Het wonderjaar: Eene gekkenwereld

Part 6

Chapter 63,893 wordsPublic domain

“Weet gij het Jan-van-Lier-straatje, hier juist achter den hoek?”

“Zeker,” antwoordde Geertruid.

“Wel, daar woont een oud grijs wijf; die kan, zoo gij den moed hebt mij bij haar te volgen, u alles zeggen wat gij zoekt te weten. En zeker moogt gij zijn, dat de waarheid uit haren mond spreekt.”

“Die oude gebukte vrouw, die door de geburen de tooverheks wordt geheeten?”

“Ja, dezelfde.”

“Denkt gij, dat deze mij zeggen kan wat mijn vader doet en lijdt?”

“Ja, kind, ik zeg het met schaamte, menigmaal ben ik bij haar ten rade geweest, en nooit heeft zij een valsch woord voor mij uitgesproken. Gij zult zien, dat, zonder wij haar van ons ongeluk onderrichten, zij alles van zelf zal raden.”

Zij verlieten onmiddellijk hunne woning, keerden den hoek om en bevonden zich in het enge Jan-van-Lier-straatje.

“Wie klopt zoo laat in den nacht aan mijne deur?” werd er gevraagd.

“Moeder, doe maar open!” antwoordde Theresia, “gij kent immers uwe buurvrouw nog wel?”

“Wacht een weinig, dat ik mijne lamp ontsteke.”

De deur werd met omzichtigheid en langzaam voor hen geopend. Na de herkenning werden zij in een klein vertrek gelaten, waarin de lamp bij hunne komst menigvuldige stralen zond.

Een akelige schreeuw ging uit den mond der verschrikte Geertruid op, en zij dorst het vertrek niet binnentreden.

“Kom maar binnen, jonkvrouw,” sprak de tooveresse, “ik verzeker u, dat gij geene reden hebt om te vreezen.”

Nu trad Geertruid bevend in de kamer en drong zich vast tegen Theresia’s kleederen.

Het was er in wanorde en vuil; twee stoelen stonden er bij eene zware tafel, waarop een groot boek, een moordpriem, speelkaarten en eenige geraamten van kleine dieren lagen. Twee pikzwarte katten zaten ronkend op de stoelen. Hunne bewegingen waren zoo ernstig en zonderling, dat het scheen, dat deze dieren met verstand begaafd waren; zij zagen Geertruid met stijve nieuwsgierigheid aan. Een doodshoofd, waarvan de holle oogen en de blinkende tanden Geertruid verschrikt hadden, stond vervaarlijk op de schouwplaat. De tooveresse was een leelijk wijf, dat honderd jaar oud scheen; diepe rimpels lagen haar over het aangezicht, waarop hare grijze haarlokken verward rolden. Hare gele oogen waren met ijver op de angstige Geertruid gevestigd.

“Wat is toch de oorzaak, welke u eene arme vrouw, als ik ben, zoo laat in den nacht doet bezoeken, edele jonkvrouw?” vroeg zij. “Wilt gij, dat ik uw lot in de kaarten leze? Nu dan.”

En zij mengde de kaarten terdege ondereen.

Na het krakend gebeente op den vloer gelegd te hebben, spreidde zij het spel kaarten op de tafel uit. Zij lag eenige oogenblikken in overdenking, om, zoo goed zij kon, haar orakel aaneen te krijgen; dan, wanneer zij dacht het gevonden te hebben, sprak zij:

“Ziet gij daar, jonkvrouw?.... Kom toch dichter bij de tafel. Wees niet bevreesd. Ziet gij dáár, zeg ik, dien schoppenheer?”

“Ja wel,” antwoordde Geertruid.

“Nu, dit is uw vader. Het schijnt, dat hij op dit oogenblik zeer ongelukkig is. Op de kaart zie ik zijne tranen en de knarsing zijner tanden.”

Geertruid beefde van schrik en droefheid.

“Wacht dan, jonkvrouwe,” sprak de tooverheks, “wacht! Ziet gij daar die twee klaveren? Dat is twee dagen lijdens. Die tien, die zich dáár bevindt, toont aan, dat de pijn groot, onuitsprekelijk groot zal zijn. Geduld, jonkvrouw, geduld! Het beste komt aan. Stel u gerust. Daar, ziet gij dien ruitenheer, die daarnevens ligt? Die alleen zal uwen vader door zijne hulp verlossen.”

“Wie is dat?” vroeg Geertruid.

“Zijnen naam weet ik niet,” was het antwoord, “maar dit weet ik, dat het een mensch is, die veel kwaad gedaan heeft en als een dier de bosschen bewoont.”

“Wolfangh!....” zuchtte Geertruid.

“Dáár,” ging de oude vrouw voort, “die hartenboer is een jongeling, die u teederlijk bemint en aan u sedert dezen morgen onophoudelijk gedacht heeft.”

“Weet hij wat mijnen vader gebeurd is?” vroeg het meisje.

“Neen, dit weet hij niet, anders zou hij in uw lijden gedeeld hebben. Hier, nevens hem, hebt gij hartenvrouw. Zie, jonkvrouw, dit zijt gij zelve, alles toont mij aan, dat gij eens gelukkig met hem zult zijn. Verder zeggen de ruiten, die dáár liggen, dat er tegenwoordig veel over uwen vader geschreven wordt, en deze klaverenheer en die boeren komen mij als rechters voor. Vast geloof ik, dat uw vader op dit oogenblik ondervraagd wordt. Nog iets weet ik, doch, daar het u al te pijnlijk zou zijn dit te weten, zal ik verder niets meer zeggen.”

“Wel, nu weten wij nog maar weinig, moeder!” sprak Theresia.

“Hoe?” riep het oude wijf, “weet gij niet, dat uw leed in ’t kort zal eindigen; en is het niet beter, dat ik de schrikkelijke zaak, die ik nog weet, verzwijg?”

“Neen,” antwoordde Geertruid, in hare droefheid verbolgen, “zeg mij alles wat gij weet, en ik zal u rijkelijk beloonen.”

“Wel, gij wilt het zoo, jonkvrouw? Gij hoort het, Theresia, zij wil alles weten.”

“Nachtboden!” sprak zij, zich tot de katten keerende, “dat mijn wil geschiede!”

En jammerlijk huilende vlogen de twee zwarte dieren in de schouw, en verdwenen.

“Och God!” riep het verschrikte meisje, zich tegen Theresia’s borst klemmende, “het zijn helsche geesten die hier wonen!”

“Gij hebt het gezegd,” antwoordde de tooveresse, “doch wil u daarom niet verschrikken: er zal u niet het minste leed geschieden. Ik bid u, mij niet in deze mijne groote werking te storen.”

Zij vatte eenen ijzeren kelk en plaatste hem op eenen vergulden driepikkel. Een stukje purperen zijde wreef zij driemaal tegen het doodshoofd, en, na het met zeker water bevochtigd te hebben, smeet zij het in den beker. Eene blauwe vlam ging kronkelend in de hoogte. Zij nam dan haar tooverboek, en, na menigmaal hare dorre handen door de vlam gedreven te hebben, las zij grommelend op verscheidene bladen des boeks woorden, die eenen schrikverwekkenden klank bij zich hadden. Driemaal liep zij rondom de tafel, en riep de helsche geesten tot zich.

De katten kwamen weder huilend de schouw uit.

Het laat zich lichtelijk bedenken, hoe verschrikt het arme meisje zijn moest; maar, dewijl ander lijden hare krachten verzwakt had, was zij nu voor hetgeen zij zag, schier ongevoelig geworden. Theresia rilde in al hare ledematen, doch hare nieuwsgierigheid was grooter dan hare vrees, en daar zij menigmaal zulke dingen gezien had, vond zij sterkte genoeg om Geertruid te ondersteunen.

“Wel,” sprak de tooverheks, ’s meisjes hand vattende, “zeg mij nu of gij, zoo ik u de waarheid zien laat, zeg mij, zoo uw lijden er door vergroot wordt.... zult gij dan op mij verbitterd zijn?”

“Neen, neen,” antwoordde Geertruid bevende, “ik heb u dit immers zelve gevraagd.”

“Wilt gij dan eerst uwen minnaar zien?”

“Ja.”

“Kom dan hier, bij de schouw. Oh, gij zijt van de katten bang? — Vertrekt!” riep zij, en de zwarte dieren liepen haastig de schouw in.

Zij vatte het doodshoofd en legde het op de tafel.

“Kom hier vóór de schouw, jonkvrouw; zie in dezen spiegel.”

En zij trok een gordijntje van voor ’t glas weg.

“Ja, zie, dáár slaapt Lodewijk,” riep Geertruid, “Theresia, kom, zie hoe rustig hij slaapt! — Zie, een man zit bij hem zorgend te waken. Theresia, kom dan, ziet gij zijne blonde haarlokken over het hoofdkussen niet rijzen, en den glimlach, die over zijne lippen zweeft? — Hij droomt!....”

“Ja,” sprak het oude wijf, “hij droomt van u, jonkvrouw.”

Geertruid bleef lang op den spiegel staren. Zij vond eenigen troost in den zoeten slaap haars beminden.

“Wel, gelijkt die jonker aan uwen verloofde?” vroeg de tooverheks.

“Ja, ja, het is hij zelf,” zeide Geertruid. “Wanneer zal ik hem wederzien?”

“Morgen, bij zonneopgang,” was het antwoord.

Geertruid verheugde zich bij de hoop, dat zij Lodewijk haast tot troost en hulp zou hebben.

“Wilt gij nu uwen vader zien?”

“Ja.”

“Ga dan van vóór den spiegel weg.”

Zij deed het gordijntje nedervallen.

“Jonkvrouw,” ging zij voort, “heb wat geduld, totdat het verschijnsel zich gevormd hebbe. Eene schrikkelijke zaak zult gij zien; en wellicht zullen uwe krachten u van angst en druk begeven.”

“Gij bedriegt u, moeder,” sprak Geertruid, “zoo ik mijnen vader levend zie, zal ik moed genoeg hebben.”

“Wel, jonkvrouw, kom nu voor den spiegel,” sprak de tooveresse, het gordijntje opheffende.

Geertruid had niet zoodra de oogen er op gewend, of een pijnlijke schreeuw ontvloog haar, en zij viel zwaar en roerloos op den grond neder.

Theresia stortte bittere tranen over hare rampzalige meesteresse, en kermde over de menigvuldige slagen, welke haar dien dag getroffen hadden.

“Dat wist ik,” zei het oude wijf. “Heb ik het niet gezegd? Doch ik zal deze onmacht wel overwinnen.”

“Wat heeft zij dan gezien?” vroeg Theresia.

“Zie gij zelve,” sprak de tooveresse, haar voor den spiegel brengende.

Theresia week schreeuwend achteruit.

Wat zagen zij dan?.... Den grijzen Godmaert, van beulen omringd en op eene vervaarlijke wijze gepijnigd. De uitdrukking zijner stuiptrekkende wangen en het bloed, dat hem over het lichaam liep, hadden de harten dezer vrouwen verbrijzeld.

“Wat ga ik nu met mijne roerlooze meesteresse doen?” vroeg Theresia snikkend.

“Luister,” antwoordde het oude wijf, “hier heb ik een fleschken, dat alles terecht zal maken. Na ik haar dit zal ingegeven hebben, zal de jonkvrouw opstaan en u naar uwe woning volgen. Eene diepe vergetelheid van het verledene zal ik over haar halen. Leg haar dan te bed, en de stem haars minnaars zal alleen de kracht hebben om haar uit den slaap te roepen. Ik hoop, dat, wanneer alles zal uitgevallen zijn, gelijk ik het u voorzegd heb, gij mij dan niet vergeten zult.”

Zij goot langzaam den inhoud van het fleschken in Geertruids mond. Deze richtte zich op en bleef stilzwijgend staan.

“Ga voor, Theresia!” sprak het oude wijf. “Wees niet voor de jonkvrouw bevreesd, zij zal u op de hielen volgen. Vaarwel! spreek haar niet aan, zij hoort u niet.”

En de deur werd achter de beide vrouwen gesloten.

Theresia stapte bevend voort en, angstig omziende, bemerkte zij, dat Geertruid haar gestadig volgde. Wanneer zij nu in hunne woning terug en bij Geertruids bed waren, liet deze zich geduldig ontkleeden. Zij was zoodra niet gelegen, of een diepe slaap sloot hare roodbeschreide oogen.

Theresia waakte bij een klein licht, doch weldra kwam de vermoeidheid over hare zorg zegepralen, en zij viel op den stoel in slaap.

VI

O, mensche, wie ghy zyt en toont u niet ’t onvreden, Als God doorwont u hart met druck en swaricheden.

JACOB CATS.

Laat ons nu een weinig in ons verhaal terugkeeren, om te zien, of de waarzegster terecht was, wanneer zij Geertruid haren vader in zulk eenen akeligen toestand voorstelde.

De Spanjaard Valdès had de oplichting van Godmaert nauwkeurig bijgewoond en met vrees bemerkt, dat het gemeene volk den Geus zeer was toegedaan. Angst had hem getroffen op het oogenblik, dat de morrende verlossingskreet was opgegaan. Maar wanneer hij de deur der gevangenis op zijnen vijand had zien toesluiten, vertrok hij om de gevolgen zijner beschuldigingen te verhaasten.

Godmaert zat in den hoek van eenen kerker, die geene gemeenschap had met licht of lucht. Bittere tranen rolden over zijne wangen, daar hij aan de smart zijner dochter dacht, en mits grootere hartpijn hem drukte, voelde hij niet, dat zijne bewegingen van wanhoop den zwaren ijzeren gordel in zijne lenden prentten. De tijd, dien hij reeds in dit donker hol had doorgebracht, scheen hem lang, zeer lang te zijn, alhoewel de avondzon de buitenmuren van het Steen nog kleurde met haren rooden glans.

Om tien uren des avonds werd de deur des kerkers geopend.

“Godmaert!” riep de Steenwarer, met zijne lantaarn den kerker binnentredende, “sta op, ik moet u voor den rechterstoel leiden.”

En hij sloot den ijzeren gordel. Twee gewapende mannen namen den grijsaard bij den arm, en brachten hem door duistere gangen tot in eene zaal, welke als de beuk eener kerk was overwelfd. Zeer laag was het verdiep, want de zuilen, waarop de welfbogen rustten, waren weinig verheven, dus kon de lamp, die rookend op de tafel brandde, gemakkelijk het welfsel bereiken en de plaats ten beste verlichten. Een groot kruisbeeld, kunstig met zwart en rood hout ingelegd, en een open evangelieboek met zilveren sloten lagen op het tapijt der tafel. Twee dolken waren kruiswijze, ten teeken van bloedig recht, op de bladen van het evangelie geplaatst.

Vier personen, gansch in zwarte stof gekleed, zaten bij eene tweede tafel, aan hun ernstig en koud gelaat kon men bemerken, dat zij de rechters waren. Papier en pennen lagen vóór hen op de tafel, tot het aanteekenen der bekentenissen, die zij van den beschuldigde verwachtten. Bij de deur der zaal stonden twee gewapende dienaars met bloot slagzwaard.

Verder in het verschiet, bij het twijfelachtig licht kon men eenige werktuigen bespeuren, die zonder orde, het een op het ander, tegen den grond lagen, men bemerkte er raderen, koorden, banken, kettingen, tusschen andere onherkennelijke dingen. Dit waren de werktuigen der pijnbank, welke alsdan in alle hooge rechtsplegingen gebruikt werd om den beschuldigde tot de bekentenis zijner misdaden te dwingen.

Godmaert liet zijn oog met afschrik op die bloedige gereedschappen der wet vallen; maar eene onstuimigere beweging schokte zijne ledematen, wanneer hij zijn gezicht in eenen donkeren hoek der zaal stuurde, hij had in de verte, als een akelig verschijnsel, de wezenstrekken van zijnen vijand Valdès herkend!

“Laat den gevangene tot ons komen!” riep een der rechters, en Godmaert werd door de gewapende mannen tot op eenen kleinen afstand der schrijftafel geleid.

Na eenige oogenblikken tot zijne mederechters gesproken te hebben, keerde de voorzitter zich tot Godmaert en zeide:

“Nader mij, hier bij de tafel. Zweer met de hand op dit beeld onzes Zaligmakers en op het boek des levens, dat gij de waarheid voor ons zult zeggen, en niets dan de waarheid.”

“Dit zweer ik bij den God, die ons hoort!” sprak Godmaert, de hand op het kruis leggende.

“Keer nu naar uwe plaats terug,” hernam de voorzitter, “en luister met aandacht op mijne vermaning. De beroerten, die Nederland verontrusten, en de ongehoorde stoutmoedigheid der ketters hebben de gouvernante doen besluiten, van de zachtmoedigheid af te zien en strenge maatregelen tegen de oproermakers te gebruiken. Gij, Godmaert, zijt gekend als een der belhamels, uw hoofd behoort aan de wet, nogtans in aanzien der merkelijke diensten, welke gij eertijds aan onzen vorst keizer Karel hebt bewezen, is mij volmacht verleend om jegens u bij uitzondering met eene wijde toegevendheid te werk te gaan. Ik mag u in vrijheid laten, zoo gij op uwe eer van edelman zweren wilt, dat gij voortaan niets meer tegen de Spaansche regeering zult ondernemen, en dat gij, indien men dit van u eischte, de opstandelingen openlijk zoudt bestrijden.”

Godmaert stond verbaasd over deze woorden, maar hij zag Valdès in de verte grimlachen, en zijn bloed stroomde hem op eens onstuimig door de aderen. De rechters met fierheid beziende, antwoordde hij:

“Een krijgsman verraadt zijne vrienden niet. Ik zie de Spaansche beheersching als een ongeluk voor mijn vaderland aan, en ik zal, indien ik het nog doen kan, voortgaan met haar te bestrijden, ten koste van mijn leven en mijn goed.”

“Is het wel zeker, Godmaert, dat dit uw laatste woord zij?”

“Het is zeker en onveranderlijk.”

“Het doet ons pijn, tegen een beroemd edelman, als gij zijt, de uiterste strengheid der wetten te gebruiken. Maar wij, als beambten van den staat, moeten zonder omzien onzen plicht doen.”

“Doet uwen plicht zooals het u goeddunkt. Ik doe den mijnen!”

“Welnu, antwoord mij dan. — Gij zijt beschuldigd, ten eerste van het hoofd der Antwerpsche Geuzen te zijn en de regeering van Philips II eenen bitteren haat toegezworen te hebben.”

“Dat is de bloote waarheid,” antwoordde Godmaert met luider stemme.

“Dat gij het volk tot muiten hebt opgemaakt, en door alle middelen uwen medeburgers eenen afkeer voor het tegenwoordig bestuur hebt ingeboezemd. Dat gij de Spaansche regeering afschildert als hatelijk en dwingend, en u begeeft in vereenigingen, waar men middelen beraamt om de Nederlanden aan de gehoorzaamheid van hunnen wettigen vorst te onttrekken.”

“Ik heb het volk den opstand aangeraden, ik heb de Spaansche regeering afgeschetst zooals zij is, dwingend en hatelijk! Het is waar.”

“Hoe, dit alles is waar, en gij bekent het met koelen bloede?”

“Zou ik liegen, daar ik gezworen heb u de waarheid te zeggen?”

De rechter schudde het hoofd met verbaasdheid. Hij wendde zich tot den schrijver en sprak eene wijl met hem. Dan, zijn onderzoek vervolgende, zeide hij tot Godmaert:

“Verder zijt gij beschuldigd van aan de gouvernante, onder de gedaante van een smeekschrift, eene lasterende spotprent toegezonden te hebben.”

“Dat is onwaar!” riep Godmaert met verontwaardiging.

“Dat gij zelf deze prenten onder het volk hebt uitgestrooid.”

“Ik zeg u, dat dit valschelijk gelogen is. Nooit heb ik zelfs zulke prenten gezien. Wie is de verrader, die mij dus beschuldigd heeft?”

“Valdès,” riep de rechter, “hij loochent dit gedaan te hebben!”

Nu kwam Valdès, die zijne betichting te voren wel in zijn hoofd gevormd had.

“Godmaert,” sprak hij met een valsch gelaat, “gij weet nog wel, dat gij mij, aan uwe tafel gezetende zijnde, eens eene prent hebt getoond, waarop de gouvernante op eene allersmadelijkste wijze was afgebeeld?”

“Valdès, gij liegt. Gij liegt!” riep de Geus met verachting uit.

“Zwijg, beschuldigde, gij moogt niet spreken. — Wat stond er op deze prent?”

Valdès antwoordde:

“De gouvernante, in haar plechtgewaad, was in eenen kinderstoel gezeten en trok een belachelijk gelaat, haar schepter was eene klater, hare kroon een valhoed. De graaf de Berlaimont hield haar vast bij eenen leiband, terwijl aan de andere zijde de getrouwe Nederlandsche edelen, zooals d’Aerschot, d’Aremberg en anderen, haar suiker en lekkernij aanboden, om haar het schreien te beletten, dewijl zij langs achter door eenen bedelaar of Geus met eene zweep geslagen werd. En dan heeft Godmaert, mij dit toonende, al lachende gezegd: “Zie, dit is madame, naar het leven afgebeeld.”

“Meineedige!” schreeuwde Godmaert, “beeft gij niet, voor dit bloedig kruis en den God, die er voor ons op gestorven is, zulke valschheid te spreken? Helsche verrader!....”

“Beschuldigde,” riep Ortado, een der rechters, “antwoord op mijne vraag. Hebt gij niets dan deze woorden tot uwe verschooning bij te brengen?”

“Wat wilt gij dat ik antwoorde, dan dat die bloedhond gelogen heeft?”

“Wij hebben de getuigenis van eenen man gehoord, dien gij zelf met den spotbrief naar de gouvernante hebt willen zenden.”

“Hoe heet die man?” vroeg Godmaert.

“Aalbrecht Merckhof.”

“Aalbrecht Merckhof? Dien ken ik niet. De heer Valdès zal hem beter kennen, ik twijfel er niet aan,” sprak Godmaert, terwijl hij met verachting op zijnen aanklager blikte.

De rechter hernam:

“Wij hebben redenen om te denken, dat gij aan gemelde misdaad van geschonden majesteit schuldig zijt, aangezien gij reeds bekend hebt, dat uw gevoel van haat tegen het bestaande staatsbestuur zonder palen is. Kunt gij de getuigenis van Valdès en Merckhof te niet doen?”

“Neen. Wat kan ik anders dan verklaren dat zij valsch is?”

“Blijft gij daarbij?”

“Ja.”

“Welaan, alles schijnt te bewijzen, dat gij plichtig zijt. Ik beroep u, in naam der wet, dat gij uwe misdaad bekennet en ons uwe medeplichtigen noemet.”

“Ik antwoord niet meer op leugentaal!”

“Voor de laatste maal, Godmaert, ik raad het u: belijd uw verbreken, of wij gaan over tot dwingende middelen. Nog eens, zijt gij aan het feit schuldig?”

“Neen.”

Nu werd er gebeld, en twee zwaarlijvige kerels kwamen met opgestroopte mouwen de zaal binnen.

“Beulen, op de pijnbank!” sprak hun de rechter toe.

Godmaert rilde in al zijne ledematen. De pijnbank! Dit woord klonk ijselijk in zijne ooren. Weldra nogtans verging dit gevoel van schrik in hem; hij herinnerde zich, hoe dikwijls hij den dood op het slagveld van nabij had gezien; hij stelde zich voor, dat de pijnen, die hij ging lijden, een offer aan het vaderland waren, en dat het hem een plicht van eer was, zijnen vijand Valdès door zijne standvastigheid te beschamen. Door die overwegingen gesterkt, raapte hij al zijnen mannelijken moed bijeen en besloot, zonder klagen alles te lijden. Terwijl hij zich zelven tot onderwerping aanporde, werden de werktuigen tot het pijnigen gereedgemaakt. Een der beulen klom op eene ladder en stak een touw door de katrol, die aan het welfsel hing. Dááronder, op den grond, brachten zij een werktuig, van zware stukken hout te zamen gevoegd, en waaraan vele kleine koordjes waren. De deelen dezes werktuigs kon men door middel van spieën meer en meer van elkander verwijderen.

“’t Is klaar, mijnheer,” spraken de beulen, alsof zij bezig waren met eene onverschillige zaak te verrichten.

De twee gewapende mannen brachten den Geus met de voeten op het werktuig.

De rechters verlieten hunne zetels en naderden dengene, dien zij moesten ondervragen. Op hun gelaat was niets te lezen dan koude ongevoeligheid; het was zichtbaar, dat zij niet zelden zulke pijnigingen bijwoonden.

“Nader de stoelen!” riep een der rechters; en allen zetten zich neder.

Valdès, om beter Godmaerts lijden te smaken, had zich juist achter de zetels gesteld. In zijne oogen las men eene angstige nieuwsgierigheid; want voor zijne booze ziel kon men hem geen fraaier tooneel laten beschouwen dan het folteren zijns vijands.

“Beschuldigde,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”

“Ik heb geene misdaad begaan.”

“Wel dan, dat men beginne!....”

De beulen maakten op dit bevel de koorden, die van het welfsel daalden, aan Godmaerts beide armen vast; zijne voeten werden ook op dezelfde wijze aan het werktuig geknoopt.

Op een teeken, door den rechter gedaan, trokken de beulen met kracht aan de koorden. De katrol schreeuwde geweldig, en de ongelukkige Godmaert ging langzaam in de hoogte, totdat het touw, waaraan zijne voeten vast waren, stijf werd. Daar hing hij tusschen hemel en aarde, met armen en beenen open, gelijk een gekruiste; doch geen zucht ontvloog hem. Hij zag zijne rechters met fierheid aan.

“Welnu,” vroeg de voorzitter, “bekent gij uwe misdaad?”

Godmaert antwoordde niet.

De hand des rechters daalde, den beulen ten teeken, neder. Een zware hamerslag deed de zaal dreunen, en Godmaerts lichaam werd een duim uitgerekt.

“Bekent gij?” vroeg de rechter nogmaals; en de spieën werden nog een duim ingejaagd.

“Gij wilt uit stijfkoppigheid ons niet antwoorden? Beschuldig dan u zelven van het lijden, dat gij onderstaat.”

En door afwisselende teekens en zoovele hamerslagen hadden des grijsaards ledematen eene vervaarlijke lengte bekomen, en waren de koorden in zijne huid verzonken.

“Spreekt gij niet?”

Een verdubbelde hamerslag deed al de gewrichten des lijdenden kraken.

“Laat af,” riep de voorzitter.

De Geus daalde onmachtig en roerloos ten gronde. De rechters zagen op hem zonder medelijden; zij wisten, dat dit aldus zou geëindigd zijn. Valdès genoot nu de vreugde der boosaardige zielen, die zich over eens anders druk verblijden.

Godmaerts lichaam werd door de beulen op eenen stoel gebracht. Zij waren bezig met hem tot het leven weder te roepen. Lang scheen hun dit onmogelijk, want de ledematen des lijdenden waren door fel prangen en rekken stijf en koud.

“Wel,” vroeg Valdès zachtjes, “zult gij hem nu veroordeelen?”

De voorzitter, wien hij deze vraag deed, bezag hem met mistrouwen.

“Heer Valdès,” sprak hij, “wij volbrengen eenen droeven plicht. Stoor ons niet; wij hebben nog niet gedaan.”

Dit antwoord bracht eenen blijden grimlach op het gelaat van Valdès. Hij bezag den machteloozen Godmaert met eenen helschen blik.

“Beulen,” vroeg een der rechters, “komt hij tot zichzelven?”

“Hij begint zoo al!” was het antwoord.

Godmaert ontsloot eindelijk zijne verdwaalde oogen en aanschouwde met eene pijnlijke uitdrukking de beulen, die hem tot lafenis een weinig wijns te drinken boden.

“Waarom roept gij mij uit het gezelschap der dooden?” vroeg hij. “Is mijn lijden gedaan?”