Hilda van Suylenburg

Part 3

Chapter 34,030 wordsPublic domain

„Ja,” zeide Hilda zacht, „wij gaan uit om ons te amuseeren, maar zou amuseeren wel de bedoeling van ons leven zijn?” en toen met onweerstaanbare behoefte aan expansie: „zeg es eerlijk, Eus, van je achttiende tot je achtentwintigste ben je uitgegaan, heb je je heusch al dien tijd geamuseerd?”

Maar Eugénie was niet in een confidentieele stemming.

„Wel natuurlijk!” zeide zij met onrustige bewegingen aan haar rokborduursels plukkend. „Maar wat bezielt je toch vanavond? Heb je bij mevrouw Cranz een preek gehad over waereldsche wuftheid, of voel je weer je hoogdravende roeping in je opkomen om non of pleegzuster of zoo iets te worden en mij ook te bekeeren?”

Als Eugénie in haar kouden spottoon verviel, was het Hilda alsof er zich een ijsmuur tusschen haar optrok. Ver en vreemd voelde ze zich in eens tegenover haar staan.

„Ziezoo het is klaar,” zeide zij, de kant nog even luchtigjes schikkend met de streelende, vlugge vingertoppen, „trek het nou maar gauw aan, want het is al laat geworden; Corry is geloof ik al naar beneden.”

En in groote haast voltooiden zij haar toilet.

Maar Hilda, toen zij voor den spiegel stond om een paar natuurlijke rozen aan het uitgesneden corsage vast te hechten, en ze zag hoe mooi de fluweelig zijden rozenknopjes langs haar blooten hals schenen op te klimmen, hoe goed haar het groene kleedje stond met niets dan die mat rose bloemen, glimlachte onder de bekoring van haar eigen beeld. De ontstemming van zooeven, trok zachtjes weer weg naar de geheimzinnige diepten waaruit zij was opgestegen en legde zich weer te sluimeren.

Half neuriënd holde zij de trappen af, en toen de eerste gast werd aangediend stond ze tusschen haar nichtjes in, alle drie lief poseerend, en onwillekeurig glimlachte zij tegen haar eigen kopje, toen zij het toevallig in den spiegel ontmoette. De glansnevel was weer over haar gekomen en zij voelde zich zelf en haar nichtjes, zooals zij er op dit oogenblik, in de teere schakeeringen van haar bloemkleurige kleedjes ook uitzagen, als een groepje van kostbare bloemen, voor salongefonkel geschapen.

Het was een gezellig dinertje. Het winterseizoen begon op zijn einde te loopen en in de kleine afgesloten kringen der groote wereld kende men elkaar betrekkelijk goed na zoo’n „wintercampagne”, en heerschten de conversaties met groot abandon, nog geaccentueerd door gewilde ruwheid van enkelen. Corry zat druk met haar diplomaatje te spreken en zag er met het verhoogde kleurtje meer dan ooit snoezig uit; ook Hilda was vroolijk, bijna uitgelaten. De reactie van haar ontstemming deed zich gelden. In het oppervlakkige wereldleven dat van de vrouw onophoudelijk een glimlach vergt, terwijl zij over alle onderwerpen licht schertsend heenglijdt, begon haar gezond zenuwgestel te lijden en zachtjes aan kreeg zij die afwisselende stemmingen van opwinding en neerslachtigheid, waaraan maar zoo weinigen in haar omgeving wisten te ontkomen.

„Van Gaefden ga je morgen ochtend mee paardrijden,” zeide Eugénie over de tafel heen tot Hilda’s buurman, een lange jongen met blonde bakkebaardjes en een mooi, onbeduidend gezicht. Hij was juist geëngageerd met Eugénie’s beste vriendin, freule Valérie Vermaezen, het prachtige roodblonde meisje naast hem, en als zoodanig werd hij nu getutoyeerd.

„Het spijt mij zeer, freule,” riep hij terug, „maar morgen moet ik naar de Hoek van Holland om Cranz af te halen, die uit Engeland komt. Het was vroeger een van mijn beste vrienden en wij hebben elkaar nu in geen jaren gezien. Telkens als hij met verlof kwam was ik hier of daar op reis, en nou ik toevallig bij zijn moeder hoorde, dat zij hem morgen terug verwacht, wil ik hem graag tegemoet gaan.”

„Is dat een zoon van de ouwe mevrouw Cranz van Rozenhagen?” vroeg Hilda.

„Ja, juist, freule, Bernard Cranz van Rozenhagen, ’n beste kerel. Hij is nou secretaris bij de legatie te Londen.”

„Wat zal de ouwe mevrouw in den zevenden hemel zijn dat haar afgod, haar lieve Bernardje thuis komt,” zeide Eugénie, met haar sarcastischen lach.

„Hoe gaat het met je broer en wanneer komt ie terug uit het Zuiden?” vroeg Valérie.

„Edward! O, die komt in het begin van Mei, de volgende maand. De dokter wil niet dat ie vroeger thuis komt,” zeide Eugénie onverschillig, maar toen in eens levendig, met schuwen blik naar het andere einde van de tafel, waar een fijn blond vrouwtje rustig met haar vader zat te praten: „Zeg Valérie,” zeide zij gedempt, „ga je de volgende week ook naar Gladys van Praege?”

Freule Vermaezen knikte en glimlachte heel neerbuigend, en ook zij zag even naar het fijne blonde profiel aan het andere einde. „Och ja, we hebben maar aangenomen, laatst zijn we er ook geweest, ik vind er niets in, en iedereen gaat er nou toch ook weer heen. En jullie?”

„Wij gaan ook!”

„Vindt je haar geen lief vrouwtje?” zeide Hilda zich voorbij van Gaefden buigend tot Valérie. „Ik vind het zoo’n innig sympathiek gezichtje.”

„Welzeker,” zeide van Gaefden goedig, toen zijn mooie verloofde alleen antwoordde met eene kleine schouderbeweging van onverschilligheid. „Een heel aardig vrouwtje, en lang niet leelijk, en dat moet ik zeggen goeie wijn hebben ze er, uitstekende wijnen.” En toen vertrouwelijk ging hij zachtjes voort: „En wezenlijk het zijn aardige menschen, maar zij is een Amerikaansche, en zoo’n vreemd vrouwtje, natuurlijk van geen familie, is eerst nog al koeltjes ontvangen en toen hebben ze een paar onmogelijke flaters gemaakt met hun invitaties, zoodat een heele boel lui, hun toen een tijdlang niet hebben willen zien. Maar dat is nou al weer een poos geleden, ze zijn nou heelemaal gelanceerd en iedereen komt er nu ook aan huis. Kent u haar?”

„Heel weinig, ik heb haar maar een paar maal op haar ontvangdag gesproken, want bijna den geheelen winter is zij niet wel geweest en kwam ze nergens.”

„Ik houd het er voor,” zei Valérie, „dat het maar een pretext was, haar gezondheid, want elken dag ’s morgens zag ik haar langs komen met haar oudste kindje, dat mooie meisje. Maar ik heb van verscheiden kanten gehoord dat ze niets houdt van uitgaan, en in haar hart, door en door burgerlijk, maar stil ’s avonds thuis zou willen zitten bij de wieg.”

„Nou, dan heeft ze het getroffen met haar man!” lachte Van Gaefden, „ik geloof dat hij onmogelijk een avond thuis zou kunnen blijven. Een echte doordraaier die Praeg! ze vertellen dat-ie zijn boeltje er mooi aan ’t doorbrengen is.”

„Nou, ik mag hem toch wel”, zeide Valérie fluisterend, „hij kan verbazend geestig zijn, je amuseert je altijd dol met hem.”

„Hè nee, dat vind ik volstrekt niet,” protesteerde Hilda.

„Het eenige is,” ging Valérie door, „dat al doen ze nou ook zulke flaters niet meer als in het begin, ze toch altijd nog allerlei menschen samen vragen, die elkaar anders nooit ontmoeten. Nergens zie je zoo’n gemêleerd gezelschap als bij hen.”

„Dat kan geen kwaad voor ’n keer, ik mag dat zoo wel es, en die je niet aanstaan ignoreer je eenvoudig,” zei Van Gaefden, vol zelfbehagen om zijn liberale opvattingen.

„Ja, dat kan wel eens aardig zijn,” zeide Hilda peinzend, de lange tafel overziende waar al die welbekende gezichten haar in eens met onuitstaanbare verveling vervulden. Even bleef haar blik aandachtig op het Amerikaansche vrouwtje rusten; wat een charme van distinctie lag er in dat fijne, wat al te magere kopje, zoo als het zich zwakjes wiegde boven den hoogen boord van het zwarte fluweelen kleed. Toen zag zij daar schuin tegenover naar van Praege, zij had het al zoo dikwijls gezien het vale teint, de donkere, ingezonken oogen, dat sluike, diep op het lage voorhoofd geplakte haar, het dunne kneveltje, dat maar even schaduwde boven de dikke, sensueele lippen, maar vandaag leek hij haar nog antipathieker dan vroeger. En toch vonden verscheiden dames hem knap! Hij was druk in gesprek met Ottilie van Heemeren „het mooiste vrouwtje van den Haag,” waarvan den laatsten tijd veel vreemde dingen werden gefluisterd. Het scheen wel grappig te zijn, wat hij haar nu juist vertelde, want beiden lachten, lachten lang en zenuwachtig en zagen elkaar dan weer aan, en lachten weer, tot eindelijk mevrouw van Heemeren zich achterover in haar stoel wierp en van Praege zich diep tot haar overboog, en zij in eens weer bedaard werden toen zij bemerkten dat men naar hen keek. Het is vreemd, maar als heeren als van Praege en vrouwtjes als Ottilie naast elkaar zitten, wordt er altijd zoo gelachen. Daar is een kleine demon van onrein lachen, die gewekt wordt door hun contact.

Het diner liep vlug ten einde. Corry en haar jonge Freiherr zaten nu vertrouwelijk te praten, zij met dien diepen kinderblik tot hem opgeheven, die Rooselaar zoo dikwijls naast haar had doen sidderen van ontroering.

Eugénie, tusschen twee uniformen, koketteerde en lachte, het tengere lichaam één zenuwtrilling, en Hilda zich opwindend tot haar vroolijkste stemming trachtte zich erg te amuseeren, maar vanavond lukte het toch eigenlijk maar half.

Na het eten, toen de dames alleen in den salon gelaten waren en zich vertrouwelijke groepjes vormden, ging Hilda naar Gladys van Praege, het banale salonwoord op de lippen, maar in haar gezichtje een warmere uitdrukking van sympathie.

„Wat ben ik blij, dat ik de volgende week gebruik kan maken van uw allerliefste invitatie.”

„O, ja, het doet ons ook zoo’n genoegen dat u zoo vriendelijk wilt zijn om te komen”......

Toen zwegen beiden, in eens niet wetend hoe verder te gaan.

Het hinderde Hilda, nu zij zich aangetrokken voelde tot dit jonge vrouwtje, die ijsmuur van banaliteiten tusschen haar te voelen, en zij ging voort, aarzelend omdat ze in eens bang was dat Gladys haar woorden zou opvatten als een van die gedachteloos uitgesproken complimentjes, die men tegen alle jonge moeders zegt: „Ik ben verleden uw dochtertje tegengekomen, wat is het een prachtig mooi kindje! Laat u haar elken dag uitgaan?”

„O, ja,” zeide Gladys, in eens kwam er leven in het bleeke gezichtje, want zij had verstaan dat Hilda iets anders dan banale beleefdheidszinnetjes meende. „Het doet haar zoo’n goed om veel in de lucht te komen. Houdt u van kinderen?”

„Heel veel! Mag ik misschien uw zoontje ook es komen zien?”

„O! ja, doet u dat! dat vind ik lief van u!” zeide Gladys snel, en zij zagen elkaar aan en glimlachten en praatten nu verder, beiden met een blij gevoel van sympathie dat warmte gaf aan ’t koude woord van nieuwe kennismaking.

De meeste dames waren langzamerhand gaan zitten, de groote kamer vullend met kleine groepjes van mollige fluweelplooiing, satijngeglans van blanke schouders, en weerschijntjes van zijde onder kantgewaas. Zachtjes, bekoorlijk als van intimiteit, gonsden de gesprekken, van tijd tot tijd door een jonge stemmeklank, of een hoog lachje verbroken. Het waren deze tafereeltjes van licht, van elegante voorname gezelligheid, die Hilda in het begin zoo sterk hadden gefascineerd; maar den laatsten tijd begon zij ze met andere oogen te bekijken. Nu haar blik aan de schittering gewend raakte en door begon te dringen door de glanzende oppervlakte, ging er veel van de eerste bekoring verloren.

Bij den haard, het vlammenlicht geel optintend langs haar zeegroen fluweelen kleed, stond Ottilie van Heemeren, trotsch het prachtige, half naakte bovenlijf oplichtend uit het boordsel van zwanendons dat als eenig garneersel haar lijfje omgaf. Zij had het teint der blondines, zoodat het dons met zachtgroen fluweel, haar volmaakt goed stond, maar heur haar was zwart kroezig, en de donkere wimpers, omsluierend de lichtblauwe oogen gaven haar iets vreemds, iets sfinxachtigs dat nog sterker boeide dan hare schoonheid. Er werd verteld dat zij zich verfde, en men haar als kind vuurrood had gekend, maar zij was zoo lang te Parijs op kostschool geweest en toen zij terugkwam was zij zoo als nu, de wereld in het onzekere latend of men met een artistieke gril van de natuur, of met groote kapperskunst te doen had.

Corry stond naast haar, al haar snoezigheid in ’t niet verzinkend naast Ottilie’s exotische schoonheid.

„Corry, stout kind,” zei ze plagend „waarom kom je nooit meer es rustig bij me praten? Je komt alleen maar op m’n jour, en dan hebben we zoo niets aan elkaar! ’s Middags van twee tot vier ben ik altijd thuis, want de dokter heeft mij voorgeschreven om elken middag te rusten, en dus lig ik zoet een paar uur lang op mijn rustbank. Kom me dan eens zien, en breng je nichtje mee. Ze trekt me erg aan, al heeft ze me ook straks, toen de heeren nog binnen waren, in het bijzijn van van Brehnen zoo vreeselijk uit de hoogte terecht gezet, dat ik het niet gauw aan een ander zou vergeven.”

„Wezenlijk? Wat heeft ze dan wel gezegd?” vroeg Corry nieuwsgierig, met een tikje leedvermaak.

Corry en Ottilie waren van denzelfden leeftijd, en zoogenaamd groote vriendinnen, maar in den grond konden zij elkander niet uitstaan. Corry was jaloersch op Ottilie’s veel grootere intelligentie en gaven en schoonheid, en op haar positie als getrouwde vrouw, en Ottilie zag neer op „het onbeduidende kind.”

„Ja, dat zou je nou wel es willen weten, liefje, maar het waren een paar hatelijkheden zoo netjes ingewikkeld dat ik er niets op antwoorden kon, en ze toch best moest snappen. Het is een bijdehandje, dat nichtje van je, maar als ik het je nu over ging vertellen, zou je het fijne misschien niet eens begrijpen.”

„Als je denkt dat ik zoo dom ben, zal ik maar aan Hilda zeggen dat ze alleen naar je toe moet gaan, dan zul je mij liever niet zien,” zei Corry geraakt.

Maar Ottilie, wie het juist om Hilda te doen was, lachte haar ondoordringbaar raadsellachje. „Nee zeker, jij moet ook mee komen! anders zou ik ’t me erg aantrekken! Dus een van de volgende dagen, niet waar?”

Toen wendde zij zich om, Corry alleen latend; de heeren waren weer binnen gekomen voor de thee, en als er heeren waren om mee te praten, sprak Ottilie nooit met dames.

Den volgenden morgen, toen Hilda ontwaakte, stroomde een weelde van zonnestralen haar kamer binnen, met al de vroolijkheid van lentezonneschijn. Er zat levensmoed en lachlust in dat morgenlicht en het stukje blauwe hemel met dunne waterige wolkdonsjes, dat zij van uit haar bed kon zien. Een oogenblik lag zij dommelig genietend van al dat instroomende licht, toen kwam weer het bewustzijn van iets onaangenaams in haar op. Wat was het ook weer? O, ja die arme Rooselaar! Er was geen twijfel aan, Corry had hem verraden voor den Duitschen baron met zijn geld en „Rittergut.” „Arme jongen! Ik geloof dat hij zoo zielsveel van haar houdt! Quelle pitié!”

Maar toen zij weer opzag naar het kleine stukje lucht, dat in de vierkante lijst van het raam, in zijn stralende blauwheid onverschillig voortlachte, lachte zij zelve mee.

„Eugénie heeft gelijk, ik neem ook alles veel te zwaar op. Wel, Corry met haar snoezigheid en gratie en lieve lachjes beantwoordt heelemaal aan ’t vrouwenideaal van de meeste heeren. Laten zij dan ook maar eens ondervinden wat zulke ideaaltjes hun te dragen geven! Het ergste is alleen dat als zij tot de ontdekking van hun vergissing komen, zij de heele vrouwenwereld de schuld geven van hun eigen domheid en de valschheid van zoo’n mooi klein nest.”

„Freule”, zei een stem achter de deur, „daar is een briefje van mevrouw Cranz, de knecht heeft het net gebracht, wil ik het u hier geven of .....

„Kom maar binnen, Lisette, ik wil het graag dadelijk lezen,” riep Hilda, en blij, ze was altijd blij als er iets van de oude dame kwam, opende ze het couvert.

Lieve!

Kunt gij vanmiddag even aankomen tegen drie uur? Ik heb weer een paar arme vrouwtjes die ik naaiwerk zal geven. Wilt gij het komen klaarmaken? Gij ziet uwe goedheid en hulpvaardigheid maken mij veeleischend! Maar het is zulk een vreugde u bij mij te zien, mijn kind, dat ik niet kan nalaten uw geduld telkens op de proef te stellen, om te zien hoe lang gij het zult volhouden om toe te geven aan het egoïsme eener oude vrouw.

Uwe u liefhebbende U. Cranz van Rozenhagen.

Het waren feestbodes, deze korte briefjes, met hun ouderwetsch deftigen stijl en vriendelijke zinnetjes uit een vroeger tijdperk, toen beleefdheid nog voor een deugd gold, en met het prettige vooruitzicht dien middag weer eens gezellig te kunnen praten, zoo als zij het met niemand anders doen kon, begon Hilda opgewekt haar toilet.

En tegenwoordig kwamen er telkens van die episteltjes, want schertsend had de oude mevrouw haar tot haar armenverzorgster aangesteld, en hoe langer hoe meer begon zij haar van die kleine plichtjes op te dragen, die zij vroeger zoo gaarne zelf volbracht, maar nu overgaf, gedeeltelijk omdat zij zich inderdaad te zwak en te oud begon te voelen en gedeeltelijk omdat zij het jonge meisje in deze kleine liefdewerkjes een tegenwicht wilde geven tegen haar wufte omgeving.

Toen Hilda klaar was, en ze was altijd vlug klaar, omdat hare werkzame jeugd haar nooit het treuzelen geleerd had van vrouwen, wie een lange leege dag wacht, klopte zij zachtjes aan de slaapkamerdeur van haar nichtjes.

Eugénie lag nog te bed. Het bleeke gezichtje met de paarsige, vermoeide oogleden half gesloten, lag diep in de kussens gezonken, één mager handje hing slap en bleek neer als van een doode, nog witter schijnend in de borduursels van haar nachtkleed. Een leeg champagneglas stond voor haar bed. Zij deed dat tegenwoordig heel dikwijls: zoo’n slokje champagne ’s morgens wekte haar zoo op. Corry lag half gekleed op de sofa te lezen, het laatste boek van Albert Coppet, een fransche romancier die den laatsten tijd veel opgang had gemaakt en vooral dat jaar druk in de Haagsche dameswereld werd gelezen. Hilda kende het boek en eerlijk gezegd, zij had het leelijk gevonden.

„Waarom lees je niet liever het boek van die Amerikaansche schrijfster, dat Rooselaar ons geleend heeft?” zeide zij. „Het is heusch heel aardig. Er is een heel merkwaardige karakterstudie in van een jong meisje dat in Californië eerst in een farm dient en later in Boston komt en redactrice van een politiek blad wordt. Een curieus verhaal en heel goed geschreven.”

„Zoo, is het aardig,” zei Corry. „Eus had het ingekeken en dacht dat het nog al erg braaf en zoet was, vreeselijk braaf, zie je, met niets pikants er in, en daar hou ik juist zoo van.”

„Nee, het is heel aardig, maar van die prikkelingen, zooals Coppet ze geeft, komen er niet in,” zeide Hilda ongeduldig. „Maar klee je nou gauw aan, dan kunnen we samen ontbijten.”

„O! Foei, moet ik nou al weer uitscheiden! ik was pas begonnen!” zuchtte Corry, het sierlijke lichaampje lang achterover op de sofa uitrekkend. „Hoe laat is het eigenlijk? Half tien? ja, dan moet ik wel voortmaken, want ik wou nog even een kantje zetten om de antimacassar van tante Charlotte, en om elf uur komt Betty de Mureaux quatremains spelen. O! O! wat een drukte toch altijd en eeuwig! Maar zeg, Hilda, ga je mee vanmiddag om drie uur naar Ottilie van Heemeren?”

„Nee, liever een anderen dag, ik wou vanmiddag even bij mevrouw Cranz gaan.”

Eugénie, die nog niet gesproken had dan een mat: „goeie morgen”, liet in eens de nasale klankjes van haar spotlachje hooren. „Ga je ’t lieve zoontje begroeten?”

„Hé, Eus, hoe kun je nou zoo flauw zijn? Wie denkt daar nou aan?”

Maar Corry met een leelijk verwringen van spijtigheid in haar mooie gezichtje, draaide zich om en zeide heftig: „Natuurlijk denk je daar aan! Dacht je dat we zoo dom waren om je slimmigheid niet te begrijpen? Tous mes compliments, mademoiselle! Wel zeker, ga gerust je gang. Schijnheilig freuletje! Dat komt met een preutsch gezichtje over Coppet spreken en dat loopt zoo gauw als zij maar kan, naar mevrouw Cranz om haar lieven zoon in te palmen! Je wou ons allemaal vóór zijn, nietwaar, om indruk op hem te maken. Nou begrijp ik ook waarom je mevrouw zoo het hof hebt gemaakt!”

„Corry, hoe kun je toch zoo iets verzinnen? Hoe kom je er bij? Ik heb heelemaal niet aan dien zoon gedacht, ik wou maar even ....”

Weer lachte Eugénie van uit haar bed, en Corry lachte nu ook met de sarrende rouladetjes, waar vrouwen zoo wreed mee kunnen kwetsen.

„O, natuurlijk niet! je was het heelemaal vergeten dat hij thuis kwam vandaag! en je wist ook niet dat Bernard Cranz een prachtige partij zou zijn.”

„Nee,” zei Hilda. Corry met haar groote reine oogen strak aanziende, „daar heb ik nooit, nooit over gedacht. Maar mevrouw Cranz heeft me een briefje geschreven of ik komen wou vanmiddag, en ik zal gaan.”

„Waar is dat briefje? Wanneer is dat gekomen?” riepen de beide meisjes door elkaar.

Hilda had het in den zak, en een oogenblik maakte zij de beweging om het voor den dag te halen, maar toen voelde zij in eens de vijandigheid die uit het spotgelach naklonk en langzaam, zonder iets te zeggen, ging zij de kamer uit.

„Zeker is het vannacht om twaalf uur door een kaboutertje gebracht!” riep Corry haar nog na, en weer lachten zij het scherp snijdend gelach van booze, jaloersche meisjes, waar bovenuit Eugénies hatelijk schril stemmetje gilde: „Schijnheilig freuletje.”

Hilda antwoordde niets. Het was de eerste keer dat haar nichtjes zoo waren geweest. Tot dusver hadden zij alle drie succes genoeg gehad, ieder in haar eigen kringetje, om vreedzaam naast elkaar te gaan, en Hilda’s vroolijk hulpvaardig karakter had heel wat botsinkjes vermeden. Maar wat was nu dit? Waar zag men haar wel voor aan?

„Maar ik wil er mij niet aan storen!” dacht zij flink, „zulke verdenkingen spatten zwart terug op diegenen die ze verzinnen, en het is geen reden dat ik de ouwe mevrouw afschrijf.”

Het rijtuig kon Hilda niet krijgen dien middag; mevrouw van Starren was al vroeg uitgereden om visites te maken; en met een paar stevige laarzen aan, want de dooiende sneeuw, in vuilgrijze natheid, lag nog dik hier en daar in de straten, stapte Hilda vlug voort naar haar oude vriendin. Zij voelde zich blij, toen zij het huis had verlaten, waar sinds dien morgen zulk een gespannen stemming heerschte; de buitenlucht maakte haar in eens weer vroolijk en licht en in haar nauwsluitend blauw laken pakje, het blauw vilten matrozenhoedje, mooi kleurend tegen het blondbruine haar, ging ze haar gewonen gang van veerkracht naar de woning van mevrouw Cranz.

De lucht was zacht, maar de wind, als hij vol aanblies, deed nog huiveren en snerpte roode frischheid op Hilda’s wangen.

„Wat kunnen me eigenlijk al die speldenprikken en laffe verdenkingen schelen?” zeide zij opgewekt onder het voortgaan.

En toch, toen zij in de gang van mevrouw Cranz die pelsjas en den hoogen hoed zag hangen, die getuigden van een nieuw element in de stille ouderwetsche omgeving, kreeg ze het op eenmaal verschrikkelijk benauwd en had wel weer terug willen gaan. Maar de knecht wierp de deur open en Hilda’s blauwe figuurtje, zacht omstraald door het lentelicht dat door de hooge ramen haar tegemoet stroomde, stond op den drempel en moest binnen gaan.

De oude mevrouw zat in haar stoel, met de hooge rechte leuning, dicht bij het vuur, zij glimlachte toen zij het jonge meisje zag en met een vreugdeglans in de oude oogen zich toen weer wendend tot den forschen jongen man, vlak voor den haard, stelde zij hen aan elkander voor met een wijzende beweging der hand:

„Mijn zoon; freule van Suylenburg.”

Beiden bogen, hun vluchtigen blik van nieuwsgierigheid zich kruisend, en hij bleef nog even kijken en zei toen een paar beleefde woorden. Maar, op eenmaal hoorde Hilda Corry’s gelach weer: „schijnheilig freuletje, prachtige partij” en een groote verwarring kwam over haar, die haar wel jong en bekoorlijk stond in de oogen van den man, die ze bij haar opwekte, zonder het waarom te vermoeden, maar die zoo sterk afstak tegen haar gewone voorname gemakkelijkheid dat de oude mevrouw haar goedig te hulp trachtte te komen.

„Hoe lief dat je door dat morsige weer toch nog gekomen bent. Ga zitten, lieve! Och Bernard geef mij die briefjes even aan, die daar liggen. Ik heb met de freule van Suylenburg altijd gewichtige zaken te bespreken, niet waar? en je moet ons even onze conferentie laten houden. Misschien wil jij wel in dien tijd even een sigaar opsteken hier naast?”