Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren

Part 7

Chapter 73,613 wordsPublic domain

Bij de overige Bandtongige Kamkieuwigen is de mantelrand uitgegroeid tot een voor de ademhaling dienende, gootvormige lob (ademsipho) en de opening van de schelp bijgevolg voorzien van een insnijding of kanaal; zij heeten daarom Siphonostomata, hebben een gewonden schelp, die meestal met een (hoornachtig) deksel gesloten kan worden, leven in de zee en zijn voor 't meerendeel diereneters.

De familie, waarvan de Porseleinhorenslakken (Cypraea) de kern vormen (Cypraeidae), zou men met het oog op de economische beteekenis der Kauris de belangrijkste van de geheele klasse kunnen noemen. De buitenste (jongste) omgangen bedekken de oudere nagenoeg geheel, zoodat deze niet zichtbaar (ingewikkeld) zijn. Evenals hare verwanten, hebben deze Slakken een tamelijk dikken kop met korte slurfen, lange, slanke, dicht bijeen gezeten voelers, aan welker basis, op een knobbel aan de buitenzijde, de oogen voorkomen. De mantel strekt zich naar weerszijden zeer ver uit en kan naar boven omgeslagen worden, zoodat het huisje er grootendeels of geheel door bedekt is. Wegens den eigenaardigen glans, dien de schelp hieraan ontleent en wegens hare soms zeer schitterende en bonte, soms zeer teere kleuren nemen de Porseleinhorens een voorname plaats in onder de aantrekkelijkheden eener conchyliënverzameling. Misschien heeft geen enkel geslacht van oudsher zooveel belangstelling gewekt; de reden hiervoor is zoowel in de veelvuldigheid dezer conchyliën als in haar werkelijk zeer fraai uiterlijk te vinden. In alle oorden van de wereld en zelfs bij zeer onbeschaafde volken dienen zij ter versiering van woningen en van kleederen; op grond van een overoude conventie zijn sommige soorten in verscheidene landen als pasmunt in gebruik. Om verschillende redenen verdienen de Porseleinhorens de voorkeur die hun betoond wordt: zij bekoren het oog door de fijne afronding hunner vormen, kunnen gemakkelijk een spiegelgladde oppervlakte verkrijgen, doen in hardheid voor marmer niet onder en prijken met schitterende kleuren. Ook uit een wetenschappelijk oogpunt trekken zij de aandacht, daar de schelp bij toenemenden leeftijd op in 't oogvallende wijze van vorm verandert. Bij het jonge dier is zij dunwandig en heeft een wijden mond met ongetande lippen; bij de volwassen Slak is de mond lang en smal, aan beide einden diep ingesneden (tuitvormig); terwijl tevens beide lippen getand zijn.

De belangrijkste soort van het geheele geslacht is de Kauri (Cypraea moneta). Deze wordt 1½ à 2 cM. lang, is wit- of geelachtig, breed eivormig en van achteren aan weerszijden van twee stompe knobbels voorzien. Het talrijkst vindt men haar op de kust der Maledivische eilanden, waar zij, volgens berichten uit vroegeren tijd, 2-maal in de maand, 3 dagen na nieuwe maan en 3 dagen na volle maan, ingezameld wordt. Van hier wordt zij gedeeltelijk naar Bengalen en Siam, vooral echter naar Afrika verscheept. De hoofdstapelplaats voor den Afrikaanschen kauri-handel is Zanzibar. Van Afrika's oostkust begeven zich sedert eeuwen groote karavanen met dit artikel, dat geld en koopwaar is, naar het binnenland. Bij scheepsladingen worden deze schelpjes door Europeesche schepen van Zanzibar afgehaald en aan de westkust tegen de producten des lands, stofgoud, ivoor, palmolie, ingeruild. In Goere vertegenwoordigden 700000 Kauris een waarde van 594 gulden, 1180 stuks dus 1 gulden; de inkomsten van den vorst bedroegen 30 millioen Kauris per jaar. De waarde is natuurlijk aan koers onderhevig en hangt af van den aanvoer en van de transportkosten. Gewoonlijk zijn zij bij honderd aan een koord geregen om het tellen gemakkelijker te maken. Op vele plaatsen is dit echter niet gebruikelijk; zoodat de duizenden een voor een afgeteld moeten worden. Zoolang de Nederlanders Ceylon bezaten, was dit eiland de belangrijkste stapelplaats voor den handel in Kauris; van hier werden zij in korven, in balen die ieder 12000 stuks bevatten, of (naar Guinea) in vaten verzonden. Een tijdlang werd met behulp van Kauris de geheele Afrikaansche slavenhandel gedreven. Voor 12000 pond van dit artikel konden 500 à 600 slaven gekocht worden. Tegen het midden van de 8e eeuw was de prijs reeds verdubbeld; later werden de kustdistricten met Kauri-geld overstroomd en kwamen voor deze schelpen andere ruilmiddelen in de plaats.

Merkwaardige soorten uit den Indischen Oceaan zijn: de 10 cM. hooge Argus (Cypraea argus), welker geelachtig witte schelp van boven met bruine, op oogen gelijkende ringen, van onderen met 4 groote bruine vlekken geteekend is;--de 8 cM. hooge Groote Slangenkop (Cypraea mauritiana), welker eivormige schelp van boven bultig, van achteren neergedrukt, van onderen plat en grootendeels effen zwartbruin is, doch een roodbruine bovenzijde, met geelachtig witte, verspreide vlekken heeft;--de 4 cM. hooge Kleine Slangenkop (Cypraea caput serpentis), die van de vorige verschilt door de dicht bijeenstaande, als 't ware een netwerk vormende, witte vlekken;--de 10 cM. hooge Tijgerslak (Cypraea tigris), welker van boven en van onderen even sterk gewelfde schelp van onderen wit is, doch een blauwachtig witte bovenzijde heeft met talrijke, zwartachtig bruine, groote, uitvloeiende vlekken en een overlangsche, rechte, roestbruine streep in 't midden.

De Tritonshorenslakken (Tritoniidae) hebben een grooten kop, die tusschen de lange, kegelvormige voelers vooruitsteekt. Deze dragen de oogen aan de buitenzijde ongeveer op halverhoogte. Een tamelijk lange snuit kan door de mondspleet, aan de onderzijde van den kop, uitgestoken worden. De schelp is langwerpig eivormig of bijna torenvormig, met hooge spiraalwinding, overlangs loopende verdikkingen op iederen omgang en een tamelijk lang, recht kanaal aan den mond. Het voornaamste geslacht is dat der Kinkhorens of Trompetslakken (Tritonium). In de Middellandsche Zee leeft de Knobbelige Kinkhoren (Tritonium nodiferum), welker schelp, de Buccina der oude Romeinen, door hen als krijgstrompet gebruikt werd en ook thans nog de trompet is van de Italiaansche jagers en visschers. Voor 't zelfde doel dient de even groote Tritonshoren (Tritonium tritonis) bij de kustbewoners van den Indischen Oceaan. De naam "kinkhoren" is ontleend aan het geluid, dat men hoort, wanneer men den mond van de schelp voor het oor houdt. Dit geluid, dat ook wel "het bruischen van de zee" wordt genoemd, hoort men trouwens aan alle niet-te-kleine Slakkenhuizen, daar deze een goede resonansbodem opleveren voor het mengelmoes van tonen van ieder gedruisch. Eenig gedruisch moet er zijn, opdat men een geluid zal hooren; bij absolute stilte zwijgt ook de Tritonshoren. Veelvuldig ziet men deze schelp voorgesteld op schilderijen, beeldengroepen en reliefs uit den rococo-tijd.

In meer dan één opzicht zijn de Tonhorenslakken (Doliidae) merkwaardig. Haar schelp is dunwandig, buikig, dikwijls bijna bolrond, de mond wijd, de buitenlip meestal verdikt en over haar geheele lengte gekorven. Het dier heeft een langwerpig-eivormigen, grooten en dikken voet, die door het opnemen van water sterk in omvang kan toenemen. De kop is plat en breed, zijn voorrand tusschen de voelers bijna rechtlijnig. Deze zijn lang en dragen de oogen aan de buitenzijde op hun verdikt grondstuk. De adembuis is dik, tamelijk lang en wordt boven de schelp teruggebogen.--De 11 cM. hooge Tonslak (Dolium perdix) uit de Middellandsche Zee is de grootste Slak van dit gebied. Toen Prof. Troschel te Messina met dierkundige onderzoekingen bezig was, bracht men hem een groot, levend exemplaar van deze soort, dat bij aanraking de slurf een halve voet ver uitstak en onmiddellijk door de mondopening een straal van een waterheldere vloeistof een voet ver uitspoot. Tot zijn groote verbazing zag Troschel, dat deze vloeistof overal, waar zij op den uit kalksteen bestaanden vloer neerkwam, een opbruisching veroorzaakte en dus geen speeksel, maar een sterk zuur was. Het bleek, dat zij 3 à 4 percent vrij zwavelzuur en 0.3 percent vrij zoutzuur bevat en dat deze zuren afgescheiden worden door een afzonderlijke klier, die naast de eigenlijke speekselklier ligt. Het doel van deze verrichting, die, naar Panceri heeft aangetoond, ook bij een aantal soorten van de geslachten Cassis, Cassidaria en Tritonium voorkomt, is onbekend.--Onderzoekingen op kunsthistorisch gebied hebben tot het vermoeden geleid, dat de schelp van de Tonslak het voorbeeld is geweest van de spiraalswijze versieringen van de Ionische zuil.

De beide nu volgende familiën (Aporrhaideae en Strombidae) worden, op grond van den eigenaardigen vorm der schelp, Vleugelhorenslakken genoemd, hoewel het onderzoek der weeke deelen leert, dat zij aanmerkelijk van elkander verschillen. Van het geslacht Aporrhais zijn slechts 4 soorten uit de Europeesche zeeën bekend; één daarvan--de Pelikaansvoet (Aporrhais pes-pelecani)--komt overal zeer veelvuldig voor. Haar huisje is spoelvormig en bestaat uit 10 bolle omgangen, die op het midden met naar boven en naar onderen uitloopende ribben bezet zijn; op den laatsten omgang vindt men onder deze nog een rij kleinere knobbeltjes en daaronder een verhoogde, soms gekorrelde lijn. De geheele buitenste oppervlakte is verder met fijne, gegolfde strepen bedekt. De binnenlip loopt naar onderen en naar boven uit in een spits eindigend kanaal; de vrije mondrand is naar buiten omgeslagen en tot een vleugel verbreed, die in 't midden vingervormige verlengsels draagt: een korte en twee lange vingers, op welker buitenvlakte de knobbelrijen der omgangen als ribben doorloopen, aan de binnenzijde van gleuven voorzien, die zich zoover uitstrekken als de mondrand omgeslagen is. De buitenlip is aanvankelijk gaafrandig; eerst langzamerhand ontwikkelt zich de vleugelvormige uitbreiding met hare uitsteeksels. De kop van den bewoner dezer schelp is tot een platten, van voren uitgesneden snuit verlengd. De lange, draadvormige voelers dragen de oogen aan de buitenzijde op een knobbel. De voet is klein, maar geheel voor 't kruipen ingericht, aan weerszijden afgerond. De mantel van het geheel volwassen dier is niet sterk verbreed en op de plaatsen, waar de schelp vingers heeft, slechts slipvormig uitgegroeid.

De Vleugelhorenslakken i.e.z. (Strombus) en de Vingerhorenslakken (Pterocera) zijn zeer zonderling gebouwd. De voet is bijna rechthoekig geknikt, een weinig samengedrukt, aan den rand afgerond: het kortere, voorste deel is uitgesneden, het zeer lange, achterste deel draagt aan 't einde een bijna sikkelvormig, hoornachtig deksel, dat de mond van de schelp niet kan sluiten. Deze voet is niet geschikt voor een kruipende beweging; het dier springt er mede: schuift het achterste deel onder het voorste, brengt beide plotseling in den vorigen stand terug en wordt door den schok opgeheven.

De kop draagt twee dikke, cilindervormige stelen, aan welker top de meestal buitengewoon groote, schel gekleurde oogen voorkomen; de voelers ontspringen aan de binnenzijde van deze stelen in den vorm van dunne draden. Tusschen de oogen is de kop tot een langen, niet terugtrekbaren snuit verlengd. De mantel is groot, maar dun en heeft meestal een draadvormig aanhangsel, gelegen in het bovenste kanaal van den lijnvormigen schelpmond, die ook van onderen in een kanaal eindigt. De buitenlip van den schelpmond is gewoonlijk vleugelvormig uitgespreid, soms naar boven in een lob verlengd, maar nooit voorzien van de lange uitsteeksels of vingers, die aan de Vingerhorenslakken zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen. Bij deze vindt men er gewoonlijk 6 (bij Pterocera millepeda 9) aan de buitenlip, terwijl bovendien de schelpmond naar onderen en naar boven in een vingervormig kanaal uitloopt. De namen Duivelsklauw, Schorpioen, Bootshaak, Zeespin doelen op deze eigenaardige uitsteeksels.--De 12 soorten van Pterocera bewonen de keerkringszeeën, evenals de 80 Strombus-soorten.--De schelpen van het Reuzenoor (Strombus gigas), een in West-Indië zeer veelvuldig voorkomende soort, worden niet zelden gebruikt als omlijsting van bloemperken, als bloempotten en als bloemvazen; zij kunnen 30 cM. hoog en 4.5 KG. zwaar worden. Om te begrijpen, hoe het dier, ondanks dit groote gewicht, springen kan, moet men niet uit het oog verliezen, dat het opheffen van een in water ondergedompeld voorwerp veel minder kracht vereischt dan in de lucht.

De Vedertongige Kamkieuwigen (Ctenobranchiata Ptenoglossa) hebben, evenals de reeds behandelde leden der onderorde, een uit talrijke leden (of dwarsreeksen van tandjes) samengestelde wrijfplaat; de leden hebben echter een ander maaksel, bestaan uit een groot aantal kleine, haak- of klauwvormige zijplaatjes zonder middelplaat. Met de Gaafmondige Bandtongigen komen deze Slakken overeen door het gemis van een adembuis, zooals blijkt uit het niet aanwezig zijn van een insnijding of kanaal aan den schelpmond. Tot deze groep behooren o.a. de Janthiniden, welker meest bekende vertegenwoordigers de Kwalbootslakken (Janthina) zijn. Deze hebben een zeer dunne, buikige schelp van blauwachtige kleur, in vorm ongeveer overeenkomende met het huisje onzer Tuinslakken. Zij leven van dierlijk voedsel in de open zee en werpen om zich te verdedigen, doch waarschijnlijk ook om haar buit gemakkelijker te vangen, een purperkleurige vloeistof uit, die het water in de omgeving troebel maakt. Het meest trekken zij echter de aandacht door het aan 't achterste deel van den voet verbonden "vlot", dat uit een groot aantal samenhangende, met lucht gevulde, kraakbeenharde slijmblaasjes bestaat, waarmede zij aan de oppervlakte van de zee blijven hangen. Ondanks de lichtheid van dezen toestel, zijn zij niet weerloos overgeleverd aan iedere strooming van het water of van de lucht, maar kunnen haar bewegingsrichting wijzigen met behulp van een kleine vin, die zich aan weerszijden van den voet, een weinig boven zijn rand bevindt.

"Een krachtige storm uit het noordwesten" schrijft Lacaze-Duthiers, "had een groot aantal drijftoestellen van Janthinen op den zandigen oever van de baai van Boulif niet ver van La Calle" (bij de grens van Algerië en Tunis) "geworpen; hierbij waren een groot aantal nog levende dieren, die, in een aquarium overgebracht, onmiddellijk hun door storm en stranding beschadigd vlot begonnen te herstellen. In 't eerst verbaasde ik mij er over, dat alle Janthinen, die haar drijftoestel geheel verloren hadden, op den bodem bleven liggen, hoewel zij volkomen gaaf waren; eenige van de vlugste kropen, niet zonder moeite, met behulp van den voet bij den wand omhoog tot aan de oppervlakte en bogen zich daar achterover; het gelukte haar echter slechts bij uitzondering een vlot te vervaardigen; de meeste zonken weer naar den bodem. Nooit zag ik ze, gelijk zoovele andere Slakken, door uitzetting en samentrekking van den voet zwemmen. Het dier met de schelp scheen te zwaar te zijn om zonder vlot te kunnen drijven. De exemplaren, die op den bodem lagen, stierven zeer spoedig". Door de Slak met behulp van een steunsel van metaaldraad zoo dicht bij den waterspiegel te brengen, als zij zich met haar vlot zou bevinden, leerde Lacaze-Duthiers haar wijze van werken kennen.

De voet bestaat uit twee afdeelingen: de achterste, waaraan het vlot vastzit, is plat en grooter dan de voorste (p), welker benedenwaarts omgekrulde rand een kanaal van voortdurend veranderende gedaante vormt, dat bij het vervaardigen van het vlot een hoofdrol speelt. Het wordt naar voren gestrekt en vervolgens boven den waterspiegel opgeheven, waar het een luchtbel (b) omvat, die, met een door den voet uitgezweete slijmlaag omhuld, door het intusschen achterwaarts gebogene, naar rechts of links overhellende orgaan tegen het voorste deel van het vlot wordt aangedrukt. Zoodra het vlot gereed is, blijft het voorste deel van den voet er op liggen. Hoewel de aanvankelijk weeke slijmlaag in het water weldra hard wordt, is het drijftoestel zoo broos en aan zoovele gevaren blootgesteld, dat zijn draagkracht waarschijnlijk zeer dikwijls door toevoeging van nieuwe blaasjes op de vereischte grootte moet worden teruggebracht.

Een andere eigenaardigheid van de Janthinen is, dat het wijfje de eieren in kleine cocons aan de onderzijde van haar vlot medevoert. Men weet niet, hoe zij ze hier bevestigt. Alleen het toeval zal ons hierover kunnen onderrichten, daar alle teere bewoners van de open zee, in een aquarium slechts kort in 't leven blijven, waarschijnlijk vooral, omdat men hun geen geschikt voedsel kan verschaffen en het bovendien uiterst moeilijk is het water op den vereischten graad van reinheid te houden.

Tot dezelfde groep behooren de Wenteltrapslakken (Scalariidae). Op de Noordzeekust vindt men vrij veelvuldig de 35 mM. hooge Gewone Wenteltrap (Scalaria communis), die, evenals de andere leden van haar geslacht, een wit, porseleinachtig, torenvormig huisje heeft met bolle, overlangs geribde wendingen. Bij haar komt geen navel voor, wel bij de 50 cM. hooge, uit Oost-Indië afkomstige Echte Wenteltrap (Scalaria pretiosa), welker omgangen bovendien alleen door de overlangsche ribben met elkander in aanraking komen. Vroeger werden voor het laatstgenoemde schelpje door de verzamelaars zeer hooge prijzen besteed, soms wel f 200; thans is het wel voor een rijksdaalder te krijgen.

Een tolvormig of schijfvormig huisje met wijden en diepen navel, waardoor men tot aan den top kan zien, hebben de Verrekijker- of Zonnewijzerslakken (Solariidae), waarvan de meest gewone soort, de Oost-Indische Solarium perspectivum, een middellijn van 60 à 65 mM. kan bereiken.

Bij de afdeeling der Smaltongigen (Rhachiglossa) is de wrijfplaat lang en smal, bandvormig, ieder lid (of dwarsreeks) samengesteld uit een middelplaat (welks achterrand gewoonlijk met uitstekende, scherpe tanden bezet is) en twee (soms ontbrekende) zijplaten. Alle hebben een adembuis en bijgevolg een kanaal of insnijding aan het voorste deel van den schelpmond; zij bewonen de zee en voeden zich bijna zonder uitzondering met dieren.

De familie der Plooihorenslakken (Volutaceae), die zich kenmerkt door het gemis van zijplaten aan de wrijfplaat en haar naam ontleent aan de sterk uitpuilende, schuinsche plooien op de spil, omvat een aantal voor verzamelaars van conchyliën zeer merkwaardige soorten, van welker levenswijze echter zoo goed als niets belangrijks valt mede te deelen. Merkwaardig zijn o.a. wegens hun grootte: de Gekroonde Tepelbak of Moorenkroon (Cymbium aethiopicum, 135 mM. hoog) en de Neptunuswagen (Cymbium Neptuni, 240 mM. hoog), beide afkomstig uit de Perzische Golf,--wegens de teekening van de schelp: de West-Indische Muzieknotenslak (Voluta musica), met bruine, evenwijdige dwarslijnen (als notenbalken) en bruine stippels (als muzieknoten), de Oost-Indische Vleermuisslak (Voluta vespertilio) met roodbruine, zigzagvormige strepen en vlekken.

Ongeveer hetzelfde valt op te merken van de Mijterslakken (Mitridae), die een kleineren, breederen voet en een veel langere slurf (soms langer dan de schelp) hebben dan de vorige, waarvan zij bovendien verschillen door haar spoelvormige schelp met spitse, hooge winding. Door de kleur van de schelp en de knobbels aan den naad onderscheiden zich de voor verzamelaars belangrijke soorten Mitra episcopalis, papalis, pontificalis, cardinalis, enz.

De schelp van de Olijfhorenslakken (Oliva), die een gelijknamige familie vertegenwoordigen, herinnert aan die van den Porseleinhoren, maar verschilt er van, doordat de jongste windingen de oudere niet geheel bedekken; steeds is een, wel is waar korte, maar spitse winding zichtbaar, met diepen, groefvormigen naad. Zij is glad en glanzig, daar de zijstukken van den eivormigen, zeer breeden voet over de schelp heengelegd worden. De voorste lob van den voet, aan weerszijden door een diepe insnijding begrensd, steekt ver voorbij den kop uit. Deze is klein; de voelers zijn naast elkander vastgehecht en dragen aan de buitenzijde, op tamelijk grooten afstand van hun basis, de oogen. De mantel is van voren uitgegroeid tot een lange adembuis met een haar gedeeltelijk omgevende plooi, van achteren tot een draad, die in den naad van de winding ligt. Deze Slakken bewonen bij voorkeur een zandigen zeebodem in helder water, kruipen zeer snel en vreten vleesch; zij moeten zich echter, wegens de zwakke bewapening van de tong, tot zuigen bepalen. Ongeveer 150 soorten van dit geslacht bewonen de tropische zeeën.

De Harpslakken (Harpa) hebben een zeer grooten voet, die veel breeder is dan de schelp en in uitgestrekten toestand ook tweemaal zoo lang. De fraaie, eivormige, min of meer opgeblazene schelpen zijn gemakkelijk te herkennen aan de evenwijdige, scherprandige, overlangsche ribben. Reeds Rumph heeft opgemerkt, dat deze Slakken, die den Indischen en den Stillen Oceaan bewonen, door hevige samentrekkingen het achterste deel van den voet afwerpen kunnen. Dwars door den voet loopt n.l. een waterkanaal; op deze zwakkere plaats komt de scheiding tot stand. Hoewel het verloren lichaamsdeel zeer groot is, groeit het schielijk weder aan.

Een zeer veelvuldig aan onze kust voorkomende soort--de Wulk, ook wel eenvoudig Horen genoemd (Buccinum undatum)--dient gewoonlijk als voorbeeld bij het bespreken van de familie der Bucciniden. De 8 à 9 cM. hooge schelp is kegel-eivormig, buikig en op de bolle, overlangs geplooide omgangen van uitpuilende dwarslijnen en fijne, overlangsche strepen voorzien. Aan de beide hoeken van den platten, van voren afgeknotten kop bevinden zich de tamelijk lange voelers, waarop aan de buitenzijde, dicht bij de basis, de oogen voorkomen. De voet is groot, van achteren en aan de beide voorste hoeken afgerond. De Wulk houdt zich op in de nabijheid van zandige kusten en dringt dikwijls met behulp van den voet in den bodem door, met het doel om de hier levende Mossels (Pecten opercularis, soorten van Mactrina, Tellina, Venus en andere geslachten) buit te maken, die zij verslindt, na haar met de tong een gat in de schelp geboord te hebben. Op ons zeestrand vindt men dikwijls schelpen, die, blijkens de regelmatige ronde opening, die zij vertoonen, op deze wijze zijn leeggevreten. De Wulken en hare verwanten (vooral de Purperslakken en de Stekelhoornslakken) vernielen allerlei eetbare Weekdieren (o.a. Oesters en Mossels), maar worden zelf ook gegeten (komen op de Londensche vischmarkt o.a. geregeld voor); bovendien leveren zij aas voor de vischvangst.

Ledige eiernesten van de Gewone Wulk, bij de strandbewoners bekend onder den naam van "zeeschuim", worden veelvuldig door de golven op het strand geworpen. Het zijn rondachtige opeenhoopingen van gele, vliezige blaasjes, half zoo groot als erwten en samengedrukt bolvormig; die, welke men op het strand vindt, zijn opengebarsten en dienen dikwijls tot schuilplaats aan kleine strandbewoners. De Slakken hechten deze door een dikken band onderling vereenigde eierenzakjes vast aan allerlei onderzeesche voorwerpen, aan steenen, stukken hout, oesterschelpen, enz.; hun wand is aanvankelijk zoo dun en doorzichtig, dat men er de eieren gemakkelijk met een vergrootglas in kan waarnemen; ieder zakje bevat er niet minder dan 600 à 800 en levert toch slechts 4 à 12 jonge Slakken op. De kiem ontwikkelt zich uit den inhoud van een enkel ei, bezit weldra, behalve andere organen, ook een mond en een spijskanaal en verslindt dan de haar omringende, niet ontkiemde eieren, die eenvoudig als voedsel dienen. Bij deze Slakken bestaat de inhoud van het ei uitsluitend uit den zoogenaamden "vormingsdooier", die door celdeeling de weefsels van de kiem levert; bij andere dieren vindt men er ook nog den zoogenaamden "voedingsdooier" in, die in het spijskanaal van het jonge dier opgenomen en verteerd wordt. Aanvankelijk zijn alle in een kapsel aanwezige eieren volkomen gelijk van aard; de eigenlijke reden waarom er slechts zoo weinige van tot ontwikkeling komen, is onbekend.