Part 24
En zij zeide: „Hij heeft mijn zuster genomen en haar vernederd, haar verwond en bezoedeld en nu ligt ze neer, uitgeworpen in de straat. Zijn handen zijn rood van haar bloed en ik ben gekomen om met hem in het gericht te gaan. Ontneemt hem zijn koningschap, want hij is het onwaardig, en bekleedt er mij mede, mijn handen zijn rein van zonden.”
En zij, trotsch, liet ze zien.
Maar God zeide: „ja uwe handen zijn wit, maar uwe voeten?”
Zij lichtte den zoom van haar kleed op en ziet, hare voeten waren bloedrood.
God sprak: „Wat is hiervan de beteekenis.”
„O Heer!” zeide zij, „de straten beneden in de menschenwereld zijn vol onreinheid en vuil. Als ik er gewoon middendoor liep, zou het mijn kleed bevlekken, en gij ziet, hoe mooi wit het is. Daarom zette ik voorzichtig mijn voeten alleen dáár waar ik wist, dat de modder mij niet raken kon.”
„Maar waarop zettet gij dan uw voet? Wat lag er tusschen u en de modder, waarop uw voet kon treden?” zeide God.
Toen was zij stil en liet haar kleed diep vallen en ging zachtjes heen, het hoofd omsluierd, bang dat de engelen haar zien zouden.
Maar een poos later stond zij weer voor Gods troon, nu niet alleen, een andere vrouwenziel stond naast haar.
„Hoe is het dat ik u heden te zamen zie?” zeide God.
En zij antwoordde, wijzende op de andere: „Zij lag op den grond buiten op de straat. De man had haar neergeworpen en de vrouwen gingen gedachteloos, in witte kleeren over haar heen. Toen strekte ik mij naast haar uit op den grond, en zij sloeg haar armen om mijn hals en zoo lichtte ik haar op en wij stonden naast elkaar.”
„En wien zijt gij nu gekomen om aan te klagen voor mijn troon?” zeide God.
Maar zij zeide: „Niemand Heer. Alleen wij smeeken u, spreek tot het hart van den man, en geef ons een opdracht voor hem mee, opdat hij leere verstaan.”
„Ga heen,” zeide God, „en breng hem de boodschap.”
„Welke boodschap,” zeide zij.
„Die thans in uw harten geschreven is, ga en breng haar. Als de wereld uwe liefde ziet, zal zij uw boodschap verstaan.”
„Dat is het,” zeide Hilda, „en ook ik heb de boodschap verstaan!”
„Natuurlijk is dit sprookje meer speciaal bedoeld voor de zondig gevallen vrouw,” zeide Corona, „maar je kunt het toch ook algemeener opvatten en dan lijkt het mij altijd typisch voor de verhoudingen.”
„Wat kun je prachtig vertellen, Cora!” en in meisjesachtige verrukking wierp Hilda zich op haar schoot, sloeg de armen om haar hals en kuste Corona met die jonge onstuimige innigheid waarmede zij niemand meer, sinds den dood van haar vader, gekust had.
„Hildy, wil je me een ding beloven? spreek er dan vandaag en morgen nog met niemand over. Heusch je moet heelemaal rustig en alleen je nieuwe leven overdenken. Het zal soms ’n moeielijke weg zijn, lieveling, en je moet hem alleen inslaan, als een krachtige overtuiging, niet ’n genereuse impulsie je er heen drijft.”
Hilda knikte. „Ik beloof het je! Ik ben heel zeker van m’n besluit, maar daarom juist kan ik best wachten.”
In de wijde stilte van den nacht stond Hilda om half twaalf voor haar open raam en luisterde naar de verre geluiden, die de lang nog niet slapende stad geheimzinnig naar haar opzond. Een ver, dof geruisch was het, als het onderaardsch dreigend gerommel van een vuurberg en zij strekte de handjes uit in een onbewuste beweging van omarmen en zag toen starend neer in de stil deinende bladerzee beneden zich van de boomen van het Nassauplein.
Het was al Vrijdagavond, en met niemand had ze nog een woord over haar plannen gesproken, maar morgen zou ze het nu toch aan haar oom gaan zeggen. Het was zoo heerlijk geweest in stilte het geheim te liefkoozen. Wat had het haar op eenmaal een rust en klaarheid gegeven! Dat verre doel, waarvoor zij nu voortaan al haar latente energie, zou kunnen aanwenden, verkwikkend als een licht had het in de nevelige vaagheid van haar toekomst gestraald. Een vast en bezielend doel was immers het eenige wat evenwicht aan het leven kon geven van hen die het ernstig met het leven nemen!
Gisteren was Adèle Brandon getrouwd, éen van Eugénie’s oudste vriendinnen. Was het wonder, dat er zooveel leelijke treurige menschen in de wereld waren, als er voortdurend zooveel treurige leelijke huwelijken werden gesloten? Naam en fortuin was met naam en fortuin getrouwd. Dat was alles, van liefde was er bij dat paar geen sprake. En Moisette, die het wist, had hen in de Fransche kerk gezegend, hij die bang was, dat het ideale zou verloren gaan, als de vrouw in de maatschappij haar deel van ’t algemeene werk nam! Hij had welsprekend kunnen zijn bij zulk een huwelijk, wat een onlogica!
Hij had van dienende liefde gesproken. De man, had hij gezegd, was de gevende liefde, de beschermende, maar de dienende liefde was de vrouw. Ootmoedig, lijdend, nederig, gehoorzaam, dienend in éen woord, moest ze zijn en als zij ooit ophield zoo te wezen zou het einde dáar zijn van de maatschappij.
„Dienende liefde!” zeide Hilda bijna hardop. „Ja, dat is het! Wat is het een prachtig woord! Alles sluit het in zich van zelfvergeten, en offeren en geduldig zijn en onvermoeid! Ja zeker, Moisette! het wezen der hoogstaande vrouw is waarlijk dienende liefde! Maar niet in de laffe, domme, belachelijke beteekenis, waarin jij het ons gisteren liet zien! Nee, niet den man, haar medeschepsel, haar gelijke, haar broeder zal ze dienen, de toekomstvrouw! maar met hem, naast hem dienen, in mooie liefde vereenigd, de eeuwige idealen van barmhartigheid en waarheid, schoonheid en gerechtigheid! Dienende liefde het wezen der vrouw! ja, maar geen menschendienst mag daaronder verstaan worden. Gods-dienst, in de hoogste beteekenis van het woord, moest het zijn, het dienen van ’t hoog ideale, het Goddelijke!”
Met ’n ruk trok zij haar lijfje open en wierp het achter zich op een stoel; de koele nachtlucht gleed streelend langs haar heete schouders. En weer strekte ze de armen uit, alsof ze de wereld aan haar hart wilde drukken.
„Ja, ik zal dienen!” zeide ze hartstochtelijk. „Het dienen uit vrijen wil, dat verheft en vrij maakt, niet het dienen uit gehoorzaamheid, dat vernedert! Zondagmorgen heb ik de wijding ontvangen, die voert tot den hoogen dienst en ik zal trachten trouw te zijn! O! dienende liefde, het zich wijden aan, het opbouwen van anderen en daardoor het komen tot klaarheid voor zich zelf, het in volheid ontwikkelen van eigen krachten. „Zoo wie zijn leven verliezen zal, die zal ’t zelve vinden!” stond in het versleten testamentje van haar moeder, en nu verstond zij de waarheid daarvan. Het groote leven ingaan, troostend, helpend, reinigend en daardoor komen tot zelfvolmaking, d.i. zelfverwezenlijking en zoo naderen tot God!”
Toen vouwde zij de handen op de borst in een behoefte om iets plechtigs te doen. Bidden, in de beteekenis, die de traditie aan dit woord gehecht heeft, deed ze niet, maar een diep religieuze aandoening klom op in haar borst en vulde heel haar voelen. Juist het nog betrekkelijk vage van haar toekomstplan gaf er een mysterieuze bekoring aan, die voor haar zieleverbeelding visioenen van een heerlijk leven liet opstijgen, en toch ook het weten dat zij al morgen kon beginnen met te werken voor dat verre doel, gaf haar een rust, een veerkrachtstinteling, die haar met dankbaren jubel vervulde.
Zij was gelukkig op dit oogenblik, en toen zij opzag in den stillen zomernacht, de saamgevouwen handen stijf tegen elkaar gedrukt, in een spanning van heel haar wezen en zij zag de sterren hun ondoorgrondelijken glimlach van uit de eindeloosheid op haar neerlichten, vulden zich langzaam haar oogen met tranen, tranen van een mooi en vroom geluk.
Isabelle Pankaert, met gloeiende wangen, de handjes koud van emotie, stond naast de piano en zong, terwijl mevrouw Noorman, de bekende concertzangeres, aan wie Corona lessen voor haar gevraagd had, haar accompagneerde. Toen bleven beiden een oogenblik verloren in de jubelende extase van Bach’s Pfingstcantate.
„Heel goed, kindje! Dat heb je goed gezongen!” zeide Marion Noorman. „Het gaat buitengewoon goed!”
Isabelle antwoordde niet, te gelukkig om iets te kunnen zeggen.
Toen Corona haar in het voorjaar was komen vragen of zij gratis les wilde geven aan een arm meisje met ’n mooie stem, had mevrouw Noorman het niet willen weigeren. Aan Corona kon men zoo moeielijk iets weigeren, maar eigenlijk had ze het toch indiscreet en vervelend gevonden. Zij had al zooveel lessen en haar huishouden met de tweelingen nam toch ook tijd! Maar toen zij Isabelle’s stem gehoord had, had zij geen spijt gehad van haar hulpvaardigheid; tegenwoordig gaf zij haar zelfs tweemaal in de week les en het was een groote vriendschap tusschen haar geworden.
„Belle!” zeide ze opeens. „Ik heb je nog wat te vertellen, of eigenlijk een voorstel te doen .... Kun je nog even blijven?”
„Een voorstel?”
„Ja, ik zal je zeggen, de laatste week, heb ik verscheiden invitaties gekregen om op concerten te komen zingen. In Zwolle en in Deventer en in Middelburg, maar die zijn alle drie voor December en Januari en dan kan ik niet ....” en zij glimlachte.
„Waarom niet?”
„Omdat .... zich tegen dien tijd een kleine baby heeft aangekondigd ....”
„O! Marion ....!” Verlegen zag Belle naar haar op, niet wetend of zij moest gelukwenschen.
„Ja, het is wel ’n beetje lastig! en we zullen het Benjamin noemen in de hoop dat dit het laatste zal zijn, maar eigenlijk vind ik het toch verrukkelijk! De tweelingen zijn nou al vier jaar en zoo’n schootkindje is zoo snoezig!”
Isabelle aarzelde even:
„Marion, je moet het niet gek van me vinden, maar ik heb het je al zoo lang willen vragen .... mama zegt .... dat een getrouwde vrouw zich alleen aan haar huishouden moet wijden en geen tijd voor iets anders kan hebben, als zij het goed wil doen. Maar .... hoe doe jij dan toch?”
De naïeve gewichtigheid in de vraag amuseerde Marion:
„Wel, ik zou wel es willen weten of geldverdienen voor het huishouden niet is: er zich aan wijden! Mij dunkt, het is een van de allernoodzakelijkste dingen die men er voor doen kan!”
„Nee, mama bedoelt voortdurend met het huishouden bezig zijn!”
Marion knikte lachend:
„Ja, kindje, ik begreep je wel! O! er zijn nog een massa die zoo redeneeren en mij erg beklagen of me verdenken van een slechte moeder te zijn of het mijn man kwalijk nemen dat hij mij mijn gang laat gaan! Maar ik lach ze tegenwoordig gewoon uit, du haut de ma grandeur de femme heureuse! En ik zal je es gauw even zeggen hoe het eigenlijk er mee zit. Zie je, als jonge dames trouwen hebben zij het gewoonlijk het eerste jaar zoo druk met haar huishouden dat ze nergens meer tijd voor vinden kunnen; dan komt er een kindje met al zijn zorgen, en dan wordt de drukte, die al zoo vreeselijk was, nog grooter en daarna komt een tweede en een derde, tot soms een negende en tiende en het vrouwtje, dat het het eerste jaar zoo overstelpend druk had, heeft dan toch nog tijd genoeg, ofschoon haar bediening en haar middelen dikwijls naar verhouding maar weinig zijn toegenomen, om met de tiende baby te spelen. Dat is het heele raadsel, zie je, het komt er maar op aan hoe je je inricht, met wat oefening en orde kan de éen in een uur afdoen, waar de ander den heelen dag mee zoek brengt, en ik ken vrouwen met groote gezinnen die overal belangstelling voor hebben en allerlei doen en toch de ziel zijn van haar familie en vrouwen met een of twee kinderen, die nergens tijd voor hebben en door haar drukte niet eens gezelligheid aan de haren geven. Zoo is het met geld verdienen ook. Ken je Jeanne Goedbrandt?”
„Die fotograaf?”
„Ja, juist. Toen ze trouwde hadden zij en haar man, die zeeofficier was, geen van beiden een cent, en hij ging maar op en neer naar de Oost om toch maar te verdienen, en Jeanne bleef achter met telkens een kindje meer en zij wisten nauwelijks hoe rond te komen. Toen zei ik dikwijls tegen haar: Zet een fotografisch atelier op, want voor haar huwelijk fotografeerde ze prachtig. En ik zei tegen haar: maak je specialiteit van kinderfoto’s, je bent moeder en artiste, je weet hoe en wanneer kinderen er het aardigst uitzien, en je kunt er goed mee omgaan! Je zult zien dat je het druk krijgt! Maar dan keek ze verontwaardigd. Een goeie moeder, vond ze, moest zich uitsluitend met haar huishouden bezig hoûen.
Maar toen stierf haar man ineens in Indië, en natuurlijk, een klein pensioen en vier jongens .... ze wist geen raad. Toen zette ze een atelier op en het ging best. Je weet, het is een rage tegenwoordig, alle babies komen bij haar en verleden, in het schemeruur, toen ik even aankwam, vond ik haar met de vier jongens bijna op schoot, aan wie ze sprookjes zat te vertellen. Toen kon ik toch niet nalaten om haar even te vragen of ze nu geen goeie moeder meer was, nou ze geld voor haar troepje verdiende.”
„En wat zei ze?”
„Ze zei met tranen in de oogen: Ik wou dat ik het gedaan had toen Henri nog leefde, dan had ie niet zoo akelig zuinig aan boord hoeven te zijn!”
Een oogenblik zwegen beiden.
Mevrouw Noorman zat nog op het pianokrukje, en een van haar kleine gespierde handen voer telkens met een beweging van gewoonte door het blonde kort afgeknipte voorhaar, dat als een wazig gouden krans om haar slapen opstond en aardig deed bij het ronde rose gezichtje en de groote blauwe kinderoogen. Zij zag er nog zoo jong uit, bijna als een schoolmeisje en toch had ze heel wat te tobben gehad. Maar iets van een vogel was in haar, en veel desillusie en zorg en pijnlijke momenten had ze weggezongen tot er vrede kwam. En nu de laatste jaren was ze zoo gelukkig: overal gevierd, haar huwelijk zoo mooi, en haar kinderen zoo lief!
„O!” zei ze in eens met het meisjesachtige enthousiasme, dat zoo bekoorlijk in haar was. „Je weet niet hoe heerlijk het is om voor de kinderen te werken. Als ik geen kinderen had, zou ik toch het zingen niet kunnen laten, maar nou is het nog zooveel prettiger! Eigenlijk verdient mijn man wel genoeg om net van rond te komen, maar ik verdien de levensverzekering van de schatjes hiernaast. Wil je ze es zien?”
En in een oogwenk, met een van haar lichte bewegingen stond ze bij de tusschendeur, die de suites scheidde en lag geknield in een hoek van de andere kamer waar de tweelingen speelden.
„Kijk dit is Daisy!”—En vóór Isabelle haar had kunnen volgen, kwam ze aandragen met het kindje.—„Is ze niet doddig? Kijk, net de fluweelen oogen van mijn man, en dit is Nelly, die heeft van papa de gezellige leelijke stoppelhaartjes. Zijn ze niet schattig met haar beidjes? Maar Nel! Wat heb je met je schortje gedaan? Heb je je weer als een schoorsteenvegertje gedragen?”
En zij bukte zich en kuste het stralend zwarte gezichtje dat zich tot haar ophief, de roode vochtige lipjes vooruit, glimmend als versch geplukte kersjes, die in de modder gevallen zijn.
„Zie je, Belle, bij haar geboorte hebben we dadelijk een levensverzekering voor haar gesloten. Als zij twintig jaar zijn krijgen zij beide vijfhonderd gulden jaarlijks, dat zal haar strijd om het bestaan een beetje makkelijker maken, dan hij voor mij geweest is! Maar daarvoor moet mama nou ook hard werken, nietwaar? Het is een heel ding om elk kwartaal zoo’n som bijeen te hebben!”
Zij zette het kindje neer, in eens met een moeë beweging, en een diepe rimpel groefde zich tusschen de oogen, die haar ouder maakte.
„O! soms kan ik er van rillen, dat die beide kleine kleuters ook eens het groote gewoel zullen inmoeten! Maar wat zul je er aan doen? De dochters van Marion Noorman zullen geen uitgaanpopjes worden, die op een man zitten te wachten; ze moeten haar brood zelf verdienen. Maar natuurlijk, ik weet heel goed, dat, als de enorme achterhoede van nietsdoende vrouwen zich nu ook in ’t strijdperk gaat storten, de druk en de angst van de tijden hoe langer hoe ontzettender zullen worden. Maar het kan niet anders, wij zijn nu eenmaal op dit oogenblik allen in een nauwe bergpas vol dik doornig kreupelhout en we moeten er door, vóór we aan het strand komen, waar ruimte is voor ons allemaal. En hoe meer er zich nu maar in den bergpas dringen, hoe benauwder het er wel worden zal, maar ook hoe eerder het kreupelhout zal zijn platgetreden. En we zullen onze meisjes flinke stokken en messen meegeven en haar er voorzichtig en knap mee leeren omgaan om de lianen door te snijden en de in elkaar vergroeide takken te breken en toch zoo min mogelijk haar buren te verwonden! Dat is het eenige wat ons ouders van de twintigste eeuw te doen staat.”—Toen lachte zij weer, haar jongen lach, die een Fransch violist den vorigen winter op een concert had laten zeggen: „Quelle adorable gamine.”—„We zullen in elk geval ons best doen en er maar niet over gaan zitten treuren, nietwaar, kleine Nel? En nou eerst es gauw even je vuile koppetje gaan wasschen, want dat weet je, de eenige manier om flinke dappere vrouwen te worden is om reine gezichtjes te hebben!”
„Maar Marion, als je op reis bent?” .... drong Isabelle aan. Zij had Marion’s huishoudentje, dat zij altijd keurig en gezellig vond, zoo dikwijls moeten verdedigen tegen haar moeder en andere dames, die plechtig en onvoorwaardelijk verzekerden dat een getrouwde vrouw niets doen kan of mag dan haar huishouden, en ze wilde vandaag nu toch probeeren om er eindelijk eens precies achter te komen hoe Marion het had ingericht. „Als je weg bent om te zingen, wat doe je dan met de kinderen? Wie zorgt er dan voor?”
„Heb je nooit van mevrouw Ermering gehoord?”
„Nee, wie is dat?”
„Dat is ’n weduwe zonder kinderen, maar ’n geboren moeder! Ze woont in de Hugo de Grootstraat, in ’n aardig huisje met ’n flinken tuin, en ’t is daar de ideale crèche, zooals de toekomstmoeders, die werken moeten, ze zullen wenschen. Met ons zevenen zijn wij bij haar geabonneerd, en als ik nou uit de stad moet gaan zingen of Jeanne Goedbrandt heeft het ’n paar dagen erg druk op haar atelier, of Mevrouw Verzen heeft haar migraine, of mevrouw Schallen, die voor Arbeid Adelt werkt, heeft ’n groote bestelling, of mevrouw Bromer, wier man zoo ziek is, kan geen leven in huis velen, of mevrouw van Asberk, die inspectrice is bij ’n levensverzekeringmaatschappij, moet voor zaken op reis, dan zenden we allemaal onze kinderen zoolang bij mevrouw Ermering. En je weet niet hoe heerlijk ze het daar hebben. Het spaart ons allen een onbetrouwbare kindermeid uit, die onmogelijk iets van opvoedkunde kan weten, en ze worden er uitstekend, o! weet je, uitstekend verzorgd! Sommige kinderen hebben het er moreel en physiek zelfs heel wat beter dan thuis, zooals bijvoorbeeld die van mevrouw Verzen, met haar eeuwige zenuwgetob of van mevrouw Prinsen, die veel meer van pret en uitgaan dan van kinderen houdt. Bij zulke moeders komt er gewoonlijk niet veel terecht van de arme schaapjes en het is dus ’n redding als ernstige lieve vrouwen als mevrouw Ermering zich over hun lot ontfermen.
Zie je, dat is ook iets wat de meeste menschen totaal vergeten, als ze zoo door dik en door dun beweren dat de getrouwde vrouw zich maar uitsluitend met haar gezin mag bezighouden, dat er heel wat moeders zijn, die geen sprankje aanleg of lust voor waarachtig opvoeden hebben en dat het daarom dikwijls voor de jonge generatie zelf een zegen zal wezen als zij onder de zorgen komt van vreemden die wèl de gave van opvoeding kennen. Ieder die gelooft aan de toekomst van de menschheid, moet vinden dat de vorming van het jonge, wordende geslacht de allerhoogste taak is, maar wat ’n absurditeit, om te meenen dat elke vrouw, die kinderen heeft gebaard, hoe zij ook verder moge zijn, in staat is tot dat allerhoogste werk. Opvoeden sluit alles in zich! geen arbeid die zooveel liefde, intelligentie, zelfverloochening, geduld, zelfbeheersching, rechtvaardigheidsgevoel en teeder intuïtief raden van het diepe geheim der klein menschenziel vordert! En je begrijpt wel, dit alles in een vrouw te veronderstellen, eenvoudig omdat zij een kind heeft ter wereld gebracht, is onzin, terwijl massa’s ongetrouwde of kinderlooze vrouwen geboren opvoedsters kunnen zijn.”
„Maar Marion, geloof je nou heusch, dat ’t een ideaal toestand zou worden als alle getrouwde vrouwen geld gingen verdienen?”
Marion dacht een oogenblik ingespannen na, toen lachte ze:
„Dat is ’n heel moeielijke vraag, hoor! Maar we zijn er heusch nog lang niet aan toe om nu es dood op ons gemak te kunnen gaan vragen wat nou eigenlijk wel ’n ideaal toestand zou zijn. Zoover is onze maatschappij helaas nog niet! Maar dit is zeker, dat, ideaal of niet, waar geen geld en wèl liefde is, de getrouwde vrouw hoe langer hoe meer tot loonarbeid zal moeten en willen komen! Wie zal kunnen profeteeren in deze overgangstijden, waarin alles duidt op groote economische verandering, wat nu wel het ideaal zal zijn in de verre toekomst? De geslachten, die na ons zullen komen, zullen op hun beurt ook aan de oplossing van dat raadsel moeten werken! Maar, zooals op dit oogenblik de toestanden zijn ben ik overtuigd dat het mee in het huishouden verdienen der getrouwde vrouw ons nader zal brengen tot drie betrekkelijke ideaaltjes die zeker niet gering zijn te tellen.
Ten eerste: De mogelijkheid van een huwelijk tusschen twee jongelui, die elkaar echt liefhebben, maar geen van beiden iets bezitten en waarvan de man niet genoeg kan verdienen, om welke reden ook, om een gezin te onderhouden. Ik ken er verscheiden zoo, die heel hun mooie jonge leven in hopeloos wachten verliezen, hunkerend naar ’n aanstellinkje of ’n promotietje dat maar niet komt, terwijl de vrouw, als zij een deel van het geldverdienen voor het gezin op zich kon en wilde nemen, een einde zou maken aan dien ellendigen toestand. In de boerenstand wordt nu de werkkracht en kundigheid van de vrouw wel degelijk als kapitaal beschouwd, dat zelfde zou dan ook geschieden in de burgerstanden en het onbemiddelde, knappe, energieke meisje zou haar kansen op een liefde-huwelijk daardoor sterk zien vermeerderen, haar betaalde arbeid zou in de plaats komen van een bruidschat.
Ten tweede, als de man komt te sterven, die het gezin onderhoudt en de vrouw blijft met een troepje kinderen achter—en dat zijn van die gevallen die je dagelijks ziet gebeuren—wat ’n zegen dan, als zij geschikt en al gewend is om in de noodige behoeften te voorzien!
Ten derde, de algemeene positie der vrouw zou er beter door worden, en ik zal je zeggen waarom. De ongetrouwde vrouw zou haar werk beter, met meer bezieling doen, wanneer zij niet dacht dat het maar een tijdelijke bezigheid was, die moest worden opgegeven zoodra er zich ’n huwelijk voordeed, en door beter werk te leveren zou zij krachtig meewerken tot snellere vervulling van den dringenden eisch van gelijk loon voor man en vrouw. Begrijp je dat logische verband? En dan, nu bestaat nog de schandelijke wet dat de man recht heeft op het door de vrouw verdiende geld. Maar het spreekt van zelf dat die al heel gauw zou worden veranderd als de verdienende vrouw niet langer meer zeggen wou voor het begrip van de regeeringsmannen: ’n troepje havelooze fabrieksarbeidsters en wat afgesloofde schoonmaaksters en naaistertjes, maar hun eigen zusters en dochters en pleegkinderen! Ten slotte is er nog dit: Nu wordt in veel huishoudens de vrouw nog beschouwd en behandeld als de onderhoudene, die dankbaar moet zijn voor elken gulden, die zij voor eigen genoegen mag uitgeven, en die zich voor een tientje soms zelfs vernederen moet tot vleierij en onware liefkoozingen. Weet je niet die ontelbare grappen in de spotbladen? Over vrouwen die bij haar man intrigeeren om een nieuwen hoed? O zie je, menschen die daarom kunnen lachen, moeten wel akelig weinig hebben nagedacht! Ik vind tenminste niets komieks in zulke verhoudingen, alleen heb ik minachtend medelijden met mannen, die hun vrouw in zoo’n afhankelijkheid willen houden en met vrouwen, die zoo’n afhankelijkheid dulden! Want in zulke gezinnen is de vrouw een wezen dat nergens recht op heeft, dat kost en inwoning en kleeding ontvangt, maar daarvoor zich dan ook te schikken heeft naar den wil van den meester en buiten zijn goedvinden niets mag besteden voor dingen waar zij zelf verlangen naar of sympathie voor heeft.