Het wonderjaar: Eene gekkenwereld

Part 7

Chapter 73,842 wordsPublic domain

“Ik geloof het niet,” antwoordde de beul zachtjes. “Gij kunt uwe ziel aan God overgeven; want levend zult gij hier niet uit geraken.”

“Dan zal ik, martelaar, voor mijn vaderland sterven,” kuchtte de grijsaard.

Hij poogde zijne uitgerekte ledematen bij te trekken, doch hij kon ze niet bewegen.

“Godmaert,” vroeg de voorzitter, “wilt gij nu uwe misdaad belijden, om u verdere pijniging te sparen?”

“Ik u iets bekennen!” sprak Godmaert met eene zwakke stem, “neen, ik vind vertroosting met u in uwe wreedheden te folteren. Mijn lichaam kunt gij volgens uwe willekeurige wetten pijnigen; doch mijne ziel zal altijd kracht genoeg bewaren om niet te zwichten voor den dood, dien gij mij aanbiedt.”

“Gij bekent niets?”

“Neen.”

“Beulen, dat men hem de rieten op de huid zette!”

Godmaert liet zich geduldig ontkleeden en werd met den hals aan eenen pilaar geprangd. Zijne voeten bond men aan eenen ijzeren ring dusdanig vast, dat hij, hoe zwaar ook zijn lijden zijn mocht, zich niet roeren kon. Nu plaatsten de beulen op zijn bloot lichaam een oneindig getal gespletene rieten, waarvan de nijping zoodanig was, dat het bloed door de huid sijpelde. De pijn moest vervaarlijk groot zijn, want Godmaerts spieren bewogen stuiptrekkend. Zijn aangezicht werd paars, en zijne oogen draaiden akelig in zijn hoofd rond.

Het was op dit oogenblik, dat Geertruid haren vader in den spiegel had gezien.

De rechters stonden stilzwijgend op dit onmenschelijk tooneel te staren; misschien gevoelden zij in hun hart ook medelijden voor den ongelukkige, doch dit was niet op hunne wezenstrekken zichtbaar.

Valdès, de wreede verrader Valdès, vroeg of dit het grootste torment was. En wanneer de beul zelf antwoordde, dat hij geene zwaardere pijn kende, werd deze helsche ziel mistroostig, omdat de wraak uitgeput was.

“Bekent gij nu?” schreeuwde de rechter Godmaert toe.

Hij kreeg geen antwoord.

Het hart van den Geus, aan alle zijden door zenuwkrampen geprangd en in de gerekte huid stijf geklemd, had zijne laatste kracht verloren. Een naar en dof gezucht rolde ratelend uit de keel des zieltogenden grijsaards, en zijn hoofd viel zwaar op zijne schouders neder; zijne armen hingen slap en machteloos aan de ijzeren ringen.

“Hij is dood!” sprak de beul verblijd.

En hij raapte zijne werktuigen bijeen.

Zeker vond deze menschenpijniger geen vermaak in zulke oefeningen, mits hij blijde was het droevig einde er van te zien. De rechters schenen ontroerd over de gevolgen der pijniging; zij teekenden met haast een papier, dat de schrijver hun aanbood, en gingen weg.

“Ik ben blij dat hij dood is,” riep de beul, “nu is hij, och arme, toch der grootste pijn nog ontsnapt.”

“Welke pijn?” vroeg Valdès met nieuwsgierigheid.

“Wel,” antwoordde de beul, “zoo hij niet gestorven ware, zou men hem nog wat pekel in zijne wonden gegoten hebben.”

“Ha!” zuchtte de boosaardige Valdès.

En hij ging half bedrukt naar zijne woning, omdat zijn vijand aan dit ijselijk torment was ontsnapt.

Godmaert was niet dood; niettegenstaande de schrikkelijke folteringen kwam hij eenigen tijd daarna langzaam tot het leven terug.

De beulen, die zooeven om zijnen dood verheugd waren, — want dan mochten zij met pijnigen uitscheiden, — waren nu bezig met hem alle vertroostingen, die zij vinden konden, te geven. Zij waschten zijne wonden, laafden hem met den overigen wijn en brachten hem eindelijk weder in zijne gevangenis. De Steenwarer, die ook zonder medelijden den grijzen Geus niet kon aanzien, liet hem van banden vrij; en ditmaal hing de ijzeren gordel, zonder een lichaam te omvatten, aan den muur.

De kerker werd wederom toegesloten, en de arme Geus bleef alleen en zonder vertroosting. Niets had hij om te liggen, dan het stroo, waarvan de punten in zijn bloot vleesch gingen en hem alle gevoel benamen.

Er is een trap van lijden, welke zeker altijd doodelijk zijn zou, zoo de natuur, voor het behoud harer schepselen bezorgd, den lijder niet alle kracht onttrok, om het te kunnen gevoelen.

Tot dien trap van lijden was Godmaert gekomen. Hij dacht noch aan den hemel, noch aan Geertruid, noch aan zich zelven; hij sliep. Maar welken slaap, o God! Den slaap der dooden; want een soldaat, door het springen eener bom verbrijzeld, slaapt. En zoo, zoo sliep Godmaert ook; doch niet voor eeuwig.

VII

Benedicite persequentibus vos: benidicite et nolite maledicere.

_Rom._ _Cap._ XII, v. 14.

De zon had zich nauwelijks uit de dampige morgenwolken luisterrijk verheven. Het kraken der deuren en vensters, die in de buurt geopend werden, stoorde alleen de stilte, die nog in de halfverlichte Keizerstraat heerschte.

Theresia was ontwaakt en stond reeds bij de bedstede der nog slapende Geertruid.

“Ongelukkig meisje!” sprak zij haar zachtjes toe, “rust, rust: de ontwaking eener rampzalige is bitter.”

Zij kuste haar met moederlijke teederheid.

De kleuren waren op ’s meisjes wangen teruggekomen, en alles scheen aan te duiden, dat haar bezoek bij de tooveresse geene kwade gevolgen zou hebben.

Op eens deden de stappen van een paard zich weergalmend hooren.

“Daar is hij!” riep Theresia.

IJlings liep zij naar beneden en opende de poort voor den verwachten Lodewijk.

“Hoe gaat het met Geertruid?” vroeg hij.

“Oh, stillekens,” was het antwoord.

“Kan ik Godmaert spreken?”

“Godmaert? ... Godmaert zit op ’t Steen.”

“Hoe? op ’t Steen?” vroeg hij verbleekend.

“Ja, ja, Lodewijk, op het Steen, in de gevangenis.”

“Hemel! en Geertruid?”

“Slaapt.”

“Waarom is Godmaert gevangen?”

“Kent gij Valdès, Lodewijk?”

“Oh, Valdès! ik dacht het.”

Hij vatte onwillig zijnen dolk, doch liet hem weder op zijne borst nedervallen.

“Theresia,” sprak hij, “zeg mij toch met haast wat er gebeurd is.”

Nu gaf zij hem met bondige woorden kennis van alwat er den dag te voren was geschied.

“En de tooverheks heeft gezegd,” voegde zij er aan het einde bij, “dat uwe stem alleen haar uit den slaap kan roepen.”

Lodewijk weende bij dit verhaal niet. “Valdès!” morde hij gedurig, en dan bezag hij met eenen bitteren grimlach den dolk, die hem aan den hals hing.

“Kom,” zeide Theresia, “mits gij mijne meesteresse zien moet.”

En zij bracht hem in Geertruids kamer. Op eenen anderen tijd zou hij zeker niet in deze gegaan zijn, doch nu dacht hij zelfs niet aan den eerbied, dien hij het meisje schuldig was.

“Spreek, Lodewijk,” zei Theresia, “spreek, dat zij wakker worde!”

“O, mijn Geertruid!” zuchtte hij.

Zijne geliefde ontwaakte op zijne stem.

“Lodewijk!” riep zij, “zijt gij daar? Gij blijft lang weg, ja, het is lang, zeer lang geleden, dat ik u gezien heb.”

De jongeling stond verbaasd over Geertruids gerustheid en verschrikte, daar hij aan Wolfanghs verhaal dacht. Helena was door lijden zinneloos geworden! Hij trilde van angst in al zijne ledematen.

“Uw vader! Geertruid, uw vader!” riep hij.

“Mijn vader!” sprak het meisje met eene zeldzame uitdrukking, en hare handen voor het aangezicht drijvende, “och ja, Lodewijk, mijn ongelukkige vader!”

Zij borst in bittere tranen los.

“Ga!” riep zij, “wacht mij in de boekzaal.”

Lodewijk, ziende dat zijne vrees ongegrond was, week de kamer uit en ging zich in de boekzaal denkend nederzetten. Na eenige oogenblikken kwam de jonkvrouw bij hem.

“Wel, Lodewijk,” vroeg het meisje weenende, “weet gij wat mijnen grijzen vader gebeurd is?”

“Ja, Geertruid, ik ken het droeve nieuws. O, ween niet meer; ik zal mij zelven geene rust verleenen, voordat ik Godmaerts verlossing bewerkt hebbe. Ik loop met haast naar pater Franciscus.”

“Tot overmaat van ongeluk is onze goede vader naar St.-Bernards-abdij vertrokken. Die eenige toevlucht is ons insgelijks ontnomen. Wij zijn rampzalig, Lodewijk. Mijn arme vader ligt in een duister kot, zonder troost en zonder hoop, en ik, die hij roept, ik mag hem niet zien!”

“Pater Franciscus naar St. Bernards!” zuchtte Lodewijk in vertwijfeling. “O, wat dan begonnen? Hij alleen kan ons helpen.... Hebben onze vrienden, hebt gij zelve, Geertruid, nog geene pogingen gedaan?”

De jonkvrouw bezag Lodewijk met wanhopig gelaat.

“Ja,” zuchtte zij, “wij hebben alles te werk gesteld, — alles zonder vrucht, — en ik, ongelukkige! ik wachtte uwe komst met vertrouwen af. Ik dorst denken, dat gij, Lodewijk, mij bij mijnen vader brengen zoudt. Die hoop is dan ook ijdel. Ik moet hem in de gevangenis laten. Misschien, o God, misschien is hij reeds dood.”

Hare stem verging in eenen langen gil, en zij viel afgemat op eenen stoel.

Lodewijk aanschouwde de zwakke maagd met dwalenden blik, weldra kruiste hij de armen op de borst te zamen en liet zijne oogen ten gronde gaan, als iemand, die in diepe overweging zinkt. Het woord: “dood! dood!” rolde met eene ijselijke dorheid van zijne lippen.

“Gepijnigd, gemarteld.... gansch bebloed en stervend....” zuchtte Geertruid.

De lijdende jonkheer wrong de armen tegen zijn lichaam en knarste de tanden in uiterste razernij.

In eens borst zijne spraak los, en hij riep met snijdende stem:

“Gij zult uwen vader zien, Geertruid; ik zweer het u bij mijne eer, ik zweer het u! Gij zult hem zien vóór den avond, of nooit, nooit verschijn ik weder in uwe tegenwoordigheid....”

De jonkvrouw sprong bleek en bevend voor Lodewijk; zij zag hem met angst aan en vouwde hare handen smeekend te zamen.

“Lodewijk,” riep zij, “wat schrikkelijken eed doet gij daar? Kunt gij mijne smart niet genoeg verschoonen, niet genoeg begrijpen? Ik heb dien eed niet van u gevergd. Nu moet ik onfeilbaar mijnen vader of u verliezen.... Alles is tegen mij, tot mijnen minnaar toe. O hemel, ben ik nu genoeg rampzalig!”

De jonkheer luisterde weinig naar die woorden, zijne oogen stonden stijf en beweegloos in zijn hoofd, en, alsof hij tot zich zelven sprak, riep hij:

“Welaan, het moet zijn.... Het bloed des verraders verve mijne handen! Hij sterve een wreeden dood, hij, die ons het lot zoo bitter maakt!”

En zijnen degen onder zijn oog brengende, voegde hij er bij:

“Ik had u aan mijn land gewijd, o degen mijns vaders. Het bloed van eenen valschaard zal u smetten!”

Terwijl Lodewijk in verdwaaldheid deze woorden sprak, lag Geertruid half machteloos op eenen stoel, haar hoofd hing slap, bleek en betrokken over den rug van den zetel, en, ware het niet geweest, dat hare tranen onophoudend over hare wangen rolden, zoo zou men haar voor een lijk hebben kunnen aanzien. De dwalende blikken van Lodewijk vielen eindelijk op de machtelooze maagd. Hij naderde haar met haastige stappen, vatte eene harer handen in de zijne en bleef starend op haar nederzien zonder een woord te spreken. Zijne ademing was lastig en pijnlijk, men kon zijne borst onstuimig op en neer zien gaan en een schraal gesnork in zijne keel hooren. O, hij leed verschrikkelijke smarten! Als een kaatsbal geplaatst tusschen den godsdienst, de min, de vaderlandsliefde en de wraakzucht, kon hij tot niets besluiten, zijn hart werd verpletterd tusschen al die schillende gevoelens. Eindelijk rukte hij driftig aan de hand zijner beminde en riep:

“Geertruid! Geertruid!”

Zij wierp op hem eenen droeven, eenen grievenden blik en zuchtte:

“Laat mij sterven! Lodewijk, laat mij sterven!.... Mijn vader gepijnigd, gij een moordenaar, — o, God, sterven moet ik....”

Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil. De twee gelieven bezagen elkander met eene zonderlinge uitdrukking. Komt Godmaert terug?.... Die vraag straalt uit hunne oogen, Geertruid staat op, zij rekt haren hals vooruit, hare tranen verdrogen op hare wangen.

De deur der zaal gaat open, een persoon treedt langzaam binnen.... en uit de borstvan Geertruid, uit de borst van Lodewijk ontvliegen blijde kreten: het vertrek wordt een oogenblik vervuld met juichend vreugdegeroep.

Wat hartroerend tafereel! Een priester met zilveren haarkrans staat recht in het midden der zaal, twee ongelukkigen hebben elk eenen arm om zijnen hals geslagen gelijk schipbreukelingen, die een reddend hout omgrijpen, hunne hoofden hangen van wederzijde op zijne borst, tranen van blijdschap rollen onzichtbaar over zijne kleederen, geen woord laat zich hooren.... De priester slaat zijne blinkende oogen ten hemel, hij legt ééne hand op het hoofd van Lodewijk, de andere op het hoofd van Geertruid, hij bidt, hij smeekt bij God om bescherming. Wat is hij schoon in die aanroeping, de zeventigjarige priester!

Weldra greep pater Franciscus van elk der jongelieden eene hand en verwijderde hen zachtjes. Hij bezag hen beurtelings met een teeder medelijden, en sprak:

“Mijne beminde, mijne ongelukkige kinderen, ik weet wat ramp u getroffen heeft....”

“O vader!” riep Geertruid, “wij hebben uwe afwezigheid zoo bitter betreurd; maar nu, nu gij met ons zijt, keert de hoop in onze harten weder. God zelf heeft u gezonden op dit ijselijk oogenblik!”

“Ik heb de aanhouding van uwen vader te St. Bernards vernomen. Kon pater Franciscus u in zulk eenen druk alleen laten? Neen. Ik heb het rijtuig van mijnheer den abt verkregen en ben, in ééne vaart, tot voor de woning van den hoofdrechter gesneld.”

“Ha!” zuchtte Geertruid.

“Geduld moeten wij nog wat hebben, mijne kinderen. De hoofdrechter is naar Brussel en komt eerst tegen den avond terug. Troost u in afwachting; ik zal intusschentijd Godmaert bezoeken.”

Geertruid vouwde de handen smeekend te zamen en riep:

“O, goede vader, laat mij met u gaan!”

“Het kan niet zijn, mijn kind; gij weet het misschien, er is bevel gegeven, dat niemand Godmaert spreken mag. Ik alleen ben niet in dit verbod begrepen, omdat ik zijn biechtvader ben. Doe mij een weinig eten geven; want ik gevoel mij te zeer van de reize verzwakt, daar ik nog nuchter ben. Binnen een uur zal ik uwen vader gaan vinden, en ik zal bij hem blijven tot den avond.”

Geertruid zag den priester met verwondering aan; zij stond beweegloos voor hem, terwijl hare oogen vol tranen schoten.

“Wat zijt gij goed!” riep zij. “Mijn vader zal zich door u laten troosten. De woorden van onzen engelbewaarder zullen hem een zoete balsem zijn.”

Op den roep van Geertruid kwam Theresia in de zaal, en zij ontving van hare meesteresse het bevel om een goed ontbijt voor den priester te bereiden. Gedurende dien tijd naderde Lodewijk bij pater Franciscus, en sprak tot hem met biddend gelaat:

“Goede vader, ik heb mij aan eene groote zonde schuldig gemaakt!”

“Gij verschrikt mij, mijn zoon!”

“Het is verschrikkelijk, goede vader.... ik heb mijne handen in het bloed van mijnen evennaaste willen doopen. Ik heb eenen moord willen plegen.... bij verrassing!”

Ondertusschen was Geertruid weder bij hen genaderd en viel in Lodewijks rede.

“Ja,” sprak zij, “ziet gij, goede vader, Lodewijk heeft Valdès willen vermoorden, Valdès, die mijnen vader in de gevangenis heeft doen werpen. Die Spanjaard is een boos mensch.”

“Ik was verdwaald door het gezicht van Geertruids lijden,” voegde Lodewijk er bij.

“Mijn zoon,” sprak de priester met een streng gelaat, “uw hart is vol wereldsche driften. Geef acht op u; want het is door deze gevoelens, dat de booze geest u poogt te vangen. Ik heb het u meermalen gezegd, gij zijt oploopend en onvoorzichtig. — Dooden! Maar verstaat gij wel, mijn zoon, wat het is? Om eene persoonlijke wraak te voldoen, vernietigt gij een schepsel Gods, uwen evennaaste, dien de Zaligmaker u door de verhevenste aller wetten gebiedt te beminnen als u zelven! Gij stort het bloed van eenen zondaar, gij levert hem in de handen des duivels, zonder biecht, en gij stort hem in de hel, hem, die misschien de vriend van God en de uwe nog worden kon, voor alle zonden is vergiffenis bij den Heer....”

Hij hield op met spreken; want Lodewijk, door zijn woord getroffen, stond bedrukt voor hem, en Geertruid smeekte met droeve blikken om verschooning.

De priester vatte Lodewijks hand, en, aan zijne wezenstrekken eene zoetere uitdrukking gevende, hernam hij:

“Geloof en berouw zullen u redden, Lodewijk. Hoop het en bedank nu den Heer, dat uwe zonde niet verder dan eene misdadige gedachte gegaan zij. Ik bemin u nog als te voren; gij zijt altijd mijn dierbare zoon, want uwe ziel, alhoewel driftig en ongestuimig, is nog niet door ondeugd besmet....”

Theresia kwam op dit oogenblik aankondigen, dat het ontbijt in de eetzaal was opgediend. De priester deed eenige stappen om uit te gaan, doch Geertruid weerhield hem en vroeg:

“Pater Franciscus, mijnheer Lodewijk heeft mij beloofd, dat hij zou uitgaan, om te zien of ik mijnen vader nog vóór den avond zou mogen bezoeken. Vindt gij goed, dat hij het nog doe?”

De priester bedacht zich een oogenblik en antwoordde:

“Ik geloof niet, dat het hem zal gelukken, mijne dochter; nogtans, het is mogelijk.”

Hij wendde zich tot Lodewijk en sprak:

“Ga, mijn zoon, die pogingen, alhoewel waarschijnlijk vruchteloos, zullen de droefheid een weinig van uw gemoed afkeeren. Maar wees voorzichtig; alles brandt in deze tijden van gisting.... Geen haat, geene gramschap!”

Lodewijk nam een dankbaar afscheid en ging de kamer uit.

De priester en Geertruid begaven zich naar de eetzaal.

Toen Lodewijk zijne Geertruid verlaten had, snelde hij met haastige stappen naar het Steen en stelde alles te werk om Godmaert te mogen zien; doch de Steenwarer wilde hem dit niet toestaan. De jongeling smeekte, bedreigde, bood hoopen gelds aan, doch alles te vergeefs. Daar de gevangenbewaarder buiten de zaken, die zijn ambt raakten, een redelijk en gespraakzaam man was, antwoordde hij op al de vragen van Lodewijk, en gaf hem kennis van Godmaerts pijniging. Wanhopig ging de jongeling uit het Steen en begaf zich tot de Geuzen, die hij twee dagen te voren bij moêr Schrikkel had gezien. Allen waren als hij ten uiterste bedrukt over dit voorval; allen hadden zij moeite aangewend om bij Godmaert te geraken; doch geen had hierin kannen slagen. Verbitterd als zij waren, zagen zij geen ander middel dan de omwenteling te verhaasten. Ten dien einde liepen zij overal bij hunne vrienden en maakten door herhaalde pogingen de inwoners der stad tot muiten op. Bij alle kruisstraten stonden hoopen volks; eene algemeene koorts scheen onder hen te heerschen. Leven de Geuzen! weergalmde door de gansche stad; en wanneer dan een troep wapenbroeders kwam aangestapt, liep het volk in andere straten om het schreeuwen met nieuwe kracht aan te vangen.

Lodewijk wandelde angstig door de woelende scharen en begaf zich langzaam en treurig naar de woning van Van Halen. Aan de Koepoortbrug kwam een man, in eenen wijden mantel gedoken, rechtstreeks op hem aan.

“Lodewijk,” sprak hij, “wat nieuws?”

“Oh, Schuermans!” riep Lodewijk, “mij dunkt dat gij gaarne onbekend de straten betreedt?”

“Ust! jonkheer, ik weet waarom. Noem mij niet. Hebt gij Godmaert gezien, Lodewijk?”

“Neen, ik mag hem niet naderen. Weet gij wat hij geleden heeft?”

“Ja, ik weet het. Die schelmen, die bloedzuipers! Zij denken dat een Geus zich niet wreken durft!”

“Zij hebben hem bijna het leven benomen!”

“Weet gij, jonkheer, wie dit bewerkt heeft?”

“Ja, Valdès.”

“Wanneer ik dit verstaan had, heb ik mij op weg begeven... en nu is reeds het werk volbracht: Valdès is dood.”

“Dood?”

“Zie, Lodewijk, daar is zijn leven!”

En de hand onder zijnen mantel uittrekkende, toonde hij hem deze en zijnen dolk, rood van bloed.

“Weet gij nu,” vroeg hij, “waarom ik onbekend door de straten loop?”

Lodewijk verbleekte bij het gezicht van dit nog niet gestolde bloed. Daar hij niet antwoordde, ging Schuermans voort:

“Zijn lijk ligt nog op den Guldenberg, en weldra zal er van dezen manslag gesproken worden. Ik geloof niet, dat iemand mij herkend heeft; doch om alle zekerheid verlaat ik u, ten einde mij van dit bloed te reinigen. Morgen, Lodewijk, morgen de groote wraak! — Zie!”

En hij wees op het rondstroomende volk.

“Morgen,” zuchtte Lodewijk treurig, “morgen, o, mijn God!”

Hij boog het hoofd voorover in eene droeve bedenking aan hetgeen er zou gebeuren.

“Waar gaat gij naartoe?” vroeg Schuermans.

“Ik meende naar Van Halen te gaan, om te zien of ik door zijnen invloed geen verlof zou kunnen krijgen om Godmaert in zijne gevangenis te bezoeken.”

“Ik geloof, dat gij bij Godmaert niet geraken zult, Lodewijk, want Van Halen heeft bij den prins van Oranje niets verkregen.”

“Zeg, Schuermans, zoo ik zelf nog eens bij den prins ging?”

“Gij zoudt te laat komen; hij is daar juist naar Brussel vertrokken.”

“Wat ga ik dan doen?”

“Ja, dat weet ik niet, jonker. U gereed houden om de Spanjaarden uit de stad te jagen. Dan, vergeet niet, dat er dezen nacht, om twaalf uren, eene vergadering bij moêr Schrikkel zal gehouden worden. Men zal er over de gevangenneming van Godmaert handelen. Gij zult er zijn, niet waar?”

“Ja.”

“Tot wederziens dan.”

Schuermans stapte door de Koepoort en wendde zich naar zijne woning, in het Klapdorp.

Lodewijk ging terzijde, nevens de Minderbroedersrui, en begaf zich naar de Keizerstraat.

Zoodra hij de boekzaal intrad en zijne Geertruid neerslachtig naderde, lachte deze hem vroolijk toe.

“Wel, Lodewijk,” riep zij, “zal ik mijne huik omhangen?”

“Neen, Geertruid,” antwoordde hij, “men is voor mij onverbiddelijk geweest.”

Een lange zucht ging over ’s meisjes lippen.

“Waarom wanhoopt gij, Geertruid?” hernam Lodewijk. “Heeft pater Franciscus ons niet beloofd, dat hij dezen avond bij den hoofdrechter zal gaan? En hij zal nu gemakkelijker een verlof voor ons verkrijgen, want Valdès is dood.”

“Dood?” riep de jonkvrouw, terwijl zij Lodewijk met angst en afschrik bezag. “Dood!”

“Ja, maar uwe vrees is ongegrond, Geertruid. Het is Lodewijk niet, die zijn bloed gestort heeft.”

“Ha!....” zuchtte het meisje met blijdschap, en alsof haar hart van een pletterend gewicht ontlast wierd.

“Schuermans heeft hem vermoord, vooraleer ik hem gesproken of gezien had; geloof het, Geertruid.”

“Ha, Valdès is dood!” riep de jonkvrouw, “dan zal mijn vader wellicht vrijgelaten worden.”

Beschaamd over de vreugde, die zij om Valdès’ dood had laten blijken, werd zij eensklaps rood en sprak weldra op kalmen toon:

“Pater Franciscus is daareven naar het Steen gegaan. Nu is hij reeds bij mijnen vader. Ik zal met geduld zijne terugkomst afwachten, Lodewijk, want ik weet, dat mijn vader nu minder ongelukkig is. Hij zal hem wel troosten, en, indien er iets te doen is om hem te redden, wie is er machtiger en beter dan pater Franciscus?”

“Gij hebt gelijk, Geertruid, laat ons gerust zijn, en hopen wij op de barmhartigheid des Heeren.”

Na een oogenblik stilzwijgens vroeg de jonkvrouw:

“Maar, Lodewijk, zeg mij, wat gaat er om? Wat gebeurt er? Ik heb daareven voor het vensterglas gestaan en talrijke hoopen volks gewapend door de straat zien loopen, den schreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij gedurig. Is er ergens een gevecht?”

“Neen, Geertruid, maar morgen zal er bloed vergoten worden: morgen zullen de schenddaden beginnen. O, gij weet niet wat schrikkelijk nieuws ik vernomen heb....”

“Wat nieuws, Lodewijk?”

“Vervaarlijk, Geertruid, vervaarlijk. Herman Stuyck, die afgevallene, die aartsketter, predikt morgen in de kerk van Onze Lieve Vrouw!”

“Hoe? Wat zegt gij, Lodewijk, dit kan immers niet zijn?”

“Niet zijn? Wie zou het beletten? Hij heeft gisteren na eene predikatie, waarin hij God en zijne Heiligen schandelijk gelasterd had, afgeroepen, dat hij morgen te negen uren in de hoofdkerk zal prediken. O, Geertruid! dan zal de lastering en de blasphemie in het huis des Heeren klinken, het vreemd gespuis en de oneerlijke vrouwen zullen hunne vuile liederen aanheffen voor het altaar, voor het lichaam van onzen Zaligmaker zullen zij hunne walgelijke zangen uitbraken....”

Verbaasd en als ter neder geslagen door dit tafereel, zat Geertruid voor den jonker en staarde met strakke oogen op hem. Zij had hare handen te zamen gevoegd en zweeg, alhoewel Lodewijk zelf, door zijne eigene schildering verschrikt, opgehouden had van spreken. Weldra ging hij voort: