Het wonderjaar: Eene gekkenwereld
Part 5
“Ja, jonkheer,” hernam de roover, “bid God, dat u nooit een zoo bitter lot treffe. De dood zou u alsdan eene bekoorlijke vriendin toeschijnen. Maar luister, welke dolk er mij nog door het hart moest gaan. Dertig dagen had ik met nauwkeurige hardnekkigheid geteld, en des avonds was ik bij den vader mijner vriendinne gezeten. Door onze tranen scheen ons ongeluk een weinig te verzachten, toen de deur met eenen naren schreeuw openvloog. Helena hing haren vader huilend aan den hals! Na deze eerste beweging van liefde viel zij voor hem op hare knieën neder, en een onuitsprekelijke vloed van hartbrekende tranen liep haar aangezicht af. Eenige woorden kwamen haar in wanorde uit den mond, zij smeekte om vergiffenis, sprak van vlek en schande, — en een razende nijd drong mij de tranen terug in de oogen.
“Helena!” riep ik, haar strengelijk beziende, “waar zijt gij geweest?”
“Wolfangh,” schreide zij bevende, “ga heen! oh, ga heen! uwe oogen doen mij wee.”
“Waar zijt gij geweest?” riep ik.
Zij wees met hare hand wijd ten venster uit.
“Voor u eeuwig verloren,” voegde zij er bij.
Langer kon ik mij niet wederhouden. Denkende, dat zij zelve uit eigen wil mij verzaakt had, sprak ik al de smaadwoorden, die ik maar vinden kon, tegen haar uit; bij ieder woord beefde zij van schrik en schaamte. Nog lang ware ik op denzelfden toon voortgegaan, hadde haar vader mij niet tot stilzwijgen gedwongen, door mij zijne dochter roerloos en koud aan te toonen. Wat medelijden drong in mijn hart, wanneer ik, haar beter beziende, op hare uitgemagerde wangen en in hare diepgezonkene oogen al haar lijden had doorgrond! Nu werd ik over mijne wreedheid ten hoogste verbolgen en smeekte wanhopig Helena om vergiffenis, doch zij hoorde mij niet. Jonker, geloof mij, al de tormenten der pijnbank zijn niets bij het hartzeer, dat ik dien avond doorgestaan heb. — Des anderen daags was Helena van hare zinnen beroofd en antwoordde door lachen op onze bittere tranen. Bleek en mager was zij, als de dood zelf, en wanneer een grimlach over haar aangezicht ging, maakten de diepe rimpels en het uitstekende gebeente haar dusdanig afgrijselijk, dat het ons allen van schrik deed beven. Den vierden dag lag zij op het sterfbed. Hare zinnen waren eenigszins wedergekomen, en zij had hare biecht gesproken. Toen de priester haar verliet, zei hij, dat Helena mij nog eenmaal zien wilde. Ik snelde de duistere kamer in. Dáár lag dat lieve roosje, zoo ontijdig onder den adem van eenen boozen hoveling verslenst, tusschen vier gele waskaarsen te zieltogen.
“Wolfangh!” zuchtte zij, hare magere hand doodkoud op de mijne leggende, “ik verlaat u voor eeuwig, — ginds schijnt mij de hemel toe!.... Daar vóór mij — wenken de engelen mij van de wereld....”
“Helena,” vroeg ik, “wat is u gebeurd? In Gods naam, spreek!”
“Wat mij gebeurd is?” zeide zij, “kent gij Alfons de Noirmont?”
“Ja.”
“Wel, die heeft mij.... door macht en geweld gekrenkt en mijne ziel — kan in dit mijn onzuiver lichaam — niet meer wonen, — daarom zie ik — dáár — eene baan, die mij meteen ten hemel zal leiden!”
“Noirmont!” morde ik wraakgierig en van bloeddorst blakende, “Noirmont!”
“Noirmont,” suisde nog van hare lippen. “Vaarwel, mijn Wolfangh! ééns zult gij met mij daar.... dáár in den hemel wonen, en ik.... zal zuiver.... en God.... God.... vaarwel! vaarwel, Wolfangh!....” En ik voelde, als een langen adem, mijnen naam met hare ziel onder mijne lippen weggaan. Zij was dood, dood en koud!
Een traan rolde over des roovers wangen, en hij zweeg.
Lodewijk, door medelijden aangedaan, drukte troostend zijne hand.
“Jonker,” vroeg de roover voortgaande, “denkt gij, dat deze Noirmont den dood verdiend heeft?”
“Ja, ja, zeker,” antwoordde Lodewijk.
“Welnu,” hernam Wolfangh, “ik verliet mijn dorp, niets mede nemende dan geld, wraakzucht en eenen dolk. Lang heb ik den schaker opgezocht zonder hem te vinden, doch hoe meer ik wachten moest, hoe meer ik zwoer mijne Helena te wreken. Eens bij Brussel langs de Senne wandelende, klonken mij een tiental stemmen te gelijk in ’t oor. Midden onder zoovele personen ontwaarde ik mijnen aartsvijand. Mijn bloed liep ongestuimig door mijne aderen, en het hart klopte mij zoodanig, dat ik bijna roerloos werd, — doch de lust tot wraak stijfde mijnen arm, want mijn dolk ging tot aan het gevest in des schakers borst. Ik sprong in de Senne en zwom in een oogenblik tot aan den anderen oever. Daar bleef ik lachend en van vreugd opgetogen staan. Twee pistoolschoten waren op mij gelost geworden, doch door geen werd ik getroffen. Met wellust zag ik mijn slachtoffer huilend ten gronde zinken, en na ik van zijnen dood verzekerd was, vloog ik als een pijl tusschen de boomen, om mij aan mijne nieuwe vervolgers te onttrekken. Ook werd ik als een wild zwijn uit alle plaatsten verjaagd, geen mensch dorst mij herbergen. — Mijn vader werd om mij vervolgd en door druk en smart ten grave geleid. Nergens kon ik eene schuilplaats vinden, en wanneer de naam van Wolfangh op eene markt werd uitgesproken, dan ging de schreeuw: “houd aan, sla dood!” uit alle monden, alsof ik een dolle hond ware geweest. Zeg mij, jonkheer, wat kon ik dan zonder geld doen? Na lang zwerven heb ik hier, in dit bosch, een schuilplaats gevonden. De nood maakte mij tot eenen dief, en de vervolging der gerechtsdienaren, alhoewel wettig, tot eenen moordenaar. Ik heb geleden en wroeging gehad over mijn misdadig leven, doch het lot was sterker dan mijn moed. — Gij, jonkheer, hebt mij het middel aangewezen om mij te redden. Daarom, ontvang nogmaals mijne dankzegging. Nu komt het beeld van Helena mij weder levendig voor de oogen. Ik hoop, dat hare gebeden mij genade zullen doen vinden bij God.”
Hij zweeg een oogenblik en, de ontroering bemerkende, welke zijn verhaal in Lodewijk had verwekt, stond hij van zijnen zetel op en sprak:
“Nu, jonkheer, ik wil u niet langer hier houden. Zeg aan Godmaert, dat ik zijne voorwaarden aanneem en eenen spie in de stad zal zenden, om op het oogenblik van den toestand der zaken verwittigd te zijn. Dat hij alles overlegge, en op den dag der omwenteling zullen Wolfangh en zijne makkers dáár zijn.”
“Vóórdat ik u verlate, Wolfangh, moet ik nog eenige woorden tot u spreken. Een uwer mannen uitte daareven het inzicht om de kerken te berooven.”
“Dit denken zij, ja; maar vrees deswege niets: mijn wil is eene stalen wet, die niemand onder hen zou durven verbreken.”
“Dit alleen wilde ik van u niet verzoeken; ik wilde u daarenboven eene gelegenheid aanwijzen om eene poging te doen, die ongetwijfeld kan medewerken tot het verdienen der vergiffenis van uw zondig leven.”
“Zeg, zeg, jonkheer, ik ben bereid om uwen raad te volgen.”
“Gij weet misschien niet, Wolfangh, dat de grootste hoop dergenen, die zich Geuzen noemen, ketters en afgevallen zijn, en dat zij den dag der omwenteling afwachten, om al de teekens van onzen godsdienst te niet te doen?”
“Ik weet het, jonker.”
“Gij weet het! Welnu, help mij en eenigen mijner vrienden in het beschermen onzer kerken. Het zal moeilijk zijn, ik voorzie het wel; maar misschien gelukken wij in onze pogingen.”
Op Wolfanghs aangezicht glom eene uitdrukking van genoegen; hij vatte Lodewijks hand en sprak met nadruk:
“Ga, jonkheer, gij zult over Wolfangh tevreden zijn, ik hoop het. Vaarwel, tot wederzien!”
Een gewapende roover werd aan Lodewijk tot leidsman gegeven. Deze bracht hem en zijn paard ongehinderd het bosch uit. Nu steeg hij op en vervolgde den weg, die hem bij de hut zou brengen. Zeker zou hij gedoold hebben; doch de dankbare landman, voor zijnen weldoener bekommerd, had een groot licht aan zijn venster ontstoken. Deze baak bracht den jongeling eindelijk bij de eenzame woning. De deur werd met haast geopend, en blij gejuich kwam hem hartelijk verwelkomen. Het avondmaal stond op de tafel bereid. Na eenige woorden over des jongelings gelukkige terugkomst gesproken te hebben, bad hem de landman, zich bij de tafel neder te zetten. Dit deed de hongerige Lodewijk en at, tot der inwoners vreugde, met meer smaak dan of hij in een paleis ware genoodigd geweest.
“Jonkheer,” sprak de landman, “het is bij middernacht, en, daar de baan met schelmen overdekt is, bid ik u, in mijne arme woning te vernachten.”
En hij wees hem eene bedstede, waarover zuivere lakens gespreid waren.
Lodewijk bedacht, dat hij, laat als het was, Godmaert toch vóór den dag geene kennis zijner zending geven kon. Daarom besloot hij des heibewoners voorstel aan te nemen.
Na hun allen eene goede rust gewenscht te hebben, legde hij zich, vermoeid en welgemoed, op het bed neder.
V
Dos schreefse met eene zwarte roede een rinck op d’aerde; daer moest ick midden in staen: voorts brochtse oock allerhande vreemde dinghen in den rinck, en na dat ick mercken kon, soo docht my dat het waren Leeuwenklaeuwen, Hondenoogen, Wolfstanden, Boksbloed, Ezelsooren, enz.
DUYFKEN EN WILLEMYNKEN.
Denzelfden dag dat Lodewijk zijne reis begonnen had, en, door liefdedroomen langs de baan vergezeld, aan zijne Geertruid dacht, ging er in Godmaerts woning iets om, waarvan de kennis aan onzen jonker menigen bitteren traan moest kosten.
Het was juist twee uren na middag, Godmaert en zijne dochter zaten rustig over onverschillige onderwerpen te spreken.
“Maar, vader,” viel Geertruid hem in de rede, “die Spanjaard heeft immers de macht niet om zijne bedreigingen ten uitvoer te brengen?”
“Welke bedreigingen, mijne dochter?” vroeg de Geus verbaasd.
“De dienstboden hebben mij gezegd, dat Valdès u de gevangenis heeft toegezeid. Wist gij dat niet?”
“De gevangenis!” zuchtte hij, “de gevangenis!”
Een sombere angst betrok zijn gelaat. Hij vatte de hand zijner dochter en drukte ze met liefde.
“Geertruid,” hernam hij mistroostig, “ja, de Spanjaard is een rijk en arglistig man. Zeg mij, zoo het lot u eenmaal van uwen ouden vader scheidde, zoudt gij dan dien hartbrekenden slag wel kunnen verdragen?”
“Maar, vader,” antwoordde het treurig meisje, “gij hebt immers geene misdaad begaan? De rechters zouden uwe onschuld weldra erkennen en niet lijden, dat men u in de gevangenis brengen zou?”
“Kind,” sprak Godmaert, “gij kent de wereld niet. Voorwaar, ik zeg u, het is zeer mogelijk, dat men mij uit mijne woning rukke. Alhoewel wij aan een loffelijk werk arbeiden, zijn wij niettemin strafbaar volgens de bestaande wetten, want wij werpen ons op tegen den heerschenden koning. Voor mij vrees ik niet, maar voor u, zwakke spruit, die reeds zoovele tranen over het lijden uws vaders gestort hebt.”
Nu drukte hij weder hare zachte handen, en haar stijf in de oogen ziende:
“Zoo gij dáár,” sprak hij, op de deur wijzende, “eenen hoop soldaten met bloote degens zaagt komen, zoo gij hen met uwen grijzen vader zaagt weggaan; zeg mij, zoudt gij dan op mijne bede stil en gerust de uitkomst, gelukkig of ongelukkig, afwachten zonder mij door uwe tranen het lot nog bitterder te maken? — Geertruid, gij antwoordt mij niet?”
“Ja, ja, vader,” schreide deze, “ik zal u niet verlaten, en u door mijne liefde troosten!....”
“Maar zoo gij mij niet volgen moogt, en dat een onbepaald vaarwel tusschen ons beiden moet uitgesproken worden?”
Heete tranen en pijnlijke snikken waren alleen des meisjes antwoord.
“Geertruid,” sprak de grijsaard, haar kussende, “wees moedig en houd u sterk.”
“Neen, neen,” schreide zij, “het lot zal ons zoo hard niet drukken.”
“God geve, dat gij de waarheid zegget,” antwoordde de Geus twijfelachtig.
Hij klopte met zijne vuist sterk op de tafel. De oude Theresia kwam op het gerucht binnen.
“Theresia,” sprak Godmaert haar toe, “luister naar mijne bevelen. Ik ken de liefde, die gij mijne dochter toedraagt. Gij hebt haar lang tot moeder verstrekt. Misschien zal heden of morgen alles in vuur en vlam staan, en de straten van Antwerpen zullen misschien met bloed geverfd worden. Dan zal ik mijne vrienden niet verlaten en mijn leven, hoe dierbaar het ook zij, voor vaderland en eer in de waagschaal stellen. Mijne Geertruid beveel ik in uwe handen. Van nu af zult gij haar niet verlaten; want de wolken drijven ons steeds onstuimig boven het hoofd.”
Op eens vloog een snijdende schreeuw uit Geertruids borst.
“Och, God! daar zijn ze!” riep zij angstig.
Eene menigte verwarde stemmen deden zich in den doorgang hooren.
“Kom hier, mijn kind,” sprak Godmaert, “kom hier, dat ik u omhelze. Ween zoo bitter niet. God zal mij voor ongeluk bewaren!”
Het meisje huilde jammerlijk. Op Godmaerts bevel werd zij door Theresia met geweld uit de kamer geleid.
“Geertruid,” riep de vader, “misschien bedriegt gij u!”
Doch Geertruid zag de soldaten in het voorbijgaan, en lang weergalmde hare kleine kamer van hare klachten, totdat zij, zwak en afgemat, in diepen weemoed sprakeloos lag verzonken.
De hoofdman naderde den Geus en las hem een bevel van den markgraaf voor, volgens hetwelk hij als staatsgevangene in het Steen moest gebracht worden. De grijsaard wierp zich den mantel over de schouders en volgde den hoofdman met onderwerping, zonder zich eenigszins over zijn lot te beklagen. Bij de deur stonden twintig wapenbroeders, om hem te geleiden, en eene menigte volks, die nieuwsgierig wachtte om te zien, wie de gevangene zijn mocht. Zoodra zij Godmaert ontwaarden en zijn droevig gelaat onder zijne grijze haren zagen uitschijnen, steeg een schreeuw van verlossing en wraak uit alle monden, doch de wapenbroeders wederhielden deze wolk van ongewapende menschen, en brachten den Geus zonder bloedstorten tot aan het Steen. Hier zag deze den wreeden Valdès bij de poort staan. Gelukkig dat Godmaert geene wapens bij zich had, of de Spanjaard hadde zijnen spottenden grimlach met den dood geboet.
De gevangene werd in eenen diepen en duisteren kelder gebracht, en na hem de middel met eenen ijzeren gordel omsingeld en deze in den muur vastgemaakt was, werd hem een stuk brood en water voorgezet, en de zware deur met gekraak op hem toegegrendeld.
Dáár zat nu die droeve vader in eenen duisteren kerker, geboeid, op een weinig vochtig stroo te zuchten. Voor zich zelven was hij niet bekommerd, mits hij zijn eigen lot nog niet eens berekend had, doch de tranen zijner lieve Geertruid en het afwezen van dit dierbaar meisje, dat als eenig kind hem zoo nauw aan ’t harte lag, waren al te zware slagen om niet onder hun geweld te bukken. Ook zakte hij wanhopig op zijn stroo neder.
Een vloek van wraak ging op uit zijnen mond, en de zwaar overwelfde muren herhaalden de woorden: Valdès en verrader, met een naar en dof geluid.
Terwijl de grijze vader dus angstig aan zijn kind dacht, was Geertruid, door wanhoop en bittere pijn uitgeput, in een stoel nedergezakt. Ongeloovig was zij aan dit voorval. Zulk ongeluk scheen haar al te groot, en menigmaal vroeg zij twijfelend, of het wel waar was, dat haar oude vader van soldaten was weggevoerd. Wanneer de dienstbode haar dan een bevestigend antwoord gaf, stroomden hare tranen harder dan te voren. Jammerlijke klachten en wanhopige gebaren vermoeiden haar telkens zoodanig dat zij meer dan eens, afgemat en uitgeweend, zich op den stoel liet nedervallen.
“Lieve Theresia,” schreide zij, “loop naar pater Franciscus hij alleen kan nog onze engelbewaarder zijn.”
“Maar gij vergeet, jonkvrouw, dat pater Franciscus met den abt van St. Bernards vertrokken is?”
“O wee, het is waar! Raad mij dan, wat ik doen moet om mijnen vader te zien. O, raad mij! weet gij geen middel, zeg?”
“Anders geen, jonkvrouw,” antwoordde de dienstbode, “dan den Steenwarer door woorden of werken pogen te bewegen, dat is te zeggen door gebeden of geld.”
“Kom aan,” riep Geertruid, “geld heb ik, en woorden zullen mij niet ontbreken. Door liefde en bittere smart ingegeven, zal ik den Steenwarer wel tot medelijden brengen.”
“Gij weet niet, jonkvrouw, hoe ongevoelig een gevangenbewaarder is. En zoo het geld op hem niet werkt, is er weinig hoop over.”
“Kom aan! kom aan!” smeekte het bedrukte meisje vuriger, “al hadde hij een steenen hart, hij zou immers voor mijne roodbetraande oogen en mijne krachtige bede moeten wijken.”
“Ik wil gaarne met u uitgaan, om te zien, of wij uwen ongelukkigen vader troosten mogen; maar houd u ingetogen, en wees voorzichtig in uwe smart. Laat mij ook eerst uwe kleederen wat opschikken.”
Nu kreeg Geertruid met haast hare zwarte zijden huik op het hoofd; en daar zij onrustig heen en weer door de kamer stapte, alsof zij daardoor haren weg vervorderde, vatte Theresia eene harer handen en zij begaven zich te zamen op weg.
Na vele hoopen menschen, waarvan de een met medelijden, de ander met koude nieuwsgierigheid ’s meisjes droefheid aanzag, doorgedrongen te hebben, kwamen zij eindelijk bij de zwaarbemuurde gevangenis.
“Is mijn vader hier op het Steen?” vroeg Geertruid angstig.
“Ik geloof het vast,” antwoordde de oude Theresia. “Kom, Geertruid, schep moed. Ik zal kloppen.”
De deur draaide welhaast schreeuwend op hare hengels. Zij werden in de kleine kamer van den Steenwarer binnengelaten.
“Wat verlangt gij, edele jonkvrouw?” vroeg hij, zich voor Geertruid buigende.
“Is mijn vader hier?”
“Zoo Godmaert uw vader is, jonkvrouw.”
“Ja, ja, Godmaert. Gij zult gevoelig zijn voor mijne droefheid, en zeker mij mijnen grijzen vader voor een oogenblik laten troosten. O, weiger mij niet! Neen, weiger mij niet, ik bid u. Zoo gij ook kinderen hebt, kunt gij licht bedenken, welken hartdruk ik gevoel. Laat mij de stem mijns vaders hooren; ik zal u mildelijk beloonen.”
“Jonkvrouw,” antwoordde hij treurig, “het is nog geen half uur geleden, dat Signor Valdès mij een schriftelijk bevel van den markgraaf heeft doen geven, om den gevangen Godmaert alle onderhandelingen met zijne vrienden te beletten. Het drukt mij evenzeer, dat ik uwe vraag niet kan toestaan.”
Nu smolt de weemoedige Geertruid opnieuw in bittere tranen, en, des Steenwarers ruwe hand in de hare smeekend drukkende:
“Ik bid u,” schreide zij, “ik bid u, heb medelijden met een kind, dat aan zijnen vader wreedelijk ontrukt is. O, wees niet ongevoelig! Laat u mijn bitter schreien door het hart gaan. Gij zijt immers ook een mensch, en niet van gevoel beroofd: gij kunt immers mijne tranen niet zonder medelijden aanzien? Och, laat mij toch bij mijnen vader, of ik verlaat u niet, en zal zoolang weenen, totdat gij zelf, om van mijne lastige bede ontslagen te zijn, mij in de gevangenis mijns vaders brengen zult.”
“Och ja, mijnheer,” sprak Theresia, “laat ze toch bij hare vader, of zij sterft nog van angst.”
Nu klonken de sleutels, die aan des Steenwarers gordel hingen, de twee smeekende vrouwen, denkende dat hij hunne vraag ging toestaan, sloegen de handen van blijdschap en opgetogenheid te zamen, en woorden van dankbaarheid ontvielen reeds hunnen mond, wanneer de gevangenbewaarder, die achteruit was gegaan, om eenen traan van zijne wangen te vagen, haar opnieuw naderde.
“Vrouwen,” sprak hij, “uw lijden heeft mij eenen traan uit de oogen geperst. Dit is een teeken, dat ik ten uiterste in uwe droefheid deel, doch, daar plicht mij dwingt, kan ik u niet troosten. Denkt niet, dat gij mij door weenen kunt verbidden. Neen, ik heb lang genoeg droefheid en bitter lijden gezien, om voor uwe tranen niet meer te zwichten. Derhalve zeg ik u, dat geen middel, welk het ook zij, mij mijnen plicht kan doen vergeten. Ik ben een gevangenbewaarder. Vraagt wat een gevangenbewaarder is, en iedereen zal u antwoorden: een tijger, en dit is ook zóó. Dit moet zoo zijn.”
Hij liet bij deze woorden de neerslachtige vrouwen staan huilen, en ging weg.
“Wreedaard!” zuchtte Geertruid, “hoe koud is hij voor onze droefheid. Theresia, gij hadt gelijk, een gevangenbewaarder is geen mensch. Kom aan, ik zal bij onze vrienden om hulp zoeken.”
Zij vertrokken met meer droefheid dan zij gekomen waren.
Geertruids eerste gedachte viel op den goeden Schuermans, dien edelmoedigen, doch armen Geus. Zij wendden zich met haastige stappen naar het Klapdorp. Dáár werd de deur van een oud vervallen huis voor haar geopend.
“Och, Schuermans!” riep Geertruid, “weet gij wat mijnen vader gebeurd is?”
“Ja, jonkvrouw,” antwoordde de Geus, haar binnenlatende, “ik weet alles. Zwijg, ween niet; want ik kan uwe tranen niet zonder lijden aanzien. De verrader Valdès heeft dit alles bewerkt. Ik heb mijnen dolk reeds gewet, daar denkt hij niet aan!”
“Schuermans,” sprak het meisje, “om Gods wil, zeg mij, weet gij geen middel om mij bij mijnen vader te brengen?”
“Geen,” was het antwoord, “ik heb zelf bij de gevangenis een uur lang gesmeekt, doch zij zijn onverbiddelijk.”
“Zoek nog eens in uw hoofd of er niet de minste hoop overblijft. Gij, mannen, weet beter dan wij, wat er te doen staat.”
Schuermans zag de bedrukte Geertruid met medelijden aan
“Arme dochter!” zuchtte hij, en na een oogenblik de hand op het voorhoofd gehouden te hebben, hief hij wanhopig de schouders op. “Neen, Geertruid,” hernam hij, “ik weet geen enkel middel. Ik raad u, ongelukkig meisje, te huis in uwe kamer den uitslag dezer zaak, zonder meer te weenen, af te wachten. Ik zal zelf bij alle vrienden gaan, en zoo ik eenige verzachting in uw lijden kan brengen, zal ik mij met haast naar uwe woning begeven. — Waar is Lodewijk Van Halmale?” vroeg hij.
“Lodewijk is weg,” antwoordde zij. “Oh! ware Lodewijk hier, ik zou weldra mijnen vader zien.”
“Waar is hij dan naartoe?”
“Naar Zoersel, om Wolfangh op te zoeken.”
“Oh ja! hij zal toch morgen, bij dageraad, hier zijn. Kom, Geertruid, stil uw gemoed. Die bittere tranen zullen uw lot niet verzachten. Denk, dat warme vrienden uws vaders leven angstig bewaken. Vaarwel, lieve jonkvrouw. Ik zal moeite doen om uw leed in vreugde te doen veranderen.”
Nu vertrokken de twee vrouwen zonder vertroosting. Zij kwamen ten uiterste bedrukt in hunne woning terug.
“Wat gaan wij nu doen?” riep Geertruid, zich wanhopig op eenen stoel werpende.
“Geduld hebben en op God betrouwen,” antwoordde de goede vrouw. “Gij ziet immers wel, lieve Geertruid, zooals Schuermans zegt, dat ons de tranen weinig helpen. Laat ons dan niet meer weenen en Lodewijks komst op goeder hoop afwachten.”
“Weenen!” zuchtte Geertruid, “ik kan toch niet meer weenen, mijne oogen branden, en bitter hartzeer alleen blijft mij over. Hoe rampzalig ben ik toch, lieve Theresia. Ik heb immers dit drukkend lot niet verdiend? Ik, die zoo nauwkeurig mijne plichten jegens God en de menschen gekweten heb?”
“Geertruid, Geertruid! Wilt gij den Almachtige, den eenigen troost, die u op aarde overblijft, op u verbitteren, en door gemor uw lijden verdienen?”
Zij wees met ernstigen toon op de knielbank.
“Jonkvrouw,” sprak zij, “gij hebt gezondigd!....”
Het meisje boog zich gehoorzaam voor het kruis neder en bleef lang, zeer lang in het gebed. De oude vrouw, die wel wist, dat zij meer troost in bidden dan in klagen vinden kon, liet haar zonder stoornis zitten en volgde stilzwijgend hare kniebuiging na.
De zon nu reeds lang onder de kim gedoken zijnde, waren de Antwerpsche straten in duisternis gedompeld, wanneer de jonge Geertruid, van de knielbank opstaande en in tranen uitbarstende, zich aan den hals van Theresia wierp.
“Ik heb niet gebeden!” schreide zij, “ik heb niet eens aan God gedacht. Ik ben eene schuldige zondares!....”
“Aan wien hebt gij dan gedacht?”
“Aan mijnen vader, aan Lodewijk,” riep Geertruid weenende, “en God is op mij vergramd; want voor het kruis heb ik geenen troost gevonden.”
En de oogen stonden haar gansch verdwaald in het hoofd.
“Wel, wel! ongelukkige Geertruid, wat zult gij geworden, arm kind!” zuchtte Theresia.
Zij drukte het half zinnelooze meisje met medelijden tegen haren boezem.
“Theresia,” riep deze, “wist ik maar wat mijn vader doet! Hij is dood. Dit heb ik dáár op de knielbank gedroomd en geloofd; en daarom heb ik niet gebeden.”
En zij sloeg zich van wanhoop voor de borst, en huilende liep zij de kamer rond.
“Geertruid! wat doet gij? Gij doolt!”
Doch hare woorden stilden het meisje niet.
“Jonkvrouw!” riep zij harder, “ik herinner mij iets, dat u bij uwen vader kan doen naderen.”
Nu kwam Geertruid ijlings tot haar geloopen.
“Spreek! lieve Theresia, spreek, wat is het?”