Part 32
„Mijnheer van Hervoren, Edward heeft me verteld dat u u veel bezig houdt met de sociale vraagstukken. Maar ik heb dikwijls gedacht dat de sociale kwestie voor het grootste deel in de vrouwenkwestie lag besloten. Zoolang de vrouwen, het talrijkste deel der bevolking, en door de kinderopvoeding het invloedrijkste, dom en onverschillig voor ’t algemeen welzijn blijven, kunnen geen bonden, geen vereenigingen, geen werkstakingen, geen vergaderingen, geen wetten de maatschappij in evenwicht brengen. De vrouw, die achterlijk gehouden wordt, wreekt zich onbewust, op ontzaglijke wijze. Elke poging tot vooruitgang en verbetering, vindt in haar, in de kern van het gezin, een onzichtbaren maar onverzettelijken tegenstand, en daarom geloof ik dat het groote woord van sociale hervorming zijn moest: de vrouw te emancipeeren, dat is: te vormen tot een ernstige arbeidster in het groote gezin der menschheid. De prachtigste staathuishoudkundige theorieën zullen altijd schipbreuk lijden, zoolang de menschen die ze toepassen niet beter zijn, en hoe krijg je betere menschen? Alleen door goede moeders. In de moeders ligt voor mij de oplossing der sociale kwestie en wat werd er tot dusver voor haar opvoeding gedaan?”
Maarten nam haar hand voorzichtig in zijn beide handen, en hield die een oogenblik vast.
Maar nu was de muziek binnen plotseling stil.
„De dans is uit, iedereen zal hier zeker dadelijk ’n luchtje komen scheppen. Vindt u ’t niet naar om even het park door te loopen?”
„Heel graag.”
Zij wond haar wit kanten mantilla, die ze uit Italië had meegebracht om het hoofd, op de wijze der Milaneesche meisjes, en hand in hand holden zij de trappen af, tot in een van de donkere laantjes. Toen liepen zij heel langzaam voort over de zwarte guipure die het maanlicht door de boomblaadjes op den grond borduurde, en spraken heel lang nog over de ernstige tijden die komen zouden, en hoe zij hard wilden werken om een beetje meer recht en meer vreugde in de wereld te brengen, tot zij op het laatst vergaten dat er leed en onrecht was, en heel hun ziel vervuld werd met een jong en groot geluk.
Hilda was den volgenden morgen vroeg uitgegaan en had een lange les gehad over Romeinsche antiquiteiten. Het schoot heerlijk op met de studie, alle leeraars zeiden, dat ze het volgende jaar makkelijk het staatsexamen zou kunnen doen.
Maar toen zij thuis kwam, was er als een zonderlinge benauwing, die op haar neerviel. Het oude gezicht van Johan, die haar open deed, stond geheimzinnig strak; op het groote portaal van den bel etage, waren de keukenmeid en de werkmeid aan ’t fluisteren, die, toen zij haar zagen, schuw ieder een kant opgingen; op de trap naar de eerste verdieping, kwam ze haar tante tegen, die snel voorbij ging, met verschrikte oogen, en Hilda had niet gedacht, dat die koele vrouw, met haar slappen gang, zich nog ooit zoo vlug zou bewegen. Boven op den overloop stonden Edward en Corry, zacht sprekend met onthutste gezichten; Corry vertelde iets en Hilda ging naar hen toe met het plotselinge gevoel, dat er een groot ongeluk was gekomen.
„Wat is er toch?”
„Eus doet zoo akelig. Ze wil haar bed niet uit, en ze doet niks als huilen.”
„Is de dokter al geroepen?”
„Mama heeft h’m net ’n briefje geschreven. Ga zelf maar es kijken. Misschien kun jij iets uit haar krijgen.”
Hilda ging de kamer in, waar Eugénie in bed lag, doodelijk wit, met zwarte kringen om de bloedelooze oogen.
Zij zette zich bij haar neer en zei zachtjes een paar vriendelijke woorden, maar Eugénie antwoordde niet en bleef haar aankijken met loerende blikken. Toen ineens sloeg ze het dek weg en sprong uit het bed en liep de kamer door, met wilde handen haar nachtkleed van boven open rukkend, tot de knoopjes er afvlogen en het diep inscheurde.
„Wat is ’t hier toch benauwd!”
Ze ging naar de deur, maar Hilda greep haar vast:
„Gut, Eus, je kunt zoo de kamer niet af, klee je dan eerst wat aan.”
„Laat me toch los ....”
Zij worstelden even, Hilda zich verbazend over de kracht van dat teere lichaam, en weer had ze intens denzelfden indruk van eenige weken geleden, dat er een vreemd, wreed, wild wezen door Eugénie’s oogen haar aanzag, maar zij wist nu wat het was: het was de blik van de waanzin.
Maar na een kort moment waren Eugénie’s krachten toch uitgeput, en slap liet ze zich weer in bed brengen.
„Kom Eus, het is niks, je bent maar ’n beetje overspannen! Ga wat uitrusten, dan zul je wel weer zóó beter zijn. Je hebt je gisteravond ook zoo vreeselijk opgewonden!”
Ze zeide het sussend als tot een klein kind.
Eugénie huilde nu stil, van tijd tot tijd opziende met haar loerenden blik van onder uit de oogleden. Toen zeide ze op eens:
„Hildy, is het waar, dat je gisteravond tegen al die menschen hebt durven zeggen: Lach jullie maar! Denk je dat ik de desolatie niet ken van je leeg, zenuwachtig bestaan!”
„Ja, dat is waar.”
„O! ja, dat is het: Desolatie! De-solatie! de-so-la-tie!”
Langzaam, klagend snikte ze het uit, en Hilda zat naast haar en ook zij huilde nu van weemoed om dit gebroken meisjesleven.
De huisdokter kwam, ’n oude onbeduidende man, die haast dadelijk weer heen ging. En Hilda nam weer haar plaats bij het bed in; zij durfde haar niet alleen laten.
„Hilda, ga nou toch weg! Laat me nou maar stil. Ik wil toch nooit meer uit m’n bed komen, al bleef je hier honderd jaar zitten.”
„Je hoeft er ook niet uit te komen! Blijf maar eerst heerlijk wat uitrusten!”
„Weet je wat het is Hil? Ze hebben altijd tegen me gezegd van klein kind afaan: Eus, je zult wel gauw trouwen! je bent mooi, je zult makkelijk trouwen! En ik werd altijd geplaagd met iedereen, o! dat vervloekte plagen, dat je verbeelding al maar door opwindt, en zie je daarom moet ik nou zoo vreeselijk huilen! Ik heb in geen tien nachten geslapen, en gisteren, onder het dansen, dacht ik bij elken pas: „trouwen”, en dat heeft me, geloof ik, zoo vermoeid ....”
Hilda streelde zacht haar hand.
„Arm kindje! arm, arm kindje!”
Maar na een poos werd Eugénie weer onrustig. Met wilde handen begon ze opnieuw haar nachtkleed van boven open te trekken, en weer wou ze het bed uit.
Hilda hield haar tegen, angstig gespannen. Toen ging de deur open en mevrouw van Starren kwam binnen met Corona en achter haar de oude huisdokter en een lange blonde man, de dokter van het krankzinnigengesticht.
Hilda ging stil heen; de deur vlak tegenover stond aan, het was Edward’s kamer en ze ging binnen. Edward zat schuin op de tafel, vreeselijk zenuwachtig.
„Zou ze heusch gek worden? Hoe zou dat nou toch ineens zoo zijn gekomen?”
„Het is niet ineens gekomen! Het is heel langzaam, al deze jaren door, zachtjes aangeslopen ....”
Maar nu zweeg ze, luisterend. In de kamer daar tegenover klonk akelig snikken, en het doffe, lage geluid van een mannenstem. Toen was alles stil, en de doodsche stilte in huis viel plotseling beangstigend op hen neer. De achterdeur beneden sloeg toe met een zwaren slag, Hilda huiverde. Toen zag zij Corona en de beide doktoren de kamer uitkomen, ernstig, zwijgend. Zij liepen achter elkaar het portaal over naar mevrouw van Starren’s boudoir. Daar zouden zij consult houden.
„En zij is al de zesde! in dat éene jaar dat ik hier ben! Het zesde jonge meisje van onze kennissen dat deze soort ziekte krijgt!”
„’t Is waar! Hoe zou dat nou toch komen?”
„Het moet komen! Als je er ’n beetje aanleg voor hebt, moet zoo’n opvoeding en leven er toe lijden!”
„Hoe had ze dan anders moeten leven?”
„Ze had meubels moeten boenen, of den grond moeten omspitten, en bloemen kweeken, of sterrekunde leeren, of in een Kindergarten gaan, weet ik het, als ze maar iets gewerkt had en goed!”
„Waarom naaide ze dan ook niet wat meer? Ik heb het mama verleden nog hooren zeggen, dat ze h’r eigen onderlijfjes moest maken, met eigen gehaakte kantjes, net als Betty, maar ze wou niet.”
„Natuurlijk niet! Zoo iets is ook goed voor zoo’n gansje als Betty, maar geloof je dat een meisje met een vluggen geest, en sterke verbeelding, zooals Eugénie, er bevrediging in kan vinden, om daar dagen voor zich zelf te zitten pikken, aldoor met het gevoel, dat ze in een kwartier, precies dezelfde dingen, die ze maakt, heelemaal klaar kan koopen, nog mooier gewerkt en bijna voor ’t zelfde geld? Och kom!”
Maar opeens klonken fluisterstemmen, en voetstappen gingen voorbij. Het waren de dokters, die samen vertrokken. Corona stond voor Eugénie’s deur en Hilda greep haar beide handen met een beweging van angstig vragen.
„Wat denk je er van?”
„Misschien loopt het dezen keer nog al af. Maar ik voor mij zie het heel ernstig in. Ze moet absolute rust hebben, afzondering, liggen, en dokter van Meeuwen meende wel dat het dan na ’n paar maanden over zou zijn. Maar dan? Als ze dan hier weer terugkomt, wordt ze hopeloos wèer zoo! O! dat ellendige gemis aan evenwicht! De helft van m’n patiënten zijn slachtoffers van het overwerken en de andere helft van het overnietsdoen! Voor een poosje, toen ik je tante met Eugénie es bij Gladys ontmoette, zei ik al tegen mevrouw: „uw dochter ziet er slecht uit; ik geloof dat haar zenuwen veel geleden hebben. Kunt u haar niet hier of daar heenzenden? Ik bedoel geen pretbadplaats, maar ergens, waar ze wat te doen heeft, waar ze haar hart aan kan geven, waar ze zich voor iets in moet spannen!” „Och! wat zou ze kunnen doen?” zei je tante, „’k zou niet weten waar ze geschikt voor zou zijn! En ’t zal ook met haar zenuwen wel zoo’n vaart niet loopen.”
„Typisch!” zeide Hilda. „Zulke dames als tante zijn overtuigd dat ze ’n schitterende opvoeding aan haar meisjes hebben gegeven, maar als ’t er op aan komt, erkennen ze dood leuk dat ze nergens geschikt voor zijn.”
„Nergens!” zeide Corona peinzend. „En toch is het de drang van elke vrouw, waar iets in zit, om zich aan iets te geven. Al is het maar dat ze kousjes breien voor de negerkindertjes in de Congo: ze moeten iets doen! En natuurlijk, als ze geen voedsel krijgen voor dien drang, die op zich zelf toch zoo mooi is, gaan ze allerlei verkeerde dingen doen, kwaaltjes aankweeken, en emotietjes en gedachten opzoeken, die haar zenuwleven vermoorden!”
„En wat zal er nu gebeuren?”
„Dokter van Meeuwen zal dadelijk twee pleegzusters zenden. Ze moet zoo gauw mogelijk naar de Boschjes getransporteerd worden, en ik heb op me genomen om het alles even met je tante te regelen. Is ze hier?”
Corona ging binnen en Hilda keerde terug in Edward’s kamer, de deur open, om te luisteren.
Edward zat nog altijd op een punt van de tafel en slingerde zenuwachtig met zijn éene been op en neer. Mijnheer van Starren kwam even boven, erg onthutst, maar ging dadelijk weer weg, in een wrevelig verdenken, dat het maar kuurtjes waren. Corry was een poos geleden al naar mevrouw van Gaefden gereden, waar ze moest gaan lunchen. Zij geloofde ook au fond, dat al die drukte maar wat aanstellerij was van Eus.
Toen ritselden de zwarte mantels van twee pleegzusters door de stilte van het portaal, de deur van de ziekenkamer ging open, even met een naar klein gepiep, en toen, na een kort geruisch van sprekende stemmen was er een gil, die Hilda sidderend naar binnen joeg.
Eugénie lag worstelend op den grond, zich krampachtig aan het bed klemmend, terwijl de verpleegsters tevergeefs probeerden haar aan te kleeden.
„Wat is er lieveling? wees maar rustig. Huil maar, dat zal je goed doen! ....”
Hilda nam haar sussend in de armen en drukte haar warm tegen zich aan, in een passie van ontferming. En ’t was alsof de zieke zich plotseling veilig voelde in de omarming dier sterke jonge vrouw. Zachtjes snikkend liet ze nu toe dat men haar kousen en schoenen aantrok, en in een grooten mantel wikkelde, en Hilda steunde haar half dragend de trap af tot in het rijtuig, dat haar wegbracht met Corona en de beide zusters.
Daarop stonden zij zwijgend tegenover elkaar, in den gang, mevrouw van Starren en Hilda, en bittere woorden zwollen in haar op, tegen de deftige, door de wereld geëerde matrone, die haar kind had opgevoed tot deze ruïne.
Maar het was maar één oogenblik, toen vloog Hilda haar voorbij de trap op naar haar kamer: „het hoogste was immers om niet bitter te zijn maar rechtvaardig!”
En daar, neergevallen op den rand van haar bed, nog trillend van ontroering, gebroken door den aangrijpenden weemoed van dit verloren leven, zeide ze zacht voor zich heen:
„Vergeef het haar! Zij wist niet wat ze deed, toen zij haar dochters opvoedde! Maar de nieuwe vrouw zal anders over hare kinderen weten te waken!”
Hilda dwaalde lusteloos door het leege huis. Er was vanavond op het Kurhaus een Schumann-Concert; zij hadden er vroeger om gegeten en dadelijk na tafel waren mijnheer en mevrouw van Starren weggereden met Corry en von Görtzen, die „een culte” voor Schumann zei te hebben.
Hilda was alleen achtergebleven en liep rond door de stille kamers met een gevoel, dat haar ongewoon was, van niet te weten wat ze wilde doen. Ze had den geheelen dag hard gewerkt, wiskunde, en ze voelde zich wat moe om nog te gaan lezen. Ze verlangde naar buitenlucht, ze had wel naar ’t strand willen gaan, als het niet al te gek was geweest, op dit uur voor een meisje alleen. En rondslenterend van de eene kamer in de andere, dacht ze er aan hoe de gewone sleur van gedachtenloos voortleven, die een oogenblik door Eugénie’s onverwachte ziekte verstoord was geworden, nu alweer was teruggekeerd na zes en een halven dag!
De berichten uit de inrichting in de Boschjes waren goed: de freule mocht nog niemand zien, maar ze was rustig en at en sliep wat beter. En iedereen was nu gekalmeerd. Mevrouw van Starren vooral deed haar best om de zaak luchtigjes voor te stellen. Nu, met Corry’s bruiloft op handen, moesten de menschen niet denken dat er een ernstig ziektegeval in de familie was. „’t Was alleen maar wat oververmoeidheid,” zeide ze, „na al de drukten van Valéries huwelijk. Eus was ook altijd zoo consciëntieus in alles wat ze deed, en als bruidsmeisje had ze zich zeker wat veel ingespannen. Maar ernstig was ’t volstrekt niet.”
Hilda liep den tuin in, maar ze vond vanavond de perkjes vervelend klein en de schutting erg hoog; driemaal liep ze al de nette kiezelpaadjes door, maar toen kon ze het niet meer uithouden. Het was vreeselijk onbehoorlijk wat ze doen ging, maar in hemelsnaam, ze verlangde zoo naar lucht!
Ze vloog naar boven om hoed en handschoenen te halen en toen met groote vaste stappen, liep ze het Nassauplein af, de Laan Copes door, toen in het pontje het kanaal over, en den Waalsdorpschen weg op.
Alles was hier eenzaam op dit oogenblik, en hoe verder ze kwam, hoe rustiger ze ging, gelukkig als een oproerig kind, dat ontsnapt is aan zijn strafkamer.
Door een paadje dwars door het kreupelhout ging ze de duinen in. Wat was het mooi hier! Een zoete, sterke geur steeg op uit het eikenhout, en hier en daar waren kleine blanke duinpannen, omzoomd door helm, die zachtjes wuifde boven warm gekleurd mos, als blonde kinderharen, die golven over donker fluweelen kleedjes.
Hilda voelde zich blij. Het heidekind was in haar wakker, het was heerlijk haar jonge lichaam te strekken in die wijde eenzaamheid, en dan een poosje achterover te liggen, opziend naar de wolkjes boven, die de avondzon in gloed had gezet.
Hoe grappig toch, dat, wat ze nou deed, eigenlijk zoo iets heel verschrikkelijks was. O! als haar tante of mevrouw de Mureaux het eens wisten! Maar waarom begreep men dan toch ook niet dat een jonge vrouw, even goed als een jonge man, soms behoefte kan voelen aan beweging en lucht en vergezichten, en dat die behoefte niet altijd juist alleen komt, als men iemand ter begeleiding bij de hand heeft. Die goeie natuur had toch het meisje geen longen en beenen gegeven om ze alleen te gebruiken op een deftig gechaperonneerd wandelingetje of bij wat boodschappen in volle straten!
Wat was het dan anders in Amerika, waar toch zooveel van de ruwste, bedorvenste elementen uit het oude Europa zijn heen gestroomd, maar waar elke vrouw, zonder het minste gevaar voor haar reputatie, vrij en veilig kan gaan waarheen en wanneer zij wil. Wat was het hier toch eigenlijk vermoeiend met al die belemmeringen! en wat waren die belemmeringen ten slotte alleen maar een kwestie van vooroordeel en gewoonte!
Hilda liep voort in stille jubeling. Het blondgroene landschap was zoo vol mysterieuze bekoring bij deze avondverlichting. Maar toen stond ze ineens stil, luisterend met snelleren hartklop. Er werd ergens gepraat .... een mannenstem, die lachte! Wat voor menschen zouden hier zijn op dit oogenblik? Soldaten, die iets vergeten hadden, ’s morgens bij de exercitie .... of stroopers .... of ....? Ze luisterde scherp, meer ontroerd dan ze zich zelf wilde bekennen. De wind woei de klanken zachtjes naar haar toe .... het was dáár, achter dat boschje! Maar nu was er ook een vrouwenstem, een uitdagende, hooge lach. Waar had ze dien meer gehoord? En plotseling had ze vóór zich een paar lichte, brutale oogen en zwarte haren .... Ottilie van Heemeren? .... was het mogelijk dat het haar lachen was geweest?
Voorzichtig sloop Hilda tegen het duin op; daarachter moest een pan zijn, waaruit de stemmen kwamen, en zonder zich af te vragen of het ook gevaarlijk kon zijn, ging ze door het kreupelhout tot aan den rand van het duin, waar het met sterke glooiing een kleine diepte vormde.
En ja, het was Ottilie. Daar lag ze in het mollige zand, nog lauw warm van de zon, en naast haar zat Edward, over haar heen gebogen, haar rechterarm, waarvan hij de mouw had opgestroopt, kussend met wild gretige lippen. En zij lachte ....
Hilda zag toe, één seconde, toen rende ze het duintje af, wegvluchtend in razenden opstand.
„Eddy dus ook al, die goeie lobbes van ’n Eddy! Zoo’n jongentje nog! Wat heeft ze er aan, Til, om hèm ook al naar de diepte te halen! Maar ze kan het niet meer laten! Is het niet om bij te huilen, ’n vrouw met zoo’n rijken aanleg au fond? O! Corona had het in ’t voorjaar wel gezegd: als Ottilie nu de kracht niet heeft zich flink aan te grijpen en ’n omwenteling in haar leven te brengen, gaat ze onherroepelijk hoe langer hoe lager zinken! En zoo zou ze nou voortgaan, anderen bezoedelend, en op haar beurt bezoedeld wordend, anderen martelend en op haar beurt gemarteld wordend ....”
„Hoe vreeselijk! hoe vreeselijk!” herhaalde Hilda in een walging, die een oogenblik alles donker in haar maakte. „En zoo zijn er duizenden, millioenen, wel met allerlei nuancen en uiterlijke verschillen, maar in den grond van hetzelfde type. Overal zijn ze, in alle landstreken! in alle standen, waar men zich maar even de luxe kan permitteeren om de meisjes de traditioneele opvoeding van nietsdoen te geven! Want uit hartstocht wordt op deze wijze betrekkelijk zelden gezondigd, uit lediggang, en het daaruit geboren verlangen naar prikkeling, veel!”
Hilda liep driftig voort, in sterke physieke beweging rust zoekend na dezen schok. Eindelijk op een hoogen duintop, waar de zeewind koelte aanwoei, zette ze zich neer. Het beeld van Ottilie vervolgde haar, ’t was alsof er ergens een groote zwarte vlek was gevallen op het blank vredige van dit avonduur.
En terwijl zij daar neerzat, hoorde ze ineens als in een hallucinatie weer het hatelijke: „onvrouwelijk”, dat men haar den laatsten tijd in alle schakeeringen van toon had toegeroepen. „Wat een dwaasheid toch dat iedereen zich dadelijk zoo angstig maakte over onvrouwelijkheid, terwijl men onverschillig bleef bij zooveel vrouwen-onwaardigheid, als daar was in de wereld!”
En met groote duidelijkheid rees toen weer plotseling het moment voor haar op, nu acht dagen geleden, op het bal bij de Vermaezens, toen ze, wachtend op Maarten, alles om zich heen rustig had zitten opnemen. Daar stond weer Valérie, in bestudeerde achteloosheid tegen den muur geleund, het gouden haar, onder den lichtarm vlak boven haar hoofd, waasde om het kopje als zondoorgloeide wolkjes, de volle roode lippen waren geopend van opwinding, die haar adem sneller deed gaan. Zij was heel mooi zoo, en van Gaefden zag haar aan, trotsch glimlachend, want het is streelend voor ijdelheid zich de toekomstige bezitter van zooveel moois te voelen. Maar Valérie stond half van hem afgewend, haar oogen lachten tegen een jongen zeeofficier, die zich door de rondwandelende paren heen, naar haar toedrong.
De muziek begon weer: een wals. Daar was hij, een buiging heel diep en eerbiedig, toen een beweging nonchalant familjaar, de arm om haar middel, ’n paar fluisterwoorden, die haar erg deden lachen, met ’n onwillekeurig even omzien naar van Gaefden, en daar zweefden ze heen, jong, slank, sierlijk in hun omstrengeling .... en toch .... Daar kwamen ze aan, vlak langs Hilda, Valérie’s arm lag blank en week op de donkere uniform, en haar oogen waren wijd open van opwinding. Wat ’n prachtige bacchante zou men van haar hebben kunnen maken! En wilder sleepten de tonen hen voort en vager werd haar blik en de jonge officier greep haar sterker vast, en boog zich over haar heen, daar waren ze weer, vlak bij Hilda, en zij verstond wat er gezegd werd en .... walgde. Maar Valérie danste lachend en blozend voort, haar goudvlokkige haren fladderden op tegen het gezicht van haar danseur en zijn gloeiende adem was op haar voorhoofd.
Bah! Dit waren dan de toekomstvrouwen, die staan zouden te midden der woelingen die naderden? Het volgend jaar zou Valérie misschien al een kindje in haar armen houden en dit was haar voorbereiding geweest!