Het wonderjaar: Eene gekkenwereld

Part 12

Chapter 12449 wordsPublic domain

“O vader, vriend, herhaal mij, dat gij mij vergeeft; want de wroeging scheurt mij den boezem. Ik weet het, een gedeelte van uw onnoozel bloed moet op mij terugvallen, indien uwe gebeden het niet van mijn hoofd keeren. Vergeef mij! Ik heb mede de tempels van mijnen God geschonden; ik heb het oude geloof helpen verdelgen, en in al de begane heiligschenderijen heb ik een schrikkelijk deel; want ik heb mijne stadgenooten aangedreven tot de balddadigheden, die u het leven kosten. O, vergiffenis!”

Godmaert bezag op dit oogenblik het gelaat des priesters; een engelenglimlach blonk hem tegen, eene uitdrukking zoo treffend en zoo zoet, dat hij de koude hand van pater Franciscus aan zijne lippen bracht en eenen dankbaren kus er op legde.

“O, gij hebt mij vergeven!” riep hij met blijdschap.

Des priesters oogen begonnen te breken; dit was zichtbaar. Hij antwoordde in het eerst niet op Godmaerts klachten, maar vereenigde al de kracht, die hem overbleef, alsof hij voor de laatste maal spreken ging. Hij wenkte dan door eene lichte beweging des hoofds Lodewijk en Geertruid, en zeide met flauwe stem, zoodra zij bij hem stonden:

“Nu, mijne kinderen, — nu ga ik sterven, — ik voel het!”

De wijze, waarop die woorden uitgesproken werden, liet niet den minsten twijfel over hunne waarheid. Geertruid zonk op hare knieën voor den priester en dwong Lodewijk, in dezelfde houding nevens haar te zitten.

De stervende pater ging voort:

“Godmaert, ja, gij hebt gedwaald — en gezondigd; — maar uw berouw is innig.... In den naam van den God.... wiens dienaar ik ben, — ik vergeef het u!... Treur niet door de vrees, dat de vijanden van ons geloof — zullen zegepralen.... De kerk van Jezus Christus is onverdelgbaar.... uit de vervolging put zij haren luister; — uit de bevechting hare macht.... Wolfangh, de abt van St. Bernard — zal u zeggen wat gij doen moet.... Het kloosterleven zal uwe driften temmen,... gij zult genade vinden bij den Heer!... Liefste kinderen, hebt dank om uwe genegenheid tot mij. — Wankelt nooit in uwe warme liefde tot God, in uwe vaste trouw aan het eenig zaligmakend geloof.... Geertruid, Lodewijk, — gij zult vereenigd zijn,... wanneer de kerk — haar rouwgewaad — zal afgeworpen hebben.... Uit den hemel.... zal — mijne ziel — over uwe kinderen — waken. — Zijt gelukkig!.... bemint elkan.... der.... en....”

Zijne stem verging en werd onvatbaar. Door een laatste spanning zijner levenskrachten hief hij de rechterhand boven het hoofd der knielende gelieven, en scheen hen biddend te zegenen. Zijne hand viel weldra ontzenuwd neder. Hij hief nog eens de oogen hemelwaarts, en als een licht, dat, uitgaande, nog eene heldere sprankel van zich werpt, sprak hij met klare stem deze schoone, deze verhevene woorden:

“Gloria in altissimis Deo.... et.... in terra pax hominibus!...”