Part 22
„Ik hoop het!” Corona stond op. „Ziezoo, Hildy, nou ken je m’n vreeselijk geheim! Maar ik weet dat ik op je rekenen kan! Zie je, kinderen verlaten, ze mishandelen, ze ’s nachts in bittere kou laten bedelen, ze dwingen tot rampzalige zonde, ze opvoeden tot een groot gevaar voor de gemeenschap, zie je, dat mag bij de wet, maar wat wij hier doen, tante Ida en ik, trachten ze te redden met opoffering van eigen geld en gemak, dat is strafbaar! Is het niet curieus? En ofschoon we door humane rechters nou misschien niet zoo heel zwaar gestraft zoûen worden bij ontdekking, men zou ons het ergste doen wat we vreezen kunnen, ons de kinderen afnemen en ze terugbrengen naar hun gruwelijke omgeving. Wat ’n logica in zulke toestanden, nietwaar? De grootste helft der gevangenissen is vol menschen die tegronde zijn gegaan omdat men ze in hun jeugd in de macht liet van ellendigen, en degenen die dit tegronde gaan trachten te voorkomen worden door de wet verlamd!”
Corona had Jaapje en Liesbeth nog onderzocht en met tante Ida over de behandeling gesproken, toen, na veel afscheidshandjes en kusjes, waren ze weggereden en het koetsje hield nu stil in de Zorgvlietstraat voor één van die slopjes, die doodloopen en „Hofjes” genoemd worden in den Haag.
Het was een van de allerkleinsten, aan elken kant maar vijf huizen, lage smerige huisjes, waarvan een paar zoo diep lagen, met hun vloeren beneden de oppervlakte van de straat, dat zij altijd vochtig waren en bij harde regenbuien zelfs onderliepen.
In een dier huisjes zat ’n vrouw aan de tafel; haar ééne arm hing slap in den schoot, de andere, afgrijselijk mager, ondersteunde het hoofd dat voorover op de tafel lag.
Bij ’t opengaan van de deur zag ze even op met haar fletse, bloedarmoedige oogen, een heel wit smal gezichtje, zoo mager dat, zoo als het licht nu viel, er zich scherpe lijnen teekenden van af de uitstekende jukbeenderen tot aan de kin, als was er ’n spookachtige langwerpige driehoek overheen getrokken. Het haar was witblond en krulde even om het smalle voorhoofd waarover dwars een bloedroode striem liep.
Maar toen zij Corona herkend had, zonk het hoofd weer neer op den arm met een slappe, nameloos geknakte beweging.
„Wel, vrouw Zwalve, wat scheelt er aan vandaag? Zie je niet dat ik es naar je kom kijken?” zeide Corona.
Door de deur, die achter hen was blijven aanstaan kwam nu een klein meisje van omstreeks vier jaren zachtjes binnen gewaggeld. Een oogenblik zag ze onderzoekend verlegen naar de twee vreemde dames, peuterde met ’n vuil vingertje in haar neusje en trok toen de vrouw aan haar schort:
„Moeder .... m’n boterham, geef me nou toch m’n boterham!”
De vrouw sprong op met zenuwachtige kwaadaardigheid en Hilda zag nu dat ze in een vergevorderde periode van zwangerschap was. Zij greep het kind bij een armpje en schudde het zoo heftig dat het het uitschreeuwde van schrik.
„Wat mot je nou weer hier? Alla der uit! Hê ’k je nie gezegd, dat je pas om twaalf uur om je boterham mocht komen? Pas op as je der weer inkomt!”
Met ’n smak sloot ze de deur achter het kind, dat men in de straat hoorde voorthuilen, en zakte weer slap op haar stoel.
„Maar vrouw Zwalve, de kleine dee niks. Ze vroeg maar om ’n boterham. Je moet niet zoo ruw tegen ze doen!”
„Maar ik heb immers geen boterham voor der, en daarom stuur ik ze de straat op; als ze dan erg van den honger schreeuwt krijgt ze misschien wel ’n korst bij de buren; juffrouw de Berg van hiernaast is nogal gek op kinderen.”
Hilda huiverde, het leek haar ontzettend tragisch dat het moederliefde was, die deze krampachtige hardheid had ingegeven. Dat was het beste dus, wat deze vrouw voor haar kindje van vier jaren doen kon: het schreiend „de straat op zenden.”
„Maar hoe komt het dan nou, dat je geen brood in huis hebt? Ben je van de week niet uit werken kunnen gaan? Waarom heb je me dan geen boodschap gestuurd?”
Iets in Corona’s hartelijke manieren scheen de moedelooze stugheid der vrouw te breken.
„Ja, ik heb wèl de heele week uit werken geweest, en al de vorige weken ook, ofschoon ’t me erg zwaar begon te worden, vooral de dagen dat ik bij mevrouw Veren was, op dat bovenhuis, met al dat trappenklimmen! Maar ik heb net zoo gedaan als u gezegd heeft: elke week van de zes éen gulden in ’n doosje in de lâ weggelegd, voor de dagen dat ik moest gaan liggen, en ik had er nou elf bij elkaar en dacht dat het nou wel net gaan zou, maar jawel, hoor! ....”
„Is ie terug gekomen?” zeide Corona ontroerd.
De vrouw knikte.
„’t Is net of ie ’t ruiken kan! Hij stond me al op te wachten aan de Veenka. Eerst nam ie me de gulden af, die ’k net gekregen had, en ’t hielp niks of ik al zee, dat ik die gulden aan den bakker beloofd had, omdat ik hem de heele week niet had kunnen afdoen. Natuurlijk, je heb eerst de huur, en Stiene der schoenen moesten noodig gelapt worden, en toen had ik den bakker maar tot Zaterdag laten oploopen. Hij zee niks, maar as ’n hond liep ie me na, tot aan huis. Toen meende ’k nog de deur voor z’n neus dicht te gooien en ’t slot om te draaien, maar ie had het zeker begrepen, want ie had dadelijk z’n voet tusschen de deur. En toen is ie me alles gaan nazoeken, want ie zee, nou ’k al zoo ver was, zou ’k zeker wel wat van de menschen gekregen hebben en ie moest geld hebben.”
„En heeft ie ’t gevonden?”
„Natuurlijk. Hij was heelemaal nuchter, zeker in lang geen centen gehad, en ie zocht heel bedaard alles stukje voor stukje na. Maar ziet u, toen ie ’t doosje gevonden had en ik zag ’t in eens in z’n smerige handen, kon ik m’n eigen niet meer hoûen! Ik ben op hem aangevlogen en we hebben er als katten om gevochten. Maar, och God, als ik anders was geweest, zou ’k wel hebben geworsteld tot ie ’t los liet, maar nou, kijk es an, zoo als ik nou ben, met zoo’n lichaam, wat kun je doen? Hij heeft me tegen de kast gesmeten, kijk, u kunt het zien, ik ging net met m’n voorhoofd langs de punt en daar ben ik wel ’n kwartier blijven liggen. En daar zit ik nou, op alle dag, en geen cent in huis!”
„Nou maar, vrouw Zwalve, je begrijpt toch wel, dat ik je niet zoo zal laten zitten; ik zal zien wat voor je bij elkaar te krijgen ...”
„Och ja, dokter, u zult er me wel weer doorhelpen, dat geloof ik ook wel, en ik ben u ook wel dankbaar!” zeide ze met een poging om in haar slappe moedeloosheid niet onbeleefd te schijnen. „Maar zoo zal ’t nou immers telkens gaan? Dit is nou de derde keer, dat ie me laat zitten met die vijf schapen en dan kan ik er maanden lang voor opdraaien, en net begin je bij te komen en weer ’n beetje in de kleeren, of ie komt terug en neemt alles weg en mishandeld je of .... levert je zoo’n koopje ....”—Met een rampzalig gebaar wees zij op haar schoot.—„Kijk hij heeft gisteren ook weer alles meegenomen.”
Zij stond op en haalde de lade van de kast open, die leeg was.
„Kijk, de nieuwe luiers, die ’k net gekregen had, en de ponnetjes van mevrouw Veren, zulke beste ponnetjes nog, en .... m’n Zondagsche goed, dat ik uit de lommerd gehaald had, omdat ik dacht tegen het doopen ....”
In eens barstte ze uit in een kort tranenloos gesnik, en Hilda huiverde bij het tragisch ironische van dit oogenblik, van die vrouw die in matte kalmte haar smartelijk drama had verteld en het uitsnikte bij de gedachte aan haar weggehaalde japon. Maar juist die verdwenen Zondagsche kleeren hadden de maat doen overloopen; zij waren het symbool geweest van weer knap voor den dag te kunnen komen, van de stand en eer van haar gezin te kunnen ophouden (want het gevoel van stand bestaat op alle sporten van den maatschappelijken ladder), van zich weer eens te kunnen verheffen boven het absolute proletariaat, dat er nooit meer eens netjes uitziet.
En heel deze illusie, die in haar donker eng werkleven een lichtpuntje was geweest, was nu weg voor goed. Want zij wist dat hij altijd terug zou komen, zoodra zij er weer even „boven op” zou zijn, en hoe zij ook werkte en zwoegde, hij zou haar altijd weer alles komen weghalen!”
Corona nam een gulden uit haar beurs en legde dien op de tafel voor haar neer:
„Ik zal zien wat ik voor je doen kan, vrouw Zwalve, maar laat Mijntje nou eerst maar wat brood halen.”
De vrouw knikte en nam zwijgend den gulden met een gretige beweging van goed vasthouden. Toen waggelde ze naar de deur en schreeuwde om het kind dat dadelijk hongerig kwam aangehold.
„Daar, ga nou maar gauw naar den bakker en vraag of ie zoo’n lang brood wil meegeven, en zeg dan meteen aan Dirkie en Klaas en Stine en Coosje, dat ze binnen kunnen komen, gauw loopen Mijntje!”
Het kind rende weg, na een blik op Corona van vroegwijs begrijpen, die duidelijk zeide dat ze het verband had gezien tusschen Corona’s komst en den gulden. Toen keerde de vrouw naar haar stoel terug en log, met ’n pijnlijke beweging zakte ze neer en veegde zich het zwaktezweet van het voorhoofd.
„Dank u wel dokter, als ik u toch niet had, zou ’k niet weten wat te doen!” zeide ze met een lange moeë zucht, te afgetobd om zelfs bij de onverwachte gave blijdschap te voelen, en toen ging ze voort op haar toon van doffe lijdelijkheid:
„Maar dat daar nou toch niks aan te doen is, dokter! Ik heb er ook al es met de menschen van hiernaast over gesproken, die man is agent en die vrouw der broer is ook bij de politie. Maar ze zeggen allemaal: voor de wet is m’n man heelemaal in z’n recht. Een man mag best zijn vrouw en zijn kinderen laten zitten, als ie maar van tijd tot tijd es terugkomt en hij mag al der geld, dat ze met sloven voor der kinderen heeft verdiend, opmaken in de kroeg en der kleeren van der lijf verkoopen, alles ziet u, want alles is zijn eigendom en de vrouw heeft nergens recht op. En ik heb nog es goed gevraagd, maar die agent van hier naast heeft me zelf gezegd dat als Zwalve morgen aan den dag wil komen, en m’n bed onder me weg halen, dan zou ie er niks aan kunnen doen, al stond ie er bij, want de wet vindt het goed. Kunt u dat nou begrijpen, juffrouw? Waarom ze zulke wetten hebben gemaakt? Ik zal volstrekt niet zeggen altijd, maar meestal zijn de vrouwen toch oppassender en ze drinken niet zoo dikwijls en zorgen beter voor der kinderen en waarom hebben ze dan niet eens recht op der eigen verdienste? Als ’t net omgekeerd was en de vrouw had ’t volle recht op het loon van den man, zou je het je nog kunnen begrijpen, in de meeste gezinnen zou dat nog gelukkig zijn! Maar noemt u ’t nou stelen of niet, als m’n man alles weg mag halen wat ik heb verdiend, om het te gaan verdrinken met dat sl... uit de Bloemstraat ...”
Mat klagend had ze het uitgesproken. Van opstand of verontwaardiging was geen sprake bij deze moede vrouw. Met ’n soort geduldige verwondering, die gauw in moedeloosheid verging zag ze de wreedheid van het leven over zich komen.
Corona nam afscheid met een belofte van hulp. Het klotsende klompengeluid van aanstormende voetjes onder het ingangspoortje van het slop, klonk hen al tegen bij de deur en vijf opgetogen gezichtjes omringden de vrouw op den drempel. Nog even zag Hilda om, maar de kinderen waren al naar binnen met het brood; alleen de vrouw stond nog groetknikkend aan de deur met haar misvormde figuur en het bleeke gezicht en de bloedroode schram op het voorhoofd.
„En zoo zijn er zoo veel!” zeide Corona zacht. „Een leger van uitgeputte, mishandelde vrouwen, die door haar mannen verlaten zijn of erger nog, wier slovend verdiende geld door hen wordt verdronken en verdaan. Maar de wet, die zoogenaamd ieders eigendom beschermt, laat het rustig toe dat de getrouwde vrouw van het hare schandevol beroofd wordt! Hoe langer hoe meer komt het tegenwoordig voor dat de vrouw de kostwinster van het gezin is, maar de wet geeft haar geen recht op een enkele penning! En de stemmen van zulke vrouwen zijn dof en mat, Hildy, haar geklaag is te zwak om te worden gehoord! Maar daarom moeten wij het overnemen, lieveling, en het uitroepen met onze jonge krachtige stemmen: wat een onrecht en een wreedheid dit is, en welk een gevaar voor de maatschappij en een schande voor een volk dat zulke wetten duldt!”
„Nu nog ons laatste bezoek, heb je er moed toe?”
Hilda knikte zwijgend, bang om te spreken, want ze wist dat ze in tranen zou uitbarsten als ze op dit oogenblik geluid moest geven.
Te voet gingen zij nu de straat af tot aan een huisje, waarvan de keurig gestreken, sterk geblauwselde gordijntjes al in de verte zichtbaar waren.
„Hier wonen de Roerades,” zeide Corona, „’t zijn zulke echt fatsoenlijke menschen; gelukkig maar dat mevrouw van Maeren, bij wie de man als koetsier dient, uit de stad is, want door ’t ongeluk van Marietje is ie heelemaal in de war, hoor ik.”
De deur stond aan en zij gingen binnen in de voorkamer met de witte gordijntjes, waar Corona wist dat haar patiëntje lag.
Het was een kleine kamer met dat deftige in de glanzend geboende meubelen, in het laag neergelaten valgordijn, in de symetrisch pronkende vaasjes op het kastje, dat terstond deed herkennen, dat niettegenstaande het talrijke gezin zich bekrompen genoeg in het huisje moest voelen, dit vertrekje gewoonlijk als mooie kamer werd beschouwd en gespaard. Op den grond voor den schoorsteen was in der haast een matras neergelegd, van boven uit de bedstee, en de vier jongens, die gewend waren daar samen op te slapen, hadden sinds het ongeluk op de planken gelegen, want Marietje was al sedert twee jaren het huis uit en haar bedje van vroeger diende nu voor de drie kleinste kinderen.
„Hoe gaat het Marietje?” zeide Corona zich buigend tot het tengere kinderfiguurtje op den matras, dat zich bij haar binnenkomen langzaam had opgericht.
Een kleine bleeke vrouw kwam haastig uit de andere kamer aangeloopen. Het was Marietje’s moeder.
„Wilt u ’n beetje zacht spreken dokter? Joseph ligt hiernaast te slapen,” fluisterde zij en wendde angstig de rood ontstoken oogen naar de deur achter haar.
„Dat zal ’m goed doen; hoe is het met hem?” vroeg Corona.
„Och, dokter ....” Een oogenblik stond het vrouwtje met een zenuwbeweging, alsof ze haar handen moest afdroogen aan haar schort, en haar blikken gingen hulpsmeekend even van Corona naar Hilda, alsof ze steun wilde zoeken om kalm te blijven. Toen, plotseling, heel wit, wendde ze zich af en barstte uit, in een zacht, troosteloos snikken.
„Wie is dat?” zeide Marietje, haar koortsige oogen op Hilda gevestigd vol achterdocht.
„O! dat is maar iemand om me te helpen bij ’n paar zieken.”
Corona antwoordde achteloos, maar Hilda was het alsof ze weg moest vluchten, alsof het leed hier te groot was om het als vreemde toeschouwster te mogen bijwonen.
Intusschen was Corona neergeknield bij de zieke op den grond en had op haar eigen rustige manier haar doktersplichten vervuld, maar ze vond het meisje koortsig en maakte zich ongerust.
„Je moet stil blijven liggen, Marietje, beloof je het me? Anders kan ik je niet gauw beter maken.”
„Ik wou dat ik nooit beter werd!” zeide het kind, met gloeiende oogen onder de lange zwarte haren, die ongekamd in haar gezichtje neervielen.
Corona boog zich tot haar over en de blik van hare klaar grijze oogen straalde neer in de ziel van het kind vol suggesties van teederheid en bescherming:
„En wat zou er dan van je dochtertje worden? Het heeft immers niemand als jou om voor haar te zorgen?”
„Waarom zorgt hij er niet voor? Hij is immers rijk genoeg! Het is afschuwelijk gemeen, hij heeft me zoo dikwijls, zoo stellig beloofd om te trouwen. Alleen veertien dagen geleden heeft ie eindelijk gezegd dat het nooit kon. Ik begrijp nog niet dat ik me toen niet verdronken heb! O! ziet u, als je denkt dat iemand vreeselijk veel van je houdt en je merkt in eens dat ie je doodbedaard in de grootste schande laat zitten, en ’t eigenlijk z’n koûe kleeren niet raakt of je voor goed naar den kelder gaat! dan zou je .... op alle menschen kunnen .... spugen!” Ze staarde norsch voor zich uit, in wilden opstand van haat en wanhoop.
Corona nam het kleine menschelijke popje uit het mandje naast de matras, en schijnbaar zonder acht op Marietje’s woorden te slaan ging ze voort:
„Kijk es, wat ’n snoezige handjes, heb je wel gezien hoe mooi die rose nageltjes zijn? Is het geen engeltje uit den hemel? En zou je niet alles willen doen, Marietje, om dit kindje ’n beetje gelukkig te maken! Ze zal toch al zooveel missen, en zooveel harder door de wereld behandeld worden dan anderen, maar jij kunt er ’n boel aan doen, en we zullen er samen voor zorgen, nietwaar?”
En kennend de eigenaardige uitwerking op haast alle vrouwen van het contact van zoo’n week klein kinderlichaam, legde ze het wichtje zachtjes in Marietje’s armen.
Een oogenblik bleef de jonge moeder onbewegelijk, Corona strak aanziende, uitdagend, het bleeke gezichtje vol passie, toen met een schor gekreun, opeens gebroken, wendde ze zich om naar den muur, haar kindje hartstochtelijk tegen zich aangeklemd, en Corona wist dat dit smartelijk afwenden een redding was.
„Dokter is veel te goed voor haar!” fluisterde vrouw Roerade tegen Hilda. „Ze heeft nog heelemaal niet op haar gescholden, heelemaal nog niets dan vriendelijkheid en toch is ze zelf lang niet aan den lichten kant.”
Corona had het gehoord en glimlachte droevig om de ruwe moraliteit dezer moeder, die zich blijkbaar moeielijk kon voorstellen dat zedelijkheid en zachtmoedigheid samen kunnen gaan:
„Waarom zou ik op haar brommen, vrouw Roerade? Waarom zoûen we blijven stilstaan bij hetgeen voorbij is? Een heel leven ligt nu vóór haar om te toonen dat de zwakheid van haar zeventiende jaar veranderd is in sterkte en goedzijn. Nietwaar, Marietje? Nou ga je pas beginnen te leven en ga je de achting van je kindje terug verdienen, dat, als ze groot is, ze trotsch op je kan zijn. Je zult es zien, moeder, wat ’n flinke brave vrouw je Marietje worden zal! Maar hoe zal het kindje heeten? Heb je de geboorte al aangegeven?”
Marietje kreunde en boog het hoofd, het verbergend in de kleertjes van het kind. De vrouw begon heftig te snikken.
„Och dokter, u kunt toch niet gelooven, toch niet, wat ’n schande we daarmee beleefd hebben. Gisteren zeg ik tegen Joseph: je moet naar ’t stadhuis gaan, morgen is ’t Zondag, dan kun je er misschien niet terecht, en als je ’t zoo lang uitstelt, worden we nog beboet.—Ik kan niet, zegt ie, en ’t was waar, dokter, hij zat nog net als u hem Vrijdagavond hebt zien zitten, altijd maar op dien stoel bij de tafel, net alsof ie versuft was.—Dan zal ik het doen, zeg ik—want u begrijpt, dokter, in onze omstandigheden wil je de buren niet graag lastig vallen.—Dat zal niet gaan, vrouw, zegt ie, ze zullen je niet gelooven, omdat je ’n vrouw bent. Je mag niet getuigen.—Waarom niet? zeg ik. Ik was er immers zelf bij toen ’t kind geboren werd, en jij zat maar in de andere kamer. Ik kan het dus best getuigen, zeg ik.—Nee, zegt ie, voor de wet heeft het getuigenis van ’n vrouw geen waarde!—Maar ik wou hem niet gelooven, dokter, ik dacht dat z’n hoofd in de war was, en toen ben ik gauw met de tram weggegaan, want ik wou ze hier niet lang alleen laten, dat begrijpt u. Vlak bij ’t stadhuis dienen m’n twee zusters, en ik wist wel dat je twee getuigen mee moet brengen, dus zeg ik tegen ze, loop effe mee, ’t is ’t werk van ’n oogenblik!
Maar toen we op het stadhuis kwamen,—O! dokter, je kunt niet gelooven hoe ’k beefde!—zag ik daar zoo’n mijnheer staan, zoo’n kleine dikke, met ’n bril, kent u hem niet? „Wat is er moedertje?” zegt ie. „Mijnheer,” zeg ik, „we komen aangeven, dat m’n dochter bevallen is.”—„Waarom is haar man niet meegekomen?” zegt ie.—„Die heeft ze niet,” zeg ik, maar ik dacht, dat ik door den grond zonk. Toen begon ie te lachen, en riep er zoo’n andere mijnheer bij, zoo’n donkere, en ze praatten even in ’n vreemde taal en lachten weer. „Dan moet je maar zeggen dat haar vrijer meekomt, maar die twee meisjes kunnen niet getuigen, vrouwtje.” „Waarom niet mijnheer,” zeg ik. „Dit bennen mijn eigen zusters, knappe meisjes, die bij mevrouw Driessens dienen, hier vlak bij, op ’t hoekje van de Nieuwstraat.” Maar wat denkt u dokter dat die vlegel toen zegt? die....” een paar scheldwoorden volgden, die Hilda nooit gehoord had en die vrouw Roerade misschien ook voor ’t eerst in haar leven gebruikte, want zij was één van die deftige burgervrouwtjes, die, vooral als zij met haar meerderen spreken, eerder geaffecteerde woorden zeggen, dan ruwe.—„Vrouwen kunnen niet getuigen!” zegt ie, „en je ziet maar weer aan je dochter, vrouwtje, dat het best is dat het niet kan, want dametjes, die tot zulke grapjes in staat zijn, kun je nooit gelooven!” Wezenlijk, dokter, dat zeid’ ie, en je had dat brutale gezicht moeten zien. „En dan de sm....p,” zeg ik tegen hem, „die m’n dochter heeft voorgelogen en in dien toestand heeft gebracht en haar nou met z’n eigen kind in de ellende laat zitten, kun je die dan wèl gelooven? Want die mag wel getuigen, omdat ie ’n man is, een mooie boel!” En toen ben ik hard weggeloopen, maar ’t maakt je toch van streek niet waar? En zou dat nou toch heusch waar zijn? dokter, dat de getuigenis van ’n vrouw minder geldig is, dan van den eersten den besten ellendeling van ’n man? Waarom zou dat nou toch zijn?”
„Ja waarom?” zeide Corona. „Wie zal het zeggen? In onze wetboeken worden we immers telkens en telkens gelijk genoemd met kleine kinderen, krankzinnigen en misdadigers! Alleen in strafzaken mogen we getuigen. Daar kunnen ze ons natuurlijk niet bij missen, ofschoon daàr juist het getuigen dikwijls heel pijnlijk voor de vrouw kan zijn, en juist daàr soms een heele menschentoekomst kan afhangen van ons waarheidspreken. Het is ’n onzinnige tegenstrijdigheid, maar zoo zijn nou eenmaal onze wetten. En is toen Joseph gegaan?”
De vrouw zag angstig naar de andere kamer.
„Ja, maar onderweg naar huis is ie kennissen tegengekomen, en toen zijn ze naar de kroeg gegaan en ... hij is dronken thuis gekomen. O! dokter, ’t is de eerste keer sinds we getrouwd zijn ...” Zachtjes snikkend wendde ze zich af, het gezicht in haar schort. „En toen gisterenavond, is ie weer uitgegaan nog maar half nuchter, want ie werd woedend toen ik ’m vroeg wat ie ging doen, en vannacht is ie thuis gekomen .... O! God.... heelemaal .... stomdronken!” En zij snikte het uit.
„En hoe zal het kindje heeten?” vroeg Corona zich tot de jonge moeder buigend, die altijd nog lag afgewend.
Marietje draaide zich ineens om en met heftige beslistheid perste het zich tusschen haar lippen uit: „Christine!”
„Dat is ’n mooie naam! Heet ze naar je moeder?”
In de oogen van het kind kwam een blik van vroegrijpe intelligentie en met een vreemd naïef pathos, dat Hilda tot in de ziel ontroerde, zeide ze:
„Naar Christus! Nou haar vader haar heeft verlaten, heb ik haar genoemd naar hem, die gezegd heeft: Laat de kinderkens tot mij komen! en die tegen de mannen zei, dat ze maar es eerst aan hun eigen zonden moesten denken vóór ze de vrouw gingen steenigen!”
Corona bukte zich diep en kuste haar:
„Dat was goed van je bedacht! Marietje! Heb je dat zoo heelemaal alleen verzonnen?”
Het kind knikte met een snik, die haar heele lichaam doorschokte.