Part 31
En Hilda zat te midden van dit alles, pijnlijk gewond, maar zich dwingend om kalm te blijven. Wat ging haar dit leven eigenlijk aan? Die menschen hier spraken niet van haar en haar mooie plan, zooals zij het zich voorstelde; zij hadden het over dat afgezaagde Fliegende Blätter-type van de geëmancipeerde vrouw, dat ouderwetsche basbleu-type, dat haast tot de legenden gaat behooren.
Maar in dit zelfde oogenblik, onder de pijniging van het spotgesuis om haar heen, leerde Hilda ook plotseling begrijpen, hoe de pioniersters der vrouwenbeweging, zij die het eerst, de door traditie en vooroordeel afgebakende banen hebben verlaten, soms zooveel aanleiding hebben kunnen geven, om zonderling en antipathiek te worden gevonden. Want er behoort een beetje het gemoed van een heilige toe om niet bitter, maar beminnelijk en waardig te blijven als men onophoudelijk omringd is, in het huisgezin en in het publiek, van tegenwerking en afkeuring, als men uitgelachen wordt door de vrouwen, met wie men is opgegroeid en door de mannen als een abnormaal wezen wordt behandeld, als men voortdurend ontmoedigd wordt bij dezelfde studies, waarbij men den man aanmoedigt, als men met de grootste moeite zich toegang moet verschaffen tot onderwijsinrichtingen en werkplaatsen, die voor elken man, zelfs den minst begaafden openstaan. En dit alles hadden die vroegere vrouwen moeten doorworstelen, strijdend tegen een vooroordeel, een onwil waar wij ons nu zelfs geen voorstelling meer van kunnen maken. Geen wonder dat velen van haar treurige typen werden, vol tegenstrijdigheden. Dikwijls werden zij mannenhaatsters—helaas, haar ondervinding leerde haar den man toen nog maar al te dikwijls als vijandig kennen—en toch was haar hoogste streven om hem in alles na te doen. Men had haar immers zoo tot in ’t oneindige voorgehouden dat hij de meerdere was, dat hem de eerste plaats toekwam en de rechten en de vrijheid, dat daardoor als vanzelf bij haar de overtuiging ontstaan moest, dat alles gewonnen zou zijn, als zij maar zoo veel mogelijk, in alle opzichten, op dien benijdbare kon gaan gelijken!
Toen kreeg men een oogenblik dat soort van ruwe vrouwen in mannenkleeren, die het verschil der geslachten trachtten te ontkennen en laag neerzagen op netheid en orde en zachtheid, omdat dat vroeger speciaal vrouwelijke deugden werden genoemd. Het waren arme, onevenwichtige individuen, zooals elke overgangsperiode ze voortbrengt, vol goede bedoelingen en enthousiasme, maar zonder kracht nog om haar eigen leven, in harmonie met haar nieuwe denkbeelden, tot iets moois te maken. En de wereld, die dom is in het begrijpen der oorzaken, als zij die vrouwen zag gaan, zeide dat het de wetenschap en de vrijheid waren, die zoo het bekoorlijke in haar verwoest hadden, zonder te bedenken, dat het veeleer de miskenning, de tegenkanting, de wreedheid der menschen waren en de daardoor, uit reactie geboren zelfoverschatting, die dit kwaad hadden uitgericht.
Maar die tijden waren nu immers voorbij! De moderne vrouw weet nu dat haar kracht niet ligt in nadoen, maar in volkomen zich zelf durven zijn! Zij eischt niet meer de rechten van den man, in een kinderachtig „ook willen hebben wat een ander heeft!” Zij eischt haar eigen rechten, omdat zij zich mondig en verantwoordelijk begint te voelen. Zij weet dat er moreel en physiek een groot onderscheid tusschen den man en de vrouw bestaat, en dat dit juist het leven rijk maakt en vol kleur, en juist daarom eischt zij meer vrijheid voor zich zelf om naar eigen aandrang haar weg te mogen kiezen, overtuigd dat het verschil der geslachten te wezenlijk is, om nog, tot kunstmatige instandhouding daarvan, verouderde scheidsmuren noodig te hebben. Zij zal haar dochters opvoeden tot waarachtige vrouwen en haar zonen tot waarachtige mannen, niet door hen voortdurend in te prenten: dit gaat niet voor een meisje, dat hoort zoo voor een jongen, maar door beiden hun eigenaardige gaven in volheid te laten ontwikkelen, en dan zal ze hen samen de wereld in zenden om naast elkaar te arbeiden.
Met strakke klaarheid was dit alles plotseling voor Hilda’s geest opgegaan, pijlsnel had ze het op eenmaal overzien en begrepen.
„Freule, mag ik u het eerste kistje sigaren aanbieden, zoodra u aan het rooken begint?” riep van Smaarth. „Maar ik zou u aanraden niet vóór den herfst te beginnen, vóór er zure appels zijn.”
Betty de Mureaux viel in met een eindeloos gegiegel.
„Zie je nou wel dat iedereen het gek van je vindt!” zeide mevrouw van Starren zegevierend.
Zij stonden nu allen op van tafel en slenterden den tuin in, waar de koffie gediend werd. Mijnheer van Starren bleef even achter met von Görtzen om een sigaar op te steken:
„’t Geeft je niks, Ferdinand, of je haar nog zoo plaagt. Ze hoort tot de dwepers, die loopen liever hun hoofd te pletter dan hun idees op te geven.”
Von Görtzen lachte met een klein schouderophalen:
„Wie weet?”
Toen ging hij weer bij de dames en sarrend begon hij op nieuw:
„Liebes Hildchen, zul je me waarschuwen als je mannenhaatster gaat worden? Dan zorg ik ’n beetje uit de buurt te blijven.”
Corry steunde hem dadelijk met haar hoog kirrend lachje.
Van Smaarth kwam vlak bij haar staan en met impertinente ironie:
„Zult u mij ook waarschuwen, freule? Dan verlaat ik onmiddellijk het land! In dezen dynamiettijd zou ik erg bang zijn .... toe, zult u mij sparen?”
Hilda kon niet antwoorden door dit lachgedruisch heen, en haar onmacht beklemde haar een oogenblik. Maar wat zou ze ook antwoorden? Deze menschen zouden haar toch niet verstaan, als zij hen zeide hoe absurd het was, mannenhaat te verwachten bij haar, die zulk een vader had gehad! En evenmin zouden zij haar begrijpen, als zij er hen op wijzen wilde hoe onbillijk het toch van de wereld was om altijd de vrouw te bespotten, die, verbitterd door treurige ervaringen mannenhaatster is geworden, terwijl men aandachtig luistert naar den man die, verbitterd door even treurige ondervindingen, vrouwenhater werd. Van af sommige oude klassieke schrijvers en kerkvaders tot Schopenhauer [15] en Strindberg toe, zijn er altijd mannen geweest, die de vrouw hebben gegeeseld, omdat zij enkelen harer hadden leeren verachten, en natuurlijk staan daar tegenover even zooveel vrouwen, die, om het leed, haar door enkelen aangedaan, den man hebben leeren vloeken. O! Haten was altijd, bij wie het ook deed, een bewijs van eenzijdigheid en bekrompenheid, een bewijs dat er niet diep genoeg was doorgedacht om te hebben begrepen, maar niemand mocht vergeten, dat er, voor wie veel geleden heeft, ook veel verontschuldiging is!
„Zie je wel, Hilda, dat de heele wereld je zal uitlachen,” proestte Corry.
Misschien vindt de freule dat wel aardig; zoo’n martelaarskroontje flatteert wel ....”
Het was een echte fou-rire geworden, een aanstekelijke zenuwlach, die hen allen liet schudden om hun eigen geestigheid. Maar het pijnlijkst sarrend klonk het hooge gelach van de drie meisjes.
Hilda zag rond, trillend onder de terging, en een oogenblik steeg er woede in haar op. Maar toen, plotseling kwam er een vreemd teeder gevoel van namelooze weemoed over haar, een intens besef hoe erbarmelijk dom zulk lachen was.
Toen richtte ze zich op, met bevende lippen, tragisch, en ineens met een groote stem, warm van emotie, overheerschte ze al deze geluiden van spot:
„O! ga je gang maar! arme meisjes! Denk je dat ik de desolatie van jullie leeg, zenuwachtig leven niet ken? Voel jullie dan niet dat heel je bestaan kan worden samengevat in deze twee huiverige woorden: Wachten en betreuren! Eerst wachten op een huwelijk, dat in deze tijden voor velen van ons nooit komen zal en wachtend je zoowat amuseeren tot de vermindering van succes je zegt om je terug te trekken, en dan betreuren en verlangend terugzien op die verloren fladderjaren, die de rijkste van je leven hadden kunnen zijn. Daar, dat is jullie heele bestaan! En lach me maar gerust uit, dat ik het mijne anders wil gebruiken. Jullie gelag zal de nieuwe gedachten niet overschreeuwen! zij zitten in het bloed van dezen tijd! Het jonge geslacht zal ze kennen zonder ze geleerd te hebben! Het nadert, het ontwaken! Wat doet het er toe of jullie spottend en verwonderd wilt achterblijven? Wij zullen voortgaan waar de Tijdgeest ons roept. O! lach jullie maar, ik heb medelijden met jullie! en daarom kan je gelach me niet boos maken ....”
Maar met een schok hield ze op, heel bleek met strakke oogen. In de veranda, op den drempel stond Maarten van Hervoren, en hun blikken ontmoetten elkaar in groote ontroering. Hilda was altijd een lieve, elegante verschijning, maar als zij zich opwond in haar eigen gedachten, en de groote klare oogen verdonkerden zich, opfonkelend in bezieling, was er een pathos in haar, ging er een bekoring van haar uit, die de mooiste vrouw met een arm zieleleven nooit kan bezitten.
Maarten stond getroffen en bij het elkaar onverwacht ontmoeten van hun blikken was er een duizeling van weelde in hen beiden.
Een oogenblik was het maar, toen raakte ze verward, niet begrijpend ineens hoe ze daar zoo heftig had durven staan spreken, tusschen al die vijandige gezichten, en wat Maarten daar zoo in eens kwam doen, en met een schuwheid, waar ze later woedend over was, vluchtte ze hem voorbij, de kamer in en naar boven.
Het stuipachtig dolle gelach der anderen had langzaam opgehouden, verkild in de plechtigheid van Hilda’s woorden, en zwijgend, onhandig stonden ze nu bij elkaar.
„Mevrouw, ik hoop niet dat ik u stoor? De knecht zei me, dat ik u in den tuin zou vinden. Ik kom direkt van Vreugdhof met ’n lijstje benoodigdheden, die de freule Eugénie me dringend heeft gevraagd om dadelijk mee terug te brengen. Ze zijn aan het repeteeren van den cotillon voor vanavond, maar er kwam nog allerlei te kort.”
„O! geeft u mij ’t lijstje maar!” zeide Corry. „Laat es zien? Tien meter rood tarlatan, spelden, twee vel goudpapier ....” mompelend las ze even voort en holde toen weg, om alles klaar te maken.
„U kwam juist in op de speech van de freule van Suylenburg, niet waar?” lachte Betty.
„Was de freule aan ’t speechen?”
Er was bij sommigen een oogenblik van aarzelen. Maarten’s reputatie van politiek verschrikkelijk rood zijn, maakte von Görtzen en van Smaarth wantrouwend om het gesprek in zijn bijzijn voort te zetten.
Maar Mathilde van de Bransen was vol opgewonden bereidwilligheid om inlichtingen te geven:
„Ja, hebt u ’t niet gehoord? We hadden haar ’n beetje geplaagd .... o! we hebben ons ziek gelachen, omdat ze advocaat wil worden, en toen hield ze ’n woedende speech.”
„Advocaat?”
„Ja, wat ’n idee, he?”
„Miserabel!” zeide von Görtzen. „Waar moet het heen als meisjes uit onze kringen zoo’n voorbeeld gaan geven? Ze zullen al haar bekoorlijkheid gaan verliezen, en wat dan? ’t is horrible.”
Maarten lachte ironisch:
„Nou, bekoorlijk zullen ze wel altijd blijven, ’t zou alleen kunnen zijn, dat ze zich ’n beetje minder moeite gingen geven om ons te willen bekoren! Maar tot dusver heb ik juist dikwijls gevonden, dat vrouwen, die zich hadden aangepakt, bijzonder aantrekkelijk waren. En kom, von Görtzen, laten we het ook maar niet zoo veel beter willen weten dan de natuur, die de vrouw net zoo goed hersenen als handen heeft gegeven, toch om ze te gebruiken, veronderstel ik. Waarom zou de provisiekamer, de keuken en het salon nou eigenlijk zooveel betere kweekplaats van bekoorlijkheid zijn dan de studeerkamer? Het is ’n beetje onlogisch om te denken dat intelligentiewerk den man zou veredelen en de vrouw zou doen ontaarden.”
„Nou, ik vind het dan toch maar allesbehalve aantrekkelijk zoo’n basbleu met inkt aan haar vingers ....”
„Daar zijn we ’t over eens, handen moeten gewasschen worden, maar hoe denk je over rooie gesprongen handjes door ’t opdoen van de wasch?”
Op dit oogenblik kwam Corry terug.
„Alles is in uw rijtuig, mijnheer van Hervoren, alles wat op ’t lijstje stond, is er.”
„Freule, ik dank u zeer.”
Maarten ging heen, maar mevrouw van Starren zag hem na met een lach van boosaardigheid:
„Ik wensch hem van harte toe, dat ie nog es ’n vrouw krijgt, die haar kindertjes ba ba leert zeggen in ’t Grieksch.”
Allen proestten het uit, maar in hun schateren was iets gedwongens, het wilde niet vol meer klinken, er was een barstje in de stemming gekomen, en zij bleven in den tuin doelloos om elkaar heen drentelen, tot het ook voor hen tijd was om naar Vreugdhof te rijden.
Maarten stond beneden aan het hooge terras, waar de rijtuigen vóór reden en hielp de dames uitstijgen. Eerst kwam de groote landauer met mevrouw van Starren en Corry en von Görtzen en van Smaarth en vlak daarachter de coupé met Betty en Mathilde en Hilda.
„Hebt u nog dansen, freule?”
Hilda glimlachte en gaf Maarten haar balkaartje. Het souper en de twee dansen daarvóór waren nog open.
„Mag ik die alle drie hebben?”
Zij knikte, blij dat hij zoo onbehoorlijk veel durfde vragen, en ging toen de trappen op van het terras, naar de balzaal, aan den arm van Charles Pankaert, die den eersten dans van haar had en al op haar had staan wachten.
Het was alles mooi als een sprookje in huis: de vestibule en de lange gangen met donker dennengroen en lichte art-muslins versierd, vroolijk als een reusachtig meisjesboudoir, en de balzaal, zuiver empire, alles wit en goud, vol bloemen en palmen en honderden waskaarslichten. Chrysanthen en rozen, Valérie’s lievelingsbloemen, waren overal aangebracht; zij klommen langs de wanden en hingen af van de luchters, omlijstten de deuren, stonden hoog op tegen het palmengroen achter de sofas, en weerkaatsten zich in groote Japansche vazen in de spiegels der hoeken.
Hilda was opgetogen. Alles wat er artistieks in haar was, ontroerde bij deze geurende feeërie. De oude betoovering van den vorigen winter was weer over haar, maar een beetje anders nu toch; ze genoot er van, maar met open oogen, niet meer bedwelmd.
„Hoe mooi!” zeide ze zacht.
„Ja, prachtig.”
Zij wandelden verder, Charles druk pratend, maar zij luisterde niet. Ze vond hem vervelend, hij had een ironische hoffelijkheid, die haar niet op haar gemak maakte, een manier om neerbuigend over „de dames”, „dames-smaken” en „dames-gewoonten” te praten, die haar ergerde, vooral als ze aan die twee stille vrouwen dacht, op het bovenhuisje in de van Speykstraat.
De avondlucht, zoel vochtig, zware geuren meedragend van late zomerbloemen en gevallen blâren stroomde binnen door de vijf wijd opengeslagen deuren, die op een balkon uitkwamen, dat met breede trappen, naar beneden, naar het park voerde.
En heerlijk lui onderging Hilda al deze weelde-indrukken van licht en vroolijkheid. Ze voelde zich bijkomen van de schokkende emotie van die scène straks, na het eten. De opstand, die nog lang in haar had nagebruist, begon zachtjes weg te zakken, ze voelde zich onbezorgd worden, ontheven van dat drukkende verantwoordelijkheidsbesef van ergens voor te moeten strijden, en met een verstrooiden glimlach liep ze mee, prettig voortsoesend, in de glanzende rijen.
En toen begon de muziek, en het rythmisch bewegen. Ze danste gaarne en ze deed het goed en vanavond was zij er juist in een stemming voor.
In de quadrille d’honneur der beide bruidsparen zouden Hilda met van Smaarth en Corry met von Görtzen vis à vis zijn. Het was al lang afgesproken, en er was niets aan te veranderen, maar, na het geterg der anderen en haar eigen heftigheid van straks, vond Hilda het wel heel vervelend, toen het oogenblik gekomen was om de carrés te vormen.
„Nun Hildchen? Dit is toch ’n betere plaats voor jonge dames dan de collegekamer? Vindt je zelf niet dat dansen ’n vrouwelijker werkje is dan wetten inpompen?”
Sarrend fluisterde von Görtzen het haar toe, terwijl zij diep voor elkaâr bogen. Zij antwoordde niet, naar haar plaats terug gevoerd vóór ze iets kon zeggen, maar ze zag hoe hij aan den overkant even Corry iets toefluisterde en hoe zij toen beiden giegelend haar van het hoofd tot de voeten opnamen.
Toen was het zorgeloos genieten ineens weer voorbij. De blije stemming van al het mooie om haar heen was weg, ze voelde weer het vermoeiende van zich te moeten verdedigen, en in een pijnlijk ontwaken zag ze rond op al die bewegende figuren.
Was het niet een parodie op den ernst der tijden, zoo vol leed en getwijfel en met geweldige stormen aanbruisende van beneden uit de diepten van het volk, om de feestzaal de eigenlijke plaats voor het jonge meisje te noemen? Afleiding en pretzoeken de voornaamste bezigheid van de aanstaande moeders van een nieuw geslacht? Allons donc! O! het meerendeel van de menschen hier, beschouwde het nog zoo, maar wat was dan daarvan ook het resultaat? Dat de meesten dezer schepseltjes zich verbeeldden echt vrouwelijk te zijn, omdat zij zich goed kleedden, en lief glimlachten en koketteerden met zachte stemmetjes in vreemde talen, en zelfs geen begrip hadden van wat een echte vrouw zijn kan en moet!
Sommigen harer waren heel bekoorlijk, zeker, en vrouwenbekoorlijkheid kan zijn als ’n zonnestraal, koesterend, levenwekkend, maar wanneer zij niet gelouterd is door ernstige levensopvatting is ze als ’n dwaallichtje, dat danst boven vergiftuitdampende moerassen en domme menschen verwarren die beiden soms, en noemen zonnestraal en dwaallichtje bij denzelfden naam!
En wat zouden al deze meisjes eens voor hare omgeving beteekenen? Er waren er hier bijeen uit alle steden van het land! Bijna allen behoorden tot de invloedrijkste families, bijna allen hadden fortuin en sommigen waren door de natuur mild genoeg begaafd. Zij zouden een geweldige macht ten goede hebben kunnen zijn. Elke beweging om de wereld een beetje beter en mooier te maken zou in haar een enthousiaste voorspraak hebben moeten vinden, maar hoe weinigen van deze allen voelden hare verantwoordelijkheid! Haar krachten gingen immers onder in versnippering en zelfzuchtige amusementenjacht! O! zonder twijfel, mooiheid, en vreugde en feestelijkheid in verfijnd artistieken vorm, zijn noodig in elk harmonisch leven, even noodig als voeding en arbeid. Maar waarom wisten de menschen nog altijd niet, dat het op evenwicht aan komt! Daar buiten, duizenden, in wier leven nog bijna nooit een vreugdezonnestraal valt, en hier binnen, zoo velen in wie het beste gedood was door uitsluitend feestvieren! Was feestgenot niet als suikergoed in een kinderleven: blijdschap als het van tijd tot tijd wordt gegeven, bederf en ziekte als het in overvloed wordt gebruikt!
De quadrille was uit en Hilda zat alleen op de sofa in een der hoeken. Ze had er op aangedrongen dat van Smaarth, Eugénie, met wie hij dezen dans had, niet zou laten wachten: „ze kon best even alleen blijven, mijnheer van Hervoren zou wel zoo dadelijk komen.”
Maar Maarten bleef lang weg en ze begon zich te verwonderen. Toen zag ze hem ineens naderen, vlug, voorzichtig, tusschen de dansende paren.
„O! freule, hoe naar, dat ik u heb laten wachten ....”
Zij keek naar hem op, glimlachend, maar toen merkte ze dat hij sterk ontroerd was.
„Wat is er?”
„Ik heb juist ’n telegram gekregen. In Chemnitz, in één van de fabrieken, waar de onze veel zaken mee doet, is vóór ’n paar dagen een ontzettende werkstaking uitgebroken. De meeste arbeiders zijn socialisten en gedragen zich heel rustig en goed, maar ’n opgewonden jongen van achttien jaar heeft gisteravond den fabrikant ergens opgewacht en dood geslagen, en nou is er geweldige gisting.”
„O! mijn God!”
Huiverend stond zij naast hem. Het was haar plotseling duizelig, alsof al het feestelijk mooie om haar heen maar een vertooning was, een stuk dat men opvoerde, en dat het reëele leven dát was, van daarginds, vol ellende, verbittering, misdaad.
„Laten we naar buiten gaan!”
Hij knikte en gaf haar zijn arm, en zij drongen door de rythmisch slingerende golving der dansers en stonden op het balkon. In een onbewuste beweging van gewoonte stak Maarten zijn sigaar op.
„Kijk, hoe ze dansen!” zeide Hilda zacht. „Zulke menschen hebben alles vóór om zich te ontwikkelen en waarachtig superieur te worden en een zegen te zijn, maar ze dansen liever .... altijd maar door .... op een vulkaan ....”
Maarten hoorde eerst alleen haar stem, die hij mooi vond, maar haar laatste woorden verstond hij, en toen keerde ook onmiddellijk zijn aandacht weer volkomen tot haar terug. Hij wierp zijn sigaar weg:
„Is het waar, dat u advocaat wilt worden?”
„Ja.”
„Waarom? .... Den meesten advocaten is het niet te doen om te zien wat recht is, maar om hun client recht te bezorgen! Ik zou het jammer vinden als vrouwen zich ook met zulke dingen gingen bezoedelen.”
„Mij is het te doen,” zeide ze eenvoudig, „om onze wetten goed te leeren kennen, en dan met kennis van zaken te protesteeren tegen het verouderde, het onrecht er in, en al de zwakken te helpen. Er zijn nu in den blinddoek van Themis veel verraderlijke gaatjes, en ik weet wel, dat ik maar ’n heel gewoon meisje ben, zonder veel gave of macht, maar ik zal er mijn leven aan wijden, om die gaatjes, al waren ’t er maar een paar, toe te maken!”
Hij zag haar aan met een langen peinzenden blik, die haar verlegen maakte. Hij dacht na hoe dit mooie blonde kind in haar sierlijk witte kleedje in deze omgeving tot zoo’n besluit had kunnen komen. Toen zeide hij ineens met die weeke emotie, die een krachtigen man zoo boeiend kan maken in de oogen eener vrouw:
„De eerste opera die ik ooit gehoord heb, was de Tannhäuser, met mijn moeder, te Bayreuth, in den tijd, toen we nog rijk waren. En als Tannhäuser dan zijn ontzettende zonde bekend heeft, bedekken al de edelvrouwen haar gelaat met handen en sluiers en vluchten weg, verschrikt en verontwaardigd. Slechts Elisabeth blijft, alleen tusschen de toornige mannen, en beschermt den vreeselijken zondaar, en vraagt boetedoening in plaats van vergelding! En toen zei m’n moeder, ik zal het nooit vergeten: „Die vrouwen, die daar zoo hoogst fatsoenlijk zijn weggevlucht zullen Elisabeth wel erg onordentelijk, misschien wel onvrouwelijk hebben gevonden, want zij was de eenige geëmancipeerde onder haar, die in plaats van de traditioneele braafheid vrij haar geweten en hart durfde volgen, maar zij was dan ook de eenige van wie redding en loutering uitging!”
Hilda zag naar hem op met haar jong stralenden glimlach, maar toen ineens waren haar oogen vol tranen. Het greep haar aan, met een trilling van geluk dat hij haar had begrepen en haar plan goed vond.
Zij stonden nu naast elkaar en zagen op het park neer en iets van den mystieken vrede van het avondlandschap drong door in hunne ziel.
„Had hij kinderen?” vroeg ze zacht.
„Wie?”
„Die fabrikant die vermoord is?”
„Ja, een vrouw en twee kleine kinderen, maar de jonge moordenaar heeft een gebrekkige ouwe grootmoeder, en twee ziekelijke zusjes van vijf en zes, die hij onderhield!”
Hilda huiverde weer.
„Was ie goed voor z’n volk?”
Hij schudde het hoofd.
„En z’n vrouw?”
„Och ja, ze waren niet kwaad. Ze gaven wel de kleeren die ze afgedragen hadden, en soms wat geld, maar zij had ’t te druk met h’r huishouden en hij met z’n zaken, ze hadden geen tijd om aan de ellende om zich heen te denken!”
Hij zeide het heel eenvoudig, maar Hilda verstond de bitterheid.
„Zal hij zwaar gestraft worden, die jongen?”
„Ik denk het wel! Al de magistraten van Europa leeren geschiedenis, d.w.z. ’n hoop data en koningsnamen, maar van de lessen der wereldgeschiedenis hebben de meesten van hen niets verstaan. Zulke gevallen worden allemaal als op zich zelf staande misdaden beschouwd en gestraft; van de ellende en verbittering waarin zoo’n jongen van kind afaan is opgegroeid, hebben ze geen besef, en ze begrijpen ook maar niet, dat zoolang ze de schreeuwende misstanden, waaruit deze gruwelen voortkomen, niet verbeteren, het niets geeft, om van tijd tot tijd, als het tot een uitbarsting is gekomen, een stuk of wat menschen te guillotineeren of levenslang op te sluiten! Wat helpt het om de giftige champignons van tijd tot tijd weg te schoffelen, als je den mesthoop, waarop ze groeien, niet wegruimt!”
Zachtjes, bijna schuw, legde ze haar hand op zijn arm, en toen snel sprekend, half verlegen, half plechtig, zeide ze: