Het wonderjaar: Eene gekkenwereld
Part 10
De roover zweeg en gaf zijne wezenstrekken eene zeer wantrouwende uitdrukking. Vele Geuzen waren over zijne woorden verbaasd; want zij wisten niets van deze beloften. Godmaert alleen kende ze, mits hij ze gedaan had.
“Onze zaak,” sprak de zieke, “is te edel en te verheven geworden om nog betaalde mannen er toe te gebruiken. Ik zal u het beloofde loon doen geven. Maar van nu af aan zijt gij ontbonden. Keert terug naar Zoersel, indien gij wilt.”
“Zij zullen blijven!” riep Wolfangh met een bliksemenden oogslag. “Ik zal hen dwingen tot goeddoen.... Geen woord meer, kerel!”
De roover sloeg zijne oogen nederwaarts voor de bedreiging van zijnen meester.
“Luistert, mijne heeren,” hernam Godmaert. “Ziet hier wat gij zoudt kunnen doen: er zijn nog genoeg getrouwe burgers in onze stad; wij kennen er veel, die tegen de ketters zijn. Roept die morgen bij elkander, en gebruikt hen om alle beroerte te beletten en de kerken te beschutten. Dat Schuermans het volk van het Klapdorp met zich brenge, De Rydt, gij de trouwe burgers der Nieuwstad, Lodewijk, onze vrienden van het Kipdorp, Van Halen, de bootsliên van den Burcht, enzoovoorts, ieder van ulieden degenen, die hem toegedaan zijn. Gij zult u dan morgen op de Groote Markt bevinden en de wapenbroeders helpen, indien het noodig is. Op de plaats zelve zult gij misschien betere maatregelen uitvinden. Alles zal wel gaan.”
Godmaert had tweemaal eenen schotel wijn tot den bodem geledigd, en dit had hem wonderlijk versterkt, want zijne wangen waren reeds zacht gekleurd. Lodewijk zag met opgetogenheid den verbeterden staat des grijsaards: hij verliet hem geen oogenblik en scheen ten uiterste voor hem bezorgd; op het minste teeken vloog hij Godmaerts wenschen vooruit, lichtte zijn hoofd op, dekte zijne ledematen of reikte hem het drinkvat, om zijnen vrienden bescheid te doen.
Nu hoorde men de voordeur opengaan, en het gerucht van een krijschend zijden kleedsel deed zich op de trap hooren. Na eenige oogenblikken lag Geertruid op de borst haars vaders te weenen, niet van droefheid, maar van verrukking en blijdschap.
“Vader, vader!” riep zij, “ziet gij wel, dat gij genezen zult? O, gij bloost reeds! En uwe armen kunnen zich om mijnen hals drukken, laat mij u kussen; gij weet wel, dat de zoenen uwer dochter warm en krachtig zijn. Vader, lieve vader, gij lacht mij toe!...”
En hare handen lagen plat op des grijsaards wangen. Deze genoot met verrukking de liefde zijner dochter.
“Lief kind!” zuchtte hij, “gij zijt mij een zegen des hemels!”
Hij knelde haar met teederheid op zijne borat.
De omstanders schouwden in godsdienstig stilzwijgen op dit tooneel. Schuermans en vele anderen leekten warme tranen van de wangen. Wolfangh, die nu de belooning eener weldaad smaakte, had zijne oogen met de handen bedekt en stond in eenen hoek der zaal geweken. Lodewijk, die geenen enkelen oogwenk van zijne Geertruid ontvangen had, was half treurig; doch die aandoening was kort, want Geertruid vatte hem de hand en drukte ze teederlijk. De jongeling verstond het meisje; een heldere glimlach rees over zijn gelaat.
“Wolfangh, waar zijt gij?” riep Geertruid, de kamer rondziende. “Ha, daar zijt gij, verlosser mijns vaders! Dank moet gij hebben; — ik zal voor u bidden....”
De oogen des roovers blonken van ontroering.
“Ik ben uwe erkentenis onwaardig, edele jonkvrouw,” sprak hij. “Niettemin acht ik mij gelukkig, iets te hebben kunnen doen, dat u aangenaam is. Uwe blijdschap is mij eene zoete belooning.”
“Heer Wolfangh,” hernam Geertruid met eene droeve, doch vriendelijke uitdrukking, “O, het spijt mij, dat een moedig mensch als gij....”
“Ik versta u, jonkvrouw,” antwoordde de roover, “maar alle hoop is niet verloren.... Gedenk mijner in uwe gebeden.”
Terwijl Geertruid voortging met Wolfangh te spreken, stond de oude Theresia, die met de jonkvrouw was binnengekomen, bij haren grijzen meester te weenen. Duizend uitroepingen kwamen haar uit den mond, en zij vervulde de kamer met droefheidsgillen; want zij zag hem voor de eerste maal en kon des meisjes blijdschap niet begrijpen. Had zij hem zoo nabij het graf gezien als zijne dochter, zij zou zeker ook wel verheugd zijn geweest. Op Lodewijks bevel zweeg zij, doch weende voort met doffe snikken.
“Vader,” sprak Geertruid, “laat mij u in onze woning brengen, opdat gij rusten moget en morgen welgemoed onder mijne zoenen ontwaket.”
“Heeren,” riep Godmaert, “ik verlaat u. Maakt, dat de dag van morgen geene gruwelen zie.... Komt, uwe hand nog eens gedrukt, mijne vrienden, en blijft met God!”
Allen kwamen hem beurtelings de hand drukken en een eerbiedig vaarwel zeggen.
Wolfangh deed de draagbaar naderen.
“Mannen,” sprak hij tot zijne makkers, “dat men den edelen Godmaert naar zijne woning drage! Gij allen zult bij het huis blijven waken en mij op uw leven voor al wat hem geschieden kan, verantwoorden.”
“Ik dank u, heer Wolfangh,” zei Geertruid, zich voor hem buigende.
De grijsaard werd voorzichtig door de vier roovers opgelicht en verliet de zaal onder het gejuich zijner vrienden.
“Lodewijk, als gezegd is, heden te acht uren!” riep Schuurmans.
In min dan een oogenblik was de kamer ledig; de stappen der heengaande personen weergalmden op de trappen, en de voordeur werd achter hen gesloten.
“Jezus, Jezus! wat zal er vandaag nog gebeuren!” zuchtte moeder Schrikkel.
En zij schoof den laatsten grendel toe.
IX
...onedele gemeente, Wat bitse nyd verteert het merch in u gebeente? Wat dolheid u vervoert?
JOOST VAN VONDEL.
Alles was bereid gemaakt tot het omverwerpen der Spaansche beheersching. Eenigen der Antwerpsche Geuzen, die meest allen edellieden waren, wilden slechts tegen den vreemdeling strijden; doch er heerschte nog eene andere en veel talrijkere gezindheid onder de woelende scharen. Dit was de haat, dien menigeen den beelden toedroeg. Pieter Herman was de prediker, die toen ter tijd bij Antwerpen met den grootsten nijd tegen deze uitvoer. Hij had zich door eene misbruikte welsprekendheid veel invloed bij de misnoegden verworven, en zich daarvan bediend om hen aan den Roomschen godsdienst te onttrekken. Dat het gemeene volk zich door zijnen haat tegen de Spanjaarden had laten verleiden, hebben de navolgende jaren bewezen; want de menschen kwamen allen, de eene vóór, de andere na, van hunne dwaling terug. Op dit tijdstip waren er evenwel zeer vele en vurige voorstanders der hervormde leer.
Den negentienden Augustus, dag van gisteren, had er eene buitengewone preek bij Borgerhout plaats gehad. Eene groote menigte volk was er tegenwoordig. De regen, die bij groote vlagen op het veld nederstortte, deed hen allen de plaats verlaten. Er werd dan onder hen gezegd, dat zij ook eenen tempel hebben moesten; en met vloeken en zweren werd deze begeerte nog sterker uitgedrukt. Herman, die gevoelde, dat de tijd gekomen was om zijn doel te bereiken, hield zijne aanhoorders een weinig buiten de Kipdorppoort staan, en klom op de trap van eenen windmolen. Het volk luisterde met angstige nieuwsgierigheid. Herman riep hun deze roekelooze woorden toe:
“Morgen, te acht uren, preek in Onze-Lieve-Vrouwekerk!”
En hij kwam onder het gejuich: Leven de Geuzen! de molentrap af.
Nu begon de schrikkelijke dag van morgen in het Oosten zich als eene schemering te vertoonen. Een dikke grauwe nevel rees uit het Westen het morgenlicht te gemoet en bedekte de zon met een ondoordringbaar floers. Het scheen, dat die heerlijke parel van Gods kroon hare stralen niet over zulke gruwelen zenden wilde on de koude dampen als een scherm tot zich had geroepen. Dezen ganschen dag bleef het blauwe hemelwelfsel onzichtbaar; de lucht was met stofregen als bezwangerd, en de natuur kreeg eenen dier dagen, op welke de dieren der aarde zich, alsof het nacht ware, verschuilen.
De deuren en vensters werden krakend geopend. De vreedzame daglooner ging met haast aan zijn werk, zijnen knapzak met het dagelijksch brood gevuld; de kooplieden zette hunne waren uit, de huisvrouw strooide met zorg het witte zand voor hare deur, want geen van hen wist wat er gebeuren zou.
Om acht uren veranderde de rustige stand der stad in een woelig tooneel, waarop het volk als de baren eener onstuimige zee rondstroomde. Door nieuwsgierigheid aangedaan, verlieten de werklieden hunne winkels, de bootslieden hunne schepen, de vaders hunne huisgezinnen; en boven deze duizenden vlottende hoofden staken de vuurroeren der wapenbroeders blinkend uit. Niets voorspelde, dat er gruwelen zouden begaan worden; want zulke rondstrooming van volk werd er in die tijden meest alle dagen in de stad gezien. Bij afwisseling kwam het geroep: “Leven de Geuzen!” eenen onvoorzichtigen mond uit, en dan ging een nare schreeuw ten hemel op, en verlengde zich door al de straten der stad. De meeste toeloop was op de Groote Markt; daar stonden talrijke schutters voor het stadhuis geschaard. Zeker hadden de weldenkende wethouders iets van der Geuzen opzet vernomen, want nooit was het stadhuis zoo wel met krijgslieden bezet geweest.
Lodewijk, Van Halen, Schuermans en hunne vrienden waren daar ook tegenwoordig. Eenigen van hen hadden zich onkennelijk gemaakt. Schuermans had het dikke wambuis en de blauwe broek eens schippers aan, de anderen droegen den wijden mantel op de schouders en den breeden hoed op het hoofd.
Juist waren zij bezig met te beraadslagen, hoe zij zich gedragen zouden, wanneer zij al het volk naar de hoofdkerk zagen loopen. Angstig voor hare behoudenis, drongen zij met geweld door de dichtgeslotene scharen, tot in het midden des tempels. Gods woning werd door vloeken en zweren van het grauw onteerd, de wapens klonken tegen de marmeren pilaren, en de graven der heiligen werden van goddelooze voeten vertreden.
“Het sermoen! de predikatie!” werd er geroepen.
Dokter Herman klom op den predikstoel, met den bijbel in de hand. Hij dacht zeker, dat hij daar niet rustig zou geweest zijn, want in de andere hand nam hij een geladen pistool en riep, dat hij het op degenen, die hem durfden storen, zou losbranden.
Lodewijk en zijne makkers hadden dit met ongeduld aangezien.
“Daar hebt gij een der voornaamste opstokers,” sprak de jongeling.
“Wilt gij eens zien, Lodewijk, dat ik hem op het oogenblik doe zwijgen?” vroeg Schuermans.
Op een bevestigend teeken van den jonkheer liep hij driftig den predikstoel op. Eer Herman hem bemerkte, had Schuermans hem reeds het pistool uit de handen gewrongen en het verre van hem op den tempelvloer geworpen.
“Ga hier af, ketter!” riep hij, “of ik werp u, als eenen hond dat gij zijt, ten gronde!”
Dokter Herman wilde niet afgaan. Op zijn gezelschap steunende, poogde hij Schuermans vast te grijpen; doch deze, den prediker om de middel vattende, wierp hem als eenen steen te midden in het volk, dat schreeuwend achteruitdeinsde. Vele gewapende mannen vielen op Schuermans aan, om den hoon, dien hij hunnen meester had aangedaan, te wreken. Misschien zouden zij den moedigen Antwerpenaar wel onbarmhartiglijk gedood hebben, waren zijne vrienden hem niet ter hulp gevlogen.
Hier begon nu eene hevige worsteling. De beeldenstormers wilden den predikstoel hebben, en schreeuwden den anderen toe, dat zij Spanjaarden waren. Echter, zij het tegendeel wetende, werd er van de dolken geen gebruik gemaakt. De krachtige spieren en de zware vuisten alleen dienden hun tot wapen. Dit worstelen had nu al eenigen tijd geduurd, wanneer een moedwillige vreemdeling Schuermans eenen dolksteek toestuurde en hem een weinig aan den arm kwetste. Eenige droppelen bloeds rolden hem over de vingers. Zijne vrienden werden op dit gezicht verbolgen en trokken hunne dolken. Een bloedig gevecht scheen onvermijdelijk; velen liepen vervaard en schreeuwend de kerk uit.
Op eens werd het volk, dat bij den ingang stond, met onweerstaanbaar geweld tempelwaarts ingedreven; de predikstoel scheen onder de drukking der achteruitdeinzende schaar van zijne grondvesten te worden gerukt.
Wolfangh kwam aan het hoofd van twintig welgewapende roovers als uitzinnig de kerk binnen. Op het gezicht dezer onbekende mannen, die met zulke dreigende blikken op het volk staarden en den tempel tot een moordkuil schenen te willen maken, werd het worstelen geëindigd. Niemand durfde zich nog roeren.
“Lodewijk,” vroeg Wolfangh, “wat gebiedt gij?”
Hij zwaaide zijn rapier met vlammende oogen tusschen de beeldenstormers. Eer Lodewijk een woord gesproken had, lagen er reeds drie gewond op den vloer.
“Houd op! houd op!” riep de jongeling, “stort geen bloed! Wij zijn te gering in getal om de predikatie te beletten; laat ons liever naar het stadhuis loopen om hulp te vragen. Wij zullen terugkomen met eene goede bende schutters en deze goddeloozen de kerk doen ontruimen. Komt aan met spoed!”
Zij gingen ter tempeldeur uit, in de gedachte dat men gedurende hunne afwezigheid zou voortgaan met prediken. Maar niet zoodra hadden zij de plaats verlaten, of een lang geschreeuw van “de afgoden aan stukken! de afgoden aan stukken!” vervulde den tempel als een vernielingskreet.
De ketters begonnen dan tegen de beelden allen smaad te roepen, en wierpen ze met vuiligheden in het aangezicht. Zij hadden evenwel nog niets gebroken, toen een van hen, voor St. Rochus staande, luidop riep, dat er geene beesten in Gods tempel zijn mochten. En hij rukte den marmeren hond van de voetzuil ter aarde. Een ander vatte den heilige bij de voeten, en daar het beeld in den muur vast was en niet onder zijn geweld breken wilde, trok hij met zulke kracht er aan, dat de twee voeten hem in de hand bleven. De ketter stortte achterover op den grond. Het bloed liep hem langs mond en ooren uit.
“De afgoden aan stukken! De afgoden aan stukken!” riepen duizenden stemmen. “Leven de Geuzen!” en in een oogenblik hadden zij zich van koorden, bijlen, houweelen en ander werktuig voorzien.
Nu liepen zij razend naar de tempelmuren, en hakten met geweld alles, wat maar een beeld gelijk was, ter neder. De menigvuldige kostelijke altaren, de schilderijen, de marmeren versiersels, alles werd onder het uitbraken van godlasterende woorden ten gronde gesmeten en met hamers verbrijzeld. Het heilig lichaam onzes Heeren eerbiedigden zij niet meer dan het gevoelloos marmer. Zij smeten de hostiën op den vloer en vertraden ze onder hunne voeten.
Het scheen, dat de almachtige God Zijnen arm wederhield om hunne gruwelen des te zwaarder te laten worden, en hun de straffen boven het hoofd te verzamelen.
Tot hiertoe hadden zij de beelden en alles, wat zij bereiken konden, ontleed en verbrijzeld. Één tafereel hing nog aan den muur. Christus, voor ons allen aan het kruis stervende, was er kunstig op afgemaald. Velen der stormers hadden reeds hunne oogen met nijdige blikken er heen gewend; doch geen van hen dorst het overgeblevene tafereel genaken. Een man, wiens grijze haren over zijne schouders in wanorde hingon, stond voor de schilderij, de kolf van een zinkroer tegen de borst, en bereid om zijn wapen los te branden op dengene, die hem zou naderen.
De heiligschenders kwamen eindelijk in groot getal naar den grijsaard, en wierpen hem met de stukken der beelden, om hem te doen wijken; doch hij bewoog zich niet en scheen ongevoelig aan hunne boosaardige woorden en daden. Op eens kwam er één behendiglijk achter hem en trok hem achterover op den vloer. Het roer ging af, en een der stormers kreeg het lood in de borst.
Nu galmde de schreeuw “slaat dood! slaat dood!” door de gansche kerk.
“Mijn tafereel!” schreide de schilder, “o, mijn Christus!”
En hij reikte de armen smeekend ten hemel. Hij zag het tafereel, gebroken en aan flarden gescheurd, nevens zijne zijde vallen op hetzelfde oogenblik, als een Geus hem met eenen dolksteek het hart doorboorde. De ongelukkige kunstenaar sprong op door eene laatste zenuwspanning en viel, zoolang hij was, op de stukken der schilderij. Zooals hij weleer aan Lodewijk gezegd had: zijn bloed stroomde, der kunst ten offer, over het werk zijner handen.
De beeldenvijanden lieten het lijk van Van Hort liggen en begaven zich opnieuw aan het breken. De twaalf apostelen stonden eerlijk en verheven boven de pilaren, die het welfsel ondersteunden. Hooge ladders werden er tegen gesteld, en met haken en koorden werkten de schenders zoolang, totdat deze marmeren beelden alle op den grond verbrijzeld lagen. Velen werden door den val gewond, en kermen hoorde men de gansche kerk door. Doch niets kon hen wederhouden; zij waren uitzinnig geworden. Alles was nu aan stukken, en de vloer met hoofden, voeten en andere deelen der beelden dusdanig bedekt, dat men met moeite er over kon.
Een prachtig beeld alleen stond nog ongehinderd boven deze puinhoopen van heilige zaken. Dit was het miraculeus beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Antwerpen. Zij was nog in plechtgewaad, zooals zij twee dagen te voren in den ommegang was rondgedragen geworden. Eene kroon van de kostelijkste diamanten versierde haar hoofd. Een mantel van goudlaken, met schitterende parelen doorwrocht, viel achter haar in kunstige vouwen neder. Het goddelijk kind Jezus droeg den zilveren wereldbol op zijne vingers.
Waarom dit beeld nog niet gebroken was, is moeilijk te zeggen. Allen hadden het gezien, mits het in ’t midden der kerk op eene prachtige draagbaar geplaatst was. Het is denkelijk, dat geen dezer goddeloozen het op zich dorst nemen, den andere tot het breken dezes beelds op te maken.
Nu alles verbrijzeld was, en de haken en bijlen stil lagen, begonnen zij allengskens de moeder Gods te naderen en zagen elkander in de oogen met ondervragende blikken. Op dien stond kwam een van hen, die dronken was, want hij kon zich nauwelijks recht houden, toegeloopen.
“Wel, mannen!” riep hij, “zijt gij vervaard van dit stuk hout, of zijt gij bang van de bellekens, die haar aan ’t lijf hangen? Kom, kom, smijt die.... maar op den grond!”
En een zoo schrikkelijk smaadwoord viel van zijne lippen, dat het zijne makkers verbaasde.
“Roep, vivent les Gueux! of gij moet aan stukken,” brulde hij nogmaals.
Willende de daad bij de woorden voegen, vatte hij met zijne twee handen de armen der draagbaar, en deze omkeerende, wierp hij de Lieve Vrouw op den vloer. De juweelen werden ontroofd, de mantel gescheurd, de kroon verbrijzeld, en het beeld bleef naakt en geschonden liggen.
Hadden de mannen van Wolfangh hunnen meester verlaten, om zich onder de beeldenbrekers te vermengen? Dit was waarschijnlijk, want onder die, welke eerst de hand legden aan de juweelen der moeder Gods, waren vier of vijf kerels, die een uur vroeger met Wolfangh waren uitgegaan.
Wanneer de ketters eenigen tijd nutteloos hadden rondgezien naar beelden, die konden gebroken worden, begaven zij zich tot rooven. Zij namen de gewijde kelken, remonstrantiën, kandelaren en kruisen; alles wat maar eenige waarde had, werd gestolen. De deur der sacristie werd opengeloopen, en de booswichten, niet vergenoegd met rooven en stelen, kleedden zich spotsgewijze als priesters en zongen vuile liedjes, als lofpsalmen, beschimpend ten hemel op.
Dit alles gebeurde zonder eenigen tegenstand. Lodewijk was met Wolfangh naar het stadhuis geloopen, en had den burgemeester verzocht een deel schutters met hem naar de kerk te sturen; maar een ander gevaar belette de overheid dit verzoek toe te staan. Men hoorde in de richting van het Spaansch kwartier een hevig geschut van zinkroeren, een verward krijgsgeroep en al de kenteekenen van een bloedig gevecht. Vele schutters hadden hunne gelederen verlaten, om zich naar huis te begeven en hunne eigene goederen voor plundering te beschermen, zoodat de burgemeester de weinigen, die overbleven, niet van het stadhuis durfde wegzenden.
Het gerucht en het geschiet, dat men hoorde, was veroorzaakt door eenen aanval van Houtappel en zijne vrienden tegen het Spaansch kwartier.
De Spanjaarden hadden zich aan dien aanval verwacht en hunne dienstboden gewapend langs hunne huizen in de Kloosterstraat geschikt. Ook, wanneer de Geuzen zich eerst vertoonden, vonden zij eenen goeden tegenstand en moesten met verlies van vier mannen terugwijken. Maar hunne razernij werd heviger door dit ongeval. Houtappel sprak zijne makkers aan en liep met hen opnieuw vooruit.
Nu hoorde men op de Groote Markt de afwisselende schoten der roeren en het geraas der smaadkreten, die de twee benden elkander vechtend toestuurden. De Geuzen behaalden ditmaal een groot voordeel op hunne vijanden, doordien zij moediger en in grooter getal waren; zij smeten zich weldra te midden der Spanjaarden, vermoordden al degenen, die tegenweer boden, en dreven de anderen op de vlucht, zoodat zij zich eindelijk meester van het slagveld zagen.
De lijken en gekwetsten werden opgenomen en bij de Hoogstraat in het _Paardeken_ gebracht. Wanneer de gewonden verbonden waren, begaven zich de overblijvende Geuzen terug naar de Kloosterstraat en liepen er de deuren der Spaansche woningen open, welke bezigheid zij bleven voortzetten totdat er geen enkel vijand meer te vinden was.
Gedurende dien tijd waren de beeldenstormers nog bezig met in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw alles aan stukken te slaan of te rooven. Doctor Herman, die hen niet had verlaten, wakkerde hen aan om in het breken der afgoden, zoo hij zeide, voort te gaan, en deed hen het voornemen opvatten om de andere parochiekerken der stad op dezelfde wijze te ontheiligen.
Zij trokken dan met kruisvanen, standaarden, zilveren lantaarnen en kruisen, welke zij geroofd hadden, als eene processie de kerk uit. Een groot getal onder hen hadden kazuifelen, stolen en ander geestelijk plechtgewaad aan. Zij zongen met verwarde stemmen de psalmen, door Clement Marrot op rijm gesteld. De kostelijke kruisvanen wentelden zij ten schroom der verbaasde burgers, in het slijk, en hieven ze dan weder vuil en onkennelijk in de hoogte.
Het geschreeuw: Leven de Geuzen! herhaalden zij onophoudelijk.
Lodewijk met Wolfangh en een tiental hunner vrienden stonden bij het stadhuis en staarden met wanhoop op die verfoeilijke heiligschending, zij poogden nogmaals de wethouders over te halen tot eenen aanval tegen de beeldenstormers; doch zij gelukten hierin niet, aangezien de overheden het voorzichtiger oordeelden, de weinige krijgsknechten, die hun getrouw gebleven waren, niet in gevaar te stellen.
Lodewijk leunde moedeloos en bijna weenend tegen eenen paal der markt; zijne oogen dwaalden met afgrijzen en met toorn tusschen de ontheiligde standaarden. Misschien ware hij in die beweegloosheid zeer lang verzonken gebleven; maar iets, dat hij nu zag, deed hem opspringen als iemand, die door eenen pijnlijken slag getroffen wordt. Hij bracht de twee handen voor de oogen, om niets meer te zien; weldra nogtans hief hij het hoofd op en riep tot zijne vrienden:
“O, hemel! Ongehoorde boosheid! Ziet, zij hebben het heilig sacrament! Onzen levenden God zelven durven zij bespotten! Nu weerhoudt ons niets meer.... Sterven wij als ware Christenen, indien het zijn moet! Ontrukken wij hun ten minste het allerheiligste!”
Met deze woorden trok hij zijnen degen uit de scheede en wilde zich vooruitwerpen, om te midden der schenders te loopen; maar Wolfangh weerhield hem en sprak met doffe stem:
“Bezie mij, Lodewijk. Is er bloed in mijne oogen of niet? Brandt in mij de razernij als een verslindend vuur? Ja, niet waar? Nogtans, ditmaal zal ik mijne drift overwinnen. Aan mij zal de eer toekomen van het uitvoeren dezer taak. Gijlieden kunt ze niet volbrengen; gij zijt te woedend, te onvoorzichtig, met geweld is hier niets te winnen.... Laat mij doen; blijft hier stil staan,... verroert u niet....”
Wolfangh haalde bij deze woorden eenen moordpriem van onder zijnen mantel en beproefde met den vinger of de punt nog scherp was. Dan ging hij met sluipende stappen tot tusschen de schenders en naderde allengs tot bij dengene, die het allerheiligste droeg. Maar hoe ontvlamde hij in gramschap, wanneer hij in dezen spotter eenen roover zijner bende herkende! Hij bleef staan, stak de hand onder zijnen mantel en vatte den moordpriem, maar eene plotselijke gedachte deed hem dien weder loslaten. Hij bracht zijnen mond aan het oor des roovers en sprak met eenen nadrukvollen klem: