Het wonderjaar: Eene gekkenwereld

Part 8

Chapter 83,799 wordsPublic domain

“En alsof zij den Heere Jezus eenen bloedigeren oorlog wilden aandoen, richten zij al hunne balddadigheden tegen zijne onbevlekte Moeder. Morgen, morgen zullen zij de helsche spotnamen, die de duivel zelf hun ingegeven heeft, haar in het aangezicht spuwen. Gij weet niet, Geertruid, hoe zij de maagd Maria noemen! Maar ik zal het u niet zeggen,.... liever stierf ik eenen onzaligen dood dan die heiligschendende woorden te herhalen!”

“Vreezen die booswichten dan niet, dat het vuur des hemels hen verslinde?” riep Geertruid met verontwaardiging.

“Zij zijn versteend in hunne boosheid, Geertruid. Zij misbruiken de barmhartigheid van Hem, dien zij hoonen. Ik weet niet wat euveldaden de dag van morgen beschijnen zal, maar ik ben bang, vol angst, mijn hart is benepen van schrik.”

“Wat zoudt gij meer vreezen dan de ontheiliging der kerken? Is dit niet eene ongehoorde, eene wraakroepende misdaad?”

“Ja, de gedachte alleen doet schrikken en beven; maar indien de ketters in hunne pogingen gelukken, zal het daar niet bij blijven. Dan zullen zij de teekens van ons geloof vernietigen, de beelden van God en van alle heiligen verbrijzelen en verbranden; en wij zullen nutteloos zoeken naar iets, dat ons eene herinnering aan onzen godsdienst zij.”

Geertruid stond op, vatte Lodewijks hand en bracht hem voor het vensterglas. Zij wees met den vinger ten venster uit, naar den muur van het tegenoverstaande huis, en sprak:

“Zie, Zie, uwe vrees is niet ongegrond. Gedurende uwe afwezigheid zijn hier eenige slechte lieden voorbij gekomen; zij hebben de heilige Moeder bespot en bedreigd: nu reeds is haar eene hand afgeworpen. Ziet gij het roode teeken van den kareelsteen niet? Ik wil niet, Lodewijk, dat zij dit beeld langer hoonen; wij hebben het er gesteld en mogen het dus wel wegnemen.”

“Wij moeten dit tot den nacht uitstellen, Geertruid; want een beeld op dit oogenblik afnemen, ware misschien een teeken tot het beginnen der schenderijen.”

“O, Lodewijk, dat zij het niet verbrijzelen! Ik heb het reeds uit de wieg, wanneer ik zijne vormen nog niet onderscheiden kon, toegelachen. En wanneer, bij kinderjaren, de eerste gedachte der Godheid mij door mijne moeder werd ingegeven, heb ik voor het beeld geknield. Ik ben onder zijne bescherming geboren, en het zou mij een groote druk zijn, het in mijne oude dagen niet te zien.”

“Wel, Geertruid, zij zullen het niet breken: morgen zal het in uwe kamer zijn.”

In dit gesprek gingen zij nog langer voort. Geertruid scheen een weinig gestild door het bijzijn van Lodewijk, en beiden verwachtten met hoop de terugkomst van pater Franciscus.

Terwijl de twee jongelieden aldus elkander poogden te troosten, gebeurde er iets plechtigs in eenen der diepste kuilen van het Steen.

Er was in die gevangenis een hol van geringe wijdte, dat men den moordenaarsput noemde; diep onder den grond gegraven en van alle buitenlucht afgezonderd, was het er zeer vochtig en koud; menige misdadiger had daar, na de pijnbank te hebben doorgestaan, den geest gegeven en een boos leven geëindigd.

In eenen hoek van dien akeligen kelder brandde eene kleine lamp, die tegen den vloer op eenen steen geplaatst was; de twijfelachtige stralen, welke er van uitgingen, verlichtten den kerker niet, maar lieten toe de voorwerpen, die er zich bevonden, in zwarte schaduw te onderscheiden: twee palen met ijzeren halsbanden en neerhangende ketenen.

In het diepe van dit hol lag Godmaert op een weinig stroo uitgestrekt; zijn lichaam was omwonden met bebloede doeken; zijn hoofd rustte op een ruw kussen, dat hem door den Steenwarer uit medelijden was gebracht. Nevens hem zat een lang en duister beeld geknield, houdende eene zijner handen vast. Aan het habyt, dat zich op den muur afteekende, en aan het zilverwit haar, dat zijnen blinkenden schedel omkranste, zou men in dien persoon pater Franciscus hebben kunnen herkennen.

Sedert lang zweeg de priester en scheen een antwoord van Godmaert af te wachten. Eindelijk zeide hij met doffe en benauwde stem:

“Godmaert, mijn broeder, ik herhaal het u: misschien zal de Heer u van deze aarde roepen; misschien gaat gij sterven. Gij zult verschijnen voor Gods rechterstoel! O, hoor mij in dit schrikkelijk uur! Zult gij de wereld verlaten zonder berouw, zonder vergiffenis?”

Godmaert wendde zijn hoofd met pijn terzijde en antwoordde op langzamen, doch nadrukkelijken toon:

“Neen, neen, vader, ik zal niet sterven. Ik zal leven om het vaderland en mij zelven te wreken. Nu meer dan ooit is hun naam bij mij gehaat en verfoeid. Hun bloed zal stroomen zooals het mijne gestroomd heeft.”

“De koorts doet u verdwalen, mijn vriend. Op wie dan wilt gij u wreken?”

“Op wie?” riep Godmaert, als buiten zich zelven, “op wie? Op onze verdrukkers, op hen, die mijn vaderland tot een bloedbad maken, op hen, die onnoozelen, als ik ben, door tormenten de ziel uit het lichaam rukken; op die booze Spanjaards, die denken, dat zij het hoofd der Nederlanders ongestraft onder hunne voeten verpletten mogen.”

“Mijn zoon, mijn zoon, gij hebt u laten verleiden door de vijanden van onzen godsdienst en door uwen eigen hoogmoed. Word kalm en keer terug in uw ontsteld gemoed: gij zult bevinden hoe diep gij bedrogen zijt.”

“Ik weet, vader, dat het uw plicht is, mij tot zachtmoedigheid aan te manen; ook ben ik u dankbaar voor uwe goede zorg; maar niets kan mij van gedachte doen veranderen. Ik ben overtuigd, dat mijn vaderland verdrukt wordt, dat men ons langzaam in de boeien zoekt te klinken; en, al moest ik nog op de pijnbank staan, al moest ik sterven, zoo zou ik die gehate Spanjaards nog vervloeken en vermaledijden tot in den dood!”

De priester liet Godmaerts hand met verbaasdheid neervallen en hief de armen in de hoogte.

“Blasphemie!” riep hij, “gij vervloekt uwen evennaaste! gij vermaledijdt den onnoozele!”

“Onnoozele?” herhaalde Godmaert pijnlijk, “is Valdès dan ook een onnoozele?”

“Neen, die misdoet voor den Heer, Godmaert. Maar zijn er onder onze eigene broederen, zijn er onder ons, Nederlanders, geene menschen, die door hunne driften tot het kwaad aangespoord worden? En om de daden van eenigen vloekt gij ze allen! Ho, ik dacht niet, mijn vriend, dat ik uw hart eens zoo versteend zou vinden.”

Alsof Godmaert de rede des priesters overtuigend, doch lastig vond, antwoordde hij er niet op, maar riep in geestdrift uit:

“Op dit bloedig bed, bij het einde van mijn leven, blijf ik de spreuk mijner voorvaderen getrouw. Zij bestreden altijd de vreemde beheerschers en riepen, zooals ik nu roep: alles, alles voor het vaderland!”

“Gij hebt de spreuk uwer voorvaderen vergeten, Godmaert. Zij riepen: alles voor God en voor het vaderland!”

“Dit is waar, vader, zoo was hunne spreuk en.... het is.... ook....”

De stem van Godmaert, die tot dan niet geheel zonder kracht was geweest, verging in eens op zijne lippen; hij bracht met angst de hand op zijn hart, en een pijnlijke zucht ontsnapte zijne borst.

“God! wat schrikkelijk lijden!” stamelde hij. “Ik heb hier aan mijn hart iets, dat gebroken is.... Franciscus, mijn goede vader.... Ha, het is gedaan,... ik voel mij herleven. De pijn is voorbij.”

“O, om Gods wil!” riep de priester met smeekende stem, “verfoei uwen haat, zweer uwe wraakzucht af!”

“Mijn uur is nog niet gekomen, vader. Ik voel het. Spaar mij toch in mijne smarten het verdriet van uwe vriendelijke woorden te moeten wederstreven. Mijn haat tegen de vijanden mijns vaderlands is eeuwig en onverbiddelijk.”

“Welnu, Godmaert, mijn woord is onmachtig op uw gemoed. Zult gij mij aanhooren tot het einde? Ik zal de daadzaken doen spreken. Onderzoeken wij te zamen de ongegronde reden van uwen haat en van den opstand. Wees rechtvaardig en streng jegens u zelven, en beken uwe dwaling. Luister op mijne stem. Herinner u den plechtigen, den droeven dag, dat keizer Karel, uw weldoener en des vaderlands glorie, afstand deed van de kroon. Het was te Brussel; gij waart er, en gij hebt met mij deze woorden uit zijnen doorluchtigen mond hooren vallen: “Mijne Nederlandsche onderdanen, de vrede zij onder u! Zijt vereenigd en verleent aan de wetten de gehoorzaamheid, die men daaraan verschuldigd is. Maar vooral, indien men gelukkig wilt zijn, weert de ketterijen van uwen bodem, en indien gij mocht zien, dat het verderfelijk zaad onder u wortelen begint te schieten, rukt het uit, vernietigt het; want het zou uw vaderland verscheuren....” Gij en vele anderen hebt die woorden gehoord, Godmaert! gij en de anderen hebt ze bekrachtigd door tranen van ontroering. En, eilaas, hoe ras zijn deze heilzame raadgevingen vergeten geworden! Zoodra was de keizer niet vertrokken, of gij hebt u vereenigd met heerschzuchtigen; gij hebt de gouvernante aangevallen door vragen, die de ketterijen alleen konden begunstigen, en bij hare weigering hebt gij geroepen, dat het land verdrukt werd; alle maatregelen, die genomen werden om de verspreiding eener nieuwe leer te beletten, hebt gij gevloekt en tegengewerkt als dwingelandij. Gij hebt het volk tegen zijne vorsten opgemaakt; gij hebt geroepen, dat men de Inquisitie in de Nederlanden wilde instellen; en dit gezegde was valsch, gij wist het. De pijnbank, die van onheuglijke tijden en onder alle beheerschingen in Nederland bestond, hebt gij aangewezen als zijnde de Spaansche Inquisitie: gij hebt uwe landgenooten bedrogen. Gij hebt hun doen gelooven, dat men uwe vrijheden wilde te niet doen, omdat men de vraag tot het bekomen van nieuwe en schadelijke vrijheden niet wilde toestaan. Gij hebt u verbonden met eergierige edellieden, en gij hebt de vrijheid van religie in Nederland durven eischen. De vrijheid van godsdienst in een land, waar allen maar één geloof hebben! Wat beteekent dit? Het was een roep, dien gij al den ketters van Duitschland en Frankrijk toestuurdet. Zij zijn gekomen, die zendelingen des duivels; zij hebben het oude geloof van België op zijne grondvesten doen beven; zij hakken met razernij op de zuilen der ware kerk, en gij, gij zijt het, Godmaert, gij en uwe eedgenooten, die hun de bijl in de hand gegeven hebt. En dit noemt gij uw vaderland beminnen en vrijmaken! Is de godsdienst uwer vaderen u dan eene tirannie? Stelt gij uwe glorie in het bevechten der verdedigers van de gevaar lijdende kerk? Zijt gij misdadig en goddeloos genoeg om de vijanden van uw geloof wetens en willens voor te staan? O, zeg mij, dat uwe zonde u leed is; smeek om genade bij den Heer, dien gij vergramd hebt. Spreek, Godmaert, antwoord mij, dat ik uit uwen mond, uit den mond van den broeder, dien ik zoozeer bemin, de belijdenis zijner dwaling hoore.”

De priester zweeg; maar even ras galmde een akelige schreeuw uit zijne borst tegen het welfsel des kelders, en hij boog zich met angst over het lichaam van zijnen vriend. Godmaert lag bleek en gevoelloos op zijn stroo; zijne twee handen waren te zaam geslagen en lagen verkrampt op zijn hart.

Bevend en verschrikt wierp de priester zich bij Godmaert neder, stak de hand onder zijn hoofd en hief het op, totdat de schijn der lamp er tegen kaatste.

“Dood! dood!” schreeuwde hij in de uiterste wanhoop, terwijl een tranenstroom uit zijne oogen op Godmaerts wangen vloot. “Dood?.... Gij, mijn boezemvriend, mijn broeder! En ik heb u niet kunnen redden! De barmhartige Jezus zij uwe ziel genadig!”

Hij liet het hoofd van den Geus nedergaan, hief zijne armen ten hemel en stuurde een lang gebed om verzoening tot God. Op eens werd hij in zijne bede gestoord door eenen zucht, die uit Godmaerts keel scheen voort te komen. De priester sprong op, wierp zich neder bij het hoofd van den lijdende, en bezag zijn gelaat met angst; hij blikte stijf en hijgend op de geslotene oogen zijns vriends, doch niets kwam zijne hoop verwezenlijken.

Eindelijk, o blijdschap! ontkrompen zich de twee handen van Godmaert; zijne oogen ontsloten zich, en hij bezag dwalend den over hem gebogen priester. Weldra hief hij langzaam eenen zijner armen op, bracht hem om den hals van pater Franciscus en trok zijn hoofd tot bij zijnen mond. Met de punten zijner koude lippen raakte hij de wang des priesters en zoende ze. Die kus vervulde het hart van pater Franciscus met eene ongemeene vreugde; het scheen hem, dat Godmaert in zijne sprakeloosheid daardoor zijn berouw wilde uitdrukken, en dat de ziele van zijnen vriend den booze was ontrukt.

Maar na weinige oogenblikken kwam, even gelijk de eerste maal, het leven geheel terug in Godmaert.

“Mijn goede vader!” was zijn eerste woord.

“Arme Godmaert!” antwoordde de priester met tranen op de wangen, “hebt gij kunnen hooren wat ik u gezegd heb? Is mijn stem ditmaal tot in uw hart gegaan?”

“Ik heb alles gehoord, vader. Ik heb gedwaald; ik vraag vergiffenis van God!”

De priester wierp zich vooruit met eenen blijden kreet en vatte het aangezicht van Godmaert tusschen zijne twee handen.

“Gered, gered!” riep hij, “o, Godmaert, mijn beminde broeder, nu kunt gij sterven, indien de Heer u geroepen heeft. Uw leven was zuiver van alle ander verbreken. Uwe ziel zal nu met betrouwen mogen verschijnen voor haren Rechter.... en hopen wij het, vriend, eens zien wij elkaar terug in den schoot van God! Ik zal u weldra volgen, want mijn levensdraad verslijt.... Daar, ontheven van alle aardsche pijnen, zullen wij elkaar blijven beminnen; wij zullen samen den Heer loven en vereenigd zijn tot in der eeuwigheid....”

Voortgaande in het uitdrukken van die hemelsche vooruitzichten, bemerkte de priester met blijdschap, dat zijn vriend allengs meer en meer in krachten toenam en eindelijk weder terugkwam tot den staat, waarin hij hem bij zijne komst bevonden had. Zij spraken nu van Geertruid en van Lodewijk. Godmaert ontving met een gehoorzaam hart de vermaningen des priesters. De pijnen, die hem aangevallen hadden, en waardoor zijn leven tweemaal was in gevaar gesteld geworden, verlieten hem, alsof de laatste strijd hem er van verlost had; echter bleef zijn lichaam nog verstijfd en al zijne leden als verlamd.

Na verloop van eenige uren stond de priester op en klopte herhaalde malen tegen de deur des kerkers. Weldra werd ze door den gevangenbewaarder ontsloten.

“Wat uur is het?” vroeg pater Franciscus.

“Bijna negen uren des avonds,” was het antwoord.

“Zoudt gij niemand bij dezen gevangene kunnen doen komen? Hij is zoo ziek, en ik moet hem verlaten.”

“Ja, pater, ik zal mijnen knecht gaan roepen.”

De gevangenbewaarder ging uit en sloot de deur toe.

“Heb moed, mijn vriend,” sprak de priester tot Godmaert. “Ik begeef mij naar den hoofdrechter, die nu van Brussel moet teruggekomen zijn. Ik zal pogen eenige verzachting in uw lot te verkrijgen, en binnen een uur zal ik met uwe kinderen terugkomen. De hoofdrechter zal mij ten minste dit laatste toestaan.”

Godmaert hief zijne hand op, als om die van den priester te vragen en deze bekomen hebbende, drukte hij ze met liefde.

“Ga,” sprak hij, “engel van troost, mijn dankbaar gebed en de zegen van den God dien gij dient, vergezellen u!”

De gevangenbewaarder kwam terug met zijnen knecht, en de priester verliet den kerker om den hoofdrechter te gaan vinden.

Hij werd er wel ontvangen, doch kon niets anders verkrijgen dan het oorlof om Geertruid en Lodewijk bij Godmaert te brengen. Hij begaf zich dan met haast naar de Keizerstraat om zijne droeve kinderen te gaan halen.

Aan de deur hunner woning stonden zij reeds lang met kloppenden boezem op hem te wachten, niet zoodra bemerkten zij hem, of hij werd begroet door een blij welkomsgeroep, en op de hielen gevolgd tot in de zaal.

“Welnu, goede pater Franciscus,” riep Geertruid, “wat nieuws brengt gij ons?”

Zij beefde bij die vraag, alhoewel de kalme uitdrukking, die op des priesters aangezicht stond, haar een goed voorteeken scheen.

“Mijne kinderen,” antwoordde hij, “de Heer heeft zijne hand uitgestrekt over uwen vader: hij heeft schrikkelijke pijnen doorgestaan; maar zijt welgemoed, hij zal genezen, wij mogen het hopen!”

Tranen borsten uit Geertruids oogen.

“O, droefheid,” riep het meisje met angst, “gij verbergt mij iets; gij durft het mij niet zeggen, dit ijselijk nieuws!”

“Stil u, stil u, mijn kind,” hernam de priester, “terg u zelve niet langer. Uw vader leeft; gij moogt hem bezoeken en troosten, ik ben gekomen om u te halen.”

Eene schielijke omkeering gebeurde op het gelaat der jonkvrouw. Tusschen hare tranen kwam de vreugde zich vertoonen, zij sprong terzijde, vatte hare huik, wierp ze over haar hoofd en riep:

“Kom gauw, ik ben gereed!”

De priester stond niet op van den stoel, waarin hij zich nedergezet had.

“Mijne kinderen,” sprak hij, “vergunt mij een oogenblik rust. Mijne zeventig jaren laten mij niet meer toe, nog langer de stem van mijn zwak lichaam te miskennen,... ik heb honger en dorst.”

Geertruid wierp hare huik af en verschrikte niet weinig bij het zien der bleekheid van des priesters aangezicht.

“Vergeef mij, goede vader,” zeide zij, “ik zie het, gij zijt vermoeid en afgemat.... Rust en eet,... ik zal mijn ongeduld bedwingen.”

Zij liep ter kamer uit en kwam weldra terug met Theresia, die den priester spijs en drank voordiende.

Terwijl schikte Geertruid hare kleederen op; zij liet zich de huik beter door de dienstmaagd aanhangen, en wachtte zonder spreken, totdat pater Franciscus, opstaande, tot haar en tot Lodewijk sprak:

“Komt nu, mijne kinderen, en matigt uwe droefheid. Vergroot het lijden uws vaders niet te zeer door uwe eigene smart.”

Zij verlieten dan hunne woning en begaven zich stilzwijgend door de donkere straten der stad, tot voor het Steen. De maan schoof op dit oogenblik achter eene wolk uit en verlichtte den gevel der gevangenis met eene droeve klaarte. Bij het zien dezer hoogverhevene muren en der ijzeren traliën smolt Geertruids hart weg, en zij bleef plotseling staan, zonder eenen stap meer te doen.

De priester klopte; een hoofd verscheen voor het kijkgat, en de poort ging krijschend open.

Wat schrik, wat angst moest de bange Geertruid niet uitstaan, terwijl zij door die duistere en koude gangen als door eenen doolhof zonder einde gaan moest! Van tijd tot tijd hoorde zij eenen gevangene met zijne ketenen klinken en eene pijnlijke klacht voortbrengen, en telkens dacht zij voor den kerker haars vaders te staan.

Eindelijk hield de Steenwarer stil voor eene zware deur, die overal met ijzeren platen was beslagen, en hij draaide den sleutel er driemaal op rond.

Het hart der gefolterde jonkvrouw joeg hevig; een traan liep haer reeds van de wangen, alhoewel de deur nog niet open was.

“Vader,” riep zij, “hier ben ik, uw kind, uwe lieve Geertruid!”

Een zware zucht antwoordde op hare stem.

Lodewijk, die nu genoeg begreep, dat het zien haars vaders haar niets dan nieuwe smart kon toebrengen, poogde haar te stillen; doch het meisje, als opgetogen, vatte de grendels met haastigheid, en zij zelve schoof den laatsten weg.

De deur ging open. Binnengaande zagen zij niets dan de twijfelachtige vormen van een menschenlichaam; want, daar de gevangene verre van den ingang lag, kon de lamp des Steenwarers hare stralen niet stellig tot hem zenden.

Terwijl de priester en Lodewijk nog bij den ingang stonden, rukte Geertruid de lamp uit de handen van den Steenwarer en zij knielde huilend bij haren vader neder.

“Mijn lief kind!” zuchtte hij, “God heeft mij verhoord. Ik zie u!”

“Och, vader! vader!” schreide zij, in bittere tranen losbarstende, “ongelukkige vader! Wat hebben zij u gedaan, dat gij mij niet omhelzen kunt.”

“Mijne teedere dochter,” sprak hij met eene zwakke stem.

Hij poogde zijne armen tot haar op te heffen; doch deze konden zoo hoog niet reiken en vielen machteloos op het stroo neder. De tranen der weemoedige Geertruid rolden brandend op des grijsaards wangen. Zij sprak niet meer; zuchten en droefheidssnikken kwamen ratelend uit hare hijgende borst op. Hare handen gingen met angstige liefde over des grijsaards koude ledematen.

“Lodewijk, Lodewijk!” riep zij, “nader en zie! Zij hebben mijnen vader onbarmhartiglijk gepijnigd.”

En zij wees hem de bebloede doeken, welke Godmaert overal omwonden.

“Ha, gij zijt ook daar, Lodewijk!” sprak hij. “Ziet gij wat zij mijnen grijzen haren gedaan hebben?” en hij wentelde zijn hoofd met pijn om. “Ziet gij?”

De jonker hief de handen ten hemel.

“Heer!” riep hij, “ze zijn met bloed geverfd?”

“Lodewijk, licht mij een weinig op,” zei Godmaert.

Het meisje spong toe en, hare armen met voorzichtigheid onder haars vaders lichaam brengende, hief zij hem van het stroo, totdat hij op het hoofdkussen gezeten was.

“Kom, mijne lieve dochter,” sprak hij, “dat ik u eenen afscheidszoen geve; want God heeft mij misschien tot zich geroepen.”

“Vader, och lieve vader,” schreide het wanhopige meisje, “o, denk dit niet. Ik zal door mijne liefde en zorgen uwe ledematen verwarmen; en God zal u nog vele dagen met ons laten doorbrengen. O, sterf niet! sterf niet, of ik zal u geen oogenblik overleven. Ik kan immers, vader, zonder u niet bestaan? O, schep dan moed!”

En zij kuste hem huilend, alsof zij zinneloos ware geweest.

Lodewijk was achteruit geweken. Hij kon dit droevig schouwspel niet aanzien; zijne tranen vloeiden in stilte. Hij vond zelfs geene woorden om het meisje te troosten.

De priester had zich in een hoek der gevangenis op de knieën gebogen, en bad met samengevoegde handen.

“Waar zijt gij, Lodewijk?” vroeg Godmaert. “Ah, gij zijt dáár!” sprak hij, toen hij den jongeling zag weenen. “Luister, Lodewijk: mijne dagen zijn voorbij, en ik zal weldra bij mijne vaderen zijn; want mijn adem wordt kort en mijne ledematen verstijven. Geertruid, stil u, meisje. Gods wil geschiede. De sterveling, die geroepen wordt, kan zijn lot niet ontgaan. Lodewijk, zij hebben mij ijselijk gepijnigd. Mijn bloed is mij langs al de deelen mijne lichaams ontloopen....”

“Valdès is dood, vader!” riep het meisje. “En gij, gij leeft nog en zult niet sterven. Ik verlaat u niet; mijne liefdezoenen zullen u van de koude des doods bewaren. Gij sterven! gij, vader? neen; niet waar, Lodewijk? spreek dan! Mijn vader zal immers niet sterven? O, wat verschrikkelijk woord! En gij antwoordt mij niet, wreede Lodewijk! Kan mijn vader sterven? Zeg!”

“Neen, neen,” sprak Lodewijk snikkende.

“Hoort gij wel, vader?” riep Geertruid, “Lodewijk zegt ook, dat gij niet sterven kunt.”

Zij drukte den grijsaard met kracht op hare borst.

“Jonker,” zei Godmaert, “misschien is mijne vrees ongegrond.”

Geertruid zag hem angstig in de oogen.

“Misschien,” hernam de grijsaard, “zal ik nogmaals met u in de boekzaal gaan; doch, daar mij dit zeer twijfelachtig schijnt, wil ik u als beschermer mijner dochter aanstellen, eer gij mij verlaat. Nader mij dan, dat ik u zegene!”

Lodewijk zette zich bij de geknielde Geertruid gebogen neder. De priester zag deze godsdienstige plechtigheid met verwondering aan, en een nog vuriger gebed steeg van zijne lippen tot den Heer, opdat Hij toch op deze ongelukkigen wilde nederzien. De kerker was nog in al zijne hoeken duister, want het zwakke licht der lamp kon deze niet bereiken. De weinige stralen vielen rechtstreeks op het bleeke wezen des grijsaards en op de vochtige wangen zijner kinderen. Deze, voor hunnen vader geknield, wachtten met angstigen eerbied zijnen zegen; hij, met zijne handen op hunne hoofden, bad God voor hen.