Part 30
Met haar beide handen sloeg ze wild op de toetsen, die het uitschreeuwden met een valsch gekerm. Toen bleef ze bleek en moedeloos een oogenblik stil zitten. Hilda zag naar haar op, een beetje verschrikt, maar toen kwam Corry ineens binnengehold, heel zenuwachtig!
„Gut meisjes, luister es! Hij is tòch gekomen! Hij is binnen bij papa! Boven aan het raam zag ik hem juist uit het rijtuig stappen! O! ik ben zoo blij! Voel mijn handen es, Eus, ijskoud hê? O! als papa nou maar niet raar doet ....”
„Wie bedoel je?” riep Hilda gespannen.
„Von Görtzen natuurlijk!”
„Natuurlijk!” zeide Eugénie, langzaam, heel droog zoodat niemand recht kon begrijpen of het ernst was of ironie! „Natuurlijk is het von Görtzen, en niet Rooselaar. Welk meisje van dezen tijd gelooft nou nog aan liefde? Een kroontje en vooral een geldzakje! Dat zijn de idealen voor de teedere meisjesharten uit onze wereld.”
„Eus, zeur nou niet!” zeide Corry driftig.
Hilda keek weer in haar boek: En eergisteren was ze nog zoo lief tegen Rooselaar geweest!
„Had hij je gezegd dat ie komen zou?” vroeg Eugénie.
„Ja, gisteravond bij Gladys zei hij wel zoo iets, maar hij had al zoo dikwijls allerlei dingetjes gezegd, dat ik er toch maar half op rekende.”
Toen zwegen zij, gespannen. Corry liep rond, bijtend op haar kanten zakdoekje, geen minuut stil, radeloos nerveus en Eugénie vanaf haar pianokrukje, zat haar somber aan te staren.
„Freule Corry, mijnheer laat vragen of u even bij hem wilt komen,” zeide de knecht.
„Heel goed, Johan.”
Toen, kalm ineens, met die plotselinge zelfbeheersching die men soms bij de meest zenuwachtige vrouwen vindt, stond Corry op uit de chaise longue, waarin ze zich de laatste minuten gewenteld had. De bewegingen van haar elegant figuurtje hadden plotseling iets verstijfds, er was iets deftigs over haar gekomen in dit éene oogenblik. Even ging zij voor den spiegel en streek de donkerblonde kroesjes een beetje terug van het voorhoofd, en toen, hoog opgericht met vaste langzame stappen, ging ze de kamer uit, haar vroolijke kinderoogen heel koel nu, met den strakken blik van eerzucht, waarmee ze voortaan, het leven door zou gaan.
Hilda zuchtte een zwaren zucht en Eugénie begon haar stuk weer van voren af aan.
Maar de moeielijke passage mislukte nu volkomen. Hardnekkig begon ze op nieuw, altijd maar weer op nieuw. Eindelijk ging het een paar maal goed, maar toen was het weer totaal mis.
Woedend smeet ze het boek dicht, sloot de piano en kwam vlak voor Hilda staan.
„Geloof jij nou dat kunst veredelt?”
„Ja zeker.”
Hilda zag op, glimlachend om de naïeve gewetensvraag die zoo onverwachts op haar werd neergeslingerd. Maar sinds haar explicatie samen over Cranz, deed Eugénie telkens zulke vragen. Zij was voortdurend heel lief tegen haar, maar behandelde haar nu ook ineens als een soort orakel waarvan zij op alles, wijze antwoorden wilde ontvangen.
„Nou ja, het wordt altijd wel gezegd, maar zou het waar zijn?” drong zij aan.
Hilda verliet haar makkelijke houding van lezen.
„Ja zeker!” zeide ze warm. „Kunst, tenminste voor ons dilettanten, beteekent eigenlijk: heel groote liefde voor alles wat mooi is! En het mooie en het goede, het edele, zijn immers au fond hetzelfde? Kunst ontwikkelt, wekt in ons op het gevoel voor het mooie, onze behoefte er aan, ons verlangen er naar, en juist dat verlangen werkt veredelend. Want mooiheid in lijnen en vormen, en klanken en kleuren en woorden noemen wij Kunst, en mooiheid in gedachten en gevoelens en daden noemen wij Deugd! en daarom zijn deugd en kunst ten slotte eigenlijk voor wie het leven rijk en breed willen opvatten, twee woorden met éénzelfde beteekenis, d.i. Liefde tot Volmaaktheid. Daar waar goedheid en schoonheid dan ook als heel aparte dingen worden beschouwd, krijg je altijd onsympathiek eenzijdige wezens; daar krijg je òf een type van dorheid en koû, en bekrompen braafheid, bij wie kunst als iets vijandigs, zondigs wordt beschouwd, in wiens nabijheid men zich schaamt te lachen of een bloem en een zonnigen hemel te bewonderen, òf wel een even akelig type van menschen, vol holle phrasetjes over kunst, die hun huizen met artistieke lapjes en prulletjes mooi maken en zuchten van aesthetisch gevoel, maar hun innerlijke leven arm en leelijk laten! En beiden zijn even ver van een waarachtig edel menschtype verwijderd. Want levensharmonie wordt alleen daàr geboren, waar mooiheid in alle dingen, zoowel in die van het inwendige als in die van het uitwendige leven wordt gezocht, m.a.w. dáár, waar men schoonheid en goedheid liefheeft, als één begrip.”
Eugénie had met nieuwsgierige aandacht naar deze, voor haar nieuwe gedachte geluisterd. Maar toen werd ze ongeduldig ineens:
„Nou ja, je vat alles ook altijd zoo zwaar op. Natuurlijk veredelt liefde voor echte prachtige kunst. Ik heb ook wel es bij mooie muziek en mooie schilderijen ’n gevoel gekregen, dat er nog wat hoogers in de wereld was om over te denken, dan onze gewone koetjes-en-kalfjespraatjes en dat doet je altijd wel goed, maar ik bedoelde straks meer, het pianospelen en schilderen dat wij zoo doen, wij meisjes ....”
Hilda lachte even:
„Nou zie je, of jij nou nog zoo vlug loopjes kunt maken en al schildert Corry een millioen vierkante lapjes met landschappen en stillevens, ik geloof heusch niet, dat jullie daar een kriezel edeler of gelukkiger door zult worden! Maar dat kun je ook eigenlijk geen kunst noemen.”
„Vind je het dan eigenlijk nonsens?”
Hilda was op het punt om uit den grond van haar hart ja te zeggen, denkend aan al die ontelbare uren, die aan zooveel interessanter vruchtbaarder werk hadden kunnen worden besteed en geen ander resultaat hadden gehad, dan wat slecht schilderwerk van Corry en van Eugénie dit brillante, onbeduidende spel. Maar zij bedacht zich en antwoordde voorzichtig, zoekend naar woorden die duidelijk zouden zeggen wat zij al zoo lang in stilte had gevoeld:
„Ja eerlijk gezegd, geloof ik wel dat al dat dilettantische kunstgedoe meestal erge nonsens is! Maar het hangt er heelemaal van af hoe je het opvat: als de dilettanten hun kunstbeoefening wilden gebruiken als middel om zich zelf te ontwikkelen en hun rusturen mooi te maken zou het uitstekend zijn. Muziekmaken, vooral zingen, oefent het gehoor, versterkt de muzikale intelligentie, en het vermogen om de meesterstukken te begrijpen, en daarbij is ensemble spelen een lief mooi gezelschapspel, onder jonge lui en in ’t huisgezin. En teekenen oefent het oog en de hand, leert nauwkeuriger opmerken, de natuur beter kennen, met schilderen kan men allerlei dingen in huis aardig versieren, en het gevoel van afstanden, lijnen en kleuren, dat er door ontwikkeld wordt, komt in het leven bij alles te pas. Maar zooals nu de meisjes haar „aan kunst doen,” dikwijls opvatten, niet als middel maar als een doel, een levensvulling, och arme! bij gebrek aan beter, is het heusch erbarmelijk! Daar zitten ze, uren en uren zich uit te sloven, met een krachtsinspanning, een volharding, een betere zaak waardig, en ze weten allemaal dat er toch nooit iets waarachtig goeds, iets boven het middelmatige uit haar worden zal. Maar toch gaan ze voort met verwoeden ijver! Het is met dat penseelen en vingeroefenen zoo ongeveer net als met het tennissen en wielrijden. Als je die dingen gebruikt om beweging in de frissche lucht te nemen en je te ontspannen na ander werk, zijn dat ook verrukkelijke uitvindingen, maar als je bij wijze van levensdoel dag in dag uit gaat staan tennissen of op een fiets zit, wordt het bepaald degoutant! Dat vind ik tenminste ....”
Eugénie draaide zich om en ging voor het raam staan, zenuwachtig een deuntje neuriënd dat zij accompagneerde met trommelen op het glas.
Toen, na een poosje zeide Hilda peinzend:
„Zie je, vroeger heeft papa mij ook veel muziek laten maken en teekenen, en op reis heb ik zelfs nog lessen gehad van allerlei beroemde meesters. Want papa vond, dat iedereen in de gelegenheid moest worden gesteld om te zien welke aanleg in hem zit. En toen het bleek dat ik niet zonder gave was—want anders was ik er dadelijk mee uitgescheden—maar dat ik gewoon, wat de menschen noemen: „een beetje talent had”, liet hij mij doorwerken met goeie lessen, tot ik hem ’s avonds onze lievelingsmuziek kon voorzingen en spelen en dat ik krabbelingen kon maken van dingen, die wij op reis aardig vonden. Maar later, toen ik eens de moeielijkheden van het begin overwonnen had, wou hij volstrekt niet meer dat ik uren lang zou zitten blokken, om een of ander salonstuk machtig te worden of een niet al te onverdienstelijk stilleven voort te brengen. Integendeel, later had hij veel liever dat ik mijn meesten tijd besteedde aan ’t lezen van dingen, waar we samen heerlijk over konden praten en die mij een klein beetje meer begrip van het leven konden geven....”
Eugénie kwam ineens, met driftige stapjes, terug van het venster, pakte Hilda bij de schouders en schudde haar heftig heen en weer, terwijl ze tusschen de vastgeklemde tanden siste:
„Waarom .... heb je .... me .... dat .... nooit .... eerder gezegd?”
Hilda zag op, glimlachend, meenend dat Eugénie scherts met haar aanval bedoelde, maar toen ontroerde ze, en staarde angstig in het zenuwtrekkend verwrongen gezicht vlak boven haar hoofd. Een oogenblik had zij den duidelijken indruk dat ’n ander wezen, ’n wild wreed wezen, door Eugénie’s oogen op haar neerkeek en met een huivering trachtte ze zich los te maken.
Het was een korte worsteling, toen, met een smak wierp Eugénie haar achterover in den stoel en holde snikkend den tuin in.
Roerloos bleef Hilda even zitten, heftig ontsteld door de onverwachte scène. Zij begreep het eerst niet, ze was verschrikt, boos, en haar schouders wrijvend, waar de stijf geknepen vingers pijnlijke plekken hadden gekneusd, stond ze op om Eugénie te volgen en haar rekenschap te vragen. Maar toen, op eenmaal, had ze als een visie van heel Eugénie’s leven en ze zag dat ze onbewust wreed was geweest. In dat meisjesbestaan zonder éen enthousiasme, zonder éen plicht, en zonder bestemming, was het vlugge pianospel nog de eenige trots geweest, het eenige, dat haar de illusie had gegeven toch iets te kennen, iets te zijn, en nu was ook dat haar ontnomen. Hilda had spijt. Was ze te hard geweest? Maar dat Eugénie met die vraag over het veredelende van kunst zoo ineens voor den dag was gekomen en zich haar antwoord dadelijk zoo verschrikkelijk had aangetrokken, was immers het beste bewijs hoe ze zich in stilte al lang onvoldaan moest hebben gevoeld. Als Hilda het haar vandaag niet gezegd had, zou zij morgen toch uit zich zelf zich bewust zijn geworden van het leeg doellooze van al haar gespeel. Maar wat moest ze nu doen om haar te troosten? Ze zou naar haar toe gaan, en haar zeggen .... wat? Wat kon er gezegd worden? Niemand kon op dit oogenblik iets doen voor Eugénie; zij moest haar eigen strijd uitstrijden.
Toen draaide Hilda zich langzaam om en raapte het boek op dat straks gevallen was. Ze moest nu maar eerst hard werken, dat ze gauw met haar studies klaar was, heel gauw! O! ze zou vreeselijk hard werken! En als ze dan haar meestertitel had, die in de oogen der wereld een voetstuk is,—de wereld is zoo dol op titels en graden—dan zou ze van af dat verhevenheidje het uitroepen .... uitschreeuwen als het moest—: „Ontwaakt dan toch! jullie meisjes van bij de dertig! Voel je dan niet dat je vrouwen bent in de kracht van je leven! en dat je dat leven niet gegeven is om min of meer aardig zoowat te liefhebberen in kunst! Voel dan toch je verantwoordelijkheid als arbeidster in de maatschappij, die in deze overgangsperiode alles gebruiken kan, wat je maar aan verstand en hart hebt gekregen!
En de meeste meisjes zouden glimlachen en schouderophalend voorbij loopen, maar enkelen zouden naar haar luisteren, en van die enkelen zou groote kracht uitgaan.
Corry’s engagement met von Görtzen was tot September geheim gebleven, dat wil zeggen een publiek geheim, want de eerste dagen had zij niets gedaan dan vertrouwelijke briefjes schrijven. Zij hadden het saai gevonden om het met Augustus publiek te maken, toen haast al de kennissen uit de stad waren, maar nu, begin September, nu iedereen weer zoo wat thuis was, vooral dit jaar, om de bruiloft van Valérie Vermaezen, hadden zij het op een groot feest bekend gemaakt en spoedig zouden zij nu aanteekenen en trouwen. Het had ineens een verbazende drukte gegeven, beraadslagingen, besprekingen in het oneindige, en Hilda had daarvan in stilte genoten, omdat het de aandacht zoo volkomen afleidde van haar eigen schrikwekkend besluit. Alleen één morgen had ze een heftige scène met haar tante gehad, met al de bedreigingen en klachten die bij de omstandigheden pasten: „Zij gooide zich weg, geen goed huwelijk zou zich meer voordoen, ze zou een schande zijn voor de familie!....”
Maar toen Hilda, onbewogen, den storm over zich had laten heengaan, was het er bij gebleven. Corry’s druktes hadden alle gedachten gevergd en Hilda had, met Corona’s hulp, privaat lessen gevonden en ’s morgens rustig op haar kamer zitten werken.
„Hilda stoor ik je erg?”
Eugénie stond aarzelend aan de deur.
„Nee zeker niet.”
Zij kwam dicht bij haar zitten:
„Hildy, waarom ben je toch zoo kil tegen Cor?”
Hilda kleurde:
„Daar kan ik niks aan doen, Eus. Ik vind dat ze infaam gehandeld heeft en nou kan ik niet lief tegen haar zijn!”
Eugénie dacht even na. Vooral sinds Mathilde van de Bransen, Corry’s intiemste kostschoolvriendin, uit Utrecht, was komen logeeren, was Hilda’s strakheid in ’t oog vallend. Al de vriendinnen waren vol plagerijen en complimentjes, iedereen had lieve woordjes voor het jonge paar, al sprak men er ook nog zooveel kwaad van achter zijn rug, iedereen bracht hulde aan de aanstaande gastvrouw van het Majoratsgut in Silezië, alleen Hilda was stil en stug.
„Nou ja, wat gaat het je eigenlijk aan. Laat ze doen wat ze wil! Als je je al de zaken van andere menschen wilt aantrekken, heb je geen leven meer.”
„Weet je ’t van Rooselaar?”
„Nee?”
„Zoodra ie ’t heeft gehoord, heeft ie in ’n vlaag van wanhoop z’n familie, z’n mooie vooruitzichten, alles in den steek gelaten en is naar de Transvaal gegaan.”
„Wezenlijk? .... hoe naar!”
„Ja, heel naar!”
Eugénie zat even stil, getroffen, toen op haar ouden cynischen toon:
„Nou ja, maar waarom is ie dan ook zoo stom geweest om er in te loopen?”
„Hê Eus, hoe kun je nou toch zoo iets zeggen! Hij moest er immers inloopen, omdat Corry heusch van hem hield tenminste .... voor zoover zoo’n poppenzieltje tot liefde in staat is! En dat vind ik juist zoo afschuwelijk in haar dat ze eerzucht boven liefde heeft gesteld. Zie je, er wordt tegen mij nu heel wat gezeurd over „onvrouwelijkheid,” maar dàt vind ik nou onvrouwelijk, in de ergste beteekenis! Edward was er in de eerste dagen ook woedend over, en dan kwam ie hier bij me zitten razen, maar ik geloof dat je mama hem es flink de les heeft gelezen en von Görtzen heeft nou zijn hart gestolen met de vrije beschikking over z’n paardenstal, en nou is ie heelemaal tam! Och ja, ’n beetje heilige verontwaardiging minder en ’n beetje wereldwijsheid meer, zoo moet je er komen!”
Hilda had het bitter gezegd. Haar gemoed was gemaakt om sympathie met stroomen uit te deelen, om vroolijk te zijn, en lief te hebben, en zij leed er onder zich zoo alleen, in opstand, ver van al de anderen te voelen.
„Och, misschien dat men het op den duur met jouw heftige, eerlijke verontwaardiging nog verder brengt dan met mama’s practisch cynisme, maar menschen als wij hebben nou eenmaal de kracht niet om je op dat pad te volgen. Eddy vindt je au fond wel erg kranig, geloof ik, maar ’t is zoo veel makkelijker, zie je, om verstandig te zijn en je den boel niet aan te trekken. En jij bent toch ook soms wel erg overdreven, neem me niet kwalijk! Maar weet je waarom ik nou eigenlijk bij je kwam? Om je ernstig aan te raden om weer aardig tegen Corry te zijn.”
„Waarom? Tegen von Görtzen ben ik natuurlijk beleefd, maar ’t is me niet mogelijk om hartelijk tegen haar te zijn. Haar heele leven gaat nou eén leugen worden, want ze houdt heelemaal niet van Ferdinand, en ik vind het een walgelijke geschiedenis.”
„Nou maar, ik waarschuw je! Denk je niet, dat het Corry vreeselijk begint te hinderen? Het herinnert haar onophoudelijk datgene, wat ze juist met alle kracht wil vergeten, en alles wat tegenwoordig pijnlijk op haar zenuwen werkt, zet zich om in woede tegen jou. En ze zal zich wreken!
„Geloof je?”
„Ja zeker! je wou immers dat voorloopig je plan voor de wereld geheim bleef, tot je ’t volgend jaar je examen gedaan hebt? Nou maar, ik kan je dan zeggen, dat Corry overal rond gaat en het uitfluistert met venijnige lachjes vol suggesties van iets heel belachelijks. En Ferdinand doet mee. Hij heeft natuurlijk èn als Duitscher èn als conservatief aristocraat een vreeselijken hekel aan emancipatie. Zulke mannetjes vinden alles wat op vrijheid lijkt horrible, behalve voor zich zelf. En hoe vinniger Cor er nou over praat, hoe aardiger hij haar vindt, en ik zie nog aankomen, dat ze je al bij de kennissen onmogelijk maken.”
Hilda zat zwijgend, driftig op haar pennehouder bijtend. Deze eerste aanraking met de wereldwreedheid maakte haar innerlijk wild van opwinding. Ze had het wel vooruit geweten dat men haar uitlachen zou! Maar het deed toch meer pijn, dan ze gemeend had, nu ’t oogenblik gekomen was.
„Natuurlijk, meisjes als Corry worden gevierd en ik word uitgelachen!”
Ze stond op en rekte zich lang uit in een spannen van al haar spieren, alsof ze haar krachten tegen den strijd wilde meten. En toen ineens, om de beklemmende emotie te uiten die haar keel toekneep, danste ze de kamer door, wilde Tarantellapassen, die ze in Italië geleerd had, tot ze eindelijk hijgend voor Eugénie staan bleef en haar omhelsde.
„Dank je wel Eus, dat je ’t me gezegd hebt! Maar ik kan er niets aan doen, laat ze dan in godsnaam maar lachen!”
Valérie Vermaezen’s bruiloftsfeesten waren schitterend. Het groote buiten bij Wassenaar, Vreugdhof, leende er zich zoo goed toe, en het weer was nog zoo mooi, dat den avond van het vuurwerk de dames zelfs in haar lichte kleedjes en bloote hoofden hadden kunnen buiten loopen.
Eugénie en Edward, in hun qualiteit van bruidsmeisje en bruidsjonker, waren al vroeg ’s middags naar Vreugdhof gereden. Er zou dien avond een groot bal bij de Vermaezens zijn, ter eere der beide jonge paren en er moest nog allerlei voor den Cotillon worden klaar gemaakt. De overige familie werd eerst met al de andere gasten ’s avonds tegen half tien verwacht, en von Görtzen, met zijn vriend van Smaarth en Betty de Mureaux dineerden dien middag bij de van Starrens om na het eten allen te zamen naar buiten te rijden.
Het was een vroolijk dinertje. Van Smaarth, die den laatsten tijd, sinds ze uit Zwitserland terug was, telkens met Ottilie van Heemeren gekibbeld had, was uitgelaten door reactie en maakte uit depit Mathilde van de Bransen het hof.
Zij was een lang mager meisje, met een spits gezichtje, bleek, met fletsbruin getinte kringen van zomersproeten om de oogen. Zij behoorde tot de rijkste partijen van Utrecht en voelde zich ontzettend. Haar levensillusie was om in Engeland te trouwen op een groot landgoed en in afwachting daarvan legde ze er zich op toe om zooveel mogelijk in alles Engelsch te zijn, van af haar kleeding tot haar High Church-sympathiën toe. In Utrecht werd ze onder de jongelui erg stijf en vervelend gevonden, maar in deze Haagsche bruiloftomgeving was ze hoe langer hoe losser geworden, en vanavond was ze zelfs wat opgewonden tegen van Smaarth, dien zij voor ’n Hollander erg aardig vond: „bijna jammer dat ie geen Engelschman was.”
Aan het dessert had de champagne gesprankeld en de stemming onder een hoogere atmosfeer gebracht. Er kwam iets luidruchtigs, iets baldadigs in den toon, men zocht naar iets prikkelends om te kunnen blijven lachen.
„Heb je die japon van Belle Pankaert gezien gisterenavond?” zeide Corry. „Ik begrijp niet dat je niet bedankt als je niet beter voor den dag kunt komen. ’t Leek wel roggenbrood met bessensap.”
„Zeker symboliek freule,” riep van Smaarth. „Roggenbrood beteekent armoe en bessensap haar voorland: ’t besjeshuis.”
„Dan waren die onmogelijke gitjes aan haar hals zeker krentjes, die de krenterigheid van mama verbeelden.”
„Nou, ik geloof niet dat haar moeder gierig is, maar zoontjelief kost nog al wat.”
„Ja, die houdt, geloof ik, meer van andere vruchten dan van besjes,” schaterde von Görtzen met zijn harden lach.
„Mijnheer van Starren vondt u Valérie’s toilet niet prachtig?” riep Mathilde over de tafel.
„Nou, ik hou niet veel van zulke drukke opschiksels. Zoo iets glads, zooals bijvoorbeeld Hilda daar aan heeft, vind ik veel mooier voor jonge meisjes.”
Hilda zag glimlachend naar hem op. Zij was dankbaar tegenwoordig bij de spanning in huis, voor elk vriendelijk woord.
Het was een heel wit kleedje, van doorzichtige Chineesche zijde, waarvan de wazig volle plooien strak om het middel waren saamgehouden door het stijve moiré van een breed lichtmauve lint.
„O! ja, dat is ook ravissant, alleen begrijp ik niet hoe Hildchen nog zoo iets liefs wil dragen!” spotte von Görtzen.
„Waarom niet?”
„Zoo iets elegants voor een meisje dat studeeren gaat!”
Hij zag haar aan, uitdagend ironisch, en ze voelde ineens met onrust dat iedereen haar aankeek.
„Wel ik vind juist dat een meisje dat studeeren gaat zich bijzonder goed moet kleeden. Het zou al heel ridikuul zijn om je te gaan verwaarloozen zoodra je ’n paar deftige boeken hebt gelezen.”
„Maar zul je dan later heusch zulke toiletjes blijven dragen?”
„Natuurlijk! De tijd is toch al lang voorbij, vindt je niet? dat meisjes die ’t leven ’n beetje ernstig opnemen er als vogelverschrikkers trachten uit te zien.”
„Nou, maar de meeste geëmancipeerde vrouwen zien er toch nog onmogelijk uit, hoor!” riep Corry.
Hilda glimlachte, uiterlijk onverstoorbaar:
„Alsof niet ook een massa ongeëmancipeerde er onmogelijk uit zagen! .... Je moet ook niet vergeten, dat de meeste geëmancipeerde vrouwen nu ook nog tot een stand behooren, waarin ze heel, heel weinig geld voor haar toilet kunnen besteden, en dat is, voor wie niet den slag van de française bezit, om uit bijna niets, iets aardigs te maken, een groote hinderpaal! Maar ’t is waar, er heeft wel zoo’n opvatting bestaan, vooral hier in Holland, dat het wuft was, om er zoo goed mogelijk te willen uitzien en dat, als je ernstig wou zijn, je je saai en smakeloos moest kleeden. Maar dat zijn we nou toch heusch wel te boven, geloof ik! Onze leus zal juist wezen: geen éen talent verwaarloozen—en het uiterlijk is even goed een talent als iets anders—alles, op welk gebied ook, zoo goed en zoo mooi mogelijk! dus ook onze kleeding!”
Er was iets lachbedwingends in Hilda’s kalme antwoord en von Görtzen werd bang dat het gesprek deftig ging worden. Men moest haar niet rustig laten verhandelen. Ze moest worden uitgelachen! Dat was misschien nog het eenige middel om haar tot rede te brengen. Hij had ook een zuster gehad, die nu met von Glansau getrouwd was, die absoluut Roomsch wou worden en in ’n klooster gaan. Ook zoo’n geëxalteerd meisje, en toen hadden ze haar allen zóó voor den gek gehoûen tot ze er geen woord meer van had durven zeggen.
„Maar Meester Hilda, doctor juris, je laat toch zeker je haar millimeteren?”
Hij schaterde het uit en allen lachten mee, zenuwachtig, uitbundig. Er was ineens een prikkeling van boosaardigheid in hen, die de temperatuur verhoogde, als in de oogenblikken dat er schandaaltjes befluisterd werden.
„Ik heb u al gezegd, dat ik probeeren wou om alles zoo goed en mooi mogelijk te doen, en dus zal ik zeker niet gaan nadoen, wat ik zoo leelijk vind bij de heeren!”
Hilda riep het hard, om boven het gelach gehoord te worden, maar ze werd niet verstaan. Allen spraken door elkaar, aanvallend, bespottend, de tongen los, elkaar aanstekend en opwindend en minachtende dingen, laffe grapjes, een oogenblik zelfs in overmoed, een paar grove dubbelzinnigheden kruisten over de tafel.