Het Leven der Dieren. Deel 3. Afdeling 2. De Visschen
Part 33
"Later echter hoorde ik van lieden uit het stroomgebied van den Apoere een verhaal, dat misschien met dat van Humboldt in verband gebracht kan worden. Bij 't overtrekken van een rivier, die vele Trembladorus bevat, jaagt men de kudden vooraf in het water, om de Alen, die zich meestal op den bodem bevinden, door het getier en geplas op te schrikken en te verjagen. Een schrandere bol onder de Indianen, die Humboldt vergezelden, is hierdoor misschien op het denkbeeld gekomen, om op de reeds genoemde wijze te werk te gaan. Het drijven van Paarden in den poel heeft waarschijnlijk eigenlijk ten doel gehad de Sidderalen van den bodem van 't water te verjagen en de Indianen de gelegenheid te verschaffen ze te harpoeneeren, en niet om door veelvuldige ontladingen een verzwakking van de electrische kracht te veroorzaken. Dit laatste zou volkomen overbodig zijn geweest, omdat het lange, droge touw, waaraan de harpoen is vastgehecht, den visscher tegen de electrische schokken beveiligt. Hoe dit ook zij, het geheele voorval was en is stellig slechts een bij uitzondering voorkomende gebeurtenis. Een bepaalde wijze van Sidderalenvangst kent men in de Llanos niet; de inboorlingen gevoelen vrees en afschuw voor deze Visschen en gaan hun zooveel mogelijk uit den weg. Alleen toevallig geraken bij groote visscherijen in de rivieren ook Trembladores in het net." Zoo luidt het bericht van Carl Sachs, die op dezelfde plaats als A. von Humboldt, maar 76 jaren later, onderzoek deed naar den merkwaardigen strijd tusschen de electrische Visschen en de Paarden.
De Sidderaal of Beefaal, door de Spanjaarden Tremblador genoemd (Gymnotus electricus), behoort tot de familie der Naakte Alen (Gymnotidae) en vertegenwoordigt het geslacht der Beefvisschen (Gymnotus). De bovenrand van de mondopening wordt bij alle leden der familie van voren door de tusschenkaaksbeenderen, aan de zijden door kleine bovenkaaksbeenderen gesteund; de schoudergordel is onmiddellijk aan den kop gehecht. De ribben, die bij de echte Alen ontbreken, zijn hier aanwezig. De rugvin en de buikvinnen ontbreken. De borstvinnen zijn steeds aanwezig en goed ontwikkeld. De aarsvin is zeer lang, begint altijd dicht bij (bij sommige reeds onder) de keel, waar dan ook de aarsopening voorkomt. De staartvin is bij verreweg de meeste soorten een rechtstreeksche voortzetting van de aarsvin. De zwemblaas is dubbel, bij één soort zelfs in drie afdeelingen gescheiden: de achterste is de grootste en zeer lang, de voorste is peervormig en staat, behalve met den slokdarm, ook met het gehoororgaan in verband. De Beefvisschen verschillen van hunne verwanten door de ongeschubde huid, die ook de borstvinnen en de aarsvin bedekt (en hier dik is), voorts door het gebit, dat uit een groot aantal fijne, spitse tanden in de kaken, een kleine reeks van tanden aan het voorste deel van het gehemelte en twee reeksen van tanden achter de voortanden van de onderkaak bestaat.
De Sidderaal kan een lengte van 2 M. en een gewicht van 15 à 20 KG. bereiken. De bovenzijde is fraai olijfgroen, op vele plaatsen donkerder genuanceerd; de onderdeelen (van de spits van de onderkaak tot aan de aarsvin) zijn fraai oranjerood; de lange aarsvin is leikleurig met witten, bij enkele exemplaren echter met rooden zoom; twee of meer reeksen van kersgroote, lichtgele vlekken, die gelijkstandig over den rug, van den kop tot aan het einde van den staart loopen, versieren den rug en de zijden. Ieder vlek omgeeft een afvoeropening van een klier; de huid is voortdurend bedekt met het hieruit afkomstige slijm, dat de electriciteit 20- à 30-maal beter geleidt dan zuiver water.
Ongeveer vier vijfde deelen van de lichaamslengte worden ingenomen door de electrische organen, die zich van het achterste uiteinde der lichaamsholte tot aan de spits van den staart uitstrekken, de beide onderste afdeelingen van het zijdespierenstelsel van den staart nagenoeg geheel vervangen en ruim een derde deel van het lichaamsgewicht uitmaken. Gezamenlijk vormen zij een licht roodachtig gele, doorschijnende, geleiachtige massa. Deze bestaat uit twee paar langwerpige lichamen of bundels: het bovenste bevindt zich onmiddellijk onder de huid; het onderste is door spieren omhuld en boven de aarsvin gelegen. Men zou ze kunnen vergelijken met spierbundels, waarin de spiervezels vervangen zijn door reeksen van "electrische elementen", ieder samengesteld uit een vliezig dwarsschot, aan de voorzijde bedekt met een zoogenaamde "electrische plaat", die in aanraking is met een dunne laag van een eiwitachtig vocht. Elke reeks of "zuil" bevat ongeveer 4000 dergelijke elementen, ieder ongeveer 0.1 mM. lang en 0.8 mM. hoog, en reikt van het staarteinde (de positieve pool) tot het kopeinde van het electrische orgaan. In elke electrische plaat bevindt zich het eindtoestel van een bewegingszenuwvezel, van een der vertakkingen van de electrische zenuwen, die ten getale van omstreeks 200 uit het voorste (naar de buikzijde gerichte) deel van het ruggemerg ontspringen. Aan de oppervlakte van de plaat, die naar de negatieve pool (naar den kop) is gekeerd, treft men geen zenuwvertakkingen aan, wel haarvaten, die in de uithollingen der plaat bochten vormen.--Naar het schijnt, moet de werking van dit orgaan langs electro-capillaire wijze verklaard worden. Onder den invloed van de zenuwen heeft een samentrekking plaats: de elementen verminderen in lengte en nemen toe in doorsnede, wat voldoende is om een klein verschil in electrische spanning tusschen de beide zijden van het element te doen ontstaan. Wegens talrijkheid der elementen is de som van deze verschillen zeer groot en zal een krachtige stroom van achteren naar voren het lichaam van het dier doorloopen, zoodra het electrisch orgaan door tusschenkomst van de zenuwen prikkels van de centrale deelen ontvangt. Raadselachtig is het merkwaardige feit, dat het dier volkomen ongevoelig is voor zijne eigene schokken, er geen nadeel van ondervindt, hoewel de ontlading, zooals uit de proeven van Carl Sachs gebleken is, met volle kracht het geheele lichaam doorloopt.
Over de werking van de electrische ontladingen en hare eigenaardigheden hebben de onderzoekers uit vroegeren tijd vele juiste berichten medegedeeld. Zeer spoedig kwam men tot de overtuiging, dat het uitdeelen van schokken door den Visch geheel willekeurig geschiedt. Bajon raakte een Sidderaal met den vinger aan, zonder iets te gevoelen, maar kreeg zwakke schokken, toen hij den vinger op den rug legde. Toen deze Visch bij het ververschen van het water op den bodem was gevallen en, daar geen neger het dier wilde opheffen, door hem zelf bij den staart gepakt werd, kreeg hij zulk een hevigen schok, dat hij bijna omviel en een tijdlang geheel bedwelmd was. Een Kat, die een bijna dooden Sidderaal wilde pakken, sprong onder hevig geschreeuw terug; een Hond, die aan zulk een dier likte, ondervond dezelfde onaangename gevolgen.
De eerste schokken, die een volkomen ontwikkelde, gezonde, groote Sidderaal door goede geleiders van de electriciteit kan uitdeelen, zijn zeer krachtig. Een mensch of een ander groot Zoogdier wordt daardoor wel niet gedood, maar kan, als de lading bijzonder gevoelige lichaamsdeelen treft, in sommige gevallen bedwelmd worden; kleine dieren worden licht bedwelmd, of vallen zelfs dood neer, als door den bliksem getroffen. A. Kappler kreeg, toen hij langs den oever van een rivier in Suriname waadde, van een tusschen zijne beenen door zwemmenden Sidderaal een zoo hevigen schok, dat hij, als door den bliksem getroffen, in 't water viel en nog juist gelegenheid vond om zich aan een boomwortel vast te houden. "Wel 2 minuten lang waren mijne voeten als verlamd en was ik niet in staat ze te bewegen, langzamerhand verdween dit zonderlinge gevoel en kon ik verder gaan."
De Sidderaal is over een groot deel van Zuid-Amerika, vooral over het noordoosten van Brazilië, over Guyana en Venezuela verbreid; hij bewoont echter alleen zeer warme wateren, vermijdt derhalve bergstreken, in welker kouder water zijn electrisch vermogen, naar men zegt, aanmerkelijk vermindert en zoo goed als geheel verdwijnt. Het door hem bewoonde gebied is, naar het schijnt, grootendeels tot de wateren van de Llanos beperkt. Volgens Sachs is een smalle, modderige, in donkere schaduw gehulde beek of poel zijn liefste verblijfplaats. Hier ligt hij, althans over dag, op den bodem van 't water, maar stijgt met tusschenpoozen van gemiddeld een halve minuut naar de oppervlakte, houdt den bek boven water en slikt met hoorbaar gedruisch lucht in; hij duikt dadelijk weer onder; en laat intusschen de opgenomen lucht door de kieuwspleten ontsnappen. De inboorlingen worden de aanwezigheid van een Sidderaal gewaar door deze wijze van ademhaling, die duidelijk de aandacht trekt. Zoodra het duister begint te worden, vangt deze Visch aan zich te bewegen en te jagen. Door zijn electrische batterij is hij een veel vreeselijker vijand van zijne geschubde klassegenooten dan de vraatzuchtigste roofvisch zou kunnen zijn. Hij voedt zich met iederen buit, dien hij verzwelgen kan en in het door hem bewoonde water aantreft, met Visschen zoowel als met Krabben en in 't water vallende Insecten. Zoodra hij in de nabijheid van een door hem begeerd slachtoffer is aangekomen, maakt hij gebruik van zijn electrisch orgaan; de ontlading van de electriciteit brengt zulk een hevige werking teweeg, dat een oogenblik later alle Visschen en Krabben, die er door getroffen worden, met den buik naar boven gekeerd bewegingloos in 't water ronddrijven. Hij zoekt vervolgens de prooi uit, die hem het best aanstaat en verzwelgt haar door een hevige zuigwerking, die een duidelijk hoorbaar gedruisch veroorzaakt. Bij den aanvang van het droge seizoen, wroet de Sidderaal een diep, rond gat in den modder, door zich voortdurend in een kring rond te draaien. In dit gat kruipt hij weg, wanneer de door hem bewoonde poel op het punt is van uit te drogen en het hem niet mogelijk was te rechter tijd de wijk te nemen naar een deel van den poel, dat het water langer behoudt. Op de laatstgenoemde wijze redt hij zich steeds uit den nood, indien hiertoe gelegenheid bestaat: de reis moet steeds te water geschieden; hij kan niet over land trekken en zelfs niet over het vochtige slijk zich bewegen; evenals andere Visschen, zal hij om 't leven komen, als hij geen anderen poel kan bereiken.
Een groote, door hem ondernomen en bij uitzondering zeer gelukkige vischvangst met schutnetten, waardoor vele honderden Trembladores ingesloten waren, beschrijft Carl Sachs op een zeer aanschouwelijke wijze. Na het plaatsen van een der schutnetten begaven de aangeworven mannen zich "met stokken gewapend te water, vormden een rij, die zich van den eenen oever naar den anderen uitstrekte en gingen onder vreeselijk geschreeuw langzaam vooruit, terwijl zij voortdurend met de stokken op het water sloegen. Ik had een plaats ingenomen in de nabijheid van het schutnet en keek zonder groote verwachting naar de oppervlakte van het water; plotseling zag ik met verrukking de mij welbekende groene en roode koppen boven water komen. Een groot aantal Trembladores was op een bepaalde plaats van den poel verzameld geweest; vluchtend voor het geraas, dat mijne helpers maakten, waren zij bij het schutnet gekomen en trachtten nu met slangsgewijze kronkelingen van het lichaam er over heen te komen, hetgeen echter aan geen hunner gelukte. Dadelijk riep ik mijne metgezellen toe het andere net ook te water te laten; toen dit geschied was, bleef de geheele troep tusschen de beide netten in een nauwe ruimte opeengedrongen. Daar het te vreezen was, dat de Trembladores, wanneer men ze al te veel in 't nauw bracht, met geweld door de tamelijk wijde mazen van het net zouden sluipen, liet mijn gastheer, Don Guancho Rodriguez, de mannen halt maken en nam het medegebrachte werpnet ter hand. Naakt in 't water staande, wierp hij het zoo behendig, dat het, ontplooid door de levende kracht van de looden gewichten die het bezwaarden, radvormig in 't water neerkwam.
"Intusschen trok ik de caoutchouc-handschoenen aan, die ik uit Berlijn medegenomen had, om de gevangen dieren te kunnen grijpen. Daar zoowel Don Guancho als de voor 't bergen der Visschen bestemde, met water gevulde ton, die in der haast ter plaatse was gebracht, zich aan den anderen oever bevonden, moest ik mij eveneens daarheen begeven; om het nat worden van mijne kleederen te verhoeden, liet ik mij door een der mannen dragen. Deze struikelde echter over een verborgen boomwortel of over een ander voorwerp en viel met mij in 't water. Hoewel ik schielijk weer opstond, kwam ik doornat aan den anderen oever. Op hetzelfde oogenblik ving Don Guancho met het werpnet een der Sidderalen. Door de handschoenen tegen de electrische schokken beschut, lichtte ik het forsche, meer dan 1.5 M. lange, geweldig tegenspartelende dier op en was voornemens het schielijk in den ton te werpen. Maar het gleed mij door de handen en viel voor mijne voeten, zoodat het juist met den kop en den staart mijne beide beenen aanraakte. Dit had ten gevolge, dat ik de krachtigste schokken kreeg, die een volkomen frissche Sidderaal geven kan. Eenige seconden bleef de Visch op de genoemde plaats en was ik door den schrik buiten staat mij te bewegen, want het hoogst opgewonden monster joeg mij een ware hagelbui van vreeselijke schokken door het lichaam; ik schreeuwde luid, overweldigd door de pijn, totdat eindelijk het dier van mijne voeten afgleed en in het niet door netten ingesloten deel van 't water te recht kwam.
"Het was voor 't eerst, dat ik de volle kracht van een pas gevangen, groote Sidderaal ondervond. Ik kan verzekeren, dat het geen kleinigheid is. A. von Humboldt schrijft, dat hij na zulk een voorval den geheelen dag een hevige pijn in alle leden gevoelde. Dergelijke gevolgen heb ik niet ondervonden; het is echter niet onwaarschijnlijk, dat de verschijnselen van minder voorbijgaanden aard geweest zouden zijn, als ik de schokken in den romp of in het hoofd had gekregen, in plaats van in de voeten."
Onze zegsman noemt den Sidderaal den sierlijksten zwemmer van alle hem bekende Visschen; hij was verrukt over de bewegingen van zijne gevangenen. Als de Sidderaal in een nauwen bak wordt geplaatst, zwemt hij onrustig in een kring rond en doet zijn best om over den rand heen te ontvluchten, hetwelk hem niet zelden gelukt. Wanneer hij echter in een wijden, goed ingerichten bak wordt gebracht, berust hij in zijn lot, vleit zich, lang uitgestrekt, op den bodem neer en blijft hier in den regel den geheelen dag liggen, zonder eenige andere bewegingen te maken, dan voor de ademhaling noodig zijn; bovendien zoekt hij steeds de donkerste plaats op. Als de nacht begint, wordt hij onrustig. Door plotselinge verlichting van den door hem bewoonden bak geraakt hij in een hoogst opgewonden toestand. Hoewel hij weken lang honger kan lijden, leert men hem als een zeer vraatzuchtig dier kennen, wanneer men hem een overvloed van voedsel geeft. Het werpen van jonge Visschen of Kreeften in de woning van de Sidderalen gaf onmiddellijk aanleiding tot een vreemdsoortige jacht. Meestal was een enkele slag voldoende om de vervolgde dieren te verlammen; soms slaagden zij er echter in, zich met een sprong boven den waterspiegel te verheffen; dan schoot niet zelden ook de vervolger bliksemsnel uit het water om springend zijn buit te grijpen en dezen vervolgens, als naar gewoonte, zonder voorafgaande toebereiding te verslinden.
De Aalvisschen (Muraenidae) vormen een talrijke, meer dan 230 soorten omvattende familie; zij hebben een slangvormigen, meer of minder afgeronden romp met een meestal zijdelings samengedrukten staart; de buikvinnen ontbreken; de huid is naakt of met fijne, elkander niet aanrakende schubben bekleed; de bovenrand van de mondspleet wordt over zijn geheele lengte uitsluitend door de tusschenkaaksbeenderen gesteund; de rudimentaire bovenkaaksbeenderen bereiken de mondspleet niet; de schoudergordel is niet aan den kop, maar verder achterwaarts aan de wervelkolom gehecht. Het gebit en de vinnen kunnen, zooals later zal blijken, zeer verschillend zijn. De aarsopening is ver achter den kop gelegen. De ribben ontbreken. De Aalvisschen behooren in de warme en gematigde aardgordels thuis. De weinige soorten, die den poolcirkel overschrijden, zijn reeds op korten afstand van daar zeldzame verschijningen, en komen eenige graden verder noordwaarts in 't geheel niet meer voor. Zij leven in de zee, zoowel als in zoetwater; verscheidene soorten trekken, evenals onze Alen, van de rivieren naar de zee en begeven zich van uit de zee naar de rivieren terug. Bij voorkeur kiezen zij water met modderigen bodem tot verblijfplaats, omdat zij hier hun gewone voedsel vinden en schuilplaatsen, waar zij beveiligd zijn tegen de vervolging van groote roofvisschen. Alle Aalvisschen zonder eenige uitzondering leven van roof; verscheidene behooren tot de flinkste en vraatzuchtigste roovers, hoewel de meeste zich tevredenstellen met kleine dieren. Voor de menschelijke huishouding hebben zij sinds overouds een niet geringe beteekenis gehad; overal wordt daarom veel werk gemaakt van hun vangst. De Aalvisschen worden algemeen als een uitmuntend voedsel beschouwd en voldoen als zoodanig aan hooge eischen, daar zij zich zeer sterk vermenigvuldigen, een uitgestrekt gebied bewonen, een buitengewoon taai leven hebben en hierdoor geschikt zijn om na de een of andere wijze van toebereiding, maar ook in verschen toestand wijd en zijd verzonden te worden.
De Aal (Anguilla anguilla, Anguilla vulgaris) vertegenwoordigt het geslacht der Echte Alen; deze hebben kleine, ronde kieuwopeningen; de rugvin en de aarsvin zijn niet gescheiden van de staartvin; deze eindigt spits; de tusschen- en onderkaak en ook de ploegschaarbeenderen zijn met fluweelachtige tanden bezet. De rugvin neemt nagenoeg twee derde van de lichaamslengte in, de borstvinnen zijn kort en langwerpig. De uiterst fijne, doorzichtige, lange, smalle schubben zijn in de dikke, slijmerige huid weggedoken, hebben twee verschillende richtingen, die met elkander een rechten hoek vormen en laten dus vrije tusschenruimten over.
De donkere, groenachtige kleur van de bovendeelen is boven op den kop het donkerst en vertoont hier een bruinachtige tint; de onderzijde is wit met doffen zilverglans: de rugvin, de staartvin en het achterste deel van de aarsvin zien er nog donkerder uit dan de rug; de borstvinnen zijn bruinachtig zwart met donkerzwarten zoom. Gemiddeld bereikt de Aal een lengte van 1 M.; exemplaren van meer dan 1.3 M. zijn zeldzaam; hun gewicht gaat slechts bij uitzondering 6 KG. te boven.
De leden van deze soort kunnen in sommige opzichten van elkander verschillen, o. a. wat den vorm van den kop betreft, die soms spits, soms stomp eindigt. Deze afwijkingen en andere die van den leeftijd en van den tijd van 't jaar afhangen, hebben aanleiding gegeven tot het gebruik van verschillende benamingen. Volgens Van den Ende onderscheidt men te Arnhem den Aal in "Fijnkoppen" en "Grofaal" of "Jankoppen". De namen "Aal" en "Paling" worden zelfs door onze visschers veelal geheel willekeurig toegepast. Volgens Van Bemmelen worden in Noord- en Zuid-Holland de oude voorwerpen "Paling", de jongen meer bepaaldelijk "Aal" en de zeer kleine exemplaren "Bakaal" genoemd. Houttuijn zegt, dat de "Paling" een spitseren kop heeft, van boven bruiner, van onderen geler en bovendien ronder en vetter is, dat de Aal, die in 't voorjaar in 't IJ gevangen wordt en "Nebbeling" heet, een lichtere kleur heeft, doch in 't najaar zoo bruin wordt als de Paling. Ook in Overijsel spreekt men van Nebbeling en Nebaal. In Friesland en enkele andere provinciën noemt men de kleine exemplaren met bruinachtig gelen buik "Roode Aal", de groote met witten of witachtigen buik "Schiere Aal". Een andere kleursverscheidenheid is de "Oranje-aal".
Vooral door de onderzoekingen van Jacoby [7] is het mogelijk geworden de mannetjes en de wijfjes van den Aal met voldoende zekerheid te onderscheiden: De mannetjes zijn kenbaar aan hun veel geringere grootte (tot dusver heeft men er nog geen gevonden, die langer was dan 48 cM.), aan hun aanmerkelijk smalleren snuit (die soms lang gerekt is, soms kort en spits uitloopt), aan hun donkerder kleur (de rug is donkerder groen, dikwijls zelfs zwart, de zijden vertoonen een sterken metaalglans, de buik is wit); bovendien is de middellijn van het oog bij de wijfjes in den regel kleiner, de rugvin daarentegen veel hooger.
Bezuiden 64 à 65° N.B. bewoont de Aal alle zoete wateren van Europa met uitzondering van die, welke naar de Zwarte en de Kaspische Zee vloeien. In den Atlantischen Oceaan ontmoet men hem zoowel bij Noord-Amerika als bij Europa. In Azië treft men hem niet aan; in 't Ob-gebied althans is hij zoo goed als onbekend. Aan diep water met modderigen bodem geeft de Aal de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats; hij houdt zich echter niet uitsluitend in zulke wateren op, maar bezoekt, reislustig als hij is, ook die, welke juist de tegenovergestelde eigenschappen hebben. Gedurende den winter ligt hij in 't slijk verborgen en houdt winterslaap of zwerft althans niet jagend rond. Zoodra het warme jaargetijde aanvangt, begint zijn zomerleven. Met slangsgewijze kronkelingen zwemt hij zeer vlug in waterlagen van verschillende diepte, sluipt met bewonderenswaardige behendigheid door holen of buizen, komt b.v. geregeld voor in de waterleidingen van steden, waar het water niet behoorlijk gezuiverd wordt en bereikt op deze wijze zelfs de bovenste verdiepingen van gebouwen. Ook woelt hij zich door half verstopte buizen heen en ontsnapt op deze wijze uit vijvers, waarin men meende hem te kunnen behouden. Nog altijd beweren sommigen, dat hij 's nachts aan land gaat om in de erwten- en wikkenakkers op Slakken en Wormen jacht te maken. Onmogelijk is het niet, dat de Aal tochten maakt, daar, zooals ons reeds gebleken is, ook andere Visschen zich over het land bewegen. Zelfs de ervarenste visschers weten echter van deze uitstapjes van den Aal op grond van eigen ervaring niets mede te deelen; wel moeten zij dus, zoo ooit, zeer zeldzaam voorkomen. Zelfs indien men het voor bewezen houdt, dat er Alen op het land gevonden werden, moet men niet uit het oog verliezen, dat deze dieren licht na een overstrooming daar achtergebleven kunnen zijn. Volkomen juist is het, dat de Aal in de lucht kan ademen en dus een dag of langer buiten het water kan leven; hieruit blijkt echter nog volstrekt niet, dat hij reizen over land onderneemt.
Als voedsel gebruikt de Aal hoofdzakelijk lagere dieren, vooral Wormen en Schaaldieren; bovendien maakt hij soms Vorschen en kleine Visschen buit; naar men zegt, vreet hij ook aas. Hoewel hij om zijn vraatzucht en gulzigheid in Friesland "Ropper", in Gelderland "Happer" heet, staat de kleinheid van de mondopening hem bij het rooven en happen zeer in den weg.