Hilda van Suylenburg

Part 35

Chapter 354,072 wordsPublic domain

„En Hilda dan .... Waarom heeft zij dan die gelofte gedaan? Zonder die ellendige emancipatie zou ze nu rustig thuis zijn, vol verlangen en heimwee naar iets anders, en de man die haar liefhad zou dan veel meer kans hebben dan nu .... met al die studies en nieuwe belangen in h’r hoofd ....”

Corona stond op, en boog zich over de tafel naar hem toe, haar groote grijze oogen klaar en strak als in de oogenblikken, dat ze haar patiënten suggereerde.

„Het is niet waar, dat Hilda ’n gelofte heeft afgelegd; dat was maar ’n verzinsel van juffrouw Wendelings. Maar wees voorzichtig, Dominee! Dus u zoudt liever willen dat de freule van Suylenburg nu smachtend zat te hunkeren, om ’n makkelijke buit te zijn voor den eersten den besten, die haar van liefde kwam spreken? Juist zooals op ’n bal de muurbloempjes dadelijk dankbaar bereid zijn, och arme, voor ieder die zich voor een dans over haar ontfermt? Maar ik zal u vertellen wat zij mij gezegd heeft bij het afscheid nemen! „Cora,” zei ze, „er zijn nog velen, die gelooven dat de vrouw geen andere reden van bestaan heeft, dan voor het voordeel of het genot van den man. Deze ontkennen, dat ook wij ’n eigen leven hebben gekregen om het te gebruiken, hetzij in, hetzij buiten het huwelijk, zoo als wij dat, volgens ons eigen geweten en aanleg het beste vinden! Maar het is niet een van dezulken, dien ik mij tot levensgeleider zal kiezen! Eén is er, die zich nu verbeeldt mij lief te hebben, maar hij begeert mij alleen voor eigen genot! Hij zal razend zijn als ie hoort dat ik ga studeeren. Maar ik wil geen man, die ’t hoog in mij zou achten, dat ik werkeloos voortsoezelde tot ’n huwelijk me kwam bevrijden! Ik wil er geen, die me zou wenschen te bezitten, niet door vrijwillige liefde, maar door de afmatting van ’n ouderwetsch meisjesbestaan!”

Moisette zakte in zijn stoel, de handen voor het gezicht. Er was een waarheid in Hilda’s overgebrachte woorden die hem even verbijsterde. Hij worstelde om het neergeknakte zelfvertrouwen te herwinnen, maar er was plotseling over zijn bedoelingen, waarvan hij zich nooit goed rekenschap had gegeven, een licht opgegaan, dat hem deed duizelen.

Dus ze had z’n liefde, die hij meende dat ze nooit begrepen had, wel degelijk geweten! Maar ze had zich van hem afgewend, omdat ze de drijfveeren van zijn strijd tegen de emancipatie onzuiver en onedel had gevonden!

Hij stond op, en rakelde in de kachel, tot de kamer even met akelig krijschend ijzergeluid gevuld was. Zijn voorhoofd was klam van het angstzweet. Hij wilde het zelf nog niet bekennen, en toch drong hem reeds het stoer eerlijke in zijn karakter, om het te belijden, dat Hilda bij intuïtie juist had gezien.

Onder al zijn theoretische bezwaren, was de hoofdfactor van zijn bestrijding altijd geweest een angst van egoïsme dat Hilda zou aangestoken worden en hem dan zou ontglippen. Om haar liefde te veroveren, had hij zich krachteloos gevoeld, hij wist niet waarom, maar hij voelde het altijd weer duidelijk als hij bij haar was, dat hij de tooverspreuk niet kende, die toegang zou geven tot haar ziel. Toen was hij gaan hopen, als bondgenooten, op verveling en onvoldaanheid, die hij wist dat zooveel meisjes tot capituleeren dwingen. Hij had berekend dat die periode zoowat zou intreden in dit tweede uitgaansjaar en dan zou hij komen en haar bemachtigen. Maar nooit waren deze berekeningen in haar grove naaktheid voor zijn geest getreden; in naïef zelfbedrog had hij ze omkleed met mooi klinkende argumenten van allerlei aard, en nu was ze heengegaan! Ze had klaarder in zijn ziel gezien dan hij zelf, en voor goed was ze nu van hem vervreemd!

Corona stond op, iets mompelend dat ze wel es gauw terug zou keeren om de informaties over ’n arm gezin te halen, waarvoor ze eigenlijk gekomen was.

Maar hij hoorde haar niet. Bij de deur stond ze nog even stil en zag om naar de ineengezakte gestalte voor het vuur.

„Arme man! O! al dat lijden! ... lijden! ... Maar hier was ’t wel heel noodig dat hij, die het laatste jaar met ’n fanatisme, onverschillig voor zooveel ellende, elke verbetering in den toestand der vrouw had bestreden, het in tranen leerde begrijpen dat de tijd voorbij moet zijn, dat meisjes anders dan door eigen, vrijen liefdedrang tot een huwelijk komen.”

Marguérite van Arkel en kleine Rosa van Soeterwolde, Frank’s dochtertje, zaten samen ijverig te werken. Sinds het kind gekomen was, dien zomer, had Marguérite haar intrek bij Corona genomen, om samen met haar de zorgen voor de kleine nieuweling te deelen, en het huisje was gebleken elastiek te zijn, het ging best zoo met haar drieën.

„Tante Maggy, ik heb de postbode zien langs gaan, mag ik even gaan kijken?”

„Zou je niet liever eerst je opstel afmaken?”

„’t Is bijna af, en tante Cora heeft gezegd dat er vandaag weer ’n mailbrief kon zijn. Mag ik even gaan zien? Toe, ik heb zoo’n idee dat er iets van paatje is.”

„Nou ga dan maar even.”

Marguérite zag haar glimlachend na. Het was een mooi, elegant kind, met trotsche bewegingen. Alles in haar beloofde dat ze eenmaal de hoop van haar vader zou vervullen en een tooneelspeelster van groote gave zou worden.

„Tante, twee brieven, twee brieven!” juichte het kind.

Marguérite nam ze aan:

„Twee uit Amerika, maar één maar van paatje. Hier, breng die maar boven op tante Corona’s kamer.”

„En is die andere voor u?”

„Ja, voor mij.”

En toen het kind gegaan was, scheurde Marguérite den brief open, verwonderd over het onbekende handschrift. Het was van mevrouw Tachilde, zeide de onderteekening, de vriendin van Frank, de begaafde actrice, wier zeldzaam talent, met het zijne, de reputatie van hun klein Théâtre had gemaakt.

„Ik ken u niet!” schreef zij, „maar Monsieur de Soeterwolde vertelde mij veel van u en uw vriendschap voor Corona, en daarom kom ik tot u heden, u smeekend om al uw invloed te gebruiken om haar te overtuigen, dat zij Frank niet langer mag laten vergaan van eenzaamheid! Het is prachtig van haar geweest dat zij jaren lang haar innigste verlangen heeft geofferd, om in de kracht van vlekkeloosheid het goede zaad te zaaien, en ik heb haar daarom zeer bewonderd en lief gehad. Maar zeg haar nu, dat alles grenzen heeft! Frank kan zijn hopelooze droefheid niet langer dragen. Wij vrouwen zijn zoo veel sterker in lijden, niet waar? Maar ik zie hem wegkwijnen van verlangen, van gemis aan vreugde en sympathie, die zijn kunstenaarsziel zoo noodig heeft. Er zijn weer hevige scènes geweest tusschen hem en zijn vrouw, zij maakt hem het leven ondragelijk, en toch blijft zij weigeren te deforceeren. Natuurlijk, de positie als echtgenoote van een beroemd kunstenaar is veel aangenamer dan die van gescheiden vrouw. Maar ik ben overtuigd dat zij hem ontrouw is, alleen heeft niemand haar nog ooit daarop kunnen betrappen.

In New York, een drie weken geleden, heeft Frank een zware kou gevat, die hij uit mistroostigheid negligeert. Ik ben zeer bezorgd over hem! O! laat Corona hem tot zich roepen en hem het leven teruggeven met haar liefde! U moet niet gelooven dat ik over het algemeen apostelin ben van de theorie der vrije liefde, welke bij ons in Frankrijk, in de vooruitstrevende kringen zoo veel veld wint. Maar in dit geval, van Frank en Corona, zie ik maar éen weg! Laten zij hun liefde stellen boven al het andere! Het mag niet, dat een zoo kostbaar leven als dat van Frank te gronde gaat door wetten van menschen, die nog barbaarsch genoeg zijn om onverbreekbaar te verklaren den band tusschen twee, die elkaar niet liefhebben! O! laat Corona hem nu tot zich roepen! Zeg haar dat de tijd voorbij is, dat zij haar roeping van zieledoktores onder de vrouwen hooger mocht stellen dan haar liefde. Laat zij zich nu wijden aan Frank! Het is het eenige wat hem redden kan, en laat zij het gauw doen, opdat het niet te laat zij!

Uwe Eloise Tachilde.”

Marguérite stond voor het raam en herlas den brief. IJskoud kropen er rillinkjes langs haar rug en haar hart bonsde.

„Altijd weer die zelfde strijd, die nu al jaren lang verzengend Corona’s leven folterde! Maar nu scheen de crisis gekomen.”

Kleine Rosa was stil aan de tafel teruggekeerd, en knoeide aan haar opstel, maar de intelligente kinderoogjes gingen verlangend telkens naar Marguérite aan het raam. Eindelijk kon ze het niet meer uithouden:

„Tante, van wie is die brief?”

„Van mevrouw Tachilde.”

„O ...? van mammy Eloise? kent u die dan!”

Ze sprong op en vleide zich heimweeachtig tegen haar aan.

„Toe, vertel es wat er in staat? Heeft ze geen groeten aan mij verzocht?”

„Hieldt je zooveel van mevrouw Tachilde?”

„O! ja, vóór ik u en tante Corona kende, hield ik natuurlijk het meest van haar en van paatje.”

Marguérite bukte zich en kuste het kind zachtjes een paar maal op het voorhoofd. Het was een onbewuste beweging van teederheid, waar ze niet bij dacht, want in haar zorgenden angst om Corona was ze uitsluitend vervuld met de vraag hoe ze haar toch dien brief zou vertellen. Maar ze luisterde: de sleutel werd omgedraaid in het voordeurslot en lichte, vlugge stappen gingen de trap op. Het was Corona. Eerst ging ze naar haar slaapkamer om zich te verkleeden en te wasschen, uit voorzorg voor besmetting. En dan zou ze naar de studeerkamer gaan en den brief vinden van Frank! Wat zou daarin staan?

„O! mijn God! Wat zal er nou gebeuren?”

„Waarom zegt u dat, tante?” vleide kleine Rosa. „Toe, laat me dien brief even zien. Zegt ze er niks in van mij? En hoe gaat ’t met haar man? Daar hield ik ook zooveel van. Die kon zulke prachtige versjes. Toe tante ....”

Maar Marguérite duwde haar ongeduldig weg. Ze had den telegraafbode de stoep zien opkomen, en de klank van de bel liet al haar zenuwen samen trekken.

„Freule, een telegram voor u.”

De oude Marijken kwam binnen, het kleine vuile potlood en het stukje papier, dat geteekend moest worden, voor zich uitgestrekt.

„Toe tante, geef mij dien brief nou!” zeurde het kind.

Maar Marguérite hoorde haar niet. Ze had haastig geteekend en het couvert gescheurd en de ontzettende tijding gelezen:

„Frank zoo juist overleden. Verkoudheid vliegende tering geworden; in bloedspuwing gebleven. Prepareer Corona.

Tachilde.”

Een oogenblik stond Maggy roerloos, vernietigd door het machteloos gevoel, dat allen hebben gekend, die onafwijsbaar lijden zagen komen over hen, die zij liefhebben.

Maar toen ineens kwam de reactie, een wild verlangen om zich over dit rampzalige op iemand te wreken, en met een schok van razernij draaide ze zich naar het venster, en nog eenmaal was daar weer de oude Marguérite vol hartstochtelijken opstand, de Marguérite van vroeger, vóór Corona haar geleerd had dat streng beheerschte verontwaardiging grooter kracht is dan woeste verbittering.

Ze strekte de armen uit en schudde haar kleine kramptrekkend saamgeknepen vuisten tegen het Binnenhof, dat ze kon zien liggen, dwars over het Voorhout en den Vijver heen, onverschillig voornaam in den zonnig neveligen winterglans.

„O! mijn God! mijn God! en daar praten ze jaren lang over allerlei nietigheden en voor deze groote zedelijke kwesties hebben ze geen tijd!”

Wild en dreigend, met hoekige gebaren, die vreemd waren in deze vrouw, gewoonlijk vol rustige distinctie, stond ze een oogenblik, maar toen zag ze neer in twee groote kinderoogen, die haar aanstaarden, angstig verbaasd, en snikkend sloeg ze haar armen om kleine Rosa en trok haar op haar schoot, al haar heftigheid wegsmeltend in maar eéne impressie van naamlooze deernis.

Maar Corona zat stil voor haar bureau op dit moment, in zulk een duizeling van vreugde dat ze zich angstig voelde worden.

De ziel kan zich wennen aan de houding van leed, en als een zieke, die na maanden lang liggen weer hersteld is, en weet dat hij loopen mag, en het kan, maar het nog niet durft, zoo is ook soms onze geest aarzelend om bij de eerste aanraking van geluk zich hoog op te richten, na lang te zijn neergebogen in smart.

Zachtjes drupten de tranen op het papier, waarin Frank haar schreef de wonderspreuken van zijn liefde en zijn hoop. Ze probeerde ze goed te begrijpen, maar langzaam eerst drong de volheid van vreugde in haar bewustzijn door.

De brief was drie dagen geschreven na dien van Madame Tachilde aan Marguérite, maar dezelfde mail had ze aangebracht. In die drie dagen was ontzettend veel gebeurd: de ontrouw van Frank’s vrouw, waarop ook Eloise in haar schrijven gezinspeeld had, en die zij al lang reeds had vermoed, was ineens helder aan het licht gekomen. De bewijzen en getuigen waren er, en Frank kon zich nu dus vrij maken.

„O! Corona, mijn liefste, mijn bruid, mijn vrouwtje! Is het mogelijk, dat eindelijk, eindelijk het oogenblik gekomen is, waarop je in mijn leven de gezegende plaats zult innemen, die ik zoo lang voor je bestemd had! Een jubelende, alles overheerschende vreugde doortrilt me. Ik ben den laatsten tijd heel ziek geweest, en zelfs heb ik niet kunnen optreden, omdat mijn borst me te veel zeer deed. O! lieveling, wees niet boos op me! Misschien ben ik onvoorzichtig geweest, maar de hopeloosheid van onzen toestand maakte me onverschillig voor alles. Maar nu zal ik beter worden! Over eenige weken ben ik bij je! En ik weet zeker, dat, als ik je maar eens in mijn armen heb gehouden, als mijn bruidje, ik weer gezond zal zijn.

O! is het niet als een droom? die plotselinge verlossing van den ouden verschrikkelijken band, en de zaligheid die ons nu wacht? Maar in de stille denkuren, liefste, is toch soms bij al de overstelping van mijn vreugde, groote opstand in me tegen de toestanden, waaronder we leven! O! als we zedelijke wetten hadden gehad, zou dit alles niet gebeurd zijn? Wij zouden lang gescheiden zijn geweest, deze vrouw en ik, en zij zou niet bij het vele kwaad, dat ze aan mij misdaan heeft, ook nog dit bedrog, deze valschheid hebben gevoegd! Maar toen zij mij het leven ondragelijk maakte, toen ze een gevaar was voor mijn kind, toen niets ons meer verbonden hield dan haar koppige wil, toen .... was voor de wet die gevloekte band heilig! Eerst moest er een scandaleus proces komen, en nu eerst, ten koste van de openbare schande van de vrouw, die haar het leven gaf, kan ik mijn kindje een ware moeder geven! Curieus die opvattingen! Om van te walgen! En dat men niet eeuwig herhale dat zulke wetten een bescherming zijn van huwelijkstrouw! Bij God, trouw die door een wet moet worden beschermd, is al gebroken! De zedeloosheid onzer groote steden bewijst trouwens genoeg wat die wetten vermogen om het huwelijk rein te houden! niets! niets! niets! Het onherroepelijk aan elkaar verbonden zijn, met geen andere hoop op verlossing dan een proces vol schande, o! ik heb het doorleefd Corona, voor den zwakken kan het niets brengen dan bedrog, nog dieperen val, en voor den sterken .... lijden!

Maar wat spreek ik nog van lijden, mijn liefste! Alleen van geluk wil ik vervuld zijn! Het uur nadert waarop we trotsch onze liefde aan de wereld zullen bekennen, en voor goed samen zullen zijn, om te leven voor alles wat hoog en heerlijk is. O! mijn vrouwtje................. .........................”

Corona kuste den brief, in een siddering van vreugde. Hoe was het mogelijk dat nu zoo ineens gekomen was, dat, wat jaren lang een onbereikbare zaligheid had geschenen! Ze stond op en liep even de kamer door.

„Hoe mooi en goed was toch het leven soms!” Frank’s bitterheid over de wetten kon ze niet eens meer deelen in dit oogenblik. Niets was in haar dan vreugde. Toen wierp ze zich weer neer voor de schrijftafel, en schreef trillend van blijde opwinding:

„O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je. Kom toch! Ik zal met je gaan waarheen je wilt! Nu kan niets ons meer scheiden! Ik heb zoo onuitsprekelijk naar je verlangd. Nu begrijp ik pas hoeveel! O! kom! ik heb je zoo lief! Nu mag ik het je zeggen! En de weelde van het te mogen neerschrijven, overstelpt me!.....”

Maar toen schrikte ze, en keek om. Ze had de deur geheimzinnig zachtjes hooren sluiten, en iemand kwam snel, met stille stappen naar haar toe.

„O! Maggy, ben jij het, hoe heerlijk....”

Maar ze zweeg. Marguérite stond voor haar, zoo doodelijk bleek, met groote angstige oogen in donkere kringen, zoo tragisch en onheilbrengend, dat ze haar sprakeloos aanstaarde.

„Cora, mijn lieveling!”

En ineens sloeg ze de armen om haar hals en barstte uit in heftig snikken. Ze had op de schrijftafel Frank’s brief zien liggen, en daar naast Corona’s woorden: „O! Frank, mijn geliefde, ik wacht je!” Dus het grootste leed moest juist komen in dit oogenblik van eerste vreugde!

„O! Cora, mijn leven zou ik hebben gegeven om dit niet te laten zijn! O! mijn lieve, lieve, arme Corona!”

Corona, met een driftige beweging, trachtte zich los te maken.

„Wat is er toch. Maar zeg het dan toch, Maggy!”

Maar Marguérite hield haar vast omsloten en schreide voort, zoo hartstochtelijk droevig, tot Corona in het smartelijk contact dezer omhelzing begon te voelen het ongeluk dat gekomen was.

„Is het Frank?” zeide ze met bleeke, machtelooze lippen. En ze dacht aan de ziekte waarover hij geschreven had.

Marguérite drukte zich nog vaster tegen haar aan.

„O! lieveling!”

„Is ie dood?”

„O! lieveling, mijn lieveling!”

„Is ie dood?” En met een stijve beweging van wanhoop rukte ze zich los. „Is ie dood?” Bijna dreigend herhaalde ze: „is ie dood?”

Marguérite boog snikkend het hoofd.

„Corona, lieveling, waar ga je heen? Mag ik bij je blijven?”

Maar Corona had zich afgewend. Ze ging heen, gebroken, het hoofd slap voorover gebogen, de handen ineengeklemd in stuipachtig wringen. Ze ging haar slaapkamer binnen en sloot de deur, en Marguérite durfde haar niet volgen. De teerste vriendschap is machteloos, helaas, in de groote ure, waarin de drinkbeker tot op den bodem toe moet geledigd worden.

Dien ganschen avond en den ganschen nacht bleef Corona alleen, en de deur gesloten, en wie zal het ooit beschrijven wat het arme menschenhart doorworstelt gedurende zulk een nachtwake.

In de ijvervolle eentonigheid van hard werken, was voor Hilda de winter gauw omgegaan.

Bijna elken Zondag was Maarten gekomen en had haar mooie boeken gebracht over kunst of godsdienst, of economie, of wijsbegeerte, of verzen, waar ze veel over spraken. Dit jaar was voor haar zoo mooi geweest, vol vredige schoonheid van zich voelen sterker worden en rijker aan weten en liefhebben en begrijpen der groote dingen.

En nu was de vakantie gekomen, na het goedafgelegde staatsexamen. De volgende week zou ze naar Zwitserland gaan met Marguérite van Arkel, en Corona en de kleine Rosa, die zonder veel moeite voor goed door haar moeder aan dokter van Oven was afgestaan. En Maarten zou hen spoedig volgen! „O! het leven was goed voor haar!” dacht ze, en ze glimlachte.

Toen zag ze om zich heen naar de bekende gezichten, die ze in zoo lang niet gezien had, niet meer sinds ze in September naar Amsterdam was gegaan.

Daar waren ze allen weer; juist als verleden jaar: oom van Starren, die het Dagblad doorlas van a tot z, net als vroeger, en zijn thee dronk met een hinderlijk slurpen, dat de meisjes altijd zenuwachtig maakte; tante, koel, onberispelijk achter het theeblad; Eugénie, die sinds Maart uit Godesberg was teruggekeerd, zoo goed als hersteld, hadden de doktoren aarzelend gezegd, maar heel teer en prikkelbaar nog; Betty de Mureaux met haar bolbleek lachgezichtje ..... Alles, alles was hier onveranderd gebleven, alsof ze allen hadden geslapen dit jaar, alsof ze niet hadden meegeleefd in dezen tijd zoo vol raadsels en strijd op alle gebied, en vol hartstochten, aanloeiend van uit donkere verten. ’t Was net alsof deze allen rustig in een kinderkamer-atmosfeer hadden geleefd, waar pretjes en koekjes de hoogste emoties zijn. Er was iets slaperigs hier, in die elegante veranda, in den keurig opgeharkten tuin, zelfs in het mooie antieke zilver, waarin zich het fijne Japansche blauw weerspiegelde, en waar Hilda anders zoo graag naar keek, was iets vervelend zielloos vanavond. O! ze voelde het, na dit jaar van jong, krachtig leven, zou ze het hier nooit meer hebben kunnen uithouden.

„Freule, daar is Miss Arlington, om u even te spreken.”

Hilda sprong op en wierp haar handwerkje haastig neer. Tante van Starren vond niet dat het goed stond, als meisjes met leege handen aan de thee zaten. Jaar in jaar uit hadden ze daarom allen werkjes gemaakt, werkjes zonder nut en zonder kunst, die bijna niet vorderden en wier eenige reden van bestaan was, dat het onvrouwelijk stond om ze niet te maken.

Hilda ging naar het salon, waar Maud Arlington op haar wachtte.

„O! Maud hoe lief dat je bij me komt! Wist je dat ik hier was?”

„Ik zag in de courant dat je gisteren door je examen bent gekomen, en toen dacht ik wel dat je hier zoudt zijn. Ik wou je even feliciteeren, lieve, en dan afscheid nemen ....”

„Ga je terug naar Amerika? Toe, vertel me gauw, hoe staat het met de zaken?”

„Goed, ik heb overwonnen!”

Iets van triomf klonk in Maud’s diepe altstem, maar de zorgrimpels op haar voorhoofd stonden strak.

„Vertel er me alles van, dear! Hebben ze het je nog erg lastig gemaakt, die heeren van den familieraad? Ze zijn schandelijk tegen je geweest, is het niet?”

„O, ja! ze wilden eerst maar niet gelooven, dat de boel bij Frederik heusch op was! Bij zijn huwelijk met Gladys waren er zulke onzinnige rijkdomsprookjes verteld, dat noch Henk van Praege, noch iemand anders van den familieraad gelooven wou, dat het zoo ver al was gekomen. En als ik er dan op aandrong dat ze de zorg voor de kinderen aan mij zouden toevertrouwen, zochten ze er, ik weet niet wat, achter en weigerden grof. O! Hildy, ik heb hier geleerd, dit jaar, wat trotsverloochening en geduld is. Maar ik heb het uitgehoûen, omdat ik wist dat ik overwinnen moest. Zoolang ze dachten dat het schatrijke kinderen waren, over wier fortuin ze den baas konden spelen, hebben ze me bejegend alsof ik ’n landloopster was, die me wou indringen om andermans goed weg te halen. Ze vertrouwden me nou eenmaal niet, en ik was zoo totaal afhankelijk van hun beslissing. Het is tusschen ons een harde strijd geweest! Maar langzamerhand begonnen ze toch te begrijpen, dat dat fortuin, waar ze eerst zoo zeker van waren, dan toch voor den dag moest komen. Er waren geen boeken, bijna geen effecten, en het land, dat er geweest was, bleek verkocht of zwaar met hypotheek belast te zijn. Zij onderzochten, schreven en verbaasden zich, maar toen ze eindelijk begrepen dat de kinderen zoo goed als geruïneerd waren, gaven ze toe. De vrouw is niet waardig gekeurd om lid van een familieraad te zijn, [19] maar als de nood aan den man komt, is ze goed genoeg om te helpen! En goddank in dit geval, dat de schaapjes nu maar arm zijn, anders was ik machteloos geweest om iets voor ze te doen. Maar nou neem ik ze mee naar Amerika!”

„En vindt Henk dat nou goed?”

„Och ja, hij is nu dol blij, dat ie zoo van de kinderen afkomt. Voogd zijn over arme pupillen, is lastig! Maar de kleintjes zelf hebben veel geleden door deze geschiedenis, vooral Mary, op die akelige kostschool, waar ze haar heen hebben gestuurd. Ze ziet er fataal uit. Ik ben heel bezorgd; als het iets langer had geduurd, was het voor haar te laat geweest. Maar misschien dat de zeereis haar nog redt.”

„En wanneer ga je?”

„Morgen. Over Harwich naar Engeland en dan met de Cunard naar huis. O! het is heerlijk om ze mee naar m’n land te nemen!”

Hilda sloeg haar beide armen om Maud’s hals en kuste haar. Ze wist hoe haar eenvoudig verhaal een tragedie van leed en worsteling beduidde, zooals er zoo vele in stilte worden afgespeeld.

„Lieve, lieve Maud, hoe heerlijk dat je hebt volgehouên. Nou kun je er heelemaal voor zorgen en er ’n paar prachtexemplaren van Amerikaantjes van maken!”

„Ja,” zeide Maud heel zacht, „ik zal probeeren er menschen van te maken, zooals Gladys ze gehoopt had, en ik ben blij, dat ik ze weg kan nemen hier, uit dit land, waar men altijd praat over „de vrouw in het gezin”, maar waar men haar in familiezaken totaal machteloos heeft gemaakt!”