Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen

Part 34

Chapter 343,718 wordsPublic domain

Tot voor zeer korten tijd was de voortplanting der Alen zelfs voor den natuuronderzoeker in een ondoordringbaar duister gehuld; nog altijd worden over dit deel van hun levensgeschiedenis zeer vreemdsoortige meeningen uitgesproken. Aristoteles was van oordeel, dat de Alen zich uit Wormen ontwikkelen en dat deze zonder tusschenkomst van ouders uit modder ontstaan. Op sommige plaatsen achten de visschers het ook thans nog waarschijnlijk, dat Alen met Slangen paren. Vele van hunne beroepsgenooten beweren, dat de Alen niet uit Dieren van hun eigen soort, maar uit andere Visschen geboren worden. Hieraan dankt de Magaal den naam "Aalmoeder", dien hij in Duitschland draagt. De visschers van Sardinië schrijven algemeen aan een Zwemkever (Dytiscus Roselli) de voortbrenging der Alen toe. Dikwijls is beweerd, dat de Alen levende jongen ter wereld brengen. De onwaarschijnlijkheid van deze meening springt in het oog, wanneer men bedenkt, dat levendbarende dieren steeds een betrekkelijk gering aantal jongen ter wereld brengen, terwijl uit allerlei verschijnselen zeer duidelijk blijkt, dat de Alen zich buitengewoon sterk vermenigvuldigen. Dikwijls heeft men Alen gevangen, welker lichaam een meer of minder groot aantal wormvormige diertjes bevatte, die door onkundigen voor jongen werden gehouden van het dier, waarin men ze aantrof, maar bij nader onderzoek ingewandswormen bleken te zijn.

De eierstokken van den Aal werden eerst in 1777 door Mondini ontdekt; zij vertoonen zich aan weerszijden van de zwemblaas in den vorm van een tamelijk breeden, vetrijken witten of eenigszins geelachtigen band, die door zijne plooien aan een dames-manchet herinnert en een onnoemelijk aantal zeer kleine eieren bevat. In rijperen toestand heeft men ze bij onze Alen nog niet waargenomen, wel bij de Zee-aal, wiens voortplanting en ontwikkeling tot voor weinige jaren eveneens volkomen onbekend was. Herhaaldelijk, vooral aan de Zoölogische Stations te Napels en te Plymouth, heeft men opgemerkt, dat Zee-alen, die in een aquarium maanden lang volkomen gezond waren gebleven, vrij plotseling een eigenaardige verandering ondergingen; hun omvang nam sterk toe; alsof het lichaam door inwendige gasontwikkeling was uitgezet, dreven zij op zijde liggend aan de oppervlakte van 't water rond, gebruikten geen voedsel meer en stierven. In de buikholte van deze Visschen vond men de kuit of de hom zoo verbazend sterk ontwikkeld, dat alle overige ingewanden er als 't ware door verdrongen waren. Hieruit heeft Cunningham afgeleid, dat de Zee-aal slechts éénmaal in zijn leven paait en kort daarna sterft, een verschijnsel, dat ook wel bij andere dieren voorkomt. Dat men nooit in zee geslachtsrijpe Zee-alen gevangen heeft, is licht te verklaren, wanneer men bedenkt, dat hunne soortgenooten, die in een aquarium den genoemden trap van ontwikkeling bereikten, geruimen tijd te voren ophielden voedsel te gebruiken en zich zooveel mogelijk trachtten te verbergen. Visschen, die niet naar 't lokaas happen, worden niet aan den haak gevangen; het verblijf in rotsspleten en dergelijke schuilplaatsen vrijwaart hen tegen het gevaar van in een net te geraken.

De mannelijke geslachtsorganen van den Aal zijn voor 't eerst waargenomen in 1874 door Syrski, die tevens de onjuistheid aantoonde van de kort te voren verkondigde meening, dat de Aal "hermaphrodiet" zou zijn (d. w. z., dat mannelijke en vrouwelijke organen bij hetzelfde individu zouden voorkomen). Evenals de wijfjes, blijven ook de mannetjes onrijp, zoo lang zij in 't zoetwater vertoeven. Zooals reeds lang bekend is, begeven zij zich naar zee; dit geschiedt van October tot Januari, bij voorkeur bij stormachtig weer en in donkere nachten. Jacoby vond te Comacchio de maag van alle Alen, die gedurende het trekken naar zee gevangen werden, volkomen ledig, welk verschijnsel ook bij andere Visschen gedurende den paaitijd wordt opgemerkt. In zee worden de Alen geslachtsrijp en paaien zij; dat dit op grooten afstand van de kust op den diepen zeebodem geschiedt, mag men op grond van een groot aantal feiten voor zeker houden. In de laatste jaren (en wel tusschen November en Juni) zijn herhaaldelijk in zee Alen gevangen, welker geslachtsorganen veel verder ontwikkeld waren, dan bij het begin van den trek. Ook hadden zij in den tusschentijd een uitwendig waarneembare verandering ondergaan, een bruiloftskleed verkregen, dat zich kenmerkt door den zilverachtigen glans van den buik, de zwarte kleur der borstvinnen en vooral door de grootte der oogen. De laatstgenoemde eigenaardigheid is zeer merkwaardig, daar groote oogen een kenmerk zijn van Visschen, die groote diepten bewonen. De bedoelde exemplaren werden door Grassi gevangen in de nauwe straat van Messina, waar de watergetijden een sinds overouden tijd befaamde, sterke strooming teweeg brengen, die allerlei bewoners van de diepte medevoert naar gemakkelijker voor ons bereikbare waterlagen. Volkomen rijpe Alen zijn echter niet waargenomen, waardoor het vermoeden bevestigd wordt, dat deze, door de snelle ontwikkeling der geslachtsproducten uitgeput, kort na het paaien sterven. De door hen voortgebrachte bevruchte eieren zijn waarschijnlijk die, welk Raffaeli van Augustus tot Januari aan de oppervlakte der zee drijvend aangetroffen heeft. Dat de jongen van den Aal een gedaantewisseling doorloopen, is gebleken uit de onderzoekingen, die Grassi sinds 1892 deed, met behulp van materiaal, dat in de straat van Messina verkregen was. Reeds in 1864 had Gill als larve van den Zee-aal herkend een diertje, dat honderd jaar vroeger door Morris voor 't eerst werd opgemerkt en daarna onder den naam van Glasaal (Leptocephalus Morrisii) als een vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie van Visschen was beschouwd. Dit diertje heeft een doorschijnend, ongeschubd, zijdelings lintvormig samengedrukt lichaam met kleinen en smallen kop (waaraan het zijn geslachtsnaam dankt, die "Dunkop" beteekent. De oogen zijn groot, de kaken met spitse tandjes gewapend; de parige vinnen ontbreken, evenals de zwemblaas en de geslachtsorganen; het geraamte is kraakbeenig, het bloed kleurloos; het spijskanaal strekt zich tot aan het laatste derde deel van het lichaam uit. In het aquarium ontwikkelt zich deze hoogstens 12 1/2 cM. lange larve in een maand tijds tot een 7 1/2 cM. langen Zee-aal. Grassi heeft van deze en verscheidene andere Leptocephalen de ontwikkeling nagegaan, o.a. ook van Leptocephalus brevirostris (zoo genoemd wegens zijn korten snuit), een hoogstens 8 cM. lang diertje, dat als larve van de Aal werd herkend. In een aquarium ontwikkelden zich deze larven tot jonge aaltjes van 5 à 6 cM. lengte, van gelijken vorm als die, welke tegen het einde van April, uiterlijk in Mei, de rivieren opzwemmen. Milliarden aaltjes, hoogstens 9 cM. lang en zoo dik als een penneschacht, begeven zich stroomopwaarts, zonder zich te laten weerhouden door hinderpalen, die men voor hen onoverkomelijk zou achten: de waterval van Schaffhausen belet hen niet het meer van Constanz te bereiken, de Rhône-waterval verhindert evenmin het voortzetten van den tocht naar alle in dit stroomgebied gelegen wateren. Volgens Crespon vormen de jonge Alen, die in den mond van de Rhône doordringen om stroomopwaarts te zwemmen (welk verschijnsel hier "la montée" genoemd wordt) een aaneengesloten massa, welker middellijn die van een dikken ton evenaart. In den regel bemerkt men aan iederen oever zulk een school. Op vele plaatsen worden zij, naar Karl Vogt bericht, met zeeven en mandjes uit het water geschept en (meestal met eieren gemengd) als pannekoeken gebakken en gegeten. Dat op deze wijze en de bezwaren van de reis honderdduizenden het leven verliezen, brengt geen belangrijke vermindering teweeg van het door milliarden gevormde leger. "Ik bevond mij," verhaalt Davy, "tegen het einde van Juli te Ballyshannon in Ierland aan den mond van de rivier, waarin de waterstand gedurende de vorige maand hoog was geweest. In de nabijheid van een waterval was het water troebel door millioenen kleine Alen, die onophoudelijk de natte rotsen langs de oevers van den waterval trachtten te beklimmen; de vochtige, slijmerige lijken van de honderdduizenden, die bij deze pogingen om 't leven kwamen, werden door de overige als een ladder gebruikt, die hun het voortzetten van de reis gemakkelijker maakte. Ik zag ze zelfs loodrechte rotsen beklimmen; zij kronkelden zich door het vochtige mos of hielden zich vast aan de lijken van hen, die bij deze onderneming den dood hadden gevonden. Hun volharding was zoo groot, dat een verbazend groote school er in slaagde het Arno-meer te bereiken." In de lagunen van Comacchio worden van Februari tot April de sluizen geopend, waardoor de jonge Alen in de door dammen omringde kweekvijvers kunnen geraken, waaruit zij na een verblijf van 5 of 6 jaar trachten te ontsnappen, om zich naar zee te begeven, bij welker gelegenheid zij gevangen worden.

Alle groote vischetende dieren maken ijverig jacht op de Alen, maar hebben dikwijls heel wat met hen te stellen. Een grappig tooneeltje krijgt men te zien, wanneer men in den waterbak van een hongerigen gevangen Vischotter eenige dozijnen kleine levende Alen werpt. Het Roofdier springt in zijn badkuip, haalt er een Aal uit, bijt hem in den kop, legt hem op de bank, begeeft zich opnieuw te water, pakt een tweede prooi, keert terug naar zijn vroegere plaats en is niet weinig verbaasd, dat hij er den vorigen, dood gewaanden buit niet meer aantreft; deze is reeds sinds lang weer te water gegaan en kronkelt hierin rond, alsof hem niets deert. Hierdoor uit het veld geslagen, bijt het vertoornde Roofdier zijn tweede gevangene herhaaldelijk en gaat vervolgens den eersten achterna; intusschen ontvlucht de tweede op zijn beurt, en zoo gaat het voort, totdat de Otter het eindelijk raadzaam acht een paar van de Wormvisschen, die zich maar niet laten dooden, dadelijk te verslinden. Hem gelukt dit; bij Vogels, die hun prooi verzwelgen, zonder haar vooraf te verscheuren, komt er aan het tegenstribbelen ook dan nog geen einde. "De Aal," zegt Geszner, "wordt door allerlei slag van Vogels verslonden, o.a. door den Schollevaar. De Visch, die in zijn geheel naar binnen gaat, kruipt spoedig door de geheele darmbuis heen en komt van achteren weer uit den Vogel te voorschijn, die den weerspannigen buit terstond opnieuw inslikt en dit dikwijls tot 9-maal toe moet herhalen, voordat de Aal door vermoeidheid gedwongen wordt in het lichaam van den Vogel te blijven en hier sterft." Dit verhaal is volkomen juist; het geldt echter alleen voor jonge Vogels: oude Reigers en Aalscholvers, welbekend met de purgeerende eigenschappen van de Alen, pikken hen vóór het inslikken steeds stuk.--Dat niet slechts de dieren, maar ook de menschen soms last hebben van het taaie leven van den Aal, ondervindt iedere huisvrouw, iedere keukenmeid, die deze Visch moet toebereiden.

In Nederland wordt veel werk gemaakt van de Aal- of Palingvangst. Alleen in de Zuiderzee werd in 1896 bijna 1/4 millioen KG. Aal gevangen, die ruim 70000 gulden opbracht. In sommige jaren is de vangst bijna dubbel zoo groot en bedraagt de opbrengst meer dan 100000 gulden. Ook in de rivieren en andere binnenwateren is deze visscherij niet onbelangrijk, volledige opgaven hierover ontbreken. Zeer verschillend vischtuig wordt voor dit doel gebruikt, o.a. aalfuiken, aalkorven en tjoelen, aalreepen, aaldobbers en werplijnen; men plaatst voor sluizen raamnetten, in de toevoerkanalen van watermolens molenzakken en aalkasten, in de benedenrivieren kubben en korven, waarvoor de ankerkuil het noodige aas moet leveren. Ook in den ankerkuil zelf wordt Aal gevangen, vooral in October en November, het meest bij ruw weer en in donkere nachten, bij nieuwe maan dus. Men vischt dan de zoogenaamde "Drijfpaling"; deze onderscheidt zich door een witten buik en veelal ook door een scherpen snuit; hij is op weg naar de in zee gelegen paaiplaatsen, vanwaar hij niet terugkeert.

Tot de merkwaardigste inrichtingen voor de aalvisscherij behooren de lagunen van Comacchio in de Po-delta, tusschen de Reno en de Penaro gelegen. Een woest moeras is hier herschapen in een stelsel van goed onderhouden vischvijvers, die met sluizen, kanalen en "dwaalgangen" voorzien zijn. Reeds sedert eeuwen bestaat hier een visscherij op groote schaal; het stadje Comacchio aan de Adriatische zeekust, dat er het middelpunt van is, wordt bijna uitsluitend bewoond door palingvisschers of althans door lieden, die direct of indirect in de aalvangst een bestaan vinden. De levensgeschiedenis van den Aal is hun beter bekend dan aan hunne beroepsgenooten. Hun geheele leven draait om dezen Visch, die al hunne gedachten en werkzaamheden beheerscht. Ten tijde van de "montata", als de jonge Alen zich uit de zee naar de binnenwateren begeven, komt er leven in dit eigenaardige gewest. Ouden en jongen geven acht op de scholen van dunne vischjes, met het doel om ze naar bepaalde fokvijvers te leiden, die reeds vroeger door het "pooten" van andere vischjes met een voldoende hoeveelheid voedsel zijn voorzien. De tweede Februari wordt als de aanvang van de "montata" beschouwd; dit verschijnsel herhaalt zich (of duurt voort) tot aan het einde van April. Nadat de kanalen, die toegang tot de vijvers verleenen, afgesloten zijn, bestaat de voornaamste werkzaamheid van de aalkweekers in het regelen van den toevoer van 't water, dat gedeeltelijk uit de zee, gedeeltelijk uit de naburige Po afkomstig is. In Augustus beginnen de Alen, die reeds 5 of 6 jaar in de vijvers geweest zijn, pogingen te doen om naar de zee terug te keeren en worden de maatregelen genomen voor hun vangst. Door de opzettelijk hiervoor bestemde "dwaalgangen" worden deze Visschen naar bepaalde, kleine goed afgesloten ruimten geleid, waaruit men ze met geringe moeite opscheppen kan. Een deel van den buit wordt levend naar de naburige dorpen en steden vervoerd; een ander deel vóór de verzending gekookt, het overige gezouten of gerookt. Venetië, Rome, Napels en andere groote steden van Italië worden bijna uitsluitend van uit Comacchio met Aal voorzien. Deze visscherij levert zeer aanzienlijke voordeelen op.

De Aal is een van onze beste zoetwatervisschen en daarom zeer gezocht. Versch, gerookt of ingemaakt, vormt hij een belangrijk handelsartikel voor vele kuststreken. Wegens hun stevigheid en duurzaamheid worden de aalvellen veelvuldig gebruikt als "worgels" (zoo noemt men den band, waardoor de "klop" aan den stok van den dorschvlegel verbonden is).

De Zee-alen (Conger) gelijken over 't geheel genomen veel op de Alen; zij verschillen er van door de grootere lengte van de rugvin, die zich bijna over de geheele bovenzijde uitstrekt en waarvan het voorste uiteinde boven of weinig achter den wortel der borstvinnen gelegen is; bovendien bestaat bij hen een andere verhouding tusschen bovenkaak en onderkaak: gene steekt voorbij deze uit; beide zijn, behalve met kleine tanden, ook met een reeks van groote tanden gewapend; de gladde, slijmerige huid bevat geen schubben.

De meest bekende vertegenwoordiger van dit geslacht, de Zee-aal of Zee-paling (Conger conger, Conger vulgaris), wordt ook bij de Europeesche kusten aangetroffen; hij kan een lengte van meer dan 3 M. bereiken en meer dan 50 KG. zwaar worden. Aan onze kust komt hij zeer zelden voor; toch zijn hier eenige malen exemplaren van aanzienlijke grootte gevangen: in 808 en 1520 bij Stavoren, in 1084 bij Ameland, in het voormalige Haarlemmermeer, in de Zeeuwsche stroomen, aan de Groningsche kust. De laatste vangst, waarvan melding wordt gemaakt, had plaats op 1 Mei 1816 op de buitenslikken bij Roxenisse. Dit exemplaar was 1.83 M. lang, 14 à 16 cM. dik en ongeveer 27 KG. zwaar. Ook verderop in de Noordzee is de Zee-aal zeldzaam. De effen grijsbruine kleur van de bovendeelen wordt op de zijden lichter en gaat op den buik in vuil wit over. De rugvin en de aarsvin zijn witachtig met zwartachtigen zoom; door haar lichtere kleur komt de zijdestreep goed uit.

Naar het schijnt, is de Zee-aal bijna rondom de geheele wereld in alle zeeën van de gematigde en tropische aardgordels verbreid. Bij Europa, doch ook bij St. Helena, rondom Tasmanië en ook langs de kusten van Japan wordt hij in grooten getale gevangen. Hij houdt van rotsachtige kusten, zoekt althans aan vlakke kusten rotsachtige gronden op, verbergt zich hier in holen en kloven van het gesteente en zoekt op zandgrond een schuilplaats in de door hen zelf gegraven gangen. Evenals andere roofvisschen, spaart dit buitengewoon vraatzuchtige dier de zwakkere leden van zijn eigen soort niet: uit de maag van een exemplaar van 12 KG. gewicht haalde Yarrel drie Schollen en een jongen Zee-aal van 1 M. lengte. De kracht van zijne kaken is zoo groot, dat hij Mossels zonder moeite verbrijzelt. Niet zelden onderzoekt deze roover de korven, die voor de vangst van Zeekreeften bestemd zijn en maakt zich van den inhoud meester, voor welk bedrijf hij met zijn vrijheid en leven moet boeten. De mannetjes en wijfjes vertoonen, althans gedurende den paaitijd, een duidelijk waarneembaar verschil. Het kuitschieten heeft plaats in December of Januari. Jongen ter lengte van een mansvinger merkt men gedurende den zomer bij rotsachtige kusten op. Zooals reeds gezegd is doorloopt dit dier een larvetoestand; het wordt op dezen trap van ontwikkeling Glasaal (Leptocephalus Morrisii), genoemd wegens zijn doorzichtigheid; men kan de letters van een boek door zijn lichaam heen, duidelijk lezen.

Hoewel het vleesch van den Zee-aal niet bijzonder hoog geschat wordt, maakt men veel werk van de vangst van dezen Visch, daar hij aan velen een goedkoop voedsel verschaft.

Zelfs in een kleinen bak geraakt de Zee-aal in korten tijd aan de gevangenschap gewoon, kiest een geschikten schuilhoek tot verblijfplaats uit en brengt hier den dag in trage rust door, terwijl hij gedurende den nacht bijna onophoudelijk in beweging is. Zijn nooit geheel bevredigd verlangen naar voedsel geeft aanleiding tot een vriendschappelijke verhouding tusschen hem en zijn verzorger, wien hij de hem voorgehouden spijs ten slotte zonder vrees te toonen uit de hand neemt. Bij rijkelijke voeding groeit hij buitengewoon sterk.

Hoogen prijs stelden de Oude Romeinen op het vleesch van de Murene (Muraena helena). Om deze Aalvisschen steeds in voldoende hoeveelheid voor hunne gastmalen beschikbaar te hebben, hielden zij ze in met zeewater gevulde vijvers. Volgens Plinius was Hirius de eerste eigenaar van een Murenen-vijver, die zoo goed voorzien was met deze kostbare vischsoort, dat hij bij een feest ter eere van Caesar's triumftocht aan zijne vrienden 6000 stuks kon voorzetten. Volgens een ander bericht begingen sommige Romeinen bij het vetmesten van hunne Murenen afschuwelijke wreedheden. Vidius Pollio n.l. meende te weten, dat menschenvleesch het beste voedsel voor deze Visschen is en offerde aan dit bijgeloof verscheidene van zijne slaven op, d. w. z. hij bestrafte hunne misdrijven met den dood in den Murenenvijver.

De Murene onderscheidt zich van zijne verwanten door het ontbreken van de borstvinnen. Haar plomp gebouwd lichaam is van rug-, aars- en staartvin voorzien; de kieuwspleten zijn zeer klein, de tanden lang en spits, in boven- en onderkaak op een reeks geplaatst; de huid is ongeschubd. Het voorste deel van den romp heeft een fraaie, levendig gele grondkleur, die op het achterste deel bruinachtig wordt; de teekening bestaat uit bruine, gemarmerde vlekken, die door een donkeren zoom omgeven en van elkander gescheiden zijn. De Murene kan, naar men zegt, 1,5 M. lang en 6 KG. zwaar worden. Zij bewoont de Middellandsche zee, het zuidelijke deel van den Atlantischen Oceaan en den Indischen Oceaan; ook vindt men haar langs de kusten van Australië. Soms dwaalt zij tot bij de kusten van Groot-Brittannië af. Zij houdt zich op in diep water en verschijnt in 't voorjaar bij de kust om kuit te schieten. Schaaldieren en Inktvisschen maken haar voornaamste voedsel uit. Zij is, naar men zegt, zoo vraatzuchtig, dat zij bij gemis aan een voldoende hoeveelheid voedsel hare soortgenooten den staart afbijt. De gevangen exemplaren verdedigen zich vol woede en brengen onervaren visschers gevaarlijke wonden toe. Men vangt ze met den hengel en in korven. Haar vleesch wordt ook thans nog als hoogst smakelijk beschouwd.

VIJFDE ORDE.

DE TROSKIEUWIGEN (Lophobranchii).

Voor de menschelijke huishouding zonder eenige beteekenis, trekken de Troskieuwigen onze aandacht door hun vreemdsoortigen vorm. Zij ontleenen hun naam aan den eigenaardigen vorm der kieuwen; deze vertoonen zich als kleine, ronde trosjes of bundeltjes, die paarsgewijs aan de kieuwbogen zijn gehecht. Bij nauwkeuriger beschouwing blijkt, dat die bundeltjes in werkelijkheid overdwars geplooide, als 't ware in elkander gevouwen plaatjes zijn en ieder een der kamsgewijs gerangschikte kieuwplaatjes van andere Visschen vertegenwoordigt. Het kieuwdeksel is groot, bedekt met een huid, waardoor het met den schoudergordel verbonden wordt en slechts een kleine spleet voor het uitademen van het water overlaat. De snuit is tot een buis verlengd; de bovenkaaksbeenderen zijn, evenals bij alle reeds genoemde Visschen, beweegbaar. Het lichaam is in den regel langwerpig van vorm, kantig en met beenige platen bedekt.

Alle Troskieuwigen bewonen de zee; in de zuidelijker zeeën komen zij in grooteren getale voor en vertoonen een grootere verscheidenheid van vormen dan in de noordelijke; zij houden zich in den regel dicht bij het strand, bij voorkeur tusschen zeeplanten op en voeden zich met kleine Schaaldieren, Wormen, misschien ook met de eieren van andere Visschen.

Eigenaardig is de voortplanting dezer dieren: de eieren ontwikkelen zich bij nagenoeg alle soorten in een aan den buik gelegen broedzak, waarmede bij de Naaldvisschen (Syngnathidae) de mannetjes, bij de Buisbekkigen (Solenostomidae) de wijfjes voorzien zijn; bij deze wordt de broedzak door de buikvinnen, bij gene (die de buikvinnen missen) door een zijdelingsche uitbreiding van de huid gevormd. De laatstgenoemde familie omvat slechts één geslacht met 3 soorten, die den Indischen Oceaan bewonen. De overige 15 geslachten (met 120 soorten) zijn in de eerstgenoemde familie samengevat.

De Naaldvisschen (Syngnathidae) bewonen alle zeeën van de heete luchtstreek en van de beide gematigde aardgordels; hun zeer lange romp wordt naar achteren dunner; de snuit is buisvormig en van voren met een bijna loodrecht naar boven gerichte mondspleet voorzien; de kleine kieuwspleet bevindt zich in den nek; de onmiddellijk daarachter gelegen borstvinnen (bij enkele ontbrekend) zijn klein maar goed ontwikkeld; de buikvinnen ontbreken geheel; de rugvin is grooter dan alle overige vormen; de staartvin ontbreekt bij de soorten, welker staart geschikt is om zich om een voorwerp te kronkelen (grijpstaart) en heeft bij de overige den vorm van een kleinen waaier aan 't uiteinde van den langen, dunnen staart. De broedzak, die zich aan den buik of aan den staart van het mannetje bevindt, is voorzien met een overlangsche spleet, waardoor de jongen ontwijken.

Het soortenrijkste geslacht is dat der Zeenaalden (Syngnathus), die zich kenmerken door het bezit van borstvinnen en van een goed ontwikkelde staartvin aan 't einde van den niet voor 't vasthouden geschikten staart; het lichaam is kantig; de schouderbeenderen zijn onbeweeglijk met elkander verbonden.

Een van de talrijkst vertegenwoordigde en meest verbreide soorten is de Groote Zeenaald, door onze visschers gewoonlijk Windsteur en, evenals de andere soorten, Zandspiering genoemd (Syngnathus acus), een uiterst slank vischje, met 7-kantigen romp en van voren 6-kantigen, verderop 4-kantigen staart, dat op lichtbruinen grond met een 20 tal duidelijke, donkerbruine banden geteekend is en 60 cM. lang kan worden; haar romp is dan zoo dik als een manspink.