Part 4
„Wilt u me nou alweer weghebben mama?” zei de jonge man lachend. „Ik ben nauwelijks hier en laat mij zoo maar niet afschepen. Ik zal hier heel zoet in een hoek gaan zitten en lezen tot u klaar bent.”
En hij ging naar de vensterbank met een boek en keek beurtelings naar buiten in de straat en naar ’t blauwe figuurtje binnen tot hij heelemaal op ’t einde vergat weer naar buiten in de straat te kijken.
Hilda zat half met haar rug naar hem toe, schijnbaar verdiept in de brieven die zij lezen moest, maar inwendig trillend van ergernis. „Hoe kon me nou toch zoo iets doms overkomen, te staan stotteren en kleuren tegenover zoo’n vreemden man! Wat is het toch leelijk van de nichtjes om mij van zulke intenties te verdenken! En als de oude mevrouw nou mijn verwarring maar niet heeft gemerkt en ook zoo iets van mij gaat denken! Dat zou ik niet kunnen verdragen.”
„Mevrouw,” zeide de knecht, na zachten klop, „daar is Dominee Moisette die vraagt of ie u een oogenblikje belet doet.”
„Laat Dominee maar binnen komen,” zeide de oude dame, en toen de knecht teruggegaan was naar de spreekkamer, „dat tref je Bernard, nou zie je vandaag in eens de twee vrienden die je ouwe moedertje het best troosten en helpen als je weg bent. Moisette is een nieuw licht aan onzen pastoralen hemel, een jong mannetje nog, maar met veel ijver, en die mij dikwijls groote diensten bewijst in mijn armenzorg. Maar jij, Hildy, jij mag wel een beetje voor hem oppassen. Het komt mij verdacht voor dat hij toevallig juist altijd bij mij komt als jij er ook bent.”
„O! lieve mevrouw, dat kunt u niet meenen, daar is geen kwestie van,” zeide Hilda sterk afwerend, want zij wist dat het wèl waar was, dat Moisette haar tegenwoordig overal tegen kwam, haar overal trachtte te ontmoeten. Maar de ernst die over haar jeugdjaren had geheerscht, had haar verheven boven het spottend zich gevleid voelen, waarmede zoovele jonge meisjes dergelijke stille vereeringen beschouwen. Bij intuïtie begreep zij het leed dat de jonge predikant, met zijn harde zelfbedwongen natuur moest lijden en ze was te ernstig om er zich een ijdelheidsspeelgoed van te maken. Medelijden en eerbied lagen in haar heftig ontkennen.
Moisette kwam binnen. Een lange, magere, jonge man. Zijn donkere, kleine oogen, het dikke, sluikzwarte haar, en het boven de oogen sterk gewelfde voorhoofd der fanatieken gaven hem iets terugstootends, alleen de mond was week en treurig en om de glad geschoren kin rondden zich lijnen van goedheid.
„Wat een contrast tusschen die twee,” dacht Hilda toen de beide jonge mannen aan elkaar werden voorgesteld. „De eene lijkt wel een monnik uit de middeleeuwen, die weken lang gevast en met den duivel geworsteld heeft en de andere ....? ja waar lijkt die op?” Voor ’t eerst zag ze even aandachtig naar hem heen. Zijn forsche, gevulde gestalte van sportlievenden edelman, het hooge, kale voorhoofd, de zorgelooze blik der ronde lichte oogen, de volle lippen tusschen de zware, blonde knevel en baard, met hun zelfbewust glimlachje van mooie man, zeiden haar eigenlijk niets. „Wel, al is hij ook de zoon van mijn lieve mevrouw, ik kan het niet helpen, hij lijkt het meest op een Duitsche officier in politiek, stilletjes gezegd het vreeselijkste wezen dat ik ken,” en met zekere voorkeur keerde zij zich weer tot het monnikstype.
„Wat dunkt je Moisette,” hoorde zij mevrouw nu zeggen, „als dat arme Sophietje met haar rugpijnen dat eeuwige naaien, vooral op de machine, niet kan volhouden, zouden wij haar dan geen boekhouden kunnen laten leeren en haar plaatsen kunnen aan die Levensverzekering van je vriend Wilte, waar je verleden van sprak?”
„O, maar mevrouw, daar had ik Jacob Spruiten voor bestemd.”
„Ja dat weet ik,” hernam de oude vrouw haastig, „maar nu die zulk een mooie betrekking aan die fabriek gekregen heeft, vervalt hij natuurlijk. Waarom zou je er Sophietje Vanen nou niet voor nemen? Freule van Suylenburg vindt ook dat zij bepaald bijzonder vlug is.”
„En zou de freule dan willen dat het meisje bij zoo’n maatschappij ging werken?” vroeg hij weifelend, direkt tot Hilda gewend.
„O, ik zou het uitstekend vinden,” zeide Hilda. „Het naaien kan zij op den duur toch niet uithouden, en Sophie is zoo’n bedaard, accuraat en intelligent meisje dat zij juist voor zoo iets geschikt zou zijn. Als mevrouw Cranz haar les wou laten geven en u zorgde later voor de plaatsing, zou het kind gered zijn.”
Moisette schudde het hoofd. „Klerkenwerk en boekhouden in een Levensverzekering zijn nu eenmaal geen vrouwenwerk. Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar in mijn ambt zie ik mij gedrongen om op alle wijzen die nieuwe emancipatieideeën der vrouwen tegen te gaan en ik mag ze dus in dit geval ook niet aanmoedigen. Ieder moet in zijn eigen werkkring blijven, anders neemt de vrouw den man het brood uit den mond.”
„En waar zie je de scheiding dan tusschen ieders werkkring?” vroeg mevrouw Cranz even ironisch. „Vindt je dan naaien zoo’n speciaal vrouwenwerk? Maar dan moest je ook preken tegen die duizenden kleermakers voor heeren en voor dames en de goudborduurders en stoffeerders, die de vrouwen het brood uit den mond nemen, ofschoon, ik moet zeggen, daar heb ik nog nooit een vrouw over hooren klagen, hoe hard de strijd om het bestaan ook voor haar is.”
„Maar waarde mevrouw Cranz, als vrouwen de goed gesalarieerde baantjes aan de mannen gaan betwisten waar moeten wij dan van leven?” zei de jonge dominee zonder haar vraag te beantwoorden.
Hilda hief levendig het hoofd op. Zij zag in haar verbeelding weer het geduldig bleeke gezichtje van het naaistertje voor zich en ergernis trilde in haar stem: „En als de man de goed gesalarieerde baantjes aan de vrouw blijft betwisten, waar moeten wij dan van leven? Met pijnlijke ruggen het droge brood van ons naaiwerk eten om de mannen rustig en aangenaam hun betere betrekkingen te laten genieten? Hebt u dan meer medelijden met den honger van den man, dan met dien van de vrouw, dat u voor alles zijn brood beschermt?”
Moisette zag haar een oogenblik onthutst aan. „Maar de man moet het brood verdienen, ook voor de vrouw. Als hij goed verdient kan hij een gezin onderhouden.”
„En de vrouw dan?” riep Hilda bijna heftig, „moet die in dezen tijd niet ook heel dikwijls een gezin onderhouden? Sophietje heeft haar zieke moeder en ’t kleine, gebulte Fritsje, dat nooit veel zal kunnen verdienen. Vrouw van Toorn, die mevrouw verleden heeft voortgeholpen, heeft een man die al drie jaar aan tering lijdt, en zes kleine kinderen, juffrouw Spanjaard heeft acht weezen van haar broer en zoo zijn er immers massa’s! De toestanden zijn niet meer, dat de vrouw rustig het verdienen aan den man kan overlaten, u weet zelf ook best hoe dikwijls het onderhoud op de vrouw aankomt en dan staat zij eenvoudig tusschen zedelijken ondergang en hard werken voor droog brood. Waarom, als zij even intelligent is en even veel haar best doet, mag zij geen even goede betrekkingen hebben als de man? Trouwens het is tegenover de Sophietjes in de heele wereld wel wat al te hard om haar iets te weigeren, dat aan den vader van een huisgezin toekomt, want zij weten heel goed, die bleeke, leelijke stumpertjes, dat niemand haar tot moeder van een gezin zal maken, en zij dus nooit zullen profiteeren van die voordeelen, die men haar onthoudt onder voorwendsel dat men ze aan haar echtgenoot wil geven.”
„Maar de vrouw hoort niet op een kantoor, zij hoort thuis in het huishouden!” zeide Moisette met een smeekenden blik op mevrouw Cranz, die zwijgend naar Hilda geluisterd had.
„Wat meent u met huishouden?” vroeg Hilda ironisch, meegesleept door het onderwerp. „Lekkere schoteltjes klaarmaken voor moeder en Fritsje? Hoe lief! Maar als er niet eens brood op tafel is? Wat is het huishouden der armoede? Geld moet er toch in de eerste plaats zijn, niet waar? Eerst moet Sophietje verdienen, en dan kan zij heel „vrouwelijk” en lief gaan huishouden!”
„Kom Moisette,” kwam mevrouw Cranz goedig tusschen beiden. „Wees nou maar goed voor mij en Sophietje en ook voor de freule van Suylenburg; je ziet hoe veel belang zij in de zaak stelt, en zorg jij nu voor die betrekking op het kantoor van je vriend, dan zorg ik voor de lessen.”
„Ik zal zien mevrouw,” zei de jonge man heesch. „Maar het is tegen mijn beginsel.”
Ineens stond hij op om heen te gaan met gejaagde bewegingen en een stijve buiging voor Hilda, maar toen zij hem vriendelijk de hand reikte, als tot verzoening na hare heftigheid, ontroerde zij van zijn donkeren blik.
„Wel moeder, ik wist niet dat u zoo voor vrouwenemancipatie ijverde,” zeide de jonge Cranz lachend, op dien lichten speeltoon, half ironisch, half verwonderd, waarmede ernstige zaken gewoonlijk in de elegante wereld worden behandeld. „Sinds wanneer bent u zoo revolutionair geworden?”
„Niet revolutionair, mijn jongen, evolutionair! Geen revolutie hoor! Maar krachtige evolutie! en daarvoor is vrouwenemancipatie een van de noodigste factoren. Hoe wil je de menschheid vooruit laten gaan als de eene helft, de vrouwen, kunstmatig achter wordt gehouden?”
„Ach, moeder, menschenvooruitgang en vrouwenemancipatie, waar vermoeit u u mee? Wie tobt nou over zulke dingen? Ik zou die naaistertjes maar stilletjes aan haar machines laten en zich maar laten redden zooals ze kunnen. Alles komt in de wereld immers terecht.”
Hij lachte weer en zag Hilda aan. Maar het gesprek met Moisette had prikkelend op haar gewerkt. Zij was niet gestemd tot het licht lachend heenglijden over vragen die haar zoo’n belang begonnen in te boezemen.
„Wel zeker,” zeide zij scherp. „Wij voelen immers toch niet de rugpijn van die stumpertjes of haar vermoeienis als zij den geheelen dag getrapt hebben voor hoogstens twaalf stuivers.”
„Nou ja freule, maar men kan het nou eenmaal in dezen wereld niet iedereen naar den zin maken, niet waar? Als men toevallig iets voor zoo’n meisje kan doen, doe je het natuurlijk, maar ik zou er dien armen dominee die er gewetensbezwaren over heeft, heusch niet zoo hard over vallen.”
„Waarom niet,” zeide mevrouw Cranz, „dan moet-ie zijn geweten maar een beetje meer in overeenstemming met de eischen van den tegenwoordigen tijd brengen. Een herder mag den drang van zijn tijd niet ignoreeren. Ik kibbel er altijd met hem over en ik was blij dat de freule van Suylenburg er hem vandaag ook eens iets van gezegd heeft.”
„Maar zoudt u het heusch goed vinden freule, in ’t algemeen gesproken, dat vrouwen alle mannenbaantjes konden bekleeden?” vroeg hij ongeloovig. „Och kom, zoudt u bijvoorbeeld in de diplomatie willen studeeren? Wat een gevaarlijke storingen in de gemoedsrust van al uw collega’s zou dat geven.”
Hilda glimlachte even en pijlsnel kwam het in haar op welk antwoord zij als „lief jong meisje” nu eigenlijk behoorde te geven. Ze moest even de oogen neer slaan en dan bewonderend tot hem opzien en zachtjes zeggen: „O! nee, zulke hooge, moeilijke betrekkingen meen ik natuurlijk niet. Zulke studies zijn veel te zwaar voor een vrouw!” Sinds honderde jaren zijn zulke antwoorden gegeven door vrouwen die op hetzelfde oogenblik volkomen overtuigd waren driemaal intelligenter dan haar toehoorder te zijn, maar ook wisten, dat zij nooit beminnelijker en verstandiger werden gevonden, dan wanneer zij vleiend partij trokken van zijn naïeve mannenijdelheid. Vleien is een groote macht en veel vrouwen zijn machtig geweest omdat zij den man wisten wijs te maken dat zij geloofden in zijne superioriteit.
Maar Hilda’s eerlijke fierheid liet het laffe comediespel niet toe dat de relatien tusschen de sexen in den wereldomgang zoo dikwijls bederft, en Corry’s woorden: „prachtige partij, schijnheilig freuletje,” klonken in eens luid in haar op en gaven haar lust om zelfs scherp te zijn.
„Over de gemoedsrust der heeren van de legatie zou ik mij al heel weinig bekommeren, en waarom, als er flinke, knappe meisjes waren, die er lust in hadden, zouden zij geen diplomaat worden? Door alle eeuwen heen zijn vrouwen groote staatslieden en politieke intriganten geweest.”
„Freule, als u diplomaat werd zou ik uw tegenstanders vreeselijk beklagen, u hebt het straks ook weer aan dien dominee gezien, hoe heet hij eigenlijk, Moisette? die vond het ook, geloof ik, moeielijker om u te weerstaan dan om zijn principes op te geven.”
Cranz zei het lachend zijn voornaam geblaseerd lachje om vooral te toonen dat hij het gesprek niet in ernst wou nemen, dat het voor hem niets was dan een kleine, pikante woordenstrijd.
„Zeker is het ook moeielijk voor dominee Moisette om mij te weerstaan, niet omdat ik het ben, maar omdat ik alleen verlang wat een geweldig dringende eisch van elk rechtvaardigheidsgevoel is.”
Zij zeide het hoog, heel koud, uitdagend, bijna beleedigend na zijn complimentjes, en stond op in zenuwachtige ergernis. Het begon haar zoo vreeselijk te vervelen altijd om haar heen dat flauwe, gezochte schertsen, dat zorgvuldig onder ironische lachjes wegstoppen van den ernst van het leven en zijn vraagstukken. Waarom konden die menschen nooit eens ernstige zaken gewoon ernstig behandelen? En dan, er lag in Bernards toon ook nog dat hoffelijk nederbuigende, dat ze dien winter dikwijls opgemerkt had van heeren tegenover dames, alsof hij haar aardig genoeg vond om zich met haar te amuseeren, maar niet de moeite waard om verstandig mee te praten.
„Ga je al heen Hilda?” zeide de oude mevrouw. „Je moet nog maar eens dikwijls met mijn zoon komen kibbelen, dat is heel goed voor hem.”
Hilda glimlachte haar gewonen lieven glimlach toen zij afscheid van de oude dame nam, maar toen vlug langs Bernard glijdend, zonder hem de hand te geven, ging zij heen met een buiging van stijve hoogheid, die hem een beetje onthutst midden in de kamer liet staan.
„Ziezoo, dàt is tenminste een rust, de nichtjes kunnen tevreden zijn, mijn eerste ontmoeting met Cranz leek alles behalve op flirt,” zeide Hilda onder het naar huis gaan. En toch ...... er was iets in zijn oogen geweest toen hij bij ’t weggaan voor haar boog .... Nonsens, dat was immers onmogelijk. Zij vond hem vervelend en aanstellerig, met zijn aardigheden en complimentjes, nadat hij in ’t gesprek met Moisette heel goed had kunnen zien dat zij in vollen ernst belang in die dingen stelde, en hij moest haar belachelijk en vinnig hebben gevonden om zich zoo op te winden. En zij probeerde het prettig te vinden dat zij zeker een slechten indruk op hem gemaakt had, maar in den grond toch hinderde het haar.
Ontevreden op Cranz, ontevreden op haar nichtjes, ontevreden op zich zelve en haar heele leven kwam zij thuis, en in den leunstoel op haar kamer viel ze neer, lusteloos en verdrietig.
Waarover had ze zich straks toch eigenlijk zoo geërgerd? Omdat Cranz spotte met vrouwenemancipatie? en Moisette er tegen was? Maar wat bedoelden zij daar eigenlijk mee? Als men zulke onderwerpen bespreekt, mocht men wel eerst beginnen met een definitie te geven van ’t geen men onder zoo’n woord verstaat.
Wat waren er nog een massa menschen die onder „vrouwenemancipatie” een soort streven verstonden om allerlei dingen te mogen doen en vrijheden te nemen waar geen enkele beschaafde vrouw naar verlangen kan. Het was vervelend al het misverstand, dat over dit woord heerschte, maar dat hadden immers alle woorden gemeen die een streven, een idee uitdrukten!
Wat een gruwelen zijn er niet bedreven in naam van het christendom dat liefde en vrede bedoeld! In naam van het geloof in een God van liefde zijn brandstapels en pijnbanken gebruikt, in den naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap, is felle tyrannie, bloedvergieting, schending van vrijheid gepleegd; in naam van de wetenschap gebeuren de schandelijkste wreedheden, in naam van vaderlandsliefde wordt broedermoord op grooten schaal gepredikt, in naam van orde en recht wordt telkens het recht van de zwakke vertreden, in naam van de liefdadigheid wordt groote ijdelheid bedreven. Hoe kan het dan anders dat ook in naam van vrouwenemancipatie treurige, belachelijke dingen zijn gedaan, die misverstand in de wereld hebben gebracht?
Maar voor allen die het goed begrijpen is vrouwenemancipatie een woord van aangrijpenden ernst. Voor hen beduidt dit het mooie streven naar een vrijheid die elk mensch toekomt, hetzij man of vrouw, een vrijheid om te mogen werken, zich nuttig maken, geld verdienen zooals eigen aanleg, behoeften en geweten het eischen, niet langer zooals traditie het voorschrijft.
„Vrouwenemancipatie is het recht voor ons om te leven niet net als een man, maar even goed als een man, niet meer aan alle zijden belemmerd!” dacht Hilda voort. Hoe is het mogelijk dat Moisette dat niet ook zoo inziet? Waarom tracht hij toch bij alle gelegenheden de vrouw terug te houden binnen haar treurig klein arbeidsveldje waar alleen droog brood te verdienen is? En wat beduidt toch al dat gepraat over de „vrouw?” en wat zij doen mag of niet? Als men de menschen er over hoort spreken, zou men soms denken dat zij het over een plantsoort hebben, die in kleigrond en niet in zandgrond behoort te groeien of andersom, in plaats van over levende menschen, wier passies, karakters, verlangens, aanleg, behoeften en roeping hemelsbreed van elkaar kunnen verschillen. Als of er niet evenveel geweldige contrasten onder de vrouwen gevonden worden als onder de mannen!
Zij amuseerde zich een oogenblik met het bedenken van tegenstellingen: Een Sarah Bernard, de verfijnde kunstenares, en een Utrechtsche orthodoxe burgerjuffrouw, een Florence Nightingale, die bij de menschenslachting van den Krim-oorlog als een voorzienigheid op het slagveld rondging en onder kogelregens de stervenden bijstond, en een Betty de Mureaux die bang was voor een muis, een Maria Theresia die een eerste plaats inneemt onder de koningen en staatslieden van haar tijd, en een dier stille liefdezusters die men in groote steden in achterbuurten soms tegenkomt, wier naam en onvermoeid troosten en helpen niet door de geschiedschrijvers worden gemeld; een heilige Theresia die den Augiasstal van het Spaansche kloosterleven der zestiende eeuw wist te reinigen, en niettegenstaande zeer vijandige tegenwerking van machtige geestelijken, met ongeëvenaarde energie en tact, tucht, materieele en moreele reinheid in de kloosters wist in te voeren, en een markiezin de Pompadour, misschien de gedepraveerdste van alle courtisanes; een Harriet Beecher Stowe, de onvermoeide arbeidster aan de vrijheid der Amerikaansche slaven, die behalve voor haar groot sociaal werk nog den tijd vond om voor hare zes kinderen een uitnemende moeder te zijn, en de Madame Bovary’s, de Eline Vere’s van de geheele wereld, die in haar zinnelijk romantisch egoïsme te gronde gaan; een krijgszuchtige als de comtesse de Montfort, waarvan de Croniqueur zegt: „Quelle avait un coeur d’homme et de lion”, en eene Blanche de Castille, de teedere moeder van den heiligen Lodewijk, die zeker niet minder wijs en deugdzaam was als haar heilig verklaarde zoon; een Monica, de moeder van den heiligen Augustinus die haar zoon redde uit de zondemacht door tranen en gebed en de Parijsche elegante, die haar zuigelingen buiten „en nourrice” zendt, en haar kinderen in kloosterpensionaten laat opgroeien om zich zelf luchtig te amuseeren; een Catharina de Groote van Rusland, de infame wellustelinge en in ’t begin van deze eeuw een zuster Catherine Emmerich, die het zalig vond de afgrijselijkste smarten te dragen als verzoenende boete—zoo zeide haar heur geloof—voor de booze zonden der wereld; een freule Tinne, de stoute Afrika-reizigster, een miss Kingsley die haar gevaarvolle tocht in Kamerun volbracht en juffrouw Betje die ’t „eng” vond om over den Moerdijk te gaan; een Amalia Edwards, die haar heele vermogen beschikbaar stelde om aan University college te Londen een professoraat in de Egyptologie te stichten, een mevrouw Lewis die naar den berg Sinaï reisde om daar van belangrijke manuscripten photographische afbeeldingen te nemen en die later te ontcijferen, en mevrouw Vermaezen die hoofdpijn kreeg van een Ouida-roman, een door ziekelijke eerzucht verteerde Marie Baskirtcheff, een dweepster als Charlotte Corday, een staatkundige als madame de Stael en madame Roland, een Kate Marsden, die de afschuwelijke verblijven der leprozen opzocht om hun leven dragelijk te maken, een dichteres als Elisabeth Browning een Cosima Wagner, een Jeanne d’Arc, een Bettina von Arnim, een Octavia Hill .................
Dagen lang zou men immers zoo voort kunnen gaan en hoe meer namen men zou vinden, hoe sterker de contrasten zouden uitkomen. Het zou een aardige studie kunnen worden om eens ernstig na te gaan hoe weinig gelijkvormigheid er heerscht onder die millioenen individuen waarover philosophen en staathuishoudkundigen in belachelijke eenzijdigheid hebben geschreven als of het één wezen was: „de vrouw”!
O! natuurlijk er is dikwijls beweerd dat al die groote figuren excepties waren en dus niet mee konden worden gerekend als er sprake was van „de vrouw”. Maar voor wie oogen heeft om te zien rondom zich in de wereld en eerlijkheid om te erkennen, voor dien moet het duidelijk zijn dat die vrouwen die op een of andere wijze hebben uitgeblonken, geen abnormale wezens waren, maar alleen volkomen volwassene, sterke exemplaren van soorten die men in de vrouwenwereld overal ontmoet, in alle graden en schakeeringen. Duizende zielverwanten in miniatuur moeten er op dit oogenblik zijn van Kate Marsden en Ristori, en George Eliot, en mevrouw Butler, en Maria Theresia, en Ninon de Lenclos, en Vittoria Colonna en Cleopatra en Harriet Beecher Stowe! Duizenden en duizenden, bewust of onbewust moeten iets in zich voelen van hetgeen deze historische vrouwen in volmaaktheid hebben bezeten! En deze alle wilde men, de wreede, domme men, onder één etiquette „de vrouw” tot één zelfde leven veroordeelen! Was het niet onzinnig?
Waarom liet men het toch niet over aan elk individu om voor zich zelf te bepalen waar zij zich geschikt voor voelde? Wat beteekende toch dat verontwaardigde angstgeschrei zoodra een vrouw lust toonde iets anders te doen dan wat haar moeders of grootmoeders hadden gedaan of haar buurvrouwen nog deden? Alleen die enkelen, die aan groote gaven een zeldzame dosis moreelen moed, energie en volharding paarden of in buitengewone omstandigheden waren, konden nu haar eigen roeping volgen. Al de anderen moesten zich nog buigen voor de uitspraken van de gedachtelooze „men.” Wat een kapitaal van liefde en gaven moest daardoor voor de maatschappij verloren gaan! Hoeveel vrouwen suften nu nog in werkeloosheid weg, die zoo nuttig zouden zijn geweest als men haar haar eigen richting had laten gaan!
Sinds honderde jaren is er nu al met gewetensvrijheid gedweept, maar hoe weinigen kennen eigenlijk nog het eerbiedigen in anderen, en vooral als het een vrouw geldt, van vrijheid in willen en werken!
Hilda bleef stil zitten, lang doorsoezend een rij van gedachten, maar in eens klonk in den gang vlak bij haar deur Corry’s hoog-kirrend lachje. De kruk werd zachtjes omgedraaid en Eugénie gluurde naar binnen.
„Zoo, ben je terug van den verkenningstocht en goed succes gehad?”
Met een leelijken lach, de bovenlip hoog opgetrokken, de oogen schril wijd geopend, de stem trillend onder den lust van te verwonden had Eugénie het gezegd, toen met een knakkenden slag sloot ze de deur en Hilda stond alleen, wild getergd, midden in de kamer, die als vervuld was plotseling met een damp van hatelijken smaad.
„Ik moet het me niet aantrekken,” zeide zij hardop met strakke blikken naar de deur. „Ik wil het me niet aantrekken. Ik wil me te hoog voelen om door zulke gemeene, laffe hatelijkheden beleedigd te zijn!” Maar wat ze ook tegen zich zelf mocht zeggen, het hinderde haar toch verschrikkelijk.