Het wonderjaar: Eene gekkenwereld

Part 11

Chapter 113,847 wordsPublic domain

“Gij gaat sterven, Bernhard. Mijn moordpriem weet reeds de plaats, waar hij u doorboren zal.”

De roover werd bleek als een doode; hij had de stem, die in zijn oor sprak, herkend. Eene siddering liep hem over het lichaam.

“Luister,” hernam Wolfangh, “ik zal u genade schenken, ik zal u niet vermoorden, indien gij hetgeen gij draagt mij overgeeft, zonder dat het iemand bemerke.”

De roover bukte zich alsof hij iets, dat aan Wolfanghs voeten lag, wilde vatten. Hij stond op: de remonstrantie was verdwenen.... Alleenlijk kon men bemerken, dat Wolfangh met den linker elleboog de eene zijde van zijnen mantel omhoog hief, eene houding, die men in hem zeer zelden bespeurde. Hij ging niet rechtstreeks tot Lodewijk, maar draaide langs de Handschoenmarkt af en kwam zoo bij het stadhuis, waar hij de remonstrantie aan den burgemeester ter bewaring overgaf.

Een uur later verliet Lodewijk zijne vrienden, onder voorwendsel van zich naar huis te begeven; doch het was om vol droefheid en eenzaam door de stad te dwalen; het was om zich geheel over te geven aan de smart, die deze schriktooneelen hem veroorzaakten. Wanhopig en buiten zich zelven, stapte hij langzaam door de straten en scheen zich bijna niet meer te bekreunen over hetgeen er gebeurde. Een gevoel van schaamte belette hem, zich naar Godmaerts woning te begeven. Zou hij zeggen, dat dit alles onder zijne oogen geschied was, zonder dat hij iets had kunnen doen om het te beletten?

Nu de stormers door de onmacht der regeering van straffeloosheid verzekerd waren, gingen zij voort met alles in de stad aan stukken te houwen. Geen beeldje lieten zij op poort of muur ongeschonden staan. En wanneer de vreedzame burger zich tegen hun geweld wilde verzetten, werd hij door deze booswichten wreedelijk mishandeld en met smaadwoorden bejegend. Een oneindig getal inwoners, die over de gevolgen dezer goddeloosheid en vernieling verschrikten, vielen van de zijde der hervormers af.

De zon had zich van wolken ontdaan. Heerlijk en prachtig zond zij hare stralen boven de puinhoopen, die overal op de openbare plaatsen bijeengezameld waren. Afwisselende scharen van ontelbare menschen stroomden met blij gejuich door de stad.

“Heil! Heil!” schreeuwden zij, alsof eene razende vreugde hen dol had gemaakt. Bijlen, ladders, koorden en meer ander werktuig werden door hen zegepralend rondgedragen. Wanneer zij, aldus loopende, op den gevel van eenig gebouw nog een beeld, hoe hoog het ook ware, bemerkten, klommen zij, door het grauw toegejuicht, naar boven, en het beeld viel dan onder het geroep: Heil! Heil! kletterend en verbrijzeld op den grond.

Alle winkels waren gesloten, alle kerken beroofd, de gevels van alle huizen en openbare gebouwen geschonden. Puinhoopen van kostelijk marmer belemmerden de kruisstraten. Het scheen, dat de Antwerpenaren, door uitzinnigheid verblind, hunne huizen niet meer bewonen wilden en hunne eigene stad met hardnekkigheid vernielden.

Van deze gruweldaden geschiedden er vele op de markten en in de straten, waar Lodewijk voorbijging. Zoo zag hij voor de St. Jakobskerk eenen grooten hoop beelden, kruisen en vele andere gewijde zaken in een groot vuur, dat de stormers aangestoken hadden, tot assche verbranden.

Op den namiddag ging hij voorbij het Minderbroedersklooster, alwaar men bezig was met plunderen. De broeders en priesters werden met spotternij en mishandeling verjaagd en vervolgd. Dit ziende, verschrikte Lodewijk hevig, daar hij aan pater Franciscus dacht, dan eerst ontwaakte hij uit de radeloosheid, welke hem dien ganschen dag tot een gevoelloos mensch gemaakt had. Hij hief het hoofd op; een nieuw vuur blikkerde in zijne oogen, en hij wendde zich met haastige stappen naar de Veemarkt, om pater Franciscus te gaan vinden en hem van mishandeling te bevrijden, indien het mogelijk ware.

Dáár komende, vond hij voor het Predikheerenklooster eenen ontelbaren hoop beeldenstormers, die hem den doorgang beletten. Met veel moeite, na lang drukken en stooten, geraakte hij eindelijk binnen in het klooster, dat met booswichten en dieven was vervuld. Hij zag hen om de zilveren kandelaren vechten, hoorde de schandelijkste vloeken tegen de welfsels bonzen, en vond den refter vol dronken menschen, die in onzedige liedekens en lasterende spotternijen zich vermaakten.

Lodewijk ging dwars door deze goddeloozen en gaf geene acht op hunne scherts; hij klom de trap op, om zich naar de cel van pater Franciscus te begeven, en kwam weldra op het eerste verdiep, waar hij weinig volk aantrof.

De cellen stonden open, alles was binnen deze doodstil; eenige deuren waren aan stukken geslagen als een teeken der balddadigheden, die men hier gepleegd had. Reeds klopte het hart van den jongeling langzamer; zijn hoofd viel met moedeloosheid voorover, en er was weinig hoop meer in hem, alhoewel hij nog voortstapte door den gang, wanneer hij op eens eenige stemmen van verre zegepralend hoorde roepen:

“Hier hebben wij nog eenen paap! Werpt hem op de straat, dien hond!”

Lodewijk sprong vooruit, smeet drie of vier mannen van de celdeur weg en deed eenen stap in het kleine vertrek, terwijl de verbaasde stormers elkander met ondervragende blikken bezagen.

Pater Franciscus lag, zoo lang hij was, met het aangezicht tegen den grond voor een kruisbeeld uitgestrekt, zijne zilveren haren raakten van wederzijden den vloer. Van tijd tot tijd deed hij eene beweging als om de handen hemelwaarts te heffen, en eenige vurige woorden, die zijnen mond ontsnapten, getuigden, dat hij bezig was met bidden.

Er ontstond in den geest van Lodewijk eene gedachte om al de spotters, die aan de deur stonden, te dooden; hij kon dit doen, want zij waren weinig in getal en niet gewapend; maar hij verliet welhaast dit inzicht en wierp zich geknield nevens pater Franciscus, wiens eene hand hij in de zijne nam. Dan sprak hij:

“Vader, hier ben ik, uw beminde zoon Lodewijk. Ik kom u redden.”

De priester rechtte zich op de knieën, bezag Lodewijk met eenen dankbaren blik en antwoordde, terwijl hij de oogen op het Christus-beeld gericht hield:

“Lodewijk, mijn goede zoon, ik dank u om uwe genegenheid: maar ik zal u niet volgen. Hier, in deze cel, wil ik sterven, indien God over mijn leven heeft beschikt. Laat mij bidden, stoor mij niet. Ik wil de wereld verlaten met den naam des Heeren op mijnen mond. Ga heen, denk niet aan mij.”

Lodewijk sloeg als verdwaald zijne twee armen om het hoofd des priesters, tranen borsten uit zijne oogen, en hij snikte:

“Gij sterven! Gij, mijn goede vader! O, Geertruid zou mij vermaledijden, indien ik u hier liet! Kom aan, de goddeloozen zullen u mishandelen; zij zullen u vermoorden.... Het is nog tijd.... Ik zal u verdedigen of sterven met u.”

“Lodewijk, mijn brave zoon, wees bedaard.... Zie, de kroon des marteldoods wordt mij aangeboden; zou ik die weigeren? De Heer heeft mij zeventig jaren gegund, ik ben niet ondankbaar.”

De jongeling plaatste zijne hand op den mond des priesters.

“Uwe woorden zijn heilig,” riep hij, “maar zij branden op mijn hart als vuur! O, zie mijne tranen, denk aan Geertruid, aan Godmaert. Gij alleen kunt ons troosten: uw dood zou uwen vriend Godmaert het leven kosten; want nu durf ik het zeggen, en gij weet het, hij zou deel hebben in den moord; uw bloed zou op zijn hoofd terugvallen,... hij heeft uwe vijanden opgestookt.... Zult gij wreed genoeg zijn, o goede vader, om hem die eeuwige wroeging op den hals te laden, om uw eigen bloed over hem te werpen, en zijne dochter haren vader te doen beschuldigen? Neen, niet waar, gij gaat met mij? Gij zijt te edelmoedig, te goed om uwen evennaaste, uwen vriend, dit ongeluk aan te doen!”

Gedurende deze woorden had Lodewijk den priester met geweld doen rechtstaan, en trok nu als zinneloos aan zijne hand om hem uit de cel te doen gaan.

“Ik zal u volgen,” sprak eindelijk de pater, “maar luister wel op deze woorden, mijn zoon; want ik wil, dat gij ze volbrenget als een onverbrekelijk bevel.... Misschien zal men u en mij bespotten en mishandelen; gij zult lijden met mij, zonder gemor, zonder tegenweer.... Wat er ook gebeuren moge, al ware het dat men mij het leven name, zoo is mijn wil, dat gij niets doet om mij te verdedigen of te wreken,... ik verbied het u. Zult gij daartoe moeds genoeg hebben?”

“Ja, ja, vader, kom; ik zal alles verdragen.”

Zij gingen dan ter celdeur uit, onder de smaadwoorden dergenen, die zich in den gang bevonden, en kwamen weldra in den refter, waar zij door eenen hoop dronken mannen moesten gaan. Dezen hieven een verward gejuich aan, zoodra zij den priester zagen.

“Een paap! Een paap!” werd er geschreeuwd.

In een oogenblik was pater Franciscus van het boos gespuis omringd; allerlei lasteringen werden hem toegesnauwd: de een trok aan de kap van zijn habijt, de ander spuwde hem bier in het aangezicht; doch de priester ging, met de oogen nederwaarts geslagen, langzaam voort en scheen voor al deze balddadigheden gevoelloos; zijn habijt was aan flarden gescheurd, bier lekte van zijn statigen schedel.

Lodewijks gelaat was schrikkelijk. Men kon er genoeg op lezen, wat leeuwenrazernij hem verteerde, het wit zijner oogen was onder en boven zichtbaar, zijne tanden waren op elkander gesloten, en hij neep onwetend de handen des priesters te pletten. Nogtans hij herinnerde zich het ontvangen bevel en deed geen teeken, dat aanduidde, dat hij tegenstand wilde bieden.

Na vele mishandelingen geraakten zij eindelijk op de Veemarkt, maar hier werd hun toestand nog verergerd. Eene ontelbare menigte volgde hen; velen kwamen aan de ooren des priesters de walgelijkste woorden, de bloedigste blasphemieën uitspreken; anderen wierpen met slijk en vuiligheid, zoodat de zilveren haren van pater Franciscus schandelijk met zand en modder besmeurd werden. Reeds had Lodewijk meermalen gesmeekt en geroepen:

“O, vader, laat mij ze dooden, of mijne aderen barsten nog! Ik kan niet.... niet meer stil blijven. Om Gods wil, laat mij u wreken en sterven!”

Maar de priester antwoordde:

“Hoe schoon is het, Lodewijk, te lijden omdat men zijnen God getrouw is. Denk aan de Christenhelden der oude tijden: zij werden gemarteld, gebrand, gepletterd, maar in het midden der ziedende olie, onder den klauw der leeuwen, kwam uit hunnen heiligen mond geene enkele klacht, geen enkel wraakzuchtig woord; alleen staken zij de handen op tot God, om vergiffenis voor hunne beulen te vragen. Volgen wij hun voorbeeld, mijn zoon; misschien zullen wij heden met de glanzende kroon der martelie voor den Heer verschijnen!”

Bij den hoek der Zwartzusterstraat, aan de Koepoort, stond een half opgebouwd huis, waarbij een hoop gebroken schaliën lag.

Even was Lodewijk eenige stappen daar voorbij, of hij hoorde een stuk schalie aan zijn oor fluiten. Weldra vlogen meer schaliën naar hen, totdat eindelijk eene daarvan tegen het naakte voorhoofd van pater Franciscus bonsde en hem eene wijde wonde toebracht.... Lodewijk zag het bloed over zijn aangezicht stroomen....

Nu kende hij geene voorzichtigheid meer; nu vergat hij het bevel van den pater en, zonder meer naar hem om te zien, liep hij tot dengene, dien hij de schalie had zien werpen, en stak hem met zooveel geweld zijnen degen door het lijf, dat deze langs den rug uitkwam; hij zag rond om nog meer slachtoffers te vinden, maar al de spotters hadden zich loopend tot op eenen tamelijken afstand verwijderd.

Ondertusschen was pater Franciscus op de straat nedergevallen; de slag der snijdende schalie had hem zoo wreedelijk getroffen, dat hij machteloos ten gronde was gezonken.

Lodewijk naderde hem met eenen angstigen schreeuw, en, hem half opheffende, sleepte hij hem tot tegen den muur van een huis, waar hij hem zittend liet nederzakken. Terwijl waren de balddadigen met meer woede genaderd en wierpen allengs meer en meer met steenen, schaliën en vuiligheid.

Vol wanhoop, radeloos en niet wetende wat te doen om den priester te bevrijden, ging Lodewijk vóór hem op zijne hurken zitten en bedekte hem zoo met zijn eigen lichaam. Steenen vlogen onophoudelijk tegen zijne leden, en menige pijnlijke gil ontsnapte hem. Misschien ware hij lang in deze houding gebleven, maar een gedeelte van het gespuis kwam langs eenen anderen kant staan werpen, zoodat zij dikwijls den priester raakten. Deze, uit zijne machteloosheid ontwaakt, wilde met geweld Lodewijk van zich doen weggaan.

“Laat mij sterven,” sprak hij, “laat mij martelaar zijn, stel u niet langer bloot voor mij.... ik zal voor u bidden in den hemel. Kom, mijn brave, mijn dappere zoon, geef mij een afscheidszoen....”

Maar Lodewijk antwoordde niet; al zijne aandacht was op de vliegende steenen gericht; al zijne zorg bestond daarin, dat hij met zijne armen of schouders, als met een schild, het lichaam des priesters beschutte. Dan, eindelijk werd het getal hunner vijanden zoo groot, dat Lodewijk den priester niet meer bevrijden kon. Hij wierp zijne twee armen om den hals van pater Franciscus en klemde zich vast tegen zijne borst.

“Daar is de zoen, dien gij gevraagd hebt, vader,” riep hij, “maar het is geen afscheidszoen.... Neen, sterven wij te zamen voor onzen God. O, ik zal ook martelaar zijn.... Hoe schoon is die zekerheid!....”

Zijne stem verging, en hij verborg zijn hoofd tegen den boezem van pater Franciscus.

Gewis hadde hij zich in deze houding laten dooden: maar een zware steen, die tegen het lichaam van pater Franciscus bonsde, deed eenen luiden schreeuw uit zijne borst opklimmen. Lodewijk rukte zich los, sprong met verdwaaldheid op en blikte tusschen eenen hagel van steenen de straten in, om te zien of er geene hulp te bekomen was. Op eens zag hij van verre in de Koepoortstraat eenige menschen, die hij kende, aankomen.

Eene uitdrukking van blijdschap liep over zijn gelaat, en hij schreeuwde als met eene bovennatuurlijke stem:

“Wolfangh! Wolfangh!”

En dan bedekte hij weder den priester met zijn lichaam.

Bij den naam van Wolfangh schenen de steenen in de handen der werpers vastgehecht te zijn; zij bestaarden elkander ondervragend en blikten rond, of zij waarlijk den man zouden zien, die den alomgevreesden naam van Wolfangh droeg.

Weldra kwamen er een tiental mannen bij Lodewijk: het waren zijne vrienden, welke hij bij het stadhuis verlaten had.

“Wolfangh! Schuermans!” riep Lodewijk, terwijl hij van voor pater Franciscus wegging, “ziet, zoo behandelen zij den beste aller menschen, een zeventigjarigen priester!”

“Ha!” riep Wolfangh als met vreugd, “er zijn boozer menschen dan ik! Het bloed der moordenaars gaat stroomen!”

Dan wierp hij eenen medelijdenden blik op pater Franciscus en eenen metenden blik op degenen, die hem mishandeld hadden: hij nam in iedere hand eenen moordpriem en trok zijn hoofd tusschen de schouders.... er kwam een geloei uit zijne borst als uit de keel van eenen wilden stier.... en, eenen stormram gelijk, wierp hij zich vooruit....

Eer Schuermans en de anderen hem volgen konden, lag er reeds menig booswicht in zijn bloed te spartelen; en na een oogenblik was in al de aanpalende straten geen enkel mensch meer zichtbaar. Alleenlijk hoorde men in de verte den schreeuw: “Wolfangh! Wolfangh!” als eenen schrikverwekkenden roep aanheffen.

Dan kwam Wolfangh terug bij pater Franciscus; hij bezag met innige verontwaardiging het edel gelaat des priesters, dat nu onder een masker van slijk en bloed onkennelijk was gemaakt, maar, na eene wijl als verslagen op dit tooneel gestaard te hebben, verliet hij Lodewijk en zijne vrienden, en liep naar de deur van het tegenoverstaande huis. Ondanks zijn kloppen en roepen werd er niet opengedaan.

Wolfangh ontvlamde in razernij, wanhopig wrong hij den ijzeren klopper der deur krom, doch eensklaps hernam zijn ontembaar gemoed de overhand: een oogenblik later stond hij voor de deur met eenen arduinen dorpel, dien hij bij het afgebroken huis gehaald had. Slot en grendel sprongen af.... De deur viel bonzend neder.

Kort daarna kwam Wolfangh uit het huis geloopen, in de eene hand hield hij eene kom met water en in de andere eenige linnen doeken. Hij knielde neder bij den priester, waschte zijn hoofd en aangezicht, en verbond zijne wonde met zooveel behendigheid, dat men hem voor eenen heelmeester zou hebben kunnen aanzien.

Nu kon men bemerken wat schrikkelijke verandering er in pater Franciscus was omgegaan. Het verloren bloed had hem al zijne krachten ontnomen; zijn ingevallen gelaat was meer dan bleek, het was aschvervig en doorschijnend; zijne lippen waren van dezelfde kleur als de moorddadige schaliën, die rond hem lagen. En nogtans er blonk op het aangezicht des priesters eene hemelsche uitdrukking van onderwerping aan den wil des Heeren, een glimlach als die der engelen.

Lodewijk zat insgelijks bij pater Franciscus geknield en hielp Wolfangh in het verbinden der wonde. Het was meest op Lodewijk, dat de priester zijn verflauwend oog gericht hield.

“Ho, gij zult gered zijn, goede vader,” sprak de jongeling met teederheid, “uwe wonde zal genezen. Gij zult nog langen tijd onze beschermengel kunnen zijn.”

“Lodewijk, mijn dierbare zoon,” zuchtte de priester, “de Heer heeft over mij beschikt. Hij heeft mij de kroon der martelie vergund. Ik zal sterven. Niet van de wonde, die gij verbindt; maar een steen, — de laatste, — heeft mij de borst ingedrukt. Ik voel het in mijn lichaam: mijne ziel doet geweld om zich los te rukken; zij wil hemelwaarts.... doch ween niet om mij; mijn lot is te schoon.”

Op deze rede antwoordde Lodewijk niets; alleenlijk staarde hij met stijve blikken op des priesters gelaat.

“Gij bemint mij dan zeer?” sprak pater Franciscus, terwijl hij Lodewijks hand drukte.

Die woorden deden de tranen als beken uit de oogen des jongelings stroomen.

“O ja, gij bemint mij zeer!” herhaalde de priester. “Ik zal voor u bidden, Lodewijk.”

Nu werd pater Franciscus door Wolfangh en Schuermans voorzichtig opgelicht, met alle voorzorg ondersteund en langzaam naar de Keizerstraat voortgeleid, terwijl Van Halen en de andere vrienden van Lodewijk zich bereid hielden om den eersten spotter het leven te benemen.

Zij kwamen eindelijk aan Godmaerts woning en werden door Theresia binnengelaten.

X

Gloria in altissimis Deo, et in terra pax hominibus bonae voluntatis.

LUC. CAP. II. V. 14.

Glorie aan God in den Hooge, en vrede op de aarde aan de menschen van goeden wil.

Godmaert en zijne dochter Geertruid zaten nevens elkaar in de boekzaal; zij deden niets en waren in dien staat van angst en afwachting, die al de denkingskracht des menschen op een punt vereenigt. Sedert een half uur hadden zij nog niet gesproken, zij schenen te slapen met opene oogen. Reeds wisten zij, hoe al de tempels beroofd, geplunderd en ontheiligd waren, hoe men de geestelijken verjaagd en mishandeld had. Godmaert weende in het binnenste zijns harten over de hulp, die hij den ketters weleer verleend had; hij dacht met ijzing aan pater Franciscus, wiens lot hij niet kende.

Niet min was Geertruid door schrikkelijke gedachten gefolterd. Sedert den vorigen nacht had zij Lodewijk niet gezien. Niemand had haar over hem eenig bericht kunnen geven. Pater Franciscus was in hare woning niet verschenen, hij die anders in alle droeve of gevaarlijke voorvallen als een schutsengel aan hare zijde stond! Hare angstige vrees, hare benauwde gepeinzen losten zich op in dezen zucht, die dikwijls op hare lippen dreef: ho, zij zijn dood! zij zijn dood!

Op eens kwam Theresia in de boekzaal geloopen, roepende als verdwaald:

“Daar zijn ze! Daar zijn ze! Lodewijk met pater Franciscus!”

Een blijde schreeuw van Geertruid antwoordde op de aankondiging van Theresia. De jonkvrouw stond op met de armen in de hoogte en sprong vooruit naar de deur.

Maar toen zij de beslijkte kleederen van Lodewijk zag, toen zij bemerkte hoe zijne handen met bloedige krabben als overdekt waren en bovenal, wanneer zij op den priester blikte, dan werd zij door eenen hevigen slag getroffen. Zij bleef bevend in het midden der kamer staan, zond eenen grievenden gil door de zaal en zakte ineen als een levenloos lichaam.

Godmaert sloeg zich de twee handen voor het aangezicht en ontrukte zich aldus aan dit smartelijk tooneel.

De priester was bijna dood; hij werd door Wolfangh en Schuermans veeleer gedragen en voortgesleurd dan ondersteund; zijne verslapte beenen sleepten over den grond, ze hadden geene kracht meer om stappen te vormen. Dan, zijn hart was nog niet gebroken, zijn geest nog niet verdoofd.

Men plaatste hem met voorzorg in eenen armstoel; hij zonk zwaar en beweegloos er in neder.

Ongetwijfeld had Geertruid het bewustzijn niet geheel verloren; want zij ontwaakte van zelve en stond op. In deze omstandigheid behield zij alleen de tegenwoordigheid van geest, die er noodig was. Terwijl al de bijzijnde personen stilzwijgend op den priester staarden, of met luider stemme klaagden, riep Geertruid de dienstboden van het huis tot zich. Den een zond zij om eenen heelmeester, den ander om een geneesheer; de overigen moesten kussens en linnen doeken gaan halen of wijn en versterkende dranken aanbrengen.

Deze bevelen gaf zij bevend en als met de koorts bevangen. Dan, zonder Lodewijk of iemand anders te bezien, ging zij tot den priester en wilde hem op een goed bed doen leggen, doch hij stelde er zich tegen en, de hand der jonkvrouw vattende, sprak hij, terwijl een heldere glimlach op zijne aschvervige lippen speelde:

“Mijne dierbare dochter, spaar u die moeite, uw goede vader gaat tot God. Pater Franciscus verlaat de wereld,... maar waarom zoudt gij treuren over mij, terwijl eene ongekende blijdschap mij vervult? Ik heb lang geleefd, mijn kind; de Heer heeft mij overladen met Zijne gunsten, en nu, nu bewijst Hij aan mij, onwaardig mensch, de grootste genade.... ik sterf voor Zijnen heiligen naam!”

Deze woorden deden op het gemoed der jonkvrouw eenen geheel anderen indruk dan men hadde kunnen verwachten. In stede van in tranen los te breken, verhelderde haar gelaat, iets, dat aan eenen glimlach geleek, kwam hare wangen betrekken, en zij hield hare oogen als in eene hemelsche bespiegeling op den priester gevestigd. Die verandering kwam daaruit voort, dat zij op de bleeke wezenstrekken van den pater iets heiligs, iets goddelijks zag blinken; dat zijne woorden vol hemelsche vreugde haar hadden doen gevoelen, dat zulke dood, indien hij voorvallen moest, waarlijk een geluk en eene genade van God zou zijn. Zooverre vervoerde haar deze geestontheffing, dat in haar hart de treurnis gansch verging en door bedaardheid werd vervangen. Op de woorden des priesters antwoordde zij zonder droefheid:

“O, ik versta u, goede vader. Ja, gij moogt sterven! Gij moogt de wereld verlaten! En uwe Geertruid zal niet weenen, niet klagen; want een schooner leven wacht u, de hemel opent zich om u te ontvangen.”

Op dit oogenblik kwam er een geneesheer in de kamer. Zonder iemand aan te spreken ging hij tot den priester, vatte zijne hand en bezag hem met aandacht.

Al de tegenwoordig zijnde personen schenen eensklaps uit hunne droefheid te verrijzen en naderden te gelijk bij den geneesheer; Godmaert zelf deed den zetel, waarin bij zich bevond, tot bij den priester rollen.

Na eene lange wijl van algemeenen angst vroeg Lodewijk aan den geneesheer:

“Niet waar, meester Wallensius, er is nog hoop?”

De geneesheer antwoordde niet; maar Lodewijk zijne vraag weldra herhaald hebbende, liet hij de hand van den priester zachtjes nedergaan en sprak met dorre stem:

“Nog een half uur, ten langste!”

Op die akelige woorden volgde eene doodsche stilte. Godmaert, die nu bij de zijde van pater Franciscus gezeten was, sloeg zijnen arm om den hals van zijnen lijdenden vriend en verborg het aangezicht op zijne borst. Tusschen eenen vloed van tranen, die onzichtbaar uit zijne oogen op des priesters kleederen leekten, zuchtte hij: