Part 25
Weet je, Belle, ik heb zes zusters, die allemaal in conditie zijn, en mij allen haar confidenties doen, en ik verzeker je dat ik zelfs in de rijkste families vrouwen weet, die nog over geen twintig gulden jaarlijks naar hartelust kunnen beschikken! O! het klinkt heel aardig: de man verdient het geld, en de vrouw verzorgt het gezin, ieder blijve in zijn werkkring. Maar feitelijk—en ook de wet gaat uit van dat beginsel—is de toestand in heel veel gevallen zoo: de vrouw die een gezin wil stichten, moet zich op genade of ongenade overgeven aan den man, die haar en haar kinderen zal onderhouden, maar dan ook alle rechten op hen heeft, en van wiens meerdere of mindere edelmoedigheid, in een woord van wiens bloote goeddunken het zal afhangen of zij over middelen zal mogen beschikken of om elk kwartje zal moeten vragen!
En dat is nou juist wat allemaal anders zal worden als de vrouw productieven, betaalden arbeid gaat verrichten! De vrouw, die met cijfers kan aantoonen dat haar arbeid tot de welvaart van het gezin bijdraagt, zal een heel andere positie innemen dan zij, die nu alleen maar met woorden kan verklaren,—die, och arme, dikwijls niet geloofd worden,—dat zij zoo zuinig mogelijk is, en zooveel mogelijk uitspaart. De vrouw, die haar eigen geld verdient, zal zich onafhankelijker voelen, en fierder, en dus niet meer berusten in een afhankelijkheid die nu heel dikwijls een gevaar is voor het geluk en de waardigheid van het huwelijk. Betaalde arbeid van de vrouw zal meewerken om de verhouding der echtgenooten zuiverder en mooier te maken en daardoor de geheele menschheid ten goede komen, en daarom, zooals je ziet, vind ik het op dit oogenblik dus economisch wèl degelijk een ideaal dat de getrouwde vrouw loonarbeid doet. En wat de materieele kant van het vraagstuk betreft, deze is natuurlijk hoe langer hoe makkelijker op te lossen. Zij die schermen met: „de vrouw moet zich uitsluitend bij het huishouden hoûen,” vergeten dat onze grootmoeders, die zij tot voorbeeld nemen, met diepe minachting op het huishouden van tegenwoordig zouden neerzien. Je moet zoo’n aardig oud receptenboek maar es zien met de grappige spelfouten en wijze practische raadgevingen om te begrijpen wat het „huishouden” vroeger beteekende. Onze voormoeders sponnen zelf haar linnen, naaiden zelf al haar kleeren, nog wel zonder machine, breiden al de kousen voor de familie zelf, maakten zelf vruchten en groenten in, bereidden zelf haar huismiddeltjes, maakten zelf haar slacht, deden zelf haar wasch, bakten zelf haar brood en taartjes en lekkernijen, hadden voor haar zieken geen hulp van uitstekende ziekenhuizen en gediplomeerde verpleegsters, kenden geen fröbelbewaarscholen en geen gas en geen waterleiding! Wat is betrekkelijk weinig overgebleven van al dat enorm veel omvattende huishoudwerk! Zelfs de conservatiefste vrouwen en de weinig gefortuneerden laten haast alles buitenshuis doen, en de tijdstroom gaat op dit oogenblik heelemaal dien kant uit. Door nieuwe machinerieën, die nog dagelijks worden uitgevonden, door coöperatie en betere arbeidsverdeeling zal er hoe langer hoe minder van dat werk overblijven, en als men ziet hoeveel tijd nu al de getrouwde vrouwen kunnen missen, zoodra het op amusement aankomt, voor menschen zien, visites maken, noodelooze handwerken, en de eeuwige boodschappen, dan kun je logisch aannemen dat zij in de toekomst ook wel tijd voor productieven arbeid zullen kunnen vinden, wanneer dat noodig blijkt te zijn!”
„Maar de gezelligheid, Marion, de gezelligheid van ’t gezin zal er zoo onder lijden!”
„Dat geloof ik niet!” zeide Marion overtuigd. „Natuurlijk in deze overgangstijden, zoolang de korte werkdag nog niet is ingevoerd, zal de vrouw die loonarbeid doet, in sommige betrekkingen wel es te kort moeten schieten in haar plichten van volmaakte huisvrouw, maar ik verzeker je, het is niet mogelijk dat zij ooit verder van het waarachtige huismoederideaal zal afstaan dan het grootste gedeelte der tegenwoordige vrouwtjes, die niets doen dan zoogenaamd voor haar huishouden leven! O! ik spreek nog niet eens van de wufte vrouwen, die opgaan in visites en partijen, maar van degenen die ’t heusch nog goed meenen. Wil je wel gelooven, dat ik er een massa ken, met toch betrekkelijk maar kleine gezinnen, die zoo opgaan in materieele zorgen, dat zij op ’t laatst in ontwikkeling geen haar beter zijn dan de eerste de beste dienstbode? Ik ken er die uren lang over ’t vermaken van kleeren enz. enz. met haar kennissen zitten te .... kletsen, en zich zelf erg goed en degelijk vinden, maar van gezondheidsleer en voedingswaarde en pedagogie en kinderzielkunde en al zulke dingen meer, zelfs geen flauw besef hebben. Ja, heusch, ik ken er zelfs, die er ’n eer in stellen dat ze nooit lezen en geen belang stellen in wat ook buiten haar kringetje en zelfs geen vermoeden hebben hoe bekrompen duf daardoor de atmosfeer van haar huiskamer wordt! En dan later, als de kinderen groot zijn, zie je overal het wreede verschijnsel, dat zulke moeders, die toch dikwijls ter goeder trouw zich hebben afgesloofd, als vreemden staan buiten den gedachtenkring der kinderen, niet in staat om nieuwe vraagstukken, die de jonge harten in ontroering brengen, de Sturm und Drang, die in hen bruischt, te begrijpen en te deelen. „Och ma? ma is zoo ouderwetsch, met ma kun je nooit es over zoo iets praten, ma is een goed mensch maar ze is zoo heelemaal niet met haar tijd meegegaan!” Dat hoor je tegenwoordig aan alle kanten schouderophalend zeggen, en ’t is wreed voor zulke moeders, na een leven van goed bedoelde toewijding, als de materieele zorgen zijn afgeloopen, eigenlijk niets meer in het leven van haar kinderen te beteekenen. Maar waarom hebben zij er dan toch ook nooit eens aan gedacht, dat het honderd maal gelukkiger is voor een kind, een ontwikkelde moeder te hebben, die ernstig belang heeft gesteld in de levensvraagstukken van haar tijd, zoodat zij later een vriendin voor haar kinderen kan zijn en ze leiden kan met haar meerdere ervaring door het labyrinth der nieuwere gedachten, dan een moeder die dag op dag kasten heeft opgeruimd of verstelwerk heeft gedaan.
O! niet dat ik verstellen minacht, hoor!”—lachend wees zij op tafel naar haar keurige naaidoosje en een stapeltje kinderkleertjes daarnaast—„maar ik zou, als het moest, de kleintjes nog liever met kapotte kousen laten loopen, en nog liever geef ik ze grove eenvoudige kleertjes, die weinig onderhoud eischen en laat ik er nou ’n arm vrouwtje wat aan verdienen—nu ik zelf verdien, kan ik ook eerder wat gehuurde hulp betalen, nietwaar?—dan zoo’n moeder te worden wier kinderen geestelijke weezen zijn! Met mijn zangstudies en lessen heb ik natuurlijk zoo heel veel tijd niet over, maar ik stel tenminste overal belang in! en een paar noodige bezoeken en avondjes-waar-je-heusch-niet-af-kan, laat ik tenminste meestal in den steek om es iets moois te lezen, geen nieuw romannetje, bedoel ik, maar iets goeds, dat mijn gedachtenkring een beetje kan verruimen.”
Ademloos had Bella toegehoord. Ze vond er een prikkelend genot in, om dit alles, dat ze zoo dikwijls vaag had beseft, zoo duidelijk, als iets heel gewoons te hooren zeggen. En zij voelde dat het waar was! Bij zichzelf en verscheiden vriendinnetjes had ze het immers gezien, hoe moeders, die het toch o! zoo goed meenen, een belemmering kunnen zijn door haar bekrompen denkbeelden en hoe weinig waarachtige gezelligheid er soms in de nabijheid van zulke vrouwen is.
„Maar Marion. Ik wou je toch nog even iets vragen.”
„En dat is?”
„Geloof je toch niet dat de kleine kinderen er onder zullen lijden, als de moeders ze vroeg aan vreemden moeten overgeven om weer te gaan verdienen?”
Marion schudde het hoofd:
„Als de vreemde hulp goed is, kan het geen kwaad dat het kindje er al vroeg een gedeelte van den dag aan wordt toevertrouwd, en je begrijpt, ontwikkelde vrouwen, die ’t leven ernstig hebben leeren inzien, zullen op dat punt van hulp, heel wat strenger, consciëntieuzer zijn, dan de meeste tegenwoordige vrouwtjes, die toch z.g. uitsluitend leven voor haar hooggeprezen huishouden, maar minnen, kindermeiden en bonnes nemen, waar ik mijn kleine prulletjes voor geen millioen aan zou toevertrouwen! Overigens, wij gaan in de economische toestanden zulke groote veranderingen tegemoet, dat er volstrekt nog niet te voorspellen valt hoe precies de toekomstvrouw haar loonarbeid met haar moederplichten zal combineeren. Sommige staathuishoudkundigen zeggen dat men eenmaal tot de erkenning zal komen, dat nieuwe levens aan de wereld schenken en die opvoeden zulk een bij uitnemendheid gewichtig en nuttig werk voor de gemeenschap is, dat het niet langer aangaat de vrouw die die prachtige taak volbrengt, materieel absoluut afhankelijk te laten van den een of anderen man, die heel onvoldoende, slecht zelfs voor haar onderhoud zorgen kan. Men zal dan inzien, dat het onbillijk zou zijn om in die uiterst belangrijke periode van haar leven ook nog anderen arbeid van de vrouw te eischen, en zoo doende zou men er volgens hen, van zelf toe komen om op kosten van den staat, als je liever wilt van de gemeenschap, de vrouw te onderhouden, gedurende die jaren dat zij jonge kinderen heeft te verzorgen. Bij een niet al te groot gezin zou dat betrekkelijk maar een kort tijdperk hoeven te zijn, en op die wijze zou zij zich onafhankelijk en onbezorgd aan haar grooten arbeid kunnen wijden. Anderen daarentegen gelooven niet dat het zoo zal gaan, maar dat bij een algemeen korten arbeidsdag, geholpen door uitstekend ingerichte Fröbeltuinen en volmaakte crèches de vrouw zal kunnen voortgaan in haar betrekking, ook in den tijd dat zij kleine kinderen heeft, alleen nu en dan een groot verlof nemend, dat aan mannen nu toch ook dikwijls om gezondheidsredenen wordt toegestaan. Enfin, hoe zich dat alles schikken zal, moeten we afwachten, men kan er nu nog onmogelijk met eenige zekerheid profetieën over verkondigen, en ieder moet nog maar voor zich zelf individueel trachten een oplossing te vinden voor dit moeielijk probleem. Alleen dit is zeker, we gaan onherroepelijk die richting uit, dat de vrouw zich niet langer door den man zal laten onderhouden maar haar eigen brood zal willen en moeten verdienen! Gelukkig echter worden zulke nieuwe toestanden niet theoretisch door den een of ander uitgedacht, en op een goeden dag ingevoerd. Langzaam groeien zij op uit het verlangen en de behoeften van velen, zoodat de vrouwen zelf, voorgelicht door haar moederlijk instinct, veel zullen kunnen doen, zoodra zij in de regeeringszaken mede stem hebben gekregen, om de omstandigheden zoo gunstig mogelijk te maken om, zoo als ik, èn moeder èn arbeidster tegelijk te kunnen zijn.”
Isabelle zag peinzend, nog niet volkomen voldaan:
„Ja .... maar .... ken je de ouwe mevrouw Planting, die zoo tegen de emancipatie ijvert? Zij zegt altijd: de kinderen zullen te kort komen als de getrouwde vrouw gaat verdienen, omdat zij dan die eigenaardig weldadige koestering zullen missen, die de moeder alleen kan geven. Of geloof je daar niet aan?”
„Ja zeker wel!” zeide Marion warm. „Tenminste bij veel moeders, ook volstrekt weer niet bij allen. Generaliseeren is altijd zoo verkeerd! Maar ik ben overtuigd dat de weldadige inwerking van dien liefdegloed die van de moeder uitgaat, niet zoozeer afhangt van de quantiteit als van de qualiteit der uren, die de vrouw aan haar kinderen wijdt. Ik weet bijvoorbeeld, verscheiden dames die zich zelf houden voor toonbeelden van moederlijkheid, maar die, òf door haar mondaine plichtjes, òf door haar gesloof en gedraaf—en goeie Hemel, wat vergrooten ze haar drukte dikwijls nog door allerlei vooroordeelen en onpractische omslachtigheden—zoo moe zijn ’s avonds, dat, als de kinderen uit school komen, ze niets hooren dan: „Wees toch stil jongen, kinderen wat maak je ’n leven! Wat ben je toch lastig, zus!” En zoo gaat het voort! De kinderen worden afgesnauwd of stilgehoûen en in hun scherp kritische oogjes verliest het moederbeeld veel van zijn stralenkrans. Terwijl ik bijvoorbeeld, die ze toch het grootste gedeelte van den dag niet zie, altijd weer even verrukt en verkwikt ben als ik de kleine vrouwtjes weer bij me heb. Het is voor ons altijd opnieuw een feest, als we samen zijn, niet waar, Daisy? en ik durf gerust voorspellen dat mijn invloed op de kinderen, het gevoel van mijn liefde, sterker bij hun zal zijn dan dat heel dikwijls het geval is in gezinnen waar de vrouw den heelen dag in haar huishouden bezig is. En waarom ook niet? Vaders, die maar enkele uren aan hun kinderen kunnen wijden, hebben toch immers ook wel eens méer invloed op hen, dan de moeders die voortdurend bij hen zijn!
Ziezoo, ben je nou voldaan, nieuwsgierig meisje? Je ziet wel, dat al verdien ik voor ze mee, de roosjes niet minder mooi bloeien op de koontjes van mijn kleine deugnieten!”
En ineens, met een beweging van hartstochtelijke innigheid nam Marion Noorman het kindje op en hield het op haar schoot, het knuffelend en kneuterend en kussend in jubelende weelde, tot het het uitkraaide van pret.
„Maar Marion, wat vindt je man er van, vindt die ’t eigenlijk wel goed?”
Marion kleurde, en langs haar voorhoofd steeg op eens een warme gloed van geluk, die haar oogen liet stralen:
„Mijn man? O! die is erg trotsch op me, veel te trotsch, zie je, want het beteekent immers niks! Alleen zou hij wel graag zelf iets meer verdienen, dat ik niet zóóveel les behoefde te geven. Want het zingen zou ik nooit laten; dat is nou eenmaal een talent, dat me is toevertrouwd om er mee te woekeren, en dat ik dus niet begraven mag. De schatjes zouden het mij later eerder verwijten, dan er mij dankbaar voor zijn. Maar al die lessen, begrijp je, zijn wel wat vermoeiend soms en die doe ik alleen voor de Levensverzekering. Maar ik zeg altijd tegen René: Tob er nou toch niet over, man! Iedereen moet zich wel es vermoeien! En ons leven, zooals het nu is, is immers zoo heerlijk, dat je heusch niets meer verlangen kunt! Het volmaakte bestaat eenmaal niet, en o! je weet niet hoe innig, innig gelukkig we zijn!”
Zij haalde diep adem, alsof ze haar borst wilde uitzetten om zooveel geluk te omvatten, en liet haar hoofd even rusten op Daisy blonde bolletje. Toen liet het kind, dat al dien tijd Belle met nieuwsgierig bestudeerende oogjes had opgenomen, zich op den grond glijden, en dribbelde weg naar het hoekje in de andere kamer waar Nelly weer zat te spelen. Marion zag haar na, met haar verrukten moederglimlach, maar toen, de weelde-emotie, die in haar opzwol terugdringend, dwong ze zich haar volle belangstelling weer naar Belle te voeren:
„Foei, wat laat je me vandaag ’n boel over ons zelf praten. En ik heb je nog niet eens m’n gewichtige voorstel gedaan.”
„O ja, dat voorstel, is het zoo gewichtig?”
„Ja zeker! Dus, je begrijpt, in December en Januari kan ik niet gaan zingen, nietwaar? Maar nou ken ik nog al goed de directeuren van die zangvereenigingen en sommige leden van het bestuur, en als ik hen nou schreef dat ik niet kan komen, maar dat ik jou aanbeveel in mijn plaats, geloof ik wel dat ze je zouden vragen ....”
Isabelle werd heel bleek, haar gezicht éen passie van luisteren.
„Mij?” zeide ze heesch.
„Ja, ik denk dat het best zal gaan. Natuurlijk, je moet nog hard studeeren deze maanden, en we zullen samen de partijen doornemen, maar dan kun je het gerust doen. Ze zullen je ook wel niet de som geven, dat spreekt van zelf, die ik zou hebben gekregen, maar dat is minder. Als ze je maar laten komen en je ’n klein honorarium geven, is het al heel veel!”
„Ik weet niet of mama dat wel goed zal vinden! ....”
„Wat? Dat je gaat zingen, of dat je geld aanneemt? Het laatste zou ik haar maar niet eens vertellen. Als ouders heel lief zijn, maar in hun opvattingen bekrompen ouderwetsch, verdienen ze dat men hun niet alles zegt. Maar hoe vindt jij het voorstel?”
„O! ik? ....” In eens gleed ze neer voor Marion, het hoofd verbergend in haar schoot, en zachtjes snikkend nam ze haar hand en bedekte ze met kussen. „Ik vind het zalig!”
„Dan is het goed!” zeide de jonge vrouw, blij met den uitslag van haar voorstel. „Maar nog hard studeeren hoor! Je bent wel ’n zangvogeltje bij de gratie Gods, maar er moet toch nog hard gewerkt worden.”
„Je weet wel dat ik niks liever doe!” zeide Bella hartstochtelijk, opstaand met een beetje valsche schaamte om haar onstuimigheid. „O! Marion, wat ben je toch vreeselijk goed voor me! ....”
Maar Marion onttrok zich lachend aan een tweede scène van dankbaarheid, die ze zag aankomen:
„Dag, meisjelief! Ik ga gauw m’n vuilpoesje wasschen. Dag! Denk aan dien triller, hoor!”
En met de hand even wuivend, liep ze snel de kamer uit met Nelly in haar armen.
Isabelle kwam hollend de trappen van Marion’s bovenhuisje af. Zij merkte vandaag niet eens dat zij nauw en steil waren, ze vloog naar beneden en toen de straat over, in gespannen verlangen om thuis te zijn en van de Columbusstraat naar huis, naar de van Speykstraat was een heel eind loopen. De zon brandde warm in de straten, maar de eerste oogenblikken vond ze het weldadig; ze rilde koud van opwinding.
„O! Maatje, ik moet u even omhelzen! Ik heb u toch zoo iets verrukkelijks te vertellen! Nee, legt u nou even die pen neer. Ik moet het u dadelijk zeggen!”
Mevrouw Pankaert glimlachte flauw, meer verbaasd dan meegesleept door de ongewone vroolijkheid:
„Wat ben je toch nog ’n kind, Belle, om zoo te komen binnenvliegen! Kijk, je hebt m’n lijstje laten vallen. Wat is er nou toch eigenlijk?”
Zij had juist haar kleine trommeltje met effecten nagezien en de coupons geknipt, en nu zat ze met een stapeltje rekeningen vóór zich, waarvan er verscheiden dringend moesten worden afgedaan. Maar de vraag, welke nog wat konden wachten, en welke nu het eerst absoluut moesten worden betaald, eischte een subtiliteit van overwegen, een toepassing van menschenkennis, waarvan niemand begrip heeft, die geen fatsoenlijke armoede heeft gekend. Het maakte haar altijd zenuwachtig en Belle’s hijgend binnenstormen werkte prikkelend op haar humeur.
„O! ik wist niet, dat u bezig was! Nee, dan zal ik het straks wel vertellen!”
Belle voelde dat het ’t verkeerde oogenblik was geweest en ging stil de kamer uit. Maar de bitterheid van het zich eenzaam voelen door ongedeelde vreugde zwol op in haar keel onder het trapopgaan.
En boven, in haar kamertje ook was het in eens of de geluksstemming van straks was weggezonken. Dat kleine momentje van gekrenkte teederheid had in eens de vreugdevuren gedoofd. Ze was ook zoo akelig fijngevoelig! Corona had gezegd: dat was een gave, en zooals alle gaven kon men haar goed of slecht gebruiken. Precies door haar te raden wat anderen kon kwetsen of troosten, was haar goed gebruiken, door haar zich te verdiepen in elken kleinen pijnlijken indruk die men ontvangen heeft, was misbruik van haar maken. Maar het was moeielijk om zich juist aan die grenzen te houden! En o! straks was het zoo heerlijk geweest! Toen ze naar huis ging was het alsof ze door wolken van geluk werd gedragen. Te zullen zingen in een groote zaal met achter zich violen en cellos, die haar stem in hun zwevende klankenvlucht zouden opnemen en hoog wegdragen, ver over de hoofden van honderden menschen, wat een droom! Ze had straks het sprookjesachtige gevoel gehad van het onbereikbare te hebben gegrepen!
Maar nu, na mama’s stroeven glimlach was alles in eens heel anders. Zij moest denken aan haar toilet, ’n heel nieuw en kostbaar misschien, waar al het geld, dat ze verdienen zou, wel aan weg kon gaan. En wat zou ze aantrekken? Niets stond haar toch eigenlijk goed! En met akeligen angst dacht ze er aan hoe honderden oogen haar zouden aanzien en zich teleurgesteld zouden afwenden, omdat zij zoo leelijk was. Maar misschien, als ze nu eens goed gekleed en gekapt was? .... Marion vond toch ook dat ze den laatsten tijd, nou ze zooveel gezonder werd, er beter begon uit te zien. En als ze dan maar zóó mooi zong dat de menschen vergaten naar haar te kijken en alleen luisterden ....
En toen, ineens, dacht ze weer aan dien triller op de hooge b, op het eind van dien langen zin, waar nergens adem mocht worden gehaald. Straks bij Marion ging ie goed, maar zou ze hem nou ook nog kennen? Ze vloog de trap af, naar de eerste verdieping, waar de piano stond, gejaagd door het idée fixe van dien triller. ’t Was haast als een bijgeloof dat alles er van af zou hangen of hij nou goed ging of niet. En ja, het ging, alleen de naslag kwam er nog ’n beetje benauwd uit, maar den tweeden keer ging het beter en toen begon ze de heele aria van begin afaan met intense aandacht te studeeren.
„Belle, Belle, hoor je niet?”
„Ja, ma, wat is er nou weer?” Ongeduldig, buiten zichzelf om de storing, die al haar zenuwen liet trillen, gilde ze terug.
„Belle!” riep mevrouw Pankaert weer, heel hoog nu, schel slepend op de eerste lettergreep, want ze had het antwoord niet gehoord.
„Ja, ma, wat blieft u toch?”
„Daar is net ’n briefkaart van Charly dat ie vanmiddag thuis komt. Toe, kun jij nou nog niet es gauw dat poddinkje à la Reine maken, waar ie zooveel van houdt?”
„Och, ma, dat is zoo’n werk, kunnen we dat morgen niet doen? ’t is al zoo laat en ik studeer juist zoo heerlijk. Laten we vandaag maar wat flensjes geven, daar houdt ie toch ook van.”
„Och, altijd met die bezwaren! Morgen is ie misschien weer uit eten, met z’n vrienden. Kom doe het nou maar gauw!”
Met een zwaren zucht sloot Isabelle de piano. Zoo was het nou altijd! Altijd werd ze gestoord, en van haar werk geroepen, dan voor het een en dan voor het ander! Als Charles naar zijn kamer ging, al was het maar met ’n romannetje, en tegen mama zei dat ie ging werken, was zelfs de wasch wel es blijven staan om hem door het stommelen op zolder niet te storen, maar zij moest altijd maar klaar staan voor alles. Charles sprak dikwijls met minachting over dameszenuwen, maar hij mocht wel es bedenken, wat er voortdurend van die zoogenaamd zwakkere vrouwenzenuwen gevergd werd, dat aan den man gespaard blijft. Waarom kon men haar studies ook niet wat respekteeren? Zij had toch ook een ernstig doel. Maar dat was het juist, men geloofde maar half aan haar doel.
In opgewonden ergernis, met driftige bewegingen begon ze het eiwit te kloppen. O! vroeger toen ze niets bepaalds uitvoerde, was het immers heel goed geweest dat men haar voor alles gebruikte. Soms was het zelfs ’n welkome afleiding geweest en licht dat zij tenminste al die kleinigheden deed in haar werkeloos bestaan! Maar tegenwoordig, nu ze toch ook haar studie had! .... Enfin, Corona had het verleden immers ook nog zoo goed gezegd: In de meeste families wordt het meisje nog beschouwd door de broers, als een min of meer gewillig of amusant slavinnetje, door de mamas als ’n hartelijk soort van juffrouw van gezelschap en door de heele verdere familie als ’n factotum, over wie men bij ziekte en schoonmaak en bruiloft gewoon beschikken kan. En vroeger was dat ook natuurlijk, toen ongetrouwd blijven een uitzondering was, en het meisje dus in de korte jaren vóór haar huwelijk door al die dienstjes heel wat ervaring en handigheid leerde. Maar tegenwoordig, nu de ongetrouwde vrouwen bij duizenden worden geteld, is het akelig om te zien in hoe weinig gezinnen men zelfs nog maar vermoedt dat een meisje evengoed als een jongen behoefte heeft aan een eigen werkkring, en een eigen individualiteit heeft, met eischen en rechten, welke gerespekteerd behooren te worden en met gewoonlijk nog wel andere verlangens in haar hart dan om voor alle mogelijke familiebelangetjes en familietroubles te worden gebruikt.
Maar Isabelle, onder het bedenken van al die dingen, terwijl zachtjesaan haar kloppen een rythme had gekregen, waaruit melodietjes opwelden, die geneuried wilden worden, begon haar gewoon geduldige stemming terug te vinden.
Ze legde nu even de klopvork neer; haar rechterarm begon zoo’n pijn te doen en ze wou het links toch es probeeren. Maar links was ze veel minder handig. In eens, met een onwillekeurige krampbeweging, vloog de vork over het bord en een lange witschuimende slier lag over de keukentafel.