... op dien nacht.
Met een zacht gekreun verlegde ze het moeë hoofd.
Maud kwam binnen, voorzichtig, met haar onhoorbaren hospitaalstap, en zette zich aan het raam neer, met een pas begonnen babysokje. Maar ze haakte niet, met strak turende oogen en onrustplooien dwars over het voorhoofd, keek ze de straat in.
„Er was ’n boodschap gekomen .... ontzettend! .... Frederik was van z’n paard gevallen, ’n wild jong dier, dat ie verleden week gekocht had, en men had hem bewusteloos, met gebroken sleutelbeen naar ’t ziekenhuis gebracht. Er was groot gevaar, maar hoe kon ze het aan Gladys vertellen? Nou juist op dit moment ....”
„Maudy, ben je daar?”
„Ja lieveling, wat is er? Ik dacht dat je sliep.”
„Kom es hier! Ik heb zoo’n afschuwelijke hoofdpijn, en ik voel me zoo angstig!”
Maud stond op en knielde naast de rustbank. „Ze kon het nu toch niet vertellen? Gladys moest eerst kalmer zijn.”
„O! Maud, ik ben zoo bang.”
„Wat is er dat mijn kleine vrouwtje beangstigt? Herinner je je nog wel onze Fransche gouvernante, die ons altijd bang maakte voor spoken? ik geloof heusch om nog ’n beetje „poëzie” in ons te redden, omdat ze beweerde dat onze Amerikaansche opvoeding, „le charme poétique de la femme”, in ons zou verderven. Ik geloofde nooit ’n woord van haar griezelige geschiedenissen, maar jij was dikwijls erg onder den indruk, en dan moest ik je zóó in m’n armen nemen, zóo, niet waar? om je te bedaren. Zullen we es probeeren of het ouwe middel nog helpt?”
Maud sprak gewild vroolijk, om haar af te leiden, maar de jonge vrouw drukte angstig steunzoekend het hoofdje vast tegen haar schouder.
„Maud, ik heb gedroomd, dat ik en het kindje stierven, en ik was blij dat het kindje ook dood ging, want wat is een klein menschje zonder moeder! Maar de twee anderen bleven achter, zoo teer, met zulke fijne zieltjes, en zoo jong en zoo heel alleen .... Begrijp je niet, dat het me met doodsangst vervult!”
„Zie je wel, dat het maar spoken waren? Wie gelooft nou aan droomen?”
Maud dwong zich om luchtig te schijnen, maar een kille angst was in haar borst.
Gladys zag haar aan met de grijze kinderoogen groot van ontzetting.
„Ik kan het niet verdragen, dat je er om probeert te lachen. Er sterven immers zoo veel vrouwen aan! .... Het helpt niks of je er over heen praat! O! als ik ze alleen moest laten ....”
Maud voelde het teere lichaam in haar armen sidderen van angst.
„O! als ik ze jou maar kon toe vertrouwen, Maudy, .... dan zou ik wel rustig kunnen afwachten .... maar .... O! mijn God, mijn God! ....”
„Lieveling wind je toch niet zoo op!”
Gladys haalde diep adem, als om kracht in te nemen voor het smartelijke, dat ze zeggen moest.
„Misschien heb je wel gemerkt, Maud .... ons huwelijk is .... niet geworden .... wat ik gehoopt had! O, Frederik heeft heel veel goeds .... hij is bijvoorbeeld honderdmaal beter dan z’n broer Henk, die ruwe cavalerist, maar ....”
Zij kleurde, bang om iets kwaads te zeggen, en toch zoo bitter verlangend om de angst van haar ziel uit te spreken. Smeekend zag ze op, maar toen ze Maud’s oogen ontmoette vol treurig begrijpen, brak ineens haar zelfbeheersching. Ze sloeg de armen om haar hals en snikte wild, als vroeger, in de dagen van groot kinderverdriet.
„O! Maud! als ik ze jou toch maar kon laten! Frederik heeft zulke heel andere denkbeelden over opvoeding .... Vooral over broertje .... Het is zoo’n goed kind, maar niet makkelijk te regeeren, zooals de menschen dat noemen!—alsof het ons bij het opvoeden te doen moest zijn, om ze te regeeren!—Als Frederik in z’n jeugd niet zoo geregeerd, gedrild was geweest, zou ie nou misschien heel anders zijn. Maar ze hebben hem in z’n kindsheid, al zijn wil—men noemde het koppigheid—er uit geslagen, tot ie ’n onderdanig, willoos jongetje was geworden, met alleen angst voor straf tot moreel richtsnoer, en natuurlijk, is ie nou later, toen ie z’n eigen meester werd, een willooze, zwakke man geworden. Maar dat ziet ie niet in. Zijn slap heen en weer slingeren door allerlei hartstochten, houdt ie voor mannelijkheid en originaliteit, en als ik er niet was, zou ie Hajo ook weer met den stok willen opvoeden, hem klein krijgen, zooals ie ’t uitdrukt, en ik weet zeker, dat dan alle energie en zelfvertrouwen in ’t kind verloren zouên gaan, en die zal ie juist met z’n onstuimig karaktertje zoo vreeselijk noodig hebben. O! Maud, als jij maar bij ze kondt blijven! en hen leeren zich zelf te beheerschen, en zich rekenschap te geven van wat ze willen en of dat goed is, en dan ook te volbrengen, wat ze zich voorgenomen hebben ....”
Gladys zweeg even, uitgeput, met een hijgenden snik.
„Lieveling, dearest, er is niets geen grond voor je angst,” zeide Maud. „Waarom zou je ’r niet even goed doorkomen, als de twee andere keeren? Maar als het je rust geeft, maak dan een testament waarbij je mij wettelijk benoemt tot hulp en raadsvrouw van je man. De groote jeugd van de kinderen en daardoor de behoefte aan vrouwelijk toezicht zullen die beschikking in ieders oogen volkomen motiveeren.”
„Dat kan niet Maud.”
„Ja zeker, het kan wèl! Ik heb het nog pas, bij den dood van mijnheer Banckhorst gehoord, die had ook aan z’n vrouw, omdat ze zoo ziekelijk is, een raadsman toegewezen, om haar te helpen, haar zes jongens groot te brengen.”
„Ja, dat kan een vader voor zijn kinderen doen, [17] als hij meent dat de vrouw niet geheel berekend is voor haar taak, maar een moeder kan het niet!”
„Waarom niet?”
„Omdat ze maar ’n vrouw is!”
„Hoe bedoel je? kan een moeder ....? Maar dat is belachelijk!”
„Nee, het is niet belachelijk, ’t is afgrijselijk!” zeide Gladys, en ineens zich opwindend, terwijl twee brandend roode plekken zich op de magere wangen teekenden: „Versta je, Maud? Frederik heeft ’t recht mij bij zijn dood den eersten den besten man, die hem in z’n hoofd komt toe te voegen als raadsman, zonder wiens toestemming ik niets met mijn eigen kinderen doen kan! Maar ik .... de moeder, die hem onmachtig, en ....”—de emotie sleepte haar mee het lang gezwegen smartelijke uit te spreken—„en onwaardig weet om hen op te voeden, ik ben machteloos!”
Met een kermenden kreet kwam ze plotseling overeind: