Het wonderjaar: Eene gekkenwereld
Part 4
Zijne kinderen beziende, voegde hij er bij met eenen diepen zucht:
“Nogtans, jonkheer, overweeg in uw hart wat pijn het mij onophoudend zijn moet, aan mijne beminde kinderen niets in deze wereld te kunnen nalaten, om hen voor honger en ellende te bewaren! Die dagelijksche smart kent gij niet.”
“Inderdaad,” hernam Lodewijk, “wat zouden deze arme kinderkens doen, indien de dood u ontijdig van hen wegnam?”
“Mijn vader had zich eene hut in het bosch gebouwd,” sprak de landman, “en door zwoegen en zorgen een deel lands vruchtbaar gemaakt; na zijnen dood heeft mijn oudste broeder alles behouden. Ik en mijne goede vrouw, zoo arm als ik zelf, hebben deze hut met zwaren arbeid, stuk voor stuk te zamen gevoegd, en, als kinderen der natuur, de vogelen der lucht nagevolgd; zij bouwen zich een nest om hun kroost voor regen en koude te bergen: zoo ook deden wij: want onze eerstgeborene kwam den voltooiden arbeid bekronen. Van dan af hebben wij, met ’s hemels zegen, de dagen rustig bij het zweet onzes aanschijns geteld, en de heide met geweld gedwongen ons te voeden. Maar zoo de Almogende ons vroegtijdig aan onze kinderen ontrukt, dan zullen zij, nog jong zijnde, geene kracht of vernuft bezitten om zich ook, als wij, hutten te bouwen.... en bedelen zal hunne eenige hulp zijn.”
Door droevig nadenken gefolterd, liet hij het hoofd op de borst zakken.
Eensklaps blonk er eene zonderlinge vreugd op Lodewijks gelaat; hij antwoordde niet op de klachten van den droeven vader, maar ging droomend uit de hut naar de plaats, waar zijn paard stond. Iets uit zijne reismaal getrokken hebbende, kwam hij terug bij het huisgezin, dat nog in dezelfde houding zat.
“Vader,” sprak hij, terwijl hij de beurze, die hij in de hand hield, opende, “ik wil uw vriendelijk onthaal en vaderlijke teederheid beloonen.”
Hij legde vier hoopen gelds, waarvan elke uit tien stukken gouds bestond, op de zwarte tafel neder.
“Hier hebt gij, goede vader,” ging hij voort, “tien geldstukken voor ieder uwer kinderen. Gebruik ze ten hunnen voordeele, en dat zij bij Gods genade zich nimmer genoodzaakt vinden eene hut te bouwen.”
Te vergeefs wachtte hij op het antwoord der verbaasde lieden. Allen zagen hem verdwaald aan. Tranen leekten over des grijsaards wangen, en de moeder was zeker van gevoel beroofd, want in haar was geen ander teeken van leven te vinden, dan de stijve uitdrukking harer oogen.
“Wel, vader, gij verwerpt mijne gift niet?” vroeg Lodewijk.
“God zende over u, edelmoedige jongeling, en over degene, die uw lot zal deelen, den eeuwigen zegen, dien Hij den barmhartigen beloofd heeft!” riep de vader in verrukking uit.
En de vrouw zat weenende voor Lodewijk op den grond.
“Voor u, weldoener mijner kinderen,” schreide zij met doffe stemme, en op het Lieve-Vrouwebeeld wijzende, “voor u zal ik eeuwig, eeuwig bidden. En die bank zal onder mijne knieën verslijten, eer ik u, die ons een engel van troost zijt, vergete!...”
Hare tranen vloeiden van dankbaarheid en blijdschap over Lodewijks handen. Deze gebood haar te vergeefs op te staan.
“Laat mij, lieve jonkheer,” zuchtte zij, “mijne tranen voor u storten. Mijn hart is te vol van dankbaarheid en liefde. Ik bid u, dat ik de schuld mijner kinderen moge betalen. Onttrek mij uwe hand niet, jonkheer, God ziet mijne blijde tranen en zal deze voor mij aan u vergelden....”
Zij snikte hoorbaar, en licht zou men gedacht hebben dat droefheid haar kwelde. De hemelsche glimlach, die tusschen hare tranen zweefde, en de blikken, welke zij smeekend den jonker toestuurde, toonden hoezeer zij van geluk en dankbaarheid was vervuld.
Lodewijk, die zich aan deze vurige eerbewijzing wilde onttrekken, stond van zijnen zetel op en wierp het geld in een potje, dat op de kas stond. Na veel moeite had hij de opgetogene ouders tot stilte gebracht. Hij zette zich, welgemoed over zijne daad, bij het krakend vuur neder.
“Zeg mij,” vroeg hij, toen hij zag, dat het maar weinig meer regende, “waar is toch het Zoerselbosch gelegen?”
“Het Zoerselbosch! Het Zoerselbosch!” riep de landman verbaasd, alsof hij dit niet verstond. “Wilt gij daar naartoe?”
“Heden moet ik nog dáár zijn,” antwoordde de jongeling.
De verschrikte man legde hem de hand op den schouder, om meer nadruk aan zijne woorden te geven.
“Jonker,” sprak hij, “de dood wacht u in het Zoerselbosch!”
“Waarom?” vroeg Lodewijk.
“Wel, heer,” antwoordde de landman, “hoe gelukkig acht ik mij, dat gij mij daarvan gesproken hebt. Nu kan ik u, mijnen weldoener, toch van eenen zekeren dood bevrijden. Weet dat Wolfangh, een man, die schrik en moord met zich sleept, dat bosch bewoont, en dat geen mensch, daarin getreden, zijne roekeloosheid niet met het leven betaald heeft. Eergisteren is nog een reiziger, jong en moedig als gij zijt, bij het bosch gevonden. Twintig dolksteken hadden hem het hart doorboord! Zoo gij mij eene gunst bewijzen wilt, luister naar mijne woorden. Keer terug, of wij zouden bittere tranen over uw lijk te storten hebben.”
“Vader,” antwoordde Lodewijk, “ik moet, wat gevaar er ook zij, den schrikkelijken Wolfangh zelven zien en spreken. Niets kan mij van dit voornemen doen afwijken.”
“Ik beklaag u, jonker,” sprak de landman treurig. “Niettemin ben ik vergenoegd, eene gelegenheid te vinden om u mijne dankbaarheid te bewijzen, en zal u zelfs tegen uwen wil vergezellen.”
“Neen, neen,” viel Lodewijk in zijne rede, “dit wil ik niet. Laat mij mij zelven aan het gevaar blootstellen; uwe kinderen eischen uwe vaderlijke zorg: en ik,” zuchtte hij, “heb kinderen noch vrouw!”
“Neen, heer,” riep de landman, “daarin zal ik u niet gehoorzamen.”
De moeder luisterde met bange aandacht op dezen woordenstrijd en wakkerde haren man aan, om niet voor des jongelings bevel te zwichten.
“Volg hem, ja, volg hem!” sprak zij hem toe, “Bevrijd onzen weldoener voor ongeval, of ik zal geen rustig oogenblik meer hebben.”
En twee tranen leekten haar blinkend op de wangen.
Zij naderde de Lieve Vrouw en zag het beeld met smeekende blikken aan.
“Gaat,” riep zij, “gaat! Ik zal God voor u beiden bidden.”
Lodewijk wilde de dankbare heibewoners niet langer weerstreven.
“Welnu,” hernam hij, na de kinderen omhelsd en de vrouw de hand gedrukt te hebben, “volg mij, vader. Ik hoop, dat ik met Gods hulp hier nogmaals eenen smakelijken maaltijd houden zal.”
Nu werd het paard, dat beter dan zijn meester gegeten had, voor de deur gebracht. Lodewijk en de landman verlieten de hut, om het Zoerselbosch in te treden en Wolfangh met zijne bende op te zoeken.
IV
Er ist ein Unglücksohn; kein Bösewicht.
_Die Ahnfrau._
“Ter linkerzijde, mijnheer!” riep de landbouwer.
Lodewijk trad in eenen tamelijk breeden weg, die dwars door het woud scheen te leiden. Beide de boorden waren met ondoordringbaar heestergewas bezet, en hooge mastboomen beletten de zon, die nu vrij laag aan de kim brandde, hare verlichtende stralen op de baan te laten nedervallen.
“Waar leidt deze weg naartoe?” vroeg Lodewijk.
“Het is weinige jaren geleden,” antwoordde de landman, “dat hij in het bosch gehakt is tot het vervoeren der zwaarste boomen; doch nu wordt deze baan verzuimd en alleen door roovers en kwaaddoeners bewandeld.”
Sedert het begin der onstuimige jaren waren weinige of geene schepen op de Antwerpsche timmerwerf geplaatst geweest; daarom was het, dat men nu geene zware boomen meer uit het woud haalde. De schelmen konden het dus vrij bewonen, wijl er geene geregelde macht in de dorpen bestond, en de soldaten de steden, waar het zoo roerig was, niet mochten verlaten.
Na over deze en andere zaken eenigen tijd gesproken te hebben, kwamen onze reizigers in eene dicht bewassene plaats, waar de weg zich tusschen boomen en heesters verloor. Hier zagen zij een steenen kruis bij de gracht geplant.
“Waarom staat dat teeken dáár?” vroeg de jonker.
“Hier is een moord begaan,” antwoordde zijn leidsman. “Zoo gij de moeite wilt nemen het kruis te naderen, kunt gij er den naam van den rampzaligen reiziger op lezen.”
En Lodewijk las:
D. O. M. HIER IS IAN VAN HERCK DEIRELICK VERMOORD OP SINTE GEERTRUIDIS DAGE IN ’T IAER MDXXI.
BIDT VOOR DE SIELE.
De landbouwer, die zijn hoofd ontdekt had en een vurig gebed voor de ziele des overledenen stortte, werd door Lodewijk hierin gevolgd. De jonkheer steeg van zijn paard en zette zich godsdienstiglijk bij het kruis neder. Veel bad hij niet, want droevig nadenken had hem van het doel zijner kniebuiging onttrokken. De naam zijner minnares op een zoo bloedig kruis had hem het hart gebroken.
Zoo zat hij eenige oogenblikken, wanneer hij, het hoofd naar zijn paard keerende, twee afgrijselijke menschenaangezichten tusschen de bladeren en heesters ontwaarde. Vier zwarte verglaasde oogen waren op hem met ijver gevestigd, en de monden van twee zinkroeren mikten hem naar de borst.
“Uw geld of uw leven!” schreeuwden deze twee mannen, uit het kreupelbosch komende en altijd met hunne roeren gereed om den jonkheer eene van de twee hoofdzaken, die zij geëischt hadden, door geweld te ontnemen.
“Hier hebt gij mijne beurze,” sprak Lodewijk een weinig verschrikt. “Mannen,” ging hij voort, “ik zoek Wolfangh, en bid u, mij zijne woning aan te wijzen!”
“Leg uwe wapens op den grond neder!” riep een der roovers.
De jonker vatte zijne pistolen en wierp ze met zijn rapier verre van zich. De roover naderde hem.
“Wat hebt gij met Wolfangh te doen?” vroeg hij.
“Ik heb hem eenen brief te geven,” was het antwoord.
“Komt gij van de stad en zijt gij een Geus?” vroeg de roover nogmaals.
“Dat ben ik en moet Wolfangh nog vóór den avond spreken.”
“Dit weet ik,” hernam hij. “Mijn meester is heden in de stad geweest en heeft uwe komst door eenen anderen Geus vernomen. Sedert twee uren verwacht hij eenen jonker, en vermits gij zelf deze jonker zijt, kunt gij uwe wapenen hernemen en ons zonder vreezen in het bosch volgen.”
De landman, die dit alles met angst had nagezien, raapte Lodewijks wapenen van den grond op en reikte ze hem over.
“Vader,” sprak de jongeling, “ik dank u uiterharte mij zoo wijd vergezeld te hebben, en smeek u terug te keeren, om uwe vrouw en kinderen, die zorgend voor uw leven bekommerd zijn, te gaan vinden. Binnen een paar uren zult gij mij, zoo ’t God belieft, in uwe woning wederzien.”
Hij drukte des heibewoners hand, en deze bleef met tranende oogen staan, totdat Lodewijk tusschen het boomgewas verdween.
Een der roovers had het paard gevat en trok het door omwegen voort. De andere poogde, zooveel hij kon, beleefd te zijn en met Lodewijk een gesprek aan te gaan; doch deze, met verachting op hem ziende, antwoordde niet dan met bondige woorden.
“Er zal in ’t kort wat omgaan, eh, mijnheer? Ze gaan in de stad weer woelen, en dan zal er voor ons ook wat te pakken zijn!”
“Dat weet ik niet,” morde Lodewijk.
“Ik wel,” hernam de binder, “onze meester heeft ons gezegd, dat wij genoeg zouden plunderen om met ons lastig ambacht een einde te maken en gelijk heerkens van ’t geroofde te leven.”
“Waar zoudt ge dit alles rooven?” vroeg Lodewijk treurig.
“In Onze-Lieve-Vrouwekerk alleen is genoeg om onze bende schatrijk te maken.”
De jongeling liet eenen fieren blik op den roover vallen en riep toornig:
“Hoe durft gij het verachtelijk inzicht om Gods tempel te rooven, opvatten?”
“Wij hebben dat niet opgevat,” viel de roover driftig in, “gijlieden hebt het ons gegeven. En ik weet zeker, dat in dien brief niets anders staat, dan de belofte om ons op dien dag te laten doen wat wij willen.”
Lodewijk antwoordde op des roovers verwijt niet; hij zuchtte met diepen weemoed bij het overdenken der rampen, die zijne vaderstad bedreigden.
Na een groot half uur door boomen en heesters gedrongen te hebben, kwamen zij eindelijk bij de legerplaats van Wolfangh en zijne makkers.
Het was een groot open plein, aan alle kanten dicht met het duister bosch omsingeld. Men had er de boomen in eenen kring afgehakt en den grond effen gemaakt, om er zonder belemmering te kunnen wonen. In het midden stond eene groote hut, van hout en klei te zamen gevoegd; vijf kleinere hutten stonden ook hier en daar in eenen kring, doch dusdanig verspreid, dat er eene plaats, die wel eene markt geleek, overbleef.
Zoodra de jonker deze plaats genaakte, trok zijn leidsman een beenen fluitje uit zijn wambuis en deed het woud driemaal de kwaadvoorspellende klanken herhalen. Er werd op dezelfde wijze geantwoord, en Lodewijk trad de legerplaats binnen. Zijn leidsman verliet hem, om, zoo hij zeide, Wolfangh van zijne komst te gaan verwittigen.
De jongeling staarde met afgrijzen op het onmenschelijk gelaat der roovers, die hij daar bemerkte. Zes der leelijksten stonden bij een groot vuur, waarop een ketel, die het avondmaal bevatte, hevig dampte. De vlam, welke rood op de wangen dezer roovers kaatste, gaf hun een buitengemeen fantastisch voorkomen, en maakte hen eer den duivelen dan den menschen gelijk. Verder zaten er eenige anderen, zich aan het wisselvallig lot overgevende en elkander met de teerlingen eenige geldstukken betwistende. Zij dachten niet eens dat dierbaar menschenbloed hunne winst alleen uitmaakte. Vloeken en zweren deden zij zoo ijselijk, dat Lodewijk eenige stappen achteruitdeinsde, om zoo weinig mogelijk hunne godslasteringen te hooren. Anderen weder waren ter aarde gezeten en kuischten de eene zijn roer, de andere zijnen dolk. Dezen hadden groote stoopen bij zich en schonken zonder ophouden den drank rond. Toen de jonker de legerplaats binnentrad, zongen zij met verwarde stemmen een liedje, dat in dien tijd onder het volk liep. Degene, die onder hen de voorzanger scheen te zijn, begon dus:
Des winters als het reghent, Dan syn de paetjes diep, ja diep, Dan comt dat loose visschertje, Visschen al inne dat riet, Met synen rysstock, met synen strycstock, Met synen lapsack, met synen cnapsack.
En dan antwoordden de overigen te gelijk:
“Met syne leire van dirre domdeire, Met syne leire leirsen aen.”
En na de stoop rondgegaan was, en ieder zijnen mond en knevels met de hand had afgeveegd, hernam de voorzanger:
Dat loose Molenarinnetje Ghinck in heur deurtje staen, ja staen, Opdat het aerdich visschertje Voorby heur heen sou gaen, Met synen rysstock, met synen strycstock, Met synen lapsack, met synen cnapsack.
En de twintig stemmen:
Met syne leire van dirre domdeire, Met syne leire leirsen aen.
“Wat zei de visscher dan?” riep eene stem.
Wat heb ick jou misdreven, Wat heb ick jou misdaen, ja daen, Endat ick niet met vrede Voorby jouw deur mag gaen? Met mynen rysstock, met mynen strycstock, Met mynen lapsack, met mynen cnapsack.
En weder het gansche gezelschap:
Met myne leire van dirre domdeire, Met myne leire leirsen aen.
“Nu ga voort, drink straks!” — “Ja:
Ghy hebt my niet misdreven, Ghy hebt my niet misdaen, ja daen, Maer moet my drymael groeten, Eer ghy van hier meught gaen.
Met jouwen rysstock, met jouwen strycstock, Met jouwen lapsack, met jouwen cnapsack.”
En de anderen klapten in de handen, en raasden en lachten dusdanig, dat zij van vreugde dol schenen. Met nieuwe kracht schreeuwden zij:
“Met jouwe leire, van dirre domdeire, Met jouwe leire leirsen aen.”
Allen waren zij bruin van aangezicht, met lange verwarde haarlokken. Hunne kleeding zou op eenen anderen tijd zeker Lodewijks lach verwekt hebben; want, terwijl velen eenen nieuwen fijnen rok aanhadden, hingen hun de overige kleedingstukken slordig en verscheurd aan het lichaam. Anderen, bij een met goud gestikt wambuis, hadden eenen groven en versleten monniksmantel op de schouders. Hunne wapens alleen waren in zeer goeden staat en blonken als zilver op hunne bedelaarsplunje uit. Te zamen genomen, geleken zij wel een hoop gemaskerde personen. Twee stonden recht bij de deur der groote hut; eene zware hellebaard blikkerde in hunne handen bij de laatste stralen der avondzonne. Deze mannen riepen op Wolfanghs bevel den verbaasden Lodewijk binnen.
Het vertrek, waarin hij trad, was niet prachtig: dit is wel te denken. Evenwel was het zeer zuiver. De muren waren met kalk wit gemaakt en als marmer met andere kleuren besprengd, schitterende wapens versierden den wand; nette zetels stonden rondom eene tafel. Bij deze zat Wolfangh. Zijne kleeding was zedig en scheen eenen man, die nooit de stad verlaten had, te behooren. Hij kon niet boven de veertig jaren oud zijn; dit was aan zijne nog fraaie wezenstrekken zichtbaar. Zwarte oogen, waarin een nijdig vuur blaakte, een mond, waarop haat en spijt te lezen was, en eene koude en misschien droeve uitdrukking waren do teekens, waaruit een gelaatskundige de voorspelling van des roovers inborst trekken kon.
Zoodra hij Lodewijk ontwaarde, stond hij van zijnen zetel op en boog zich beleefdelijk voor zijnen nieuwen gast.
“Wees welkom, jonker!” sprak hij, en hij reikte den jongeling eenen stoel om zich neder te zetten.
“Wat nieuws brengt gij mij?” vroeg hij.
Lodewijk gaf hem stilzwijgend den brief.
Wolfangh scheurde het zegel met haast er af en vatte, na de lezing, een elpenbeenen fluitje. Op den klank kwamen twee roovers in het vertrok. Hij fluisterde hun iets aan het oor. “Te elf uren!” riep hij met luider stemme.
Nu werd er wijn gebracht en in bekers voor hen uitgeschonken.
“Jonker,” sprak Wolfangh, “op der Geuzen gezondheid!”
“Op der Geuzen gezondheid!” herhaalde Lodewijk zachtjes.
Hij bracht den romer aan zijne lippen, doch dronk niet.
“Ho, ho! heer jonker!” riep de roover met spijtige aandoening, “Mijn glas is ledig: ik verzoek u, mij ook aldus bescheid te doen. Ledig ook uw glas, en verder staat het u vrij, niet meer te drinken.”
Lodewijk dronk met eene uitdrukking, die genoeg aanduidde, dat deze daad tegen zijnen dank geschiedde.
“Ik versta u wel, jonker!” zei Wolfangh. “Een roover is u een al te verachtelijk mensch, om in zijn gezelschap te drinken, ja, dit versta ik wel!”
Een bittere grimlach bewoog zijne wangen, terwijl hij, in diep gepeins verzonken, dus voortging:
“Waarom vraagt gij dan mijne hulp, mits gij mij veracht? Gij antwoordt niet. Ik weet het: als het werk voltooid is, verbrijzelt men een noodeloos werktuig, of men werpt het weg, niet waar, jonkheer?....”
Lodewijk bezag den roover met verwondering.
“Wolfangh,” antwoordde hij, “ik ken den inhoud dezes briefs niet, dus kan ik ook op uwe vraag niet antwoorden. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat, zoo gij in de omwenteling deelneemt, gij zonder twijfel, indien gij wilt, een groot nut voor u er uit kunt trekken.”
“Welk nut, jonkheer?”
“De vergetelheid over het verledene halen, en als lid der maatschappij eerlijk en rustig leven.”
Hier ging een glimlach van vergenoegen over Wolfanghs aangezicht, doch onmiddellijk kwam hopeloosheid die uitdrukking vervangen, en hij sprak, het hoofd schuddende:
“Terugkeeren, terugkeeren is zoo moeilijk! En nogtans, het moet zijn. Ik kan de geheime stem, die mij toeroept, niet langer wederstaan. Waarom hebben de menschen mij verstooten, toen ik nog onschuldig was? Ja, jonker, er was een tijdstip in mijn leven, dat ik ook beschaamd was om met eenen schelm te drinken!”
“Dit is mogelijk,” antwoordde de jongeling, “zeker moeten het gewichtige voorvallen geweest zijn, welke u dus van het pad der eer deden verdwalen.”
“Ja, eenmaal was ik een jong en fraai kerel als gij zijt, vol hersenschimmen, die mijn leven als bloemen versierden; doch de boosaardigheid der menschen heeft mij het hart verbrijzeld.”
“Gij zijt niet geboren om in dezen staat te leven, Wolfangh. Ik zie dit wel. Uwe wezenstrekken verraden geene wreedheid, uwe woorden getuigen van geene woeste onwetendheid. Niets toont mij in u dit verworpen schepsel, dat het bloed zijner broederen zonder ontsteltenis zou vergieten. Kom terug in de samenleving, Wolfangh, uw hart is nog vatbaar voor het goede. Slijt het overige uwer dagen in eenen eerlijken arbeid en in deugd. Misschien zullen de rust en de vrede des gemoeds het loon uwer bekeering worden. Gedenk dat Gods barmhartigheid oneindig is, en zich afmeet naar de wijdte der zonden en naar de innigheid van een oprecht berouw.”
“Heb dank, jonkheer, om uwe troostende woorden. Gij hebt een edel en goed hart. Zie, indien gij mij met verachting en misprijzen had toegesproken, zoo zou de spijt mijne goede gedachten in mijn hart gedoofd hebben, maar gij hebt mij met vriendelijkheid den weg aangewezen, die eene omwenteling in ’s lands zaken voor mij kan openen. O, ik zweer u, dat uw raad niet zal verloren gaan. Gij hebt niet op de steenen gezaaid, geloof mij.”
Lodewijk werd ontroerd bij de uitdrukking, die op des roovers gelaat deze woorden vergezelde. Hij zag de ziel van Wolfangh geheel in zijn aangezicht schijnen, en begreep, dat die misdadige naar vergiffenis haakte.
“O, Wolfangh,” zeide hij, “wat moet gij toch ongelukkig geweest zijn om, met eene inborst als de uwe, tot een zoo schandelijk leven te zijn vervallen.”
“Ja, jonker, zoo is het. Mocht ik mijn schuldig en misdadig hart in uw edel hart uitstorten, dan zoudt gij hooren hoe rampvol mijne jeugd was.”
“Spreek, Wolfangh, ik zal u met genoegen hooren.”
“Welaan dan, om u te doen gevoelen, dat in het menschenleven rampen zijn, wier gevolgen men niet kan ontwijken, zal ik u de oorzaak mijns ongeluks in bondige woorden verhalen. Zoo gij eenige zuivere gevoelens er in bespeurt, zie dan niet op hetgeen ik nu ben, want er is eene schrikkelijke verandering in mij omgegaan. — Ik woonde in het dorp Rethy. Jong en fraai van gestalte was ik. Onder al mijne makkers was er geen, die zulke zoetluidende stemme had als ik, en menigmaal heb ik den ouden lindeboom onder de klanken mijner weemoedige liederen doen zuchten....”
Hij werd gestoord door degenen, die de lampen, welke van het verdiep daalden, kwamen ontsteken. Na eene poos gezwegen te hebben, hernam hij:
“Denkt gij, jongeling, dat de loftuitingen van allen, die mij zagen en aanhoorden, mij eenige vreugde konden toebrengen? Neen, de goedkeuring der jonge Helena alleen kon mij het geluk schenken. Onze harten waren van onze kindsheid onscheidbaar verknocht, en, daar de mannenjaren mij dan toegekomen waren, was dit gevoel in innigheid aangegroeid. Zoo bleef ik in mijn dorp menig jaar rustig doorbrengen. Ongeduldig wachtte ik het oogenblik af, dat mijne Helena haar achttiende jaar zou bereikt hebben, om haar met toestemming haars vaders te trouwen, doch het lot, dat niet op der menschen wensch let, had mij eerst het zoete van den kelk laten drinken en de gal er van bewaard, om mij deze in eens als vergif te doen smaken. Hier begint het treurige mijns verhaals.... Een voornaam Fransch heer, die machtig aan het hof van keizer Karel was, kwam dikwijls bij het landgoed van Postel ter jacht. Eens dat hij in Helena’s woning trad, werd hij door hare zuivere wezenstrekken en zedigen glimlach diep getroffen. Zeker kwam de ontucht zich in zijn hart vesten, doch, mits hij van hoogen adel en gehuwd was, bleef hem niets over tot voldoening zijner lusten, dan verleiden of schaken. Lang poogde hij door dit eerste middel te gelukken, na veel nutteloozen arbeid, stelde hij het laatste zeer wreedelijk in ’t werk. Op eenen avond dat ik Helena te vergeefs had gewacht, begaf ik mij naar hare woning. De vader mijner vriendin stond verbaasd, dat ik haar niet gezien had. Twaalf uur weergalmde op de torenklok, en allen wachtten wij nog op het meisje, dat ons was ontrukt. Veertien lange dagen wachtten wij, en van Helena hoorden wij niet spreken. Ik acht het nutteloos u onze wanhoop te beschrijven, mijne wangen verbleekten onder mijne tranen, mijn moed begaf mij. Kwijnend en door mistroostigheid afgemat, wandelde ik door de dichte bosschen, en dan, door bittere smart ongevoelig geworden, zakte ik op het gras neder, en mijne tranen liepen als beken over mijne wangen.”
“Ik beklaag u, ongelukkige Wolfangh,” zuchtte Lodewijk, “ik versta hoe oneindig bitter uw lot geweest is.”