Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen

Part 41

Chapter 412,889 wordsPublic domain

Het kuitschieten heeft plaats in de eerste lentemaanden en gaat met eigenaardige handelingen gepaard. De Prikken zijn niet gelijk andere in zoetwater paaiende Visschen uitgerust met organen om een kuiltje als bergplaats voor hunne eieren te graven; dit gemis wordt hun echter vergoed door den zuigmond, waarmede zij steenen kunnen verplaatsen. Zij toonen hierbij een verbazende spierkracht, lichten steenen van aanzienlijke grootte op en vormen op deze wijze schielijk groote holten. In zulk een hol begeeft zich het paaiende paar en houdt zich intusschen aan een van de grootste steenen vast. Reeds voor lang had men op de paaiplaatsen van den Zandprik een wormvormigen Visch opgemerkt, die Kieuwworm (Ammocoetes branchialis) werd genoemd. Dit dier heeft bij een lengte van 18 cM. in den regel slechts de dikte van een penneschacht, een zeer kleinen kop, met nauwelijks zichtbare oogen en een halfcirkelvormige mondschijf zonder tanden, kieuwopeningen, die in een diepe, overlangsche groeve gelegen zijn, onderling vereenigde vinnen, een duidelijk in ringen verdeelde, dof, zilverkleurige huid; de vinnen zijn geelachtig wit. Het is zeer wel mogelijk, dat de Kieuwworm, die in België in den Moezel, de Schelde en de Maas gevonden wordt, ook ons land bewoont, ofschoon men hem hier nog niet waargenomen heeft. Hij leeft in den modderigen of zandigen bodem van binnenwateren en herinnert door zijn levenswijze meer aan een Worm dan een Visch; eerst door ontleding leert men hem als een Gewerveld dier kennen. De gangen, die hij evenals de Aardworm, in den grond boort, verlaat hij vrijwillig bijna nooit; alleen om een andere schuilplaats op te zoeken maakt hij gebruik van zijne vinnen. De Kieuwwormen houden zich gaarne op in bundels vlas, die in 't water liggen en worden gemakkelijk verzameld, terwijl men de op deze wijze "gerote" stengels op de weide uitspreidt om te drogen. Van deze zoogenaamde "Vlasalen" wordt op sommige plaatsen een smakelijk gerecht bereid door ze, zonder den kop, met wijn, boter en citroensap te stoven. De mindere man versmaadt deze dieren, omdat zij zooveel op Wormen gelijken; de visscher gebruikt ze in den regel alleen als lokaas, omdat zij een buitengewoon taai leven hebben en zelfs na ernstige verwondingen nog dagen lang zich bewegen. Sinds lang werd de Kieuwworm door de dierkundigen beschouwd als een Visch, die veel op de Prikken gelijkt; eerst in 1856 heeft August Müller de nadere betrekking ontdekt, die tusschen deze beide wezens bestaat. Om de ontwikkeling van de eieren van den Zandprik na te gaan, welker bevruchting hij had waargenomen, plaatste hij de bevruchte eieren in een aquarium en zag er na verloop van 18 dagen vischjes uitkomen, die tot zijn groote verbazing van jonge Kieuwwormen in geen enkel opzicht verschilden; uit hunne verdere ontwikkeling bleek duidelijk, dat zij larven van den Zandprik zijn. Müller heeft de verschillende phasen van de ontwikkeling van den blinden Kieuwworm tot den geslachtsrijpen, grootoogigen Zandprik nagegaan. De gedaantewisseling der overige Negenoogen heeft op dezelfde wijze plaats. Uit alle eieren ontstaan in de eerste plaats Kieuwwormen, die in 3 of 4 jaar een lengte van 18 à 20 cM. bereiken en daarna in zeer korten tijd, in weinige dagen n.l., zich tot volkomen Visschen ontwikkelen. Het schijnt, dat de Negenoogen kort na den paaitijd sterven. Indien deze onderstelling juist is, zou bij de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren, evenals bij zoovele Ongewervelde, een kortstondig leven in geslachtsrijpen toestand op een langdurigen larvetoestand volgen.

Voor de vangst van Prikken (vooral Rivierprikken), die geregeld op onze rivieren bij Arnhem, Nijmegen en Tiel van October tot Maart plaats heeft, voor zoover de waterstand dit gedoogt, dienen meestal "korven" of "toten". Deze zijn nagenoeg cilindervormig, van teenen gevlochten, hebben een lengte van 47 à 50 en een middellijn van 24 cM.; elke korf bevat 2 "kelen". Een "keel" gelijkt op een korf zonder bodem van afgeknot kegelvormige gedaante; de wijdste rand past juist in de korf en is aan deze bevestigd; de nauwste rand is naar den bodem (den "kop") van de korf gekeerd: die van de voorste "keel" heeft een middellijn van 10 à 11, die van de achterste van 7 1/2 à 8 cM. Achter de laatste keel bevindt zich in den zijwand van de korf een opening, die gedurende de vangst met een "klep" gesloten is; hierdoor kan de gevangen Visch uit de korf geschud worden. Door tusschenkomst van een aan den "kop" vastgehechten "staart" zijn de korven aan het "weel", een van teenen gedraaiden kabel bevestigd; het "weel" zit met het eene einde aan een in den rivieroever geslagen paal, met het andere aan een op den rivierbodem rustend anker vast. Het "weel" is met daaraan gehechte baksteenen, iedere korf met hierin geworpen grint zoodanig geballast, dat het geheele toestel in de nabijheid van den rivierbodem drijft; de korven hebben een min of meer horizontalen stand met stroomafwaarts gerichte opening. Door den kop van de korf gestuit, verandert de stroom van richting, verkrijgt een ronddraaiende beweging om de korf en zal, aan haar uiteinde gekomen, al draaiend in de kelen doordringen. De Prikken, die dicht bij de korven zwemmen, worden hierdoor medegesleept. Hier te lande worden deze Visschen gewoonlijk niet gegeten, maar als lokaas voor de Kabeljauwvangst gebruikt en daarom levend naar Vlaardingen gezonden, waar ook vele Prikken uit Engeland worden aangevoerd. Om voor de zeevisscherij geschikt te zijn moet de Prik (die in dit geval door onze visschers "Zeeprik" wordt genoemd) een zekere lengte hebben en "rond" (niet "plat") zijn; exemplaren van behoorlijke grootte hebben een waarde van ongeveer 10 cent. Men verzendt ze ook wel eens naar Duitschland, waar zij als een lekkernij gezocht zijn en veel gevangen worden. Op plaatsen waar veel stroom gaat, bezigt men hiertoe veelal een soort van fuiken (van biezen gevlochten) met verscheidene "kelen" of "inken", elders ook wel netten. De Prikken, die zich aan den bodem hebben vastgehecht, brengt men met speren of haken aan de oppervlakte. Deze vangst heeft vooral in de lente plaats, als de Zeeprikken de rivier opzwemmen. Rivierprikken worden echter ook in den herfst in menigte buit gemaakt, daar zij zich in dezen tijd naar zee begeven.

Wormen onder de Visschen zijn de naaste verwanten van de Lampreien, de Slijmprikken (Myxinidae), zij vormen een familie, die 2 geslachten met slechts 5 soorten omvat. Het dunnere staartgedeelte van hun rolrond lichaam is voorzien met een smallen huidzoom, waaraan geen scheiding in staartvin, rugvin en aarsvin valt waar te nemen. De weinig ontwikkelde lip van den zuigmond draagt grove, door kraakbeen gesteunde baarddraden; de tong heeft een gering aantal op twee kamvormige reeksen geplaatste tanden; het gehemelte, waaraan één tand voorkomt, wordt doorboord door een buis, die met de neusholte in gemeenschap staat. Rudimentaire, uitwendig niet zichtbare oogen liggen onder de huid en de spieren verborgen. De kieuwzakken staan ieder door een afzonderlijk buisje met den slokdarm in gemeenschap en ontvangen hun water door één enkele opening voor iedere reeks (Myxine) of ieder door een afzonderlijke opening (Bdellostoma).

Linnaeus hield de meest bekende soort van deze familie, de Slijmprik of Blinde Prik (Myxine glutinosa), voor een Ingewandsworm, waarmede dit zonderlinge dier werkelijk naar het uitwendige meer overeenkomst vertoont dan met een Visch. De rondachtige mond draagt 8 baarddraden, de tong 2 reeksen ieder van 8 of 9 beenharde tandjes, het gehemelte één hollen, eenigszins gekromden, kraakbeenigen tand; de huid scheidt een overvloed van slijm af. De Slijmprik wordt ongeveer 40 cM. lang en heeft een moeielijk te omschrijven, blauwachtig witte kleur.

De Slijmprik bewoont op hooge breedten de zeeën van het noordelijk en zuidelijk halfrond en wordt o.a. aan de kusten van Groenland, Noorwegen, Zweden en Groot-Brittannië gevangen; hij komt echter ook in de Noordzee voor, maar werd aan onze kust nog niet gevonden. In den regel vertoeft hij op groote diepten en, naar het schijnt, bij voorkeur op slijkerigen grond. Parasitisch leeft hij op en in het lichaam van Visschen, borend dringt hij door in de spieren en ingewanden van Dorschen, Lengen, Heilbotten, Steuren en Neushaaien en laat er ten slotte alleen de huid en beenderen van over. Het gemis van oogen wordt ongetwijfeld vergoed door de voor 't tasten dienende baarddraden; men onderstelt, dat hij hiermede zijn prooi opspoort, bij voorkeur een dier, dat in een net of aan een hoek gevangen werd. Door den bek, den aars of een door hem zelf geboord gat sluipt hij naar binnen. Tot voor korten tijd was de voortplanting der Slijmprikken zeer onvoldoende bekend, daar men nagenoeg uitsluitend wijfjes vond. De noordpoolreiziger Fridtjof Nansen heeft in 1887 aangetoond, dat deze dieren, zooals men reeds lang vermoedde, tweeslachtig (hermaphrodiet) zijn. De mannelijke geslachtsorganen zijn eerder rijp dan de vrouwelijke, zoodat zelfbevruchting niet kan plaats hebben. Zoodra de Slijmprik de lengte van 32 à 33 cM. heeft overschreden, verdwijnen de mannelijke organen allengs en ontwikkelen de vrouwelijke zich hoe langer hoe meer. De groote Slijmprikken zijn dus in werkelijkheid wijfjes, terwijl die, waarvan de lengte nog 33 cM. bedraagt, feitelijk mannetjes zijn. De hoornachtige schaal van de gele, betrekkelijk groote eieren draagt aan de beide einden aanhangsels, die op ankers met drie spitsen gelijken en uit verhard slijm bestaan. Hierdoor hechten zij zich aan allerlei voorwerpen vast.

ELFDE ORDE.

DE SMALHARTIGEN (Leptocardii).

Wij zijn nu in ons overzicht van het dierenrijk gevorderd tot de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren, tot de familie der Lancetvischjes (Branchiostomiidae). Door hen Visschen te noemen en als een orde in deze klasse op te nemen, overschat men nog hun zeer geringe verwantschap met de echte Visschen. Deze is zelfs zoo gering, dat het aanbeveling verdient de Lancetvischjes--de "Schedelloozen"--in een afzonderlijke afdeeling te plaatsen naast die der "Schedeldieren", welke alle hoogere Gewervelde Dieren omvat. Ook zij hebben echter een inwendig geraamte, hoewel dit eenvoudig uit een geleiachtige ruggestreng (chorda dorsalis) bestaat, welker buitenste omhulsel (de skeletvormende laag) een buisvormige holte begrenst, die de centrale deelen van het zenuwstelsel (het ruggemerg) bevat.

Het Lancetvischje (Branchiostoma lanceolatum, Amphioxus lanceolatus) is ongeveer 5 cM. lang en heeft een langwerpigen, smallen, kantigen romp, die naar beide einden tamelijk gelijkmatig spitser wordt. Een vinvormige huidzoom breidt zich langs het grootste gedeelte van den rug uit, omgeeft als een lancetvormige lap de spits van den staart en zet zich langs den buikrand voort tot aan den aars. Andere vinnen zijn niet aanwezig. Op korten afstand van de voorste spits, aan de ondervlakte, bevindt zich de mondopening. Deze overlangsche spleet is omgeven door een aantal tamelijk stijve, kraakbeenige draden (12 à 15 aan iedere zijde), die binnenwaarts gebogen kunnen worden om den mond te sluiten. Zij zijn gehecht aan een krans van kraakbeenige, onderling gelede strookjes, die tevens tot steun dienen voor den rand der mond. Deze gaat onmiddellijk over in de wijde kieuwkorf, welker wand uit vele (meer dan 100) naast elkander liggende, schuins van boven naar onderen en naar achteren gerichte kraakbeenstaafjes bestaat, waartusschen even zoovele smalle spleten voorkomen, waardoor het ademhalingswater, dat door den mond is opgenomen, in de lichaamsholte geraakt om vervolgens door een aan de buikzijde ver voor den aars gelegen "buikporie" weggevoerd te worden. De strooming van dit water wordt evenals de voortbeweging van de hierin aanwezige voedseldeeltjes, veroorzaakt door de tallooze, microscopisch fijne trilharen, die de geheele oppervlakte van het slijmvlies bekleeden, zoowel dat van het ademhalingstoestel als dat van het voor de vertering dienende deel van het spijskanaal. Dit begint aan het achterste uiteinde van de kieuwkorf en is er door een ringvormige plooi van gescheiden. Het loopt nagenoeg recht, en heeft geen verwijding, maar wordt achterwaarts nauwer. Een zijdelingsche groenachtige uitstulping van het voorste gedeelte van 't spijskanaal wordt als lever beschouwd; de aars is een weinig ter linkerzijde van het middenvlak gelegen. Het bloed is kleurloos; een eigenlijk hart is niet aanwezig; een groote, kloppende ader, die het bloed naar voren stuwt, bevindt zich onder de ruggestreng en staat in gemeenschap met een boven het midden van de kieuwkorf gelegen zoogenaamd "kieuwhart", dat bloedvaten (kieuwslagaders) zendt naar de kieuwen, die eveneens met kloppende verwijdingen voorzien zijn; door kieuwaders geraakt het door ademhaling veranderde bloed in de groote lichaamsslagader, die onder de ruggestreng voorkomt. Deze strekt zich uit van de spits van den snuit tot aan het einde van den staart. De buitenste chordascheede vormt het ruggemergskanaal, dat van voren een kleine opzwelling vertoont. Boven het voorste uiteinde van het ruggemerg treft men twee gekleurde vlekjes aan, die als oogen worden beschouwd. Gehoororganen zijn niet aanwezig, evenmin schedel, hersenen, kaken, tanden, ledematen. De voortplantingsorganen openen zich in de lichaamsholte; hunne producten worden door de reeds genoemde "buikporie" naar buiten gevoerd.

Van de levenswijze dezer allerlaagst ontwikkelde Gewervelde Dieren is slechts zeer weinig bekend. Hun noordelijk verbreidingsgebied omvat de Europeesche en Amerikaansche stranden van den Noordelijken Atlantischen Oceaan en Middellandsche Zee; tot het zuidelijke behooren de kusten van de West-Indische eilanden, van Zuid-Amerika, van Borneo, van de Bass-straat (tusschen Nieuw-Holland en Tasmanië) en andere deelen van Australië. Zij houden zich op te midden van het fijne zand en stemmen hiermede door hun kleur zoozeer overeen, dat men het zand door een fijne zeef moet spoelen om hen te vinden. Waarschijnlijk zijn zij op alle door hen bewoonde plaatsen veel overvloediger aanwezig dan gewoonlijk aangenomen wordt; het is althans niet moeielijk om op plaatsen waar men de aanwezigheid van deze dieren kan verwachten, er binnen weinige uren een groot aantal buit te maken. Wanneer zij genoodzaakt worden het zand te verlaten, schieten zij bij rukken met korte kronkelingen van het lichaam pijlsnel door het water en kruipen een oogenblik later weder onder het zand. Zeer te recht zegt Gouch, dat men bij 't zwemmen den kop en den staart niet of nagenoeg niet kan onderscheiden. Wilde hield Lancetvischjes in een glas gevangen; zij bewogen zich als Alen met snelle kronkelingen; hoewel het gezichtsorgaan bij hen zeer weinig ontwikkeld is (en misschien niet eens bestaat), ontweken zij den vinger of andere belemmeringen op hun weg, door in de nabijheid van zulk een voorwerp stil te houden en zich om te keeren. Zij hebben de merkwaardige gewoonte van zich aan elkander te hechten. Soms vereenigen zij zich tot een kluwen, soms tot een reeks van 15 à 20 cM. lengte, die zich als één dier met slangsgewijze kronkelingen beweegt. De leden van de reeks zijn altijd met de breede zijden aaneengekleefd; het kopeinde van ieder dier bevindt zich ongeveer bij den aanvang van het laatste derde deel der lichaamslengte van zijn voorganger.

Evenals alle dieren met rudimentaire oogen, is het Lancetvischje zeer lichtschuw. Door een felle verlichting wordt het zeer onrustig.

Kowalewsky heeft bij het nagaan van de ontwikkelingsgeschiedenis der Lancetvischjes de opzienbarende ontdekking gedaan, dat zij gedurende het kiemleven in hoofdzaken overeenstemmen met de tot de Manteldieren behoorende Ascidiën of Zakpijpen. Van alle Ongewervelde Dieren zijn de Ascidiën door het bouwplan van hun lichaam het naast aan de Gewervelde Dieren verwant. Ook de embryologie leert ons dus, dat de Lancetvischjes de laagst ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn.

AANTEEKENINGEN

[1] W. D. van den Ende. Verslag van de Vereeniging tot bevordering van de Nederlandsche Ichthyologie.--C. J. Bottemanne en Dr. P. P. C. Hoek. Tijdschrift van de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. Supplementdeel II.

[2] Over het voorkomen van Tonijnen aan de Nederlandsche kust wordt door Van Bemmelen het volgende aangeteekend: "Houttuijn zegt, dat hem verhaald is dat onlangs (in 1765) een Tonijn, wel 10 voet lang in het Wijkermeer (een gedeelte van het IJ) zou gevangen zijn. Volgens mededeeling van een ooggetuige (den heer Jacobze) aan den heer Maitland is in het jaar 1810 een school van een honderdtal Tonijnen in het Hollandsch Diep voor de Willemstad gezien, waaronder sommige 4 à 5 voet lang waren. Het is onzeker, tot welke der 2 Europeesche soorten--de Gewone Tonijn en de Langvinnige Tonijn--deze voorwerpen behoorden. Prof. Schlegel meent, dat ze met meer recht tot de laatstgenoemde kunnen gebracht worden. Intusschen meldt Yarrell, dat de Gewone Tonijn in de Noordzee aan de Engelsche kusten meermalen is gevangen, doch zoover hem bekend is, slechts 2 exemplaren van de Langvinnige soort zijn waargenomen in het Kanaal en nimmer één in de Noordzee is gezien. Het schijnt mij dus waarschijnlijker, dat onze exemplaren tot de Gewone soort behooren."

[3] Om de nadeelige gevolgen van een door den Pieterman toegebrachte wonde af te wenden, leggen de bewoners van sommige onzer kuststreken (o.a. van Texel), na het maken van insnijdingen en het uitzuigen van het gewonde lichaamsdeel, hierop de lever van den Visch, die het misdrijf pleegde.

[4] De "Buitenlek" of "Buitenzee" wordt door onze visschers genoemd dat gedeelte der Noordzee, dat verder dan 4 à 6 uur van het strand verwijderd is; tot op dien afstand van het strand heet de Noordzee "Binnenlek" of "Binnenzee". In het algemeen genomen, kan men stellen, dat aan de kusten der provinciën Noord- en Zuid-Holland, de zandbank genaamd de Breeveertien de grens is tusschen de Binnen- en Buitenlek; deze Breeveertien wordt gewoonlijk gerekend zich te bevinden op 3 of 4 uur afstand van het strand; noordelijker dan Holland is de grens tusschen Buiten- en Binnenlek zeer onzeker en wordt zij wel tot op 6 uur afstand van het strand genomen. (Van Bemmelen.)

[5] Deze vischvangst heeft Bellamy de stof verschaft voor zijn gedicht "Roosje" (Proeven voor het "Verstand, den Smaak en het Hart." Dordrecht. 1790).

[6] Vergelijk: Dr. P. P. C. Hoek "De Zalm op onze rivieren" (1891), waaraan het bovenstaande voor een deel ontleend is.

[7] "Der Fischfang in der Lagune von Comacchio nebst einer Darstellung der Aalfrage" von Dr. L. Jacoby (mit zwei Tafeln). Berlin 1880. Verlag von A. Hirschwald.