Part 23
En Hilda, bij het raam, tuurde in de stoffige straat en vroeg zich af, door de woorden van het meisje in groote ontroering, waarom gevoelens van recht en liefde toch zoo langzaam zouden zijn in het doordringen. Negentien eeuwen geleden heeft Christus zijn liefde voor de kinderkens gepredikt, daarbij niet sprekend van wettige of onwettige, allen waren hem welkom en lief! en negentien eeuwen geleden leerde hij dat de vrouw niet gestraft zal worden voor dezelfde zonden, die men den man vergeeft, en nog altijd is de wereld wreed voor ’t kind dat door zijn vader verlaten werd, en nog altijd wordt de vrouw gesteenigd terwijl haar medeplichtige, de man, geëerd, met opgeheven hoofde rondgaat! Haar geheele leven zouden Marietje en haar kleine boeten voor deze zwakheid, dit te goed vertrouwen van haar zeventiende jaar! en de man die van deze zwakheid misbruik maakte, en haar toen aan de schande overleverde zou misschien eens de hoogste staatsambten bekleeden en het mooiste reinste meisje zou misschien eens trotsch zijn om zijn vrouw te worden! Wat was dat toch dat men in bloed en tranen twistte over dogma’s en geloofsartikelen en dat geen van de gemeenten, die zich naar Christus noemen, zijn eenvoudige liefdevoorschriften opvolgt?
Maar op dit oogenblik hoorde men schorre, vuile geluiden in de achterkamer.
„O! God! Hij is wakker!” zeide vrouw Roerade.
Marietje had het hoofd weer afgewend en verborgen in de kleertjes van haar kind.
De oude Joseph, ongeschoren, de grijzende haren in slordige plukjes overeind, verscheen in de deur. De deftige koetsier met het goedige gladde gezicht en de quasi voorname manieren was niet meer in hem te herkennen. Ineens was het alsof hij gezonken was tot een lagere trap in de maatschappij. Lispelend, met zijn nog dikke tong, terwijl hij steun zocht tegen de post van de deur, zeide hij langzaam:
„Dokter, nou weet ik het precies! Vroeger zeien ze dikwijls tegen me, Roerade, zeien ze, waarom ben je niet socialist. Loop heen met je geleuter, zei ik, ik heb goed m’n brood, en daarmee uit, wat maal ik om de socialen. Maar nou weet ik het. Ik was ’n ezel! dokter, ja zeker ’n ezel! Ik heb er over zitten denken sinds het oogenblik, dat zij daar, de schande hier heeft binnengebracht, en nou heb ik het in eens begrepen. Ziet u, dáarom willen de rijke lui niks van het socialisme weten, omdat er dan geen standen meer zoûen zijn en waar moesten dan de rijke heertjes de meisjes vandaan halen om voor den gek te hoûen? Van de meisjes van hun eigen stand zorgen ze wel af te blijven! Maar de volkskinderen, wel ja, die zijn er immers voor? En als dat volk nou es niet meer zoo laag bleef, dat ze er gerust op trappen konden, waar zoûen ze dan hun pleizier vandaan halen? Ze hoûen ons dom en arm,—wat doet de regeering voor de opvoeding van onze meisjes! Ze geeft er niet zooveel centen voor uit als tientjes voor de zoontjes uit de deftige stand—en dan maken ze ons wijs, dat God het zoo wil, en dan, natuurlijk, je doet voor je kinderen wat je kunt, maar je bent arm, je hebt geen dikke spiegelruiten en kanten gordijnen om je dochtertjes achter te bewaren, ze groeien half op straat op, en zien daar ook niet altijd het beste, en dan gaan ze de wereld in, onder vreemden, en dan kunnen de rijke heertjes ze voor hun pleizier gebruiken en hun pa’s en ma’s lachen er om en zeggen dat de zoontjes toch ’n beetje van hun jeugd moeten genieten. Nou, daar heb ik alles van gezien bij Jonker Frederik toen ik bij baron Herkelens diende, maar ziet u, daar komt de klassenhaat vandaan, waar de socialen van praten.”
„Joseph, ik kan nou niet met je spreken, je moest nou liever eerst wat gaan uitslapen, maar ....”
Maar, hij gewoonlijk zoo stil en onderdanig, scheen op eenmaal ongevoelig voor eenigen invloed. Corona had het streng gezegd, maar niets drong tot hem door en nog opgewondener viel hij haar in de rede:
„En zulke kinderen zijn immers zoo makkelijk te verleîen. Ze hebben zoo weinig in haar leven en ze hoûen toch ook van wat mooi en fijn is, dat kan immers de beste aangeboren zijn? en dan komt zoo’n Mijnheer met presentjes en mooie woorden en is veel aardiger dan een van ons soort menschen, die ’s avonds moe en bezweet van ’t werk komen, en dan .... als je zoo jong bent, geloof je ook zoo gauw niet, dat al dat moois maar bedrog is. Ziet u dokter, zoo gaat het, en dan zitten de heertjes bij elkaar, ik heb het dikwijls gehoord, en zeggen dat de vrouw zwak is! en ze lachen haar nog op den koop toe uit. Wat raakt het hun of er een meer of minder van die schapen uit het volk te gronde gaat. Maar intusschen ligt zoo’n kind hier, en huilt der oogen blind!”
Hij stond nu hoog opgericht, alleen nog met een hand zich steunend aan de deurpost. In zijn ongeschoren gezicht, met de lichte wijdgeopende oogen lag iets woest verbijsterds, en schor fluisterend hijgde hij de woorden uit.
Tevergeefs had Corona een paar malen gepoogd hem tot zwijgen te brengen; de gedachten die zijn arme, tot denken ongeoefende hersenen dien langen nacht, na Marietjes bevalling hadden doorwoeld en die hij nu, verward door halve dronkenschap en door de gesprekken in de kroeg, voor het eerst trachtte weer te geven, konden niet worden teruggedrongen. Hij moest ze uiten.
„Verdomme dokter!” zeide hij op eens met een topzware beweging, half vertrouwelijk, half dreigend: „Ben ik niet altijd ’n oppassend man geweest? Dat kunt u niet ontkennen! het is niet waar, u kunt het niet ontkennen! u zou ’t niet durven ontkennen! Maar dat verzeker ik u, dat als er ooit revolutie komt, zooals die lui van gisteren in de kroeg voorspellen, dan zal hij, je weet wel wien ik meen, de eerste zijn, die z’n huis ziet branden. Ik zal hem in stukken scheuren! zie je, dat noemen ze klassenhaat!”
Hij zeide het met een onnoozele grijns van dommen machteloozen, haat, die vreeselijk was om te zien.
Corona stond huiverend op uit haar knielende houding aan het bed. Deze stem van den vader van het volkskind, wraak roepend tegen het cynisch egoïsme waarmede men het misbruiken van het volksmeisje in de hoogere standen als een natuurlijk, zelfs noodzakelijk kwaad beschouwt, had voor haar een diepe algemeene beteekenis. In zijn opvattingen lag verwarring en onkunde, maar in zijn instinctmatig voelen was groote waarheid, dat het onrecht dat zijn kind geschied was, niet was, een op zich zelf staand feit, maar voortvloeide uit de heele maatschappelijke levensbeschouwing, die het kind van den arme straffeloos prijsgeeft aan het genot van den rijke. Alleen, in zijn verbittering stelde Joseph het te uitsluitend voor alsof het ongeluk, dat hem getroffen had, alleen te wijten was aan het onrecht van de bezittende klasse tegenover de niet bezittende. Lag de schuld niet veel meer aan het onrecht van den man tegenover de vrouw? Van den man, die de wetten, heeft gemaakt zoó, dat hij ongestoord, zonder vrees voor lasten en straf de vrouw kan exploiteeren en haar alleen de ellende kan laten dragen voor hun samen begane zonden? Het was het eeuwenoude beginsel van alle economische misstanden: het recht van den sterkste, dat den zwakke verplettert. O! wanneer zou toch een hoogere gerechtigheid een einde maken aan dat recht uit den oertijd?”
„Vrouw Roerade, ik kan nou niet met je man praten, dat zie je wel; hij moet eerst weer heelemaal bedaard zijn. Maar zendt ’m vanavond bij me. Ik moet ernstig met hem spreken!”
De vrouw zag haar aan met angstig vragende oogen:
„Dokter is toch niet boos op hem? U moet maar denken, het is de eerste keer sinds ons huwelijk, en hij weet nou niet wat ie zegt.”
In haar kleine bekrompen ziel, voortdurend neergebogen door het harde leven was geen plaats meer overgebleven voor toorn of opstand. Zij kende alleen het moeë berusten; zelfs nu in hun groot gemeenschappelijk leed begreep zij niets van de verbittering van haar man. Zij was nu alleen maar bang dat Corona zijn uitval kwalijk zou nemen en haar hulp misschien onttrekken zou.
Maar Corona schudde het hoofd in een weeke ontroering van droefheid en ontferming.
„Er is immers niets, om boos over te zijn tegen hem, vrouw Roerade. Het is verkeerd van Joseph dat ie gedronken heeft, heel verkeerd, maar z’n verontwaardiging is recht.”
Worstelend om haar tranen te bedwingen waarvoor ze zich, als voor een zwakheid, tegenover Corona’s sombere kalmte, schaamde, reed Hilda een poos zwijgend naast haar voort.
Toen vatte de jonge doktores haar hand en met een scherpen blik van onderzoek op haar bleek gezichtje, zeide ze zacht:
„Is het niet te veel voor je geweest, lieveling? Ik wou dat je ’n sterken indruk zoudt ontvangen vanmorgen van wat er geleden wordt, maar het toeval is haast al te gedienstig geweest, die ontmoeting met dien armen, half dronken vader had ik je nou wel willen sparen.”
Hilda durfde niet antwoorden, haar keel was heet en gezwollen van tranen, die ze met geweld neerhield, en weer reden zij een oogenblik zwijgend voort. Toen hervatte Corona meer tot zich zelf dan tot Hilda:
„En dan te denken, dat er schatten besteed worden om Mahomedanen te bekeeren! Is het niet om te lachen, bitter te lachen, dat men zich hier ongerust maakt over de bigamie der Oosterlingen, terwijl bij duizenden hier, in ons z.g. Christelijk Europa, door in Christus’ naam gedoopten, zulke slachtoffers worden gemaakt! De Mahomedaan onderhoudt tenminste de vrouw die hij liefheeft, en zijn kind brengt hij groot! Maar hier noemen ze haar gevallenen, de arme schepseltjes als Marietje, in plaats van neergeworpenen! Neergeworpenen door de zinnelijke zelfzucht van den man, of liever door het gehuichel van onze maatschappij, die met twee maten meet! en voor den man met ’n glimlachje spreekt van vergefelijke jeugdzonden, en voor de vrouw met een wreedheidsgrijns van verloren gaan en onteerd zijn!
O! Hildy, dit is vrouwenemancipatie, dat al de Marietjes van de heele wereld, met haar arme Christientjes niet langer meer liefdeloos zullen worden uitgestooten, terwijl de vader van het kind trotsch en geëerd door de wereld gaat!”
Hilda antwoordde niet. De gedachten dwarrelden haar door het hoofd, zij trachtte te begrijpen, maar ze kon aan niets anders denken dan aan Marietje’s vermagerd kindergezichtje, zoo droevig jong met den vroegwijzen blik van veel doorstane wanhoop. Eindelijk vroeg ze aarzelend:
„Maar is er dan geen wet die de verleiding van minderjarige kinderen straft? Ik dacht dat ik Edward verleden zoo iets had hooren zeggen!”
„Ja zeker,” zeide Corona, „meisjes beneden de zestien jaar worden door de wet beschermd, maar Marietje is net zeventien geworden, en dan zijn zij vogelvrij verklaard. En als je bedenkt wat een kinderen het nog zijn! En toch vindt de wet, dat zij op dien leeftijd maar voor zich zelf verantwoordelijk zijn moeten! Is het niet het toppunt van inconsequentie? Ons wetboek stelt de getrouwde vrouw onder de curateele van haar man en overal waar het maar kan, verklaart het de vrouw onmondig ongeschikt om haar burgerrechten te bezitten, maar van het meisje van zestien jaar veronderstelt het, niettegenstaande al de gevaren van verleiding, armoede, verlatenheid en onkunde, dat het sterk genoeg, ik zou in vele gevallen willen zeggen: heldhaftig genoeg zij, om weerstand te bieden aan alle verzoeking!
O! ik weet wel, dat al die treurige dingen in onze wetten, min of meer historisch kunnen verklaard worden en dat Napoleon er veel van op zijn geweten heeft, maar soms vraagt men zich toch af of de mannen die het wetboek hebben samengesteld en vooral die het kalm onveranderd hebben gelaten, geen van allen vaders zijn geweest om niet te beseffen wat het voor ’n meisje is, om op zestien jaren te worden prijsgegeven aan wie maar misbruik van haar maken wil. Zij mag verleid, bedrogen, onteerd, moreel vermoord worden, door elken ellendeling; eerst als ze in razende angst voor de schande die alleen op haar neerkomt een wanhoopsmisdaad heeft bedreven bemoeit zich de gerechtigheid (?!) met haar! Maar .... alleen om haar te straffen! Zou men soms niet denken, dat onze wetgevers vrouwenhaters zijn geweest? Maar als men dan rondkijkt in de wereld en ziet hoe onze lieve zachte deugdzame dames al even wreed zijn in haar verachting voor de zondares, en eindeloos geduldig in haar vergeven van den zondaar, dan merkt men opeens hoe wanhopig diep het vooroordeel en het onrecht nog zijn ingeworteld!
Zoolang de vrouw zelf niet beseft, dat het aan haar is om de rechtvaardigheid in zedelijke kwesties, die zoolang verkracht is, te herstellen, zoolang zij niet, waar zij toornt tegen haar onreine zuster, precies denzelfden toorn tegen haar onreinen broeder uitspreekt, en waar ze haar broeder uit het slijk opheft, dezelfde, precies dezelfde hand aan haar zuster toesteekt, zoolang zal ons wetboek vol van zedelijk onrecht blijven en zullen Marietje Roerade’s lotgenooten hopeloos gesteenigd worden. Maar wij moeten meehelpen, Hilda, om die toestanden te veranderen, niet waar? En we zullen er voor vechten op leven en dood!”
Zwijgend waren Hilda en Corona toen naar huis gereden, niet in staat meer verder iets te zeggen. Corona was gewend aan al dit lijden en haar activiteit om te helpen, om zich in de details te verdiepen, waardoor zij leniging kon brengen, bespaarde haar meestal veel van den smartelijken totaalindruk, dien een machteloos toeschouwer bij zulke tooneelen ontvangt.
Maar dien morgen, gepreoccupeerd om na te gaan welken indruk het op Hilda moest maken, en bij intuïtie meelevend hetgeen Hilda doorleefde, had ze onwillekeurig, als met nieuwe oogen, de ellende, die zij vertoonde aanschouwd. Eén dier bange stemmingen van groote deernis, die haar in de eerste jaren van haar praktijk zoo dikwijls met wee hadden vervuld, was ook nu weer over haar.
Wat Hilda betreft, nog altijd worstelde ze tegen de brandende tranen, die verschroeiend tegen haar oogleden opstegen. Haar hoofd brandde, rustig denken was haar niet mogelijk, éen voelen alleen beheerschte haar: Helpen, redden, zich zelf geven voor al dit leed, goed maken de zelfzucht, waarin ze al dien tijd geleefd had.
Corona was thuis neergevallen in den grooten armstoel bij het raam, en staarde naar buiten, een oogenblik Hilda vergetend. Toen, opeens voelde ze een zachten kus op haar hand die in haar schoot lag.
Hilda was naast haar neergeknield, en sidderend, als bij een gelofte, zeide ze dringend, met haar stem warm van tranen:
„Corona! wat moet ik doen? Zeg maar wat je wilt .... ik zal alles doen! .... Corona, alles!”
De jonge doktores zag neer op het opgeheven gezichtje. Zij kende deze oogenblikken, waarin de jonge ziel in vurig enthousiasme tot elk offer bereid is, om redding te brengen. Zoo hadden schoone Romeinsche patriciennes gevoeld, toen zij haar weeldeleven verlieten, om den godsdienst van liefde en ootmoed te aanvaarden, die dikwijls van haar eischte den vreeselijksten dood in het arena; zoo hadden jonge edelvrouwen in de middeneeuwen gevoeld, die eer en macht aflegden om strenge kloosterorden te stichten, waar ze wilden bidden voor de zonden der wereld; zoo hadden zoo ontelbaar vele vrouwen gevoeld, die de verschrikking van het slagveld en de droeve vermoeienis van het hospitaal trotseerden om lijden te verzachten; zoo ook hadden gevoeld de dappere vrouwen, die niettegenstaande bedreiging, verdachtmaking en spot in het eerste gelid hebben gestreden bij elken geestelijken vrijheidsstrijd, of die heette godsdiensthervorming, slavenemancipatie, vrouwenontvoogding, of strijd tegen vivisectie en dierenmishandeling, tegen prostitutie of tegen alcohol.
Helaas, in vele van onze kleinvoelende burgerlijke kringen is men maar al te dikwijls geneigd dit mooie jonge voelen voor „overdreven” uit te maken, voor overspanning, het daarmee ter dood veroordeelend. En toch, wee over de jonge ziel, die in een worsteltijdperk als het onze, nimmer dit liefdeënthousiasme in zich voelde.
„Wat moet ik doen, Corona!” herhaalde Hilda. „Zal ik, zoo als jij, gaan studeeren? voor dokter? Zal ik pleegzuster worden? Zal ik ..... Zeg maar wat ik doen kan, ik wil alles! .... Maar zeg het dan toch!”
Corona zag haar een oogenblik ernstig aan, toen zeide ze langzaam: „De ellende die wij vanmorgen hebben gezien kan de liefdezuster en de dokter wel lenigen, maar niet genezen, omdat zij grootendeels uit wettelijke en sociale misstanden voortkomt. Binnen eenige jaren zal ons wetboek herzien worden, en waarschijnlijk zal er dan niet eén vrouw zijn, die haar stem als rechtsgeleerde daarbij kan laten hooren, en dat zou jij kunnen voorkomen, Hildy! Waarom zou je niet in de rechten studeeren? Natuurlijk zijn er vrouwen genoeg die het wetboek vrij aardig kennen, maar nooit kunnen die officieel den invloed hebben van haar die dezelfde examens hebben afgelegd en denzelfden graad hebben behaald als de mannelijke rechtsgeleerden. En het zal toch zoo noodig zijn dat de vrouw bij die behandeling zich zelf vertegenwoordigt! Zeker, er zullen knappe en edelmoedige mannen zijn om onze zaak te bepleiten, maar iedere soort wordt nu toch eenmaal het best door een van zijn eigen leden gerepresenteerd en een hoogstaande vrouw kan toch altijd beter, intenser weten dan een man, wat de vrouw verlangt, wat haar toekomt en nuttig is!
En dan, wat zou een vrouwelijke rechtsgeleerde voor veel vrouwen een redding zijn! Voor een massa, die in ellendige omstandigheden zijn, wat ’n uitkomst om tot een knappe beschaafde vrouw te kunnen gaan om advies en raad. Een vrouw kan een andere vrouw soms met ’n enkel woord begrijpen, waar voor ’n man een lange, pijnlijke uitleg noodig zou zijn. Begrijp je me? Natuurlijk zou ik niet willen dat je de eindeloos lange rij leegloopende, onbeduidende advocaatjes nog ging vermeerderen met één: Ik zou van je vragen dat je je rechtskennis gebruikte om met al je kracht te werken om het onrecht uit ons wetboek te verwijderen, en om diegenen te helpen die er nu onder lijden!”
Hilda zat stil neergehurkt en scheurde met zenuwachtige vingers haar zakdoek in kleine stukjes. In haar groote opwinding, de verbeelding tot het uiterste gespannen, kwamen en gingen haar gedachten in duizelende snelheid. Zij dacht aan een hoop droge boeken, die ze zou moeten doorworstelen, en aan examens waar ze erg tegen op zou zien, aan de vijandige ironie van thuis, aan Cranz, die nu misschien boos op haar was, en hoe hij met zijn voornaam, vernietigend spotlachje spreken zou over haar, maar toen ook tegelijk, als in een apotheose stelde ze zich zelve voor te midden van een groote vergadering. Zij voelde de angst, koud, met warme prikkels langs haar ruggestreng, van daar te midden van die allen te moeten spreken en toen toch ook ineens de weelde van te kunnen spreken. Met gloeiende woorden zou ze het zeggen het onrecht, het domme, wreede, dat de wetgevers generatie na generatie hebben laten voortbestaan.
„Dagen, maanden, jaren lang hebt gij vergaderd, geredetwist over allerlei kleinigheden, maar om rechtvaardigheid te schenken aan het grootste deel der bevolking, de vrouwen, zeker niet het minst belangrijke, omdat het de moeders, de opvoedsters bevat, dáárvoor hebt ge geen uur tijd gevonden!” Dat zou ze zeggen, en de vergadering zou onder haar woorden trillen. Maar zooals het dikwijls gaat in oogenblikken van opgezweepte emotie, kwamen er nietige details met tergende duidelijkheid om aandacht vragen. Zij dacht er aan of ze dien dag zwart fluweel of donkerblauw laken zou dragen, en of er een sleep niet mooi bij zou staan en dat ze niet verkouden moest zijn, en aan wie ze invitatiekaarten zou zenden. Maar ze werd woedend op zich zelf om al die nonsensgedachten. Onze grootmoeders schreven zulke grillige invallen in zeer ernstige oogenblikken toe aan inblazingen van kleine duivels, maar voor haar was het misschien een kleine engel, die waarschuwde in dit geboorteuur van haar carrière dat ze waken moest tegen ijdelheid en eerzucht. Eerzucht? was ze werkelijk verlangend naar eer? Een oogenblik trachtte ze diep in zich zelf door te dringen, onderzoekend of ze zich vatbaar voelde voor de onreine drijfveer van succesjacht. In het gewone leven der vrouw is er geen plaats voor eerzucht, daar heerscht alleen haar tengere tweelingzuster, de ijdelheid. Maar als zij haar leven breeder ging opvatten, werkend in de groote maatschappij, zou ze moeten waken tegen het onzuiver zoeken van eigen glorie. Maar toen zag ze weer voor zich de roodschrijnende striem op het voorhoofd der zwangere vrouw, het bleeke jongetje met het afgezette beentje, Marietjes oogen vol schaamtewanhoop en de dreigende verbittering van den ouden koetsier en ze wist dat ze zich zelve zou kunnen vergeten, als ze ging werken om zulke dingen te verbeteren. „O! een klein beetje te kunnen meehelpen!”
Zij zag weer op tot Corona, kalmer nu, met bijna een glimlach: „Ik zal het doen, Cora, je hebt groot gelijk, dat zal het beste zijn.”
„Nee, nee,” zeide Corona haastig, „je moet niet dadelijk je besluit nemen. Nou ben je nog te sterk onder al die treurige indrukken, je moet heel kalm en ernstig met je zelf overleggen. Ik zou je niet tot iets willen overhalen, waar je later spijt van hadt. Als je zoo iets begint, moet je het ook volbrengen, en het zal niet makkelijk zijn! Maar toen je het me zoo vroeg, kon ik toch niet nalaten om je den weg te wijzen, dien ik je zoo graag zou zien ingaan.”
Een poosje zaten zij samen stil in het weldadig uitrustend, vredebrengend zwijgen van twee, die groote vriendschap bindt. Toen begon Corona weer te spreken.
„Er is in den laatsten tijd heel veel geschreven en geroepen over het onrecht dat de man aan de vrouw heeft aangedaan, alsof het twee vijandelijke abstracte machten waren, die elkaar voortdurend trachtten te doen lijden, in plaats van levende individuen, wier levens, dan in liefde, dan in haat, in elkander grijpen. Natuurlijk, daar aan de eene kant de macht, aan de andere de afhankelijkheid was, is er veel misbruik van macht geweest bij den man, daar was hij mensch voor, maar hem ’n verwijt van die macht te maken is dom en erg onwijsgeerig. Dat hij de macht had is ’n bewijs dat het zoo zijn moest, dat het een noodwendigheid der tijden was! Soms wordt het tegenwoordig bijna voorgesteld alsof in den oertijd de man tegen zich zelf had gezegd: „ziezoo, nu zal ik voortaan de baas zijn en de vrouw, zooveel ik kan onderdrukken!” Natuurlijk zijn bij den primitieven onbewusten mensch de verhoudingen ontstaan, zooals die ontstaan moesten, geboren en gevormd door de omstandigheden, de oogenblikkelijke belangen van het ras. En zoo is het ook met de latere tijden. Elke eeuw leeft alleen bij het schijnsel van haar eigen licht. Men kan evengoed aan de vroegere eeuwen verwijten dat zij de stoom en de electriciteit niet hebben gekend, als dat ze slavernij hebben gebillijkt, oublietten, foltertuigen en brandstapels hebben gehad en de vrouw hebben vernederd. Elke tijd heeft zijn eigen ideaal, zijn eigen doel, zijn eigen sociale opvatting, en wie de maatstaf van negentiendeeeuwsche rechtvaardigheidstheorieën en humanisme wil aanleggen aan vervlogen tijden, doet eenvoudig iets ontzettend doms. Maar nu men in deze eeuw, voor wie blijkbaar de taak van sociale rechtvaardigheid is weggelegd, het duidelijk heeft ingezien dat de vrouw ontvoogt behoort te worden, hoor je aan alle kanten klachten en verdenkingen tegen den man. Telkens ontmoet je dames die over de zelfzucht en tyrannie van den man met verontwaardiging zitten te praten, zoodra er van misstanden in de maatschappij sprake is, maar weet je wat ik dan denk? Dat de tijd is gekomen, dat wij niet langer anderen mogen aanklagen, maar ons zelf behooren af te vragen, wat deden wij, vrouwen, voor onze zusters? Ken je de droomen van Olive Schreiner?” [8]
Hilda schudde het hoofd.
Toen zachtjes, bijna fluisterend, alsof ze een geheimzinnige opdracht had, begon Corona het sprookje te vertellen, en Hilda luisterde met gesloten oogen, neergehurkt op den grond.
„Een ziel stond voor den troon van God en God vraagde haar waarom ze gekomen was. En zij zeide, zij was gekomen om haar broeder, den man, aan te klagen.
„Wat heeft hij gedaan?” zeide God.