Part 2
Daar stond het op een klein stukje papier dat fladderend uit Homeros viel, toen Hilda op een morgen het versleten lievelingsboekje van haar vader opnam om nog eens enkele dier verzen te lezen, die zij samen zoo menigmaal hadden genoten. Het waren zulke eenvoudige woorden en zulk een eenvoudige gedachte. Iedereen weet die waarheid immers. Maar in dat vaste klare handschrift van den geliefden doode, schenen haar die woorden een nieuwe bron van wijsheid. Was het een citaat of een eenvoudige formule waarin hij had samengevat een rij van diepere gedachten? Was het een in distractie half spelend daarheen geschreven woord, dat hem uit vroegere tijden in den zin was gekomen? Wat doet het er toe? Het stukje papier was dwarrelend neergevallen op den sleep van haar rouwkleed en duidelijk, in hun zwarte lijst, spraken die woorden haar aan, toen zij zich bukte om het op te rapen. Een oogenblik bleef zij er op den grond gehurkt aandachtig naar zitten turen, toen zag ze naar het boekje in haar hand en ’t kwam in eens weer voor haar geest met ontroerende duidelijkheid hoe haar vader op reis eens,—in Griekenland was het—haar hoofdje in zijn handen had genomen en op zijn eigen teedere manier had gezegd: „Mijn kindje, mijn kleine Brünnhilde, zul je nooit vergeten dat alles wat je nu geniet en voelt van mooie emotie, en geestdrift, en alles wat je nu opgaart van ontwikkeling en breeder denken, je later om moet zetten in vruchtdragenden arbeid. Nu is je tijd van groeien en rijpen, geniet er van mijn kleine meisje, want later komt de tijd, mooier en heerlijker nog, maar veel zwaarder, dat je schaduw moet geven aan de vermoeiden en lafenis brengende vruchten aan de angstigen en uitgeputten.”
Misschien had zij die woorden toen nauwelijks verstaan, maar nu begreep zij ze en zij doortrilden haar met een sterk verlangen naar arbeid.
Wat had zij toch gedaan al die maanden van treurend heenleven? ’t Was of ze dat jaar geslapen had, gewiegd in zelfzuchtige droefheid; niet eens had ze in ’t eentonig, gelijkvormig komen en gaan der dagen gemerkt dat sinds haar ontzettend verlies al zooveel tijd was verloopen. Maar zeker, nu was ze ontwaakt. Zij zou zich aanpakken en haar werk beginnen. In die groote menschenwereld, daar buiten, heel ver van haar rustige bosschen, was daar niet oneindig veel te doen?
„Ja zeker, ik wil werken,” herhaalde zij halfluid, „werken, ik zal naar den Haag gaan en werk zoeken.” En met dit besluit was de oude veerkracht gekomen.
De pijn van het afscheid van Suylenburg en het bange opzien tegen een nieuwe omgeving waren zeker nog heel smartelijk geweest, maar meer toch dan ze zelf vermoedde, waren levenskracht en levenslust ontwaakt.
De eerste avond was goed afgeloopen. Hilda had haar uiterste best gedaan om lief tegen allen te zijn, en belang te stellen in de dingen harer nieuwe omgeving. In haar wangspieren had ze op ’t laatst een klein pijntje gevoeld van het glimlachen en haar hoofd was doodmoe van ’t ongewone praten maar ze had een volkomen innemenden indruk gemaakt.
„Nou, met haar verdriet zal het wel schikken, dat is ze, geloof ik, een heel eindje te boven,” zeide Eugénie, toen Hilda en Corry naar boven waren gegaan en zij met haar ouders nog even bleef na praten. „Ik was ’n beetje bang dat ze stil en sentimenteel zou zijn omdat haar brieven altijd nog zoo bedroefd waren.”
„Het ergste is dat we nog een heele toer zullen hebben met die vreemde opvattingen van vroeger, die mijn arme broer haar heeft ingeprent,” zeide Mevrouw van Starren. „Enfin, ze is slim genoeg, geloof ik, om wel gauw in te zien dat een heele boel van die theorieën van de broederschap van alle menschen en van vrijheid voor de vrouwen en dat meisjes uit onze kringen zich nuttig moeten maken en zoo meer, hier volstrekt niet gegoûteerd worden, en dan zullen ze van zelf wel verdwijnen. Het voornaamste is dat het een vriendelijk dankbaar schepseltje schijnt te zijn, en een lief gezichtje is het ook, vindt je niet Henk?”
Mijnheer van Starren antwoordde niet, maar floot sissend tusschen zijn tanden een oud operadeuntje. Hij vond Hilda bijzonder mooi, bijzonder bekoorlijk vooral, maar hij vond het beter om het niet te zeggen.
Na een lange wilde jeugd, waaruit nog enkele anecdoten de ronde deden bij heerendiners, was hij eerst laat getrouwd, en zijn relatie tot zijn kinderen was hierdoor eenigszins als van een grootvader tot zijn kleinkinderen geworden. Meestal was hij goedig, zwak zelfs in het toegeven aan hun verlangens, maar zonder eigenlijke belangstelling in hun intiemer leven. Alleen voor Edward, zijn zoon, voelde hij warmer en toen de jongen, na vlug het gymnasium te hebben afgeloopen, gezond en flink, in eens was gaan hoesten en een zware bloedspuwing had gekregen en weg gezonden was naar het Zuiden, had hij er, meer dan iemand kon vermoeden, onder geleden.
Misschien was het wel minder het kind dan de stamhouder, dien hij toen gevreesd had te verliezen, misschien gold zijn angst meer den wapen- en naamdrager dan den zoon, hoe het zij, Edward was de eenige in wiens ontwikkeling hij werkelijk had belang gesteld, wiens gezondheid hem interesseerde en voor wiens toekomst hij zich illusies maakte.
Voor de meisjes echter scheen hij volkomen onverschillig en later was voor Hilda de onderlinge verhouding van dezen vader met zijn dochters een bron van onuitputtelijke verwondering. Beleefd, als welopgevoede menschen, leefden zij naast elkander voort, zonder iets in elkaars leven te beteekenen, de meisjes meestal met een nuance ongeduld in haar toon, en de vader met een iets sterkere nuance ironie. Want uit zijn vroegere ervaringen had hij over al wat vrouw was een zeer cynische beschouwing gehouden: „Toutes les mêmes, mon cher, au fond allemaal dezelfde, geen een kun je er vertrouwen, een noodzakelijk, en op zijn tijd heel bekoorlijk kwaad, j’en conviens, mais un mal tout de même.”
Dit was zijn credo over „de vrouw”, dat hij gaarne bij alle gelegenheden te pas bracht, en het spreekt van zelf dat zijn belangstelling in zijn meisjes niet groot kon zijn bij deze overtuiging.
De man, die het geloof in de vrouw verloren heeft kan immers nooit meer een waarachtig vader voor zijn dochters zijn!
„Wat is het een curieus wijsneusje, voor zoo’n jong ding,” zeide hij lachend. „Hoe noemde ze het ook weer? meisjes die niets deden dan zich amuseeren en toilet maken waren economische nonvaleurs! Ik ben nieuwsgierig hoe of ze het aan wil leggen om een valeur te worden.”
„Onzin,” zeide mevrouw ongeduldig, „dat zijn nog van die idees van m’n broer. We zullen haar die deftige woorden wel uit het hoofd praten.”
Mijnheer van Starren knikte, ondeugende lachtrekjes van ironie en minachting om zijn grijzen knevel.
„Welzeker, ’n paar baltoiletjes en complimentjes, en de ernstigste principes zijn uit ’n meisjeshoofd verdwenen. Een bout de cour, enfuut!”—met een geluid dat Eugénie woedend zenuwachtig maakte, knipte hij een paar maal met den langen nagel van zijn duim tegen dien van zijn ringvinger,—„de verhevenste theorieën gaan bij jonge dames op den loop.”
De eerste weken van Hilda’s zijn in den Haag gingen snel en geanimeerd voorbij. Iedereen was lief tegen haar, er werd paard gereden en gemusiceerd, zij leerde tennissen en wielrijden, en zij gingen naar het strand en deden boodschappen, en bij het uitzoeken van aardige toiletjes voelde Hilda dat echt vrouwelijke, kinderlijk-artistieke genot, dat het aanraken van kostbare stoffen geeft met rijke glanzingen en teere kleuren, als zij glijden tusschen fijne handjes en verbeelding kleine staallapjes omtoovert in heerlijk diepplooiende gewaden.
Bezoeken in mooie salons werden afgelegd bij oude wereldsche dames, die veel over haar „petite santé” praatten, en over engagementen die af of aan zouden raken, bij elegante jonge vrouwtjes, met wie Corry en Eugénie eindelooze gesprekken hielden over de deugden en ondeugden van haar kennissen in ’t algemeen en van haar naaisters in ’t bijzonder, vrome dames, bij wie op elk bedenkbaar voorwerp een kroon of een wapen was aangebracht, en die veel Bijbelspreuken schenen te kennen maar er nooit citeerden die op ootmoed sloegen, bij jonge meisjes, meestal bleek en tenger als Eugénie, over wier bloedelooze lipjes akelige verhalen van heeren en dames uit haar omgeving kwamen, die nog naarder klonken nu jonge cynische mondjes ze uitspraken, bij andere jonge meisjes wier zacht doezelige oogen niets schenen te zien in de wereld dan taartjes en complimentjes en de bonte prisma’s van zeepbellen, bij vroolijke menschen, die door het leven schenen heen te lachen en bij zenuwachtigen die zich zelf en anderen het leven moeilijk maakten, bij artistieke menschen, die veel spraken over kunst en er liefst in dilettantiseerden, maar meestal geen acht sloegen op de prachtige kunst om van hun bestaan iets waarlijk moois te maken, bij ambitieuze menschen met erbarmelijke illusies van een beetje meer aanzien bij het groote publiek, bij menschen met goeden aanleg maar wier leven, verbrokkeld en versnipperd door duizenderlei onvruchtbare nietigheden, in oppervlakkigheid ten onder scheen te gaan, bij deftige koele menschen, van wie men niet zeggen kon, of zij nog een ziel en een gedachteleven hadden, wier wezen zich geheel in vormelijke voornaamheid scheen te hebben opgelost, bij enkele beminnelijke menschen ook, aan wie het van geslacht op geslacht streng voorgehouden: noblesse oblige, werkelijke beschaving en adel van gemoed scheen gegeven te hebben, maar ook bij menschen zoo plat en vulgair en in alle opzichten zoo grof van maaksel dat men zich afvroeg hoe afstammelingen van oude geslachten, die zich sinds eeuwen in weelde en uitgezochten omgang hadden kunnen verfijnen, zulke grove typen konden aanbieden.
Dit alles was Hilda voorzeker niet sympathiek, maar het amuseerde, het boeide haar, en de glans die over deze geheele wereld lag, ook over het leelijkste, laagste, de glans van zelfbewustheid en rijkdom verblindde haar een beetje.
Ook hadden haar ernstige jeugd en het eenzaam stille rouwjaar buiten haar misschien nog ontvankelijker gemaakt voor de bekoring van dit bonte leven. Het was voor haar een nieuw genot om met jonge meisjes te lachen, om weer eens kinderachtig uitgelaten te zijn, om in eens midden in die wereld te zijn, die zij tot dusver alleen maar in romans genaderd was. Zoet enerveerend ook begon de wierook der complimentjes te werken en ’t feestelijk mooie van lichte zalen vol bloemen en groote toiletten begon haar te betooveren.
Toch trachtte zij soms nog eerlijk te reageeren.
„Maar ik ben hier niet gekomen om te dansen en te lachen,” zeide zij op een morgen in eens onder het aankleeden. „Hoe lang ben ik al hier? Al twee maanden! Ik moet gauw zien dat ik iets nuttigs vind om te doen.”
En zij dacht aan haar werk-illusies van den laatsten tijd in Suylenburg en zuchtte, want zij voelde in eens dat het enthousiasme er voor heelemaal was verdwenen en dat het een groote verleiding was om maar rustig zoo voort te leven als een vlinder in zonneschijn.
Zij was naar den Haag gekomen met groote minachting voor al de wuftheid die ze wist er te zullen vinden en ze was vast overtuigd geweest dat ze veel te ernstig en te oud was om er aan mee te doen. Ze had zich zoo heel heel treurig en oud gevoeld, als alleen heel jonge menschen zich voelen kunnen. Alleen naar werken en nuttig zijn had ze verlangd, om te doen wat haar vader gewenscht had, en wat was er nu toch van al die verlangens geworden?
Ze had het zoo druk gehad met al haar nieuwe mondaine plichtjes, met al de tallooze bezigheidjes die haar omgeving van haar eischte en alles rondom haar was zoo vol suggesties, dat het van zelf spreekt, dat jonge meisjes niets doen dan zich amuseeren. En wat was dat toch ook eigenlijk voor werk dat zij had willen doen? Niemand had haar noodig en zij voelde geen enkele roeping in zich. Waarom zou zij zich maar niet amuseeren net als al de andere meisjes. Later kon zij altijd nog zien wat ze zou aanvangen, er zou zich wel eens iets voordoen, waarin ze zich nuttig kon maken! Later zou ze wel werk vinden.... Later....!
Het was het „Later” dat zooveel energie heeft in slaap gesust en zooveel werkkracht verlamd.
Toch had zij er een paar maal ernstig met haar tante en de nichtjes over gesproken. Er was trouw in haar karakter en de voornemens te Suylenburg waren te eerlijk geweest om ze dadelijk in de bekoring van haar nieuw leven te willen opgeven. Maar ze was overal uitgelachen. Eugénie’s vlijmende spot was als een ijswind snerpend over haar heen gegaan, telkens als zij van „nuttig zijn” heel aarzelend had gesproken, en Corry had fou rires gekregen en had haar burgerlijk gevonden. „Zoo’n idée van iets te willen doen, dat was goed voor meisjes zonder geld.” En mevrouw van Starren had eindelijk ernstig gezegd: „Er werd tegenwoordig al zooveel voor ’t volk gedaan, eigenlijk veel te veel; het werd maar ontevreden als men er zooveel notitie van nam! Zij vond dat iedereen in zijn eigen kring moest blijven. Waar moest het heen als alle meisjes van naam en fortuin diacones of wijkverpleegster wilden worden! Er was zoo’n ziekelijke overdrijving tegenwoordig onder de menschen, en daardoor kwam juist alles in de war. In haar jeugd dweepte niemand uit haar kring met volksbelangen en nuttig zijn en toen was het een boel rustiger in de wereld. En waarom zou Hilda nu ook heel anders willen doen dan al de meisjes die ze kende? Dat was allemaal excentriciteit, aanstellerij. Ze moest liever dankbaar zijn dat ze nu in de gelegenheid was om zoo prettig in de beste kringen uit te gaan, en ze moest zich niet verbeelden dat zij beter was dan al die andere meisjes die zich gewoon amuseerden. Dat was gevaarlijke pedanterie!”
En na dit onderhoud, had Hilda niet meer over werken gesproken, er nauwelijks meer aan gedacht. De stroom van winteramusementen had haar meegesleurd in zijn glanzende vaart. Dagen, weken volgden elkaar op, niets achterlatend in haar geest dan een warreling van muziek en gelach, witdamastgeschitter tusschen bonte bloemen, flitsjes van diamanten en goudborduursels en witte dassen en ruischende kleurige vrouwenkleeren en zoet streelende woorden en alleen heel diep daarachter, haast onzichtbaar van vaagheid, een achtergrond van onbevrediging.
In het begin had zij niet veel succes gehad. De echte conversatietoon was haar wat vreemd en moeilijk geweest en telkens was ze in uitersten vervallen, nu eens onbeduidend door banaliteit, dan weer door veel te zware onderwerpen wat al te diepzinnig schijnend. Maar ze had zich haar eerste nederlaagjes al heel weinig aangetrokken. Gewend sinds jaren, op haar reizen, om veel om zich heen objectief te beschouwen, en zooveel moois of leelijks, treurigs of vermakelijks in de menschenwereld gade te slaan, met de rustige belangstelling van den toeschouwer, die zelf in het drama geen rol heeft te vervullen, had zij ook nu haar nieuwe omgeving in kalme passiviteit bestudeerd. Alles had voor haar de volle bekoring van het nieuwe, maar in haar denken was zij geen bakvischje meer, voor wie een dans, een bouquet, een souper levenskwesties zijn. De aanvankelijke koelheid van haar cavaliers had haar weinig geïmpressioneerd; in vroolijke nieuwsgierigheid had ze haar nieuwe wereld bekeken.
En toen was het langzaam gekomen, het succes, en ze was jong en ijdel genoeg om er zich vol aan over te geven. Sommigen vonden haar nog wat gereserveerd en koud in het luchtig abandon der groote wereld, sommigen „een beetje docte”, wat al te geleerd, maar langzamerhand toch hadden de meesten de charme gevoeld harer jonge mooie verschijning. En ze genoot er van, hoe langer hoe meer, toen ze zich omstreeld voelde door bewondering, en een groot verlangen, een passie om te schitteren kwam bedwelmend soms over haar.
Eerst was zij zachtjes voortgegleden op de goud glanzende zee, lachend meedeinend op de dansende golfjes, toen had ze, zonder bijna te beseffen hoe sterk het haar verblindde, fascineerde, naar het roer gegrepen, en gestuurd dáar naar de open zee waar het fonkelde van diamanten. En toch soms waren er oogenblikken dat zij haar vaart reeds vertraagde, vermoedend dat de schitterglans slechts spel der zonnestralen was waaronder gevaarlijk en koud donkere diepten scholen.
„Kom meisjes,” riep mevrouw van Starren, „het is hoog tijd dat jullie je gaat kleeden. Hilda, ik zou m’n groene zijdje maar aandoen, dunkt me, Corry en Eus kunnen dan haar rosetjes aantrekken.”
Zij verwachtten dien middag verscheidene gasten, en op die eigenaardig langzame manier van menschen die veel tijd hebben, hadden de drie meisjes den ganschen middag doorgebracht met het schikken van bonbons op schaaltjes en het klaarmaken van bloemen voor de tafel.
Hilda knikte toestemmend. Zij gehoorzaamde altijd volkomen gedwee als haar dergelijke dingen gezegd werden. Wat kon het haar schelen of zij rose of groen aan had? Maar in den naklank van haar tantes woorden trilde op eens iets dat haar onaangenaam aandeed, alsof er een diepere bedoeling in lag. Vrouwen zijn sterk in het opmerken van zulke nuancen in stem en toon. In de samenleving is het misschien wel hare grootste macht, dit zeer subtiele opmerken, dat aangevuld door intuïtie, dikwijls de geheimste drijfveeren voor haar bloot legt.
Bij het opgaan van de trap trachtte Hilda den bijna onmerkbaren wanklank te ontleden en zich iets te herinneren wat betrekking kon hebben op groen of rose of japonnetjes, en toen zij boven was lichtte het even in haar op dat een paar dagen geleden de jonge von Görtzen, het rijke Duitsche diplomaatje haar had gezegd dat rose de mooiste kleur van de wereld was en een vrouw er nooit „aanbiddelijker” uitzag dan in rose zijde.
Hilda had toen even geglimlacht, want zij droeg rose zijde en ’t compliment was te duidelijk en te flauw om er op in te gaan. Maar toen, ja zeker, toen zij opkeek, vlak bij hen stond hare tante met een kleinen rimpel tusschen de oogen. Zij glimlachte wel, maar toch..... ja, zeker, zoo was het, en von Görtzen was geïnviteerd vandaag en dus.... en zat niet Corry naast hem?
Toen Hilda haar kamerdeur opende, wist zij wat niemand in haar omgeving nog vermoedde, dat mevrouw van Starren von Görtzen voor Corry bestemd had en dat zij zelve wijs zou doen met zich zeer op den achtergrond te houden.
Een oogenblik amuseerde haar de ontdekking en midden in de kamer bleef ze even staan om zich beter rekenschap er van te geven; maar toen kwam weer dat gevoel van verwondering en ergernis dat haar, in haar onnoozelheid, de laatste maanden telkens had bekropen. Werd niet Corry sinds een half jaar het hof gemaakt door Rooselaar? en was het niet duidelijk te zien hoe haar behaagzuchtige oogjes bijzonder straalden en lachten, als de knappe jonge advocaat zich tot haar over boog. Waarom dan von Görtzen? Von Görtzen was Freiherr en .... rijk, en Rooselaar had niet veel meer dan zijn hooge voorhoofd met de schrandere gedachten daarachter om zijn toekomst te maken. Maar wat beteekende dat alles? Was hare tante dan niets meer dan zoo’n armzalig type uit de Fliegende Blätter, dat droomt van rijke adelijke schoonzoons? En waarom dan hadden zij Rooselaar aangemoedigd al dien tijd? Was het dan ook van Corry maar een spel geweest?
Hilda hield veel van Rooselaar. Door zijn duidelijk werk maken van Corry was zijn omgang met haar zoo prettig sans conséquence geweest, hij was één van de weinigen waarmee zij gezellig kon praten, ook over ernstige dingen.
Hij was niet gevraagd vanmiddag, ofschoon het een intiem dinertje was en hij daar haast nooit bij ontbrak. Arme jongen! Zou zijn vonnis geveld zijn? En eergisteren was Corry toch nog zoo lief tegen hem geweest? Bah, het was om wee van te worden! maar vanavond zou ze alles nauwkeurig gade slaan om er achter te komen wat Corry in haar schild voerde. Maar waarom moesten dan toch ook altijd zulke ernstige, flinke mannen als Rooselaar verliefd worden op hartelooze speelpopjes als Corry? Wat was dat toch voor een wreed mysterie dat telkens en telkens weer een paar krulletjes of een aardig figuurtje, zelfs de zeer intelligenten onder betoovering konden brengen? Waarom waren de mannen dan toch ook zoo naïef om maar dadelijk te gelooven, en altijd weer op nieuw, dat een lief omhulseltje ook een mooie ziel moet bevatten.
Loom en lusteloos begon zij de spelden uit heur haar te trekken, dat met een zware golf neerviel en diep neerrolde over haar kleed. Zij voelde zich in eens vreeselijk ontstemd, en mat trok ze de kam door het zijden blond, tot ze zich eindelijk schuin neerzette op den arm van een leuningstoel bij het vuur en daar roerloos zitten bleef.
„Och Hilda, kijk es even, jij kunt zoo goed naaien, en Lisette is bezig mama te kappen, wat moet ik doen? die heele kant is losgegaan en ik weet niet hoe het weer zoo netjes te krijgen als het was.”
Eugénie stond in de deur, half smeekend het getornde lijfje omhoog houdend. Wat was zij toch mager en hoe oud al voor haar acht en twintig jaren, nu de ongebrande ponnyharen haar sluik in de oogen vielen en onder het opzijde gebogen hoofdje de halsspieren zoo scherp naar voren streepten. En die magere armpjes met de knoestige rood gevlekte ellebogen! Als zij straks haar lijfje aan zou hebben met de volle kanten zou ze er wel beter uitzien, maar toch, waarom of Eugénie niet liever hooge japonnen droeg?
Hilda zette zich neer om vlug de ramp te herstellen, maar iets van haar laatste gedachte zeggen, durfde zij niet. Zij was al zoo dikwijls door de nichtjes om haar afkeer van decolleteeren uitgelachen.
Een poosje stil voortnaaien volgde. Eugénie zat op den grooten koffer met boeken in den hoek bij het vuur, met nu en dan een lichte huivering in kleine schokjes over haar bloote schouders kruipend.
„Zeg Hilda, die boeken had je ook niet hoeven mee te brengen, ik geloof dat je den koffer niet eenmaal hebt open gehad,” zeide zij met den hak van haar verlakte schoentje even tegen de kist schoppend.
„Nee,” zeide Hilda, even opziende, strak in de lamp, met een vreemd verlangen in haar blik. „Nee, er is nooit tijd voor geweest, maar soms zou ik toch wel graag weer wat werken en lezen. Zooals ik nou leef, is er nooit tijd om tot je zelf te komen, nooit om je eigen weer te vinden tusschen al die indrukken van buiten, die al maar door op je aanstormen. Ik heb soms een gevoel alsof m’n ziel in duizend stukjes verbrokkeld is, waar tusschenin zich allerlei vreemde brokjes voegen, die er niet in hooren en me pijn doen.”
„Hé, wat is dat nou weer voor ’n malle vergelijking, je ziel in brokjes, wil ik je op je verjaardag soms een lijmpotje geven?”
„Nee, heusch, ik meen het, zoo’n soort gevoel heb ik dikwijls tegenwoordig. In het begin natuurlijk niet, toen vond ik alles zoo amusant, zoo nieuw, maar o het lijkt me nou eigenlijk zoo.... leeg, al die afwisseling, die op ’t eind toch eentonig is, en al die drukte, die geen inspanning en geen uitspanning is....”
„Ik begrijp niet dat je zoo spreekt, nou dat je eigenlijk pas goed bekend bent met de menschen en de toestanden en.... dat je meer succès krijgt....”, verlegen hield Eugénie op, zij wist niet of Hilda die toespeling op haar weinig succès in het begin ook hatelijk zou vinden.
Maar Hilda naaide rustig voort en Eugénie begon weer betoogend: „Eergisteren heb je nog den heelen avond gedanst en je had het mooiste bouquet van ons drieën. Ik begrijp je niet, in het begin hadt je overal plezier in, en toen had ik toch dikwijls medelijden met je, en nu je gefêteerd wordt, ben je.... of komen je ouwe nuttigheidstheorieën weer boven?”
„Eugénie geloof je dan heusch dat succès tevreden en.... gelukkig kan maken?”
Eugénie lachte haar bleek lachje van desillusie. „Wat vat je ’t altijd zwaar op! wie spreekt nou van geluk? Maar we gaan nou eenmaal uit om ons te amuseeren, niet waar? Zonder succès amuseeren we ons niet, en dus is succès ons grootste streven. En als wij dat bereikt hebben kunnen we tevreden zijn, dat is logisch dunkt me.”