Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren

Part 6

Chapter 63,703 wordsPublic domain

Evenals de Vinpootigen, bewonen de Kielslakken de open zee. Haar geleiachtig, doorzichtig lichaam is naakt, of wordt door een teere, doorzichtige schelp beschut. Deze orde omvat slechts een 60-tal soorten en biedt veel minder verscheidenheid van vormen aan dan de beide vorige groepen van Slakken, die op het land, in het zoetwater en op de plantenwereld van de kustzee veel meer verschillende levensomstandigheden hebben ontmoet. In de nabijheid van deze past nog het best de familie der Atlanten (Atlantidae), diertjes van eenige mM. middellijn, die iedereen op het eerste gezicht als Slakken herkennen zal. De kop is verlengd tot een snuit, aan welks einde zich de mondopening bevindt. Het bovenste, aan een kruin herinnerende deel van den kop geeft de belangrijkste zenuwcentra en de zintuigen van dit bijna waterheldere dier te aanschouwen, n.l. de bovenslokdarmknoopen, de gehoorblaasjes, de hoog ontwikkelde oogen en (vóór deze) de voelers. Daar wij reeds bij vele Vinpootigen en Voorkieuwigen een voet leerden kennen, die door overlangsche of dwarse groeven in afdeelingen is gesplitst, hebben wij slechts één stap verder te doen om de voor 't kruipen dienende zool der meeste Buikpootigen te vervormen in het op een geheel andere wijze werkende bewegingsorgaan van Atlanta en van de meeste Kielslakken. Wij zien hier--in plaats van den breeden, meestal onmiddellijk met den kop samenhangenden voet--van den kop door een diepe bocht gescheiden, een lichaamsdeel, waaraan drie afdeelingen zijn op te merken. De eerste is zijdelings samengedrukt tot een voor 't zwemmen geschikt orgaan, dat kiel wordt genoemd. Het kan zich uitmuntend bewegen; het dier roeit zich er op soortgelijke wijze mede voort als de matroos, die achter in een boot met één riem staat te pagaaien. Onmiddellijk achter de kiel bevindt zich een zuignap, waarmede de Kielslak zich aan den bodem, in de regel echter aan voorwerpen, die vrij in 't water drijven, vooral aan wieren, vasthecht. De derde of achterste afdeeling is bij Atlanta eveneens zeer sterk ontwikkeld; het is de staart met het platte hoornachtige deksel op den rug, waarmede onze Heteropode, evenals vele andere Slakken, haar schelp kan sluiten.

De Atlanten komen in alle zeeën tusschen de keerkringen en van de beide gematigde aardgordels in grooten getale voor. Het best bekend zijn de beide soorten, die (met vele andere bewoners van de open zee) door storm en strooming dikwijls in de straat van Messina worden gedreven, n.l. Atlanta Peronii, welker schelp licht hoorngeel gekleurd en eenigszins buigzaam is, en Atlanta Kerandsenii, met een bijna glasheldere, brooze schelp. De middellijn van de grootste huisjes bedraagt bij deze soort 10, bij gene 9 mM.

Als de Atlanten verontrust worden, of om een andere reden zich naar de diepte willen begeven, trekken zij zich geheel in de schelp terug. De kop wordt het eerst geborgen, dan volgt, na plooiing, de kiel en ten slotte het achterste deel van den voet, dat met zijn deksel den mond der schelp geheel aanvult. De eieren drijven tot lange snoeren vereenigd, in 't water.

Carinaria gelijkt in sommige opzichten op Atlanta, maar nadert door andere belangrijke eigenaardigheden meer tot den derden hoofdvorm der Kielslakken. Ook bij dit geslacht is een schelp aanwezig, die echter buitengewoon dun en glasachtig is. Zij bestaat uit omgangen, die alle in één vlak gelegen zijn en zoo snel in wijdte toenemen, dat de laatste veel meer ruimte inneemt dan alle overige te zamen genomen. Hierin is echter alleen plaats voor de zoogenaamde "kern", die uit de lever en den kluwenvormige darm bestaat; de kieuwen steken voorbij den rand der schelp uit. Een spoelvormige massa, aan welker voorste uiteinde de kop voorkomt en waarvan het achterste stuk met de derde afdeeling van den voet van Atlanta vergeleken moet worden, maakt het grootste deel van het lichaam uit. Bij den oorsprong van den kop ziet men twee lange, spitse voeldraden, waarachter de oogen liggen.

Dat de liefhebbers van conchyliën zich, evenals andere verzamelaars, soms groote opofferingen getroosten, om in het bezit van een zeldzaam voorwerp te geraken, blijkt uit de prijs van f 1200, die indertijd voor een schelp van een Indische Carinaria werd betaald.

Volkomen naakt zijn de Kielslakken van het geslacht Pterotrachea; de ingewandenkern, die bij haar den vorm van een tarwekorrel heeft, wordt niet door een afzonderlijke, breukzakvormige uitstulping van den mantel omgeven en is niet door een schelp bedekt. Overigens gelijken deze Slakken veel op de leden van het vorige geslacht. Het lange, cilindervormige lichaam loopt van voren uit in een dunnen, meestal knievormig gebogen snuit en eindigt van achteren in een spitsen staart. De onderzijde is van een bijlvormige vin voorzien.

De Pterotracheën zijn, evenals al hare verwanten, vraatzuchtige roofdieren. Meestal tot groote scholen vereenigd en bij 't zwemmen den rug naar onderen, de kiel naar boven richtend, bewegen zij, naar buit zoekend, den snuit heen en weer; de tong wordt beurtelings uitgestoken en in opgerolden toestand teruggetrokken, hare zijtanden als tangen vóór de mondopening geopend en gesloten. Met deze grijporganen wordt de buit, die vooral uit Visschen, kleine Schaaldieren en Kwallen bestaat, gegrepen, vastgehouden en langzamerhand in het spijskanaal getrokken.

VIJFDE ORDE.

DE VOORKIEUWIGEN (Prosobranchia).

Deze orde, die alle overige in omvang overtreft, daar er ongeveer 9000 levende en 6000 fossiele soorten van bekend zijn, omvat nagenoeg alle door een stevig huisje omhulde Zeeslakken, bovendien echter eenige honderden Zoetwaterslakken (Paludinidae) en een duizendtal op het land levende, door longen ademende soorten (Neurobranchiata). Met uitzondering van de laatstgenoemde, hebben alle leden dezer orde kieuwen. Ter beschutting van de ademhalingswerktuigen vormt de mantel een plooi of een holte, die door een gat, een inham of een buis met de buitenwereld in gemeenschap staat. Ieder, die met den lichaamsbouw van een Longslak kennis heeft gemaakt, begrijpt zonder moeite de ligging der organen van andere Buikpootigen. Ter verklaring van de eigenaardigheden der Voorkieuwigen kan de nevenstaande afbeelding van een uit haar huisje genomen Zeeslak dienen.

Voor aan den kop zien wij een tamelijk langen snuit (a), aan welks einde zich de mondopening bevindt. Zulk een snuit, die niet ingestulpt, maar gewoonlijk wel verkort kan worden, komt bij vele leden dezer orde voor. De (soms zeer lange) buisvormige slurf, die bij andere Voorkieuwigen uit den snuit te voorschijn kan komen en aan 't einde de mondopening draagt, is van spieren voorzien, die haar kunnen terugtrekken. De voet (p) is verbonden met de spilspier (m), waardoor het dier aan zijn schelp bevestigd is. Daar de mantelholte aan de rechterzijde opengesneden is, kan men de belangrijke organen zien, die aan de binnenste oppervlakte van den (hier naar links omgeslagen) mantel (c) voorkomen. Wanneer de organen nog op hun gewone plaats liggen, vindt men het meest naar rechts den endeldarm met de aarsopening (d). Daarnaast ligt een klier, die gewoonlijk slijmklier (f) wordt genoemd. Zij kan bij deze Slakken een buitengewoon groote hoeveelheid van een taaie, slijmerige stof afscheiden, die soms als verdedigingsmiddel dienst doet. Meer naar links ligt de kamvormige kieuw (g), die eigenlijk bij de rechterlichaamshelft behoort, maar sterk naar de linkerzijde verschoven is; de linkerkieuw of "bijkieuw" is weinig ontwikkeld; het hart (h) is achter de kieuw gelegen en uit een kamer en een voorkamer samengesteld. Alle Slakken, waar, zooals hier, de kieuw vóór het hart--en dus de voorkamer, die het bloed uit de kieuw ontvangt, vóór de kamer--geplaatst is, worden Voorkieuwigen genoemd. Bij een groot aantal geslachten bezit de voet een opening, waardoor dit lichaamsdeel, zoodra het buiten de schelp te voorschijn komt, water opneemt in een sterk vertakt kanalenstelsel, dat ook met de lichaamsholte, die veneus bloed bevat, in gemeenschap staat. Hierdoor verkrijgt de voet een omvang veel grooter dan die van het huisje, waarin hij, na het laten wegvloeien van het water, gemakkelijk geborgen kan worden. Met uitzondering van de Pluimdragers (Valvata) zijn alle leden der orde éénslachtig.

Verreweg de meeste Voorkieuwigen (ongeveer 5800 levende en 4000 fossiele soorten) behooren tot de onderorde der Kamkieuwigen (Ctenobranchiata). Deze hebben, evenals het zooeven tot voorbeeld gekozen dier, in de op den nek liggende ademholte een groote kieuw en daarnaast een kleinere, de bijkieuw. Bij vele Kamkieuwigen (o.a. bij Murex) is de mantel aan de linkerzijde verlengd tot een "adembuis" of "sipho", die het water naar de mantelholte geleidt. Zij, die dit aanvoerkanaal missen, hebben in den regel geen terugtrekbare slurf (wel een niet terugtrekbaren snuit) en voeden zich met plantaardige stoffen. De overige, die dierlijk voedsel gebruiken, zijn meestal in het bezit van een adembuis en van een slurf. Het eerst zullen wij die familiën bespreken, welke, wegens het gemis van een sipho, aan de schelp een gaafrandigen mond, zonder kanaal of insnijding hebben (Holostomata). Voor 't meerendeel zijn deze Slakken planteneters.

De Moeras-kieuwslakken (Paludinaceae) bewonen stilstaand en stroomend zoetwater; zij hebben een korten, niet terugtrekbaren snuit, gelegen tusschen twee lange en slanke voelers, naast welker oorsprong (aan de buitenzijde), meestal op zeer korte steeltjes, de oogen geplaatst zijn. De lange, smalle wrijfplaat bestaat uit 7 overlangsche reeksen van tanden (1 middelplaat en aan weerszijden 3 zijplaten in elke dwarsreeks). Alle Slakken met zulk een tong heeten Bandtongigen (Taenioglossa).

De Moerashorenslakken (Paludina) hebben een eivormige of buikig-kegelvormige schelp met zeer bolle, door een diepen naad vereenigde omgangen en een hoornachtigen, concentrisch gestreepten deksel. De Paludinen leven in slooten, poelen, plassen en rivieren, vooral in het noordelijk halfrond. Meestal vindt men ze op den bodem van 't water, kruipend over den modder of langs de stengels en bladen van de hier groeiende planten. Bij warm, zonnig weer komen zij ook wel aan de oppervlakte, waar zij soms, evenals de Poelslakken, met naar beneden gericht huisje langs den waterspiegel kruipen. Het lichaam kan niet zoo ver als bij deze buiten de schelp komen; op het deksel, dat boven het achterste deel van den voet vastzit, rust dan het bolle gedeelte van den laatsten omgang. Bij het terugkeeren in het huisje wordt de voet middendoor gevouwen en als een boek dichtgeslagen. De grootste inheemsche soort, de Levendbarende Moerashorenslak (Paludina vivipara) is bijna 4 cM. hoog. Gedurende den geheelen zomer vindt men den eierenzak van het wijfje gevuld met kiemen en eieren, die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling verkeeren, daar er slechts één jong te gelijk ter wereld wordt gebracht; dit heeft bij de geboorte een huisje van 4 omgangen, dat 6 mM. hoog en even breed is; de bovenzijde van iederen omgang heeft een kiel, waarop lange borstelige haren staan, die in den regel zeer spoedig geheel verdwijnen.

Ook de 3 cM. hooge Gestreepte Moerashorenslak (Paludina achatina) brengt levende jongen ter wereld. Zij houdt zich bij voorkeur op in stroomend water en komt in de Elbe, de Spree, den Rijn en de Donau voor.

De Kogelslakken (Ampullaria), die de Paludinen op het zuidelijk halfrond vervangen, onderscheiden zich van alle overige Slakken door het gelijktijdig bezit van een longholte en een kieuwholte, waardoor zij maanden lang buiten het water kunnen leven. De longholte is boven de kieuwholte gelegen en wordt in het water door een klep gesloten. De 75 mM. hooge Gestreepte Kogelslak (Ampullaria fasciata), die in Oost-Indië, zoowel in rivieren als op slijkerige rijstvelden leeft, wordt veelvuldig ingezameld en als spijs gebruikt.

Tot dezelfde familie en tot onze fauna behooren, behalve sommige Diepslakken (Bitynia), die, evenals de vorige, een verkalkt deksel hebben, doch overigens veel op Paludinen gelijken, ook nog eenige Pluimdragers (Valvata); deze zijn merkwaardig wegens hun tweeslachtigheid en bovendien, doordat de vedervormige kieuw uit de mantelholte naar buiten treedt en door het kruipende dier omhoog gericht gedragen wordt.

De nu volgende geslachten, die men gewoonlijk onder den naam van Oeverslakken (Litorinaceae) samenvat, naderen tot de vorige door den lichaamsvorm van het volwassen dier; de ontwikkelingsgang is echter samengestelder, doordat de jongen, evenals nagenoeg alle Zeeslakken, met twee groote, gewimperde mondlappen (het kopscherm) zijn uitgerust; hiermede kunnen zij vlug zwemmen. Het soortenrijke geslacht der Zeewier- of Drijfhorentjes (Rissoa) bevat geen andere dan kleine vertegenwoordigers, met slurfvormige, van voren ingesneden snuit, die half zoo lang is als de beide draadvormige voelers. De meeste hebben een kegel- à torenvormige schelp met eivormigen mond en hierin passend, hoornachtig deksel. Hun hoofdvoedsel bestaat uit zeewieren; zij worden daarom in de laminariën-zone het veelvuldigst aangetroffen. Zij bewegen zich flink, kruipen tamelijk vlug en richten intusschen de voelers beurtelings naar achteren en naar voren. Eenige soorten kunnen zich met naar beneden gericht huisje en naar boven gerichten voet langs den waterspiegel bewegen. Het 4 mM. hooge Kleine Zeewierhorentje (Rissoa parva) spint kleverige draden, waarmede het zich aan waterplanten vasthecht om beter bestand te zijn tegen den aandrang van het water en om veiliger zijn standplaats te kunnen verlaten. Deze Slakken worden op zeer verschillende diepten (tot op 105 vademen) gevonden, doch voor 't meerendeel op geringer afstand van den waterspiegel. Dat haar eigenlijk vaderland het zuidelijke deel van de noordelijke gematigde zone is, blijkt uit de talrijkheid, grootte en ontwikkeling van de soorten, die de Middellandsche Zee bewonen.

Een amphibische levenswijze hebben de Alikruiken (Litorina), daar zij een groot deel van haar leven doorbrengen boven den waterspiegel in den oevergordel, die slechts door den vloed (of soms alleen door de toppen der golven bij hoog water) bereikt wordt. Meer dan 100 soorten van dit geslacht uit alle zeeën zijn bekend. De dikrandige, porseleinachtige schelp is in den regel nagenoeg bolvormig. Het dier heeft een korten, ronden snuit en lange, draadvormige voelers, aan welker basis de oogen gezeten zijn.

Een van de algemeenste en verst verbreide Strandslakken van het noordelijk halfrond is de 25 mM. hooge Gewone Alikruik of Kreukel (Litorina litorea), die in ondiep water op blaaswieren, steenen en paalwerk leeft. Zij beweegt zich langzaam; bij 't kruipen werken de beide helften van den voet afwisselend. Haar voedsel bestaat zoowel uit plantaardige als uit dierlijke stoffen. In de Oostzee vindt men deze soort tot op de oostkust van Bornholm en Rugen. Verder oostwaards wordt ook voor haar het zoutgehalte van deze zee te gering. Aan de kusten van Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt zij in menigte voor, zoo ook in den Atlantischen Oceaan, van Groenland en het noordoosten van Amerika tot Portugal. Men vindt haar in de Witte Zee zoowel als in de Adriatische Zee. Bij groote hoeveelheden worden deze Slakken o.a. aan onze kusten gevangen en door de kustbewoners gegeten of naar andere landen uitgevoerd. De Gewone Alikruik legt eieren; de Ruwe Alikruik (Litorea rudis) brengt gedurende het geheele warme seizoen levende jongen ter wereld.

Indien alleen op de wijze van ademhaling werd gelet, zouden de Slakken, die men onder den naam Netkieuwigen (Neurobranchiata) samenvat, bij de Longslakken geplaatst moeten worden, omdat zij geen kieuw, maar een long bezitten. In alle overige opzichten stemmen zij echter met de Voorkieuwigen overeen. Zij hebben twee, niet voor instulping (wel voor verkorting) geschikte voelers, aan welker basis de oogen staan. Een slurf ontbreekt altijd; maar de snuit is lang en bevat een wrijfplaat, welker maaksel met die der Bandtongigen overeenkomt. Voor het sluiten van de steeds spiraalswijs gewonden schelp bezitten zij een hoornachtig of verkalkt deksel, dat door het uitgestrekte dier op den rug van 't achterste deel van den voet wordt medegedragen. Zij zijn geen hermaphrodieten, zooals de Longslakken, maar eenslachtig, zooals nagenoeg alle Voorkieuwigen. Alle leven op het land, vooral in vochtige keerkringsgewesten.

De belangrijkste familie is die der Kringmondslakken (Cyclostomidae), waarvan ongeveer 900 levende soorten bekend zijn. Slechts enkele van deze bewonen ook Midden-Europa, n.l. Frankrijk, Zwitserland en het zuidelijke deel van Midden-Duitschland. De eenige die ook in Nederland heet voor te komen, is de Sierlijke Rondmondhoren (Cyclostoma elegans), zoo genoemd wegens het traliewerk van zeer regelmatige, uitpuilende spiraallijnen en fijne, daartusschen gelegen dwarsstrepen op de geelachtig violet-grijze of donker vleeschkleurige, 10 à 15 mM. hooge schelp. Deze is bij alle leden van haar geslacht dun en uit ronde omgangen samengesteld; de afgerond eivormige mond is volkomen gaafrandig, wordt in 't geheel niet ingesneden door den laatsten omgang, zoodat de binnen- en buitenlip overal samenhangen. De schelp is meestal kegelvormig, zelden plat; meestal eng genaveld en van een diepen naad voorzien. De genoemde Slak is zeer schuw, trekt zich bij de minste, haar ongewoon voorkomende aanraking in haar huisje terug en sluit dit met het zeer stevige, harde deksel. Alle Cyclostomen zijn over dag werkzaam en begeven zich 's avonds in het goed gesloten huisje ter ruste.

Het soortenrijke geslacht der Tepelhorens (Natica) vormt de kern van een gelijknamige familie (Naticidae). Hoewel zij op planteneters gelijken (daar hun bol- of eivormige schelp geen kanaal of inham heeft aan den half-cirkelvormigen mond), voeden zij zich met dierlijke stoffen; de buitenlip is scherp, aan de binnenzijde glad, de binnenlip eeltachtig verdikt. De zijstukken van den uitgestoken voet, die door het opnemen van water buitengewoon sterk in omvang kan toenemen, bedekken het geheele huisje; bovendien gebruikt de Slak dit orgaan om er mede in 't zand te graven en om er haar prooi geheel mede te bedekken. Zij valt n.l. dikwijls andere Weekdieren (Slakken en Mossels) aan, en boort hun met de wrijfplaat een cirkelrond gat in de schelp. Naar men zegt, helpt zij mede bij het uit den weg ruimen van doode Visschen en andere aan 't strand gespoelde dieren. Zeer merkwaardig is haar eierennest, dat men lang voor een soort van polypenstok heeft gehouden. Het heeft den vorm van een breede schelp, ter dikte van een sinaasappelschil, die met den mond op den bodem rust en aan de eene zijde open is; het bestaat uit aaneengekleefd zand en kan gemakkelijk zonder te breken gebogen worden, zoolang het vochtig is. Wanneer men er doorheen kijkt, ziet men een menigte kleine cellen op afwisselende reeksen. Elke cel bevat een geleiachtig ei met gele kern, de schelp van de kiem. In het midden van den zomer kan men op ieder strand, waarop zich een Natica-soort ophoudt, zulke eierennesten vinden. De Gewone Tepelhoorn (Natica monilifera) van onze kust is 27 mM. breed.

Ieder die zich op een rotsachtige zeekust met het inzamelen van planten bezig houdt en, om geen hinder te hebben van 't water, schoenen en kousen uittrekt, loopt niet zelden gevaar zich de voeten bloedend te verwonden. Er zijn plaatsen, waar de bodem dicht bedekt is met meer of minder onregelmatig gewonden, zeer stevige kalkkokers, welker mond zoo scherp is, dat slechts vurige belangstelling in de wetenschap de pijn leert verdragen van het loopen op dezen als 't ware uit doornen en messen samengestelden weg. De bedoelde schelpen, die men allicht voor woningen van Kokerwormen zou houden, zijn afkomstig van Wormslakken (Vermetus). Dit valt moeielijk af te leiden uit de ledige schelpen, die bij de meeste soorten (b.v. bij Vermetus triqueter uit de Middellandsche Zee) wit en bij de Gewone Wormslak (V. lumbricalis) aan de westkust van Afrika roodachtig geel en doorschijnend zijn. Het oudste gedeelte is regelmatig spiraalswijs gewonden en steeds aan den bodem vastgehecht. Met den bewoner kan men het best kennis maken door een stuk van den rotsachtigen zeebodem, waaraan eenige van deze dieren vastgehecht zijn, los te rukken en het thuis in een grooten bak met zeewater te plaatsen. De Wormslak kan zich zeer diep in haar schelp terugtrekken. Als zij op het punt staat te voorschijn te komen, ziet men eerst boven de opening een soort van stop uitpuilen, welks afgeronde en gladde bovenvlakte met een hoornachtig plaatje bedekt is. Bij vele Zeeslakken zien de voet en het deksel er zóó uit, wanneer het dier zich zoo sterk mogelijk heeft saamgetrokken. De voet van onze soort behoudt echter dezen vorm ook in gestrekten toestand. Op den voet volgt een plompen, door de sterk ontwikkelde slikorganen uitgezetten kop, die door het bezit van voelers, met oogen aan hun basis, den waren aard van het dier verraadt. De beide voorste, draadvormige organen zijn geen voelers, maar eenvoudig verlengstukken van de lip. De kop kan gemakkelijk waargenomen worden, omdat dit dier, moediger dan andere Slakken, zich bij aanraking niet in het huisje terugtrekt, maar van weeke voorwerpen, die men het voorhoudt, stukken afbijt; harde voorwerpen worden met den mond omvat en stevig vastgehouden. Waarschijnlijk zijn de Wormslakken diereneters, die de Wormen en Schaaldieren, welke altijd in haar onmiddellijke nabijheid voorkomen, buitmaken.

De eieren worden door het wijfje ten getale van 10 à 30 in cocons geborgen, die ieder door tusschenkomst van een kort steeltje, aan den binnenwand van de schelp bevestigd zijn. De oudste van deze cocons bevindt zich het dichtst bij den mond van het huisje en heeft den grootsten omvang, daar deze toeneemt, naarmate de ontwikkeling der kiemen voortschrijdt. Niet bij alle groepen van Slakken vormen de organen zich in volkomen gelijke volgorde; toch ontstaan gewoonlijk de voet en het zoogenaamde kopscherm het eerst en vertoonen ook de mantel en de schelp zich zeer spoedig. Het kopscherm bestaat uit een paar halfcirkelvormige lobben aan weerszijden van den mond; haar rand is met lange wimpers bezet. Deze verschaffen reeds aan de kiem in het ei een spiraalsgewijze beweging. De voet van de jonge Wormslak is bij het verlaten van het ei zoo goed ontwikkeld, als van eenige Slak verwacht kan worden. Behalve aan het kopscherm, is zij als een Echte Slak kenbaar aan de sierlijke, rechts gewonden schelp. Zoo uitgerust verlaat zij de eischaal en den cocon en zwemt, gelijk alle Zeeslakken, met behulp van het kopscherm vrij rond. Na verloop van eenigen tijd verdwijnen eerst de wimpers en later de overige deelen van haar zwemorgaan; waarschijnlijk blijft zij daarna nog een tijdlang kruipen en voegt in deze perioden van vrij leven nog eenige omgangen aan haar huisje toe. Eindelijk krimpt ook de voet in; de schelp hecht zich op een nog onbekende wijze aan het gesteente en groeit verder uit tot een onregelmatig gewonden buis, welker omgangen elkander niet raken.

De Wormslakken worden door sommigen als een afzonderlijke familie beschouwd (Vermetaceae), door anderen met de Penhorenslakken (Turritellaceae) vereenigd. Bij het typische geslacht Turritella, waarvan één soort--de Gewone Penhoren (Turritella communis)--ook (hoewel zeldzaam) in de Noordzee aangetroffen wordt, is het huisje torenvormig, met talrijke (hoogstens 30), meestal geribde omgangen; ook de spiraallijn die de vergrooting van het hoornachtige deksel verraadt, vertoont vele windingen. De kop is tot een langen, platten, van voren uitgesneden en met wratjes bezetten snuit verlengd; de mantelrand en een huidplooi dwars om den nek zijn met franje omzoomd. Van deze familie zijn ongeveer 40 soorten bekend; de meeste en de grootste bewonen de keerkringszeeën. Alle zijn diereneters, maar trage, zelden buiten haar schelp te voorschijn komende schepsels.