Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 40
Een vertegenwoordiger van deze onderorde wordt door onze visschers Haringkoning (Chimaera monstrosa) genoemd en is door hen in de Noordzee, doch niet aan onze kusten waargenomen. De Selys maakt melding van de vangst van zulk een Visch bij Ostende; volgens Yarrell dwaalt hij soms naar de Shetlandsche eilanden af. Wegens het zweepvormig uiteinde van den staart wordt hem soms den naam "Zeerat" gegeven. De snuit is kegelvormig; de achterste rugvin zeer lang en niet (of bijna niet) van de bovenste helft van de (eveneens lange) staartvin gescheiden. Bij het mannetje merkt men op het voorhoofd tusschen de oogen een dun, aan den top afgerond, en hier met doornen bezet, naar voren gericht uitsteeksel op, dat aanleiding heeft gegeven tot den naam "Koningsvisch", dien hem door Noren gegeven wordt. De huid is bij het volwassen dier naakt en vertoont allerlei overgangen van goudgeel, bruin en wit, die aan het dier een fraai uitzicht verschaffen; de groote oogen hebben een wit regenboogsvlies en een groene pupil. De Haringkoning wordt 1 à 1 1/2 M. lang. Men heeft hem bij vele Europeesche kusten gevonden, ook in de zee van Japan en bij de zuidspits van Afrika; het schijnt, dat hij de diepte zelden verlaat, maar met de Haringen naar de oppervlakte stijgt; bij deze gelegenheid wordt hij soms gevangen. Zijn voedsel bestaat uit Weekdieren, Schaaldieren en kleine Visschen, die op diepe zeebodems leven. De voortplanting geschiedt door eieren, deze worden als een lekkernij beschouwd; het vleesch is taai en oneetbaar. In Noorwegen wordt vooral aan de lever van dit dier waarde gehecht; aan de hieruit bereide traan schrijft men geneeskrachtige eigenschappen toe.
NEGENDE ORDE.
DE LONGENVISSCHEN (Dipnoi).
In het jaar 1835 werden in Zuid-Amerika en West-Afrika twee Gewervelde Dieren ontdekt en vele jaren later (1870) nog twee in Australië, waaraan men zulk een vreemdsoortige samenvoeging van verscheidene gewoonlijk niet vereenigd voorkomende eigenaardigheden opmerkte, dat de dierkundigen het niet eens konden worden over de plaats, die deze wezens in het stelsel behooren in te nemen. Door hun lichaamsbouw gelijken zij op Visschen, door hun ademhaling, die men uit het maaksel der hiervoor dienende organen kon afleiden, op Salamanders. Door hun levenswijze, hun aard en hunne handelingen, herinneren zij zoowel aan deze als aan gene. Johannes Müller en andere onderzoekers hebben uitgemaakt, dat de kenmerken der Visschen bij deze dieren de overhand hebben en wezen hun daarom een plaats aan in de klasse, waarmede wij ons nu bezig houden.
De Longenvisschen, waarvan men 3 geslachten met slechts 4 soorten kent, vormen slechts één familie, waaraan men den naam van Salamandervisschen (Lepidosirenidae) kan geven. Naar het uitwendige gelijken zij op Visschen; de driezijdig piramidale kop is breed, de mondspleet buitengewoon groot; de oogen zijn klein als die der Salamanders, de wangen, evenals de geheele romp, met schubben bekleed, de kieuwspleten klein en loodrecht geplaatst, de kieuwen bij sommige inwendig, bij andere uitwendig. De uitwendige kieuwen zijn 3 kleine, boogvormig vertakte organen, welker takken met vedervormige franjes bedekt zijn en die buiten de kieuwspleet uitpuilen; de inwendige zijn in de kieuwspleet gelegen. Hierachter treft men de voorste ledematen aan, op welker verschillende ontwikkeling voor een deel de onderscheiding van de drie geslachten berust; de achterste ledematen, die met de voorste in bouw overeenstemmen, bevinden zich aan weerszijden van de aarsopening. De plaats van de rugvin wordt ingenomen door een verticalen huidzoom met hoornachtige stralen tot steun, die ongeveer in 't midden van den rug begint en zich tot aan de staartvin uitstrekt; een dergelijk orgaan bevindt zich aan de buikzijde en neemt bij de aarsopening een aanvang. Het geheele lichaam is met breede, afgeronde schubben bekleed, die elkander dakpansgewijs bedekken en een mozaïek vormen.
De tot dusver genoemde eigenschappen wijzen alle op verwantschap met de Visschen; bij nader onderzoek ontdekt men echter belangrijke verschillen. De neusgaten staan n.l. in gemeenschap met een wijde neusholte, welker beide gangen naar onderen in de mondholte uitkomen op korten afstand van de spits van den snuit. Achter de keelspleten bevindt zich aan den voorsten wand van den slokdarm een spleetvormige opening, die toegang verleent tot een ruim, door kraakbeenderen gesteund strottenhoofd en twee goed ontwikkelde longzakken, welker binnenste oppervlakte van talrijke lijstvormige plooien voorzien is, die als 't ware cellen vormen; de bloedvaten in den op deze wijze sterk vergrooten wand ontvangen uit het hart zuiver aderlijk (koolzuurhoudend, zuurstofvrij) bloed, dat, na in slagaderlijk (koolzuurvrij, zuurstofhoudend) bloed veranderd te zijn, naar de aorta stroomt. Bij gesloten bek vormen dus de neusgaten met de neusholte, mondholte, luchtpijp en longen den volledigen luchtweg. Bij geen anderen Visch treft men zulke organen voor ademhaling en bloedsomloop aan. Deze stemmen daarentegen volkomen overeen met die van de larven van Amphibiën, zoodra zich bij haar nevens kieuwen ook longen hebben ontwikkeld.
De meest bekende van de vier soorten van Longenvisschen is de Afrikaansche Slijkvisch (Protopterus annectens), die bijna 2 M. lang kan worden. Zijn lichaamsbouw herinnert aan dien van den Aal, maar is meer gedrongen; de plaats van de borst- en buikvinnen wordt ingenomen door lange, eenigszins samengedrukte, priemvormige organen, ter lengte van een span, aan de voorzijde voorzien van een smallen huidzoom, gesteund door korte stralen; een smalle rugvin begint ongeveer op het midden van het bovenlijf en is, evenals de aarsvin, met de staartvin vereenigd. De neus steekt vóór den eerder kleinen dan grooten, dwars gerichten bek uit; deze is gewapend met 4 dikke, kegelvormige, eenigszins beweeglijke tanden. Het met kleine schubben bekleede lichaam is op donkerbruinen, naar onderen lichter wordenden grond geteekend met een groot aantal rondachtige, uitvloeiende vlekken van grijze kleur. De oogen zijn kastanjebruin.
De Slijkvisch bewoont in tropisch Afrika alle binnenwateren, in sommige, o.a. ook in die van 't westen, komt hij in groote menigte voor. "De Doko," schrijft Von Heuglin, "leeft ook in den Witten Nijl en zijne bijrivieren ten zuiden van 9° NB. en schijnt hier overal veelvuldig te zijn. Men vindt dezen vreemdsoortigen Visch in den modder, zelden in 't open water; des nachts echter komt hij dikwijls dichtbij de vaartuigen, waarschijnlijk om het afval, dat overboord geworpen is, te verslinden. Gedurende het droge jaargetijde houdt hij zich op in een horizontaal of verticaal gat van meer dan 1 M. lengte, waarschijnlijk door hem zelf gegraven in den hoogen oever van een door den regen gevormden plas, of verschuilt zich tusschen vochtige, afgevallen bladen; hij verlaat zijn woning niet anders dan 's nachts en vangt dan de Visschen, Weekdieren en Krabben, die zijn voornaamste voedsel uitmaken. Gedurende het regenseizoen baant hij zich echte wegen door den modder. Zijne bewegingen op den bodem getuigen niet van behendigheid, maar wel van spierkracht: met opgeheven kop overschrijdt hij niet zonder moeite oneffenheden van eenige beteekenis door het lichaam aalvormig naar rechts en links te kronkelen. Zelden ziet men verscheidene van deze dieren bijeen; in de hoogste mate onverdraagzaam, gaan zij bij een toevallige ontmoeting elkander dadelijk te lijf en strijden in den regel met zooveel woede, dat men zelden exemplaren vindt met gaven staart. Ook tegen den mensch maakt de Doko gebruik van zijn gebit; wanneer men toevallig op hem trapt, sist hij als een Slang, waarop hij ook door zijn beweging gelijkt. De negers houden veel van zijn vleesch en dooden hem met de werpspies. Men kan hem echter ook aan den hengel vangen."
De Slijkvisch omgeeft zich met een laag slijk, wanneer het door hem bewoonde water uitdroogt en blijft op deze wijze verborgen gedurende het regenlooze seizoen. In zulke nesten worden de Slijkvisschen sedert eenige jaren niet zelden levend naar Europa overgebracht. Den kop met den staart bedekkend, hebben zij zich zoo sterk ineengekronkeld, dat men met verwondering de kleine ruimte aanschouwt, waarin zulk een groot dier opgesloten is. De wand van het nest bestaat uit gewone klei, maar is van binnen met een slijmerige stof bekleed. Hoe lang het in vrijheid levende dier in zijn rusttoestand volhardt, is niet bekend; wel weet men, dat het maanden achtereen zonder bezwaar in zijn nauwe gevangenis kan blijven. Wanneer het nest in een bak met water wordt gelegd en de temperatuur overeenkomt met die, waaraan het dier in Middel-Afrika gewoon is, verlaat het de weldra verweekte kleilaag. In den eersten tijd na het ontwaken uit den schijndood, is het buitengewoon traag, als 't ware slaapdronken; reeds na verloop van een uur is het volkomen wakker en geschikt om zich te bewegen, maar zoekt nog steeds de donkerste gedeelten van den waterbak op en ligt zeer dikwijls op den bodem. Om zijn eetlust te bevredigen, die na eenige dagen terugkeert, let het op iedere beweging van den waterspiegel; zoodra het hier een prooi ontwaart, kronkelt het zich vlug en sierlijk, beurtelings de vinnen en den huidzoom op den rug bewegend, als een Slang naar de oppervlakte, grijpt den hier aanwezigen buit of het aangeboden stuk vleesch en keert, na het verslonden te hebben, naar zijn vorige ligplaats terug. In het Kristallen Paleis te Londen heeft men jaren lang Slijkvisschen in een aquarium gehouden en hun levenswijze nauwkeurig nagegaan. Een dezer Visschen bleef 3 jaar in leven en zou nog wel langer geleefd hebben, indien men niet genoodzaakt was geweest hem naar een andere woning over te brengen. Aanvankelijk werd hij gevoederd met stukken vleesch, die men hem toewierp, na vooraf door een snelle beweging van den waterspiegel zijn aandacht te hebben getrokken; later gaf men hem Visschen en Kikvorschen te eten. Terwijl hij het vleesch met de scherpe voortanden stevig vasthield, merkte men vlugge bewegingen van alle deelen van den snuit op, alsof hij het sap er uitzoog; na eenigen tijd werd het stuk eensklaps uitgespuwd, opnieuw gegrepen, nogmaals uitgezogen en eindelijk doorgeslikt. Toen men den Slijkvisch in een bak bracht, waarin zich Goudvisschen bevonden, begon hij onmiddellijk zijne metgezellen te vervolgen, niet slechts de kleine exemplaren, maar ook die, welke hem in grootte overtroffen. Ondanks de langzaamheid van zijne bewegingen gelukte het hem iederen Visch buit te maken, dien hij als prooi had uitgekozen. Daar men hem naar hartelust liet rooven, groeide hij zeer schielijk; gedurende zijn driejarig verblijf in den goudvisschenkom, nam zijn lengte van 25 tot bijna 100 cM. toe en bereikte hij een gewicht van meer dan 3 KG.
Een tweede soort van Salamandervisch, die zeer weinig bekend is, omdat hij in de diergaarden uiterst zelden voorkomt, werd door Natterer in 't gebied van den Amazonenstroom ontdekt en heet daar Caramoeroe (Lepidosiren paradoxa). Hij kan 1.3 M. lang worden; men zegt, dat zijn stem op die van een Kat gelijkt. Volgens sommige berichten voedt hij zich met planten; wegens den vorm van zijn gebit beschouwt Günther hem echter als een diereneter.
Het geslacht der Hoorntandigen (Ceratodus) omvat twee soorten: de eene, in 1870 door Krefft ontdekt, wordt door de inboorlingen van Queensland Barramoenda (Ceratodus Forsteri) genoemd en wegens haar op Zalm gelijkend vleesch ijverig gevischt. (De andere heet Ceratodus miolepus.) De Barramoenda bereikt een lengte van 2 M. en een gewicht van bijna 10 KG.; zijn maag werd volgepropt gevonden met bladen van langs den oever groeiende planten, die in 't water waren gevallen. "De Barramoenda," schrijft Günther, "kan naar verkiezing hetzij alleen door longen, óf alleen door kieuwen, óf door beide te gelijk ademen. Het is niet waarschijnlijk, dat hij vrijwillig het water verlaat, daar zijne ledematen veel te buigzaam zijn om het zware en lompe lichaam te dragen."
TIENDE ORDE.
DE RONDBEKKIGEN (Cyclostomata).
De Rondbekkigen staan op zulk een lagen trap van ontwikkeling, dat er reden is om hen, in navolging van Haeckel, van alle vroeger genoemde Gewervelde Dieren te onderscheiden en als een met deze gelijkwaardige groep te beschouwen. Hun wormvormig lichaam, dat geen spoor van ledematen (van parige vinnen) bezit, is nagenoeg overal even dik en met een taaie, slijmerige, ongeschubde huid bekleed. Het kraakbeenig skelet bevat in den romp geen andere bestanddeelen dan een wervelkolom van zeer eenvoudig maaksel, waarmede geen ribben verbonden zijn; het kopskelet blijft op een even lagen ontwikkelingstrap verkeeren, als die, welken het bij de vroeger genoemde Gewervelde Dieren gedurende een der eerste tijdperken van den kiemtoestand vertoont. De kaakbeenderen ontbreken geheel; hun plaats wordt ingenomen door de zoogenaamde lipkraakbeenderen, die tot steun dienen van de meer of minder ontwikkelde lip; de hierdoor begrensde holte, "zuigbek" geheeten, ligt vóór de eigenlijke of achterste mondopening, waarin de tong als de zuiger van een pomp naar voren en naar achteren bewogen wordt. In gesloten toestand is de voorste mondopening (zuigmond) een overlangsche spleet. Aan het voorste uiteinde van den schedel, dus op het midden van de bovenzijde van den kop, bevindt zich de onparige neusopening. De Rondbekkigen heeten ook wel Zakkieuwigen (Marsipobranchiata) naar hun eigenaardige wijze van ademhaling. De kieuwzakken zijn gelegen aan weerszijden van den slokdarm; bij de Prikvisschen ontvangen zij het water ieder door een afzonderlijke opening en staan het weer af aan een gemeenschappelijke, onparige, onder 't voorste deel van den slokdarm uitmondende buis; bij de Slijmprikken geschiedt de toevoer van 't ademhalingswater door één opening voor iedere reeks van zakken en staan deze zoowel met de hier aanvangende toevoerbuis als met den voor het uitademen dienenden slokdarm door afzonderlijke openingen in gemeenschap. Een andere eigenaardigheid van de Rondbekkigen is, dat zij een echte gedaantewisseling ondergaan. De huid is glad en slijmerig, niet met schubben bedekt; de zwemblaas ontbreekt. Deze orde wordt verdeeld in twee familiën: de Prikvisschen en de Slijmprikken.
De Prikvisschen (Petromyzontidae)--waarvan men een twaalftal goed omschreven soorten kent, die tot 4 geslachten worden gebracht--zijn over de geheele wereld verbreid. Zij onderscheiden zich van de Slijmprikken door het bezit van onparige, door vele kraakbeenige stralen gesteunde vinnen, van 7 ronde ademgaten aan weerszijden van den hals, van een reukorgaan, dat in een blinden zak eindigt en dus niet met de mondholte in gemeenschap staat. Bij hen is de zuigbek van voren wijd, van achteren trechtervormig vernauwd en meer samengesteld dan bij de overige leden der orde; de kleine, spitse, kegelvormige tanden, waarmede de binnenste oppervlakte van de kringvormige lip (de mondschijf of zuigschijf) bezet is, bestaan ieder uit een slijmvlies-papil, die met een geelachtig bruine, harde, hoornachtige scheede bedekt is; deze valt licht af en wordt dan door een daaronder liggende, weldra verhoornende huidlaag vervangen.
Het eenige Europeesche geslacht dezer familie omvat de (tot het noordelijk halfrond beperkte) Prikken of Negenoogen (Petromyzon). Zij hebben 2 rugvinnen: de tweede is met de staartvin vereenigd, waarmede ook de aarsvin een geheel uitmaakt. De zuigmond is cirkelvormig; de spitse hoorntandjes van de mondschijf dragen, naar de plaats die zij innemen, verschillende namen; die van de "bovenkaak" (2) en van de "onderkaak" (7) zijn uitsteeksels van 2 hoornplaatjes: één aan den bovenrand, één aan den onderrand van de binnenste mondopening. De middelmatig groote oogen zijn bedekt door de huid, die op deze plaats dun en doorzichtig is. De 7 wijd uiteenstaande kieuwgaten zijn niet door een overlangsche groeve verbonden.
De grootste van de beide inheemsche soorten van dit geslacht is de Zeeprik, Bonte Negenoog of Zeelamprei (Petromyzon marinus), die 1 M. lang en 3 KG. zwaar kan worden. Van zijne naaste verwanten onderscheidt hij zich door een meer langwerpigen romp en door een krans van fijne, korte franjes aan de binnenzijde van den dikken rand van den zuigmond; iets verder binnenwaarts komen op de zuigschijf eenige reeksen van enkelvoudige, spitse tandjes voor; de ruimte van hier tot de "kaken" wordt ingenomen door 40 plaatjes, die ieder 2 grootere tanden dragen. De eerste rugvin verheft zich achter het midden van den rug tot een langwerpige, boogvormige plooi; de tweede rugvin is er door een vrij groote tusschenruimte van gescheiden, bereikt spoedig haar grootste hoogte en wordt daarna langzaam lager, totdat zij zich met de staartvin vereenigt. De huid is groenachtig wit op den rug en de zijden met zwartbruine of donker olijfgroene vlekken gemarmerd.
Met uitzondering van de Zwarte Zee bewoont deze Visch alle Europeesche zeeën; bovendien komt hij aan de kusten van West-Afrika en van Noord-Amerika voor. Hij brengt het grootste deel van zijn leven in het zeewater door, maar zwemt tegen het voorjaar de rivieren op (den Rijn o.a. tot bij Bazel) om kuit te schieten. Aan onze kust is hij vrij algemeen.
De Gewone Prik, Negenoog, Rivierlamprei of Rivierprik (Petromyzon fluviatilis) wordt zelden meer dan 40, bij uitzondering echter 50 cM. lang en omstreeks 100 Gram zwaar. Hij is ranker van gestalte dan de Zeeprik; het voorste deel van 't lichaam is naar evenredigheid langer, de rugvin begint dus veel verder naar achteren; de bovenkaakstanden zijn niet, zooals bij de vorige soort, naast, maar op eenigen afstand van elkander geplaatst; de hen dragende hoornplaat is halvemaanvormig; de 7 onderkaakstandjes zijn zeer scherp, de buitenste grooter dan de overige; aan weerszijden van de mondopening komen 3 plaatjes voor, die ieder 2 betrekkelijk groote tanden dragen; de rand van de zuigschijf draagt een enkelvoudige reeks van zeer kleine tandjes; tusschen deze en die van de bovenkaak komen eenige grootere tanden voor. De glanzig groenachtig blauwe kleur van de bovendeelen gaat op de zijden in geelachtig wit, op den buik in zilverwit over; de vinnen zijn paars. Ook deze Prik bewoont de zee; men vindt hem langs de kusten van Europa, Noord-Amerika en Japan; ook hij zwemt de rivieren op om kuit te schieten; soms echter vestigt hij zich, naar het schijnt, voor goed in meren of groote rivieren. Bij ons treft men hem (vooral in den winter en in het voorjaar) in de groote rivieren veelvuldig aan; ook in de meeste andere zoete wateren, zelfs in slooten komt hij voor; van Mei tot Juli vindt men hem dikwijls in de zee dicht bij het strand.
Sommigen beschouwen den Zandprik of Kleinen Negenoog (Petromyzon Planeri) als een variëteit van de vorige soort; hij is echter veel kleiner, 20 à 40 cM. lang; de tweede rugvin begint onmiddellijk achter de eerste; de bovenkaaks- en onderkaakstanden zijn stomp.
De Zandprik bewoont Europa en Amerika en komt, volgens Yarrell, ook in de zee voor. Veelvuldiger is deze soort echter in zoetwater; men vindt haar in den regel in zeer grooten getale zelfs in de kleinste binnenwateren, voor zoover hun bodem uit week zand of slijk bestaat. Volgens Maitland wordt zij, ofschoon zelden, ook hier te lande gevonden.
In weerwil van de geringe ontwikkeling hunner vinnen, bewegen de Prikken zich snel en behendig in 't water. Dit geschiedt overal, waar de strooming niet sterk is, door zijdelingsche kronkelingen van het lichaam; in snel stroomend water daarentegen verplaatsen zij zich bij rukken, zuigen zich na iederen sprong vast aan een onbeweeglijk voorwerp, rusten eenigen tijd en schieten vervolgens opnieuw vooruit; op deze wijze kunnen zij zelfs snelvlietende bergbeken opzwemmen. Dat Zeeprikken zich ook door Visschen van de eene plaats naar de andere laten brengen, blijkt uit het vangen van Zalmen, waaraan zij zich vastgezogen hadden, in den middelloop van den Rijn. De Zeeprik komt slechts bij uitzondering in den bovenloop van een stroom voor; zijne verwanten daarentegen bezoeken, zooals reeds gezegd is, zelfs de kleinste bijrivieren en planten zich hier bij voorkeur, zoo niet uitsluitend voort. Uit de wijze, waarop dit geschiedt, valt af te leiden, dat het stroomopwaarts reizen voor de voortplanting niet volstrekt noodig is. Alle Prikvisschen zijn parasieten, die zich hoofdzakelijk voeden met het vleesch en bloed van andere dieren. In den regel geschiedt het vastzuigen met dit doel. Nadat de Prik zich met den zuigmond stevig vastgehecht heeft aan een Visch, brengt hij zijne als een rasp werkende tanden in beweging, schaaft en vijlt de huid stuk, dringt, al borend, steeds dieper door, verslindt de afgeschaafde lichaamsbestanddeelen en vreet op deze wijze langzamerhand diepe gaten in het lichaam van zijn slachtoffer, ook wanneer hij reeds dood is. Het meest geschiedt dit bij Visschen, die zich door een op den grond liggend lokaas hebben laten verschalken; waarschijnlijk vallen echter niet zelden ook volkomen gave Visschen aan de Prikken ten buit.