Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren

Part 8

Chapter 83,541 wordsPublic domain

Ook bij onze Gewone Purperslak (Purpura lapillus) ontwikkelen zich een gering aantal jongen ten koste van de groote meerderheid der eieren. Deze drijven ten getale van 500 à 600 in een taai, helder vocht en zijn omhuld door een fleschvormig, hoornachtig zakje; de fleschjes zijn, op rijen naast elkander, ieder door tusschenkomst van een dunner steeltje en een breeder grondstuk, bevestigd aan een steen of rots.

Alle Purperslakken zijn traag en langzaam; de genoemde blijft dagen en weken achtereen op dezelfde plaats zitten. Nog trager zijn eenige van hare kleine verwanten, die op het Waaierkoraal (Gorgonia flabellum) en andere West-Indischen Gorgoniën leven. Zij veranderen in 't geheel niet van plaats en omvatten met den stijf aangedrukten mantelrand één of meer takken van den stok; intusschen groeit de weeke, buitenste laag van de Gorgonie om de schelp heen, zoodat de Slak ten slotte slechts door een kleine opening met de buitenwereld in gemeenschap staat.

De leden van 2 zeer nauw aan Purpura verwante geslachten, die zich aanvankelijk vrij bewegen, Magilus en Rhizochilus, ondergaan, nadat zij zich vastgehecht hebben, zeer merkwaardige veranderingen, die zoowel den vorm van het huisje als de wijze van voeding en de levenswijze in 't algemeen betreffen. Op jeugdigen leeftijd is het verschil tusschen Rhizochilus antipathum en jonge exemplaren van sommige Purpura-soorten al zeer gering. Wanneer men de eerstgenoemde soort op lateren leeftijd beschouwt, nadat zij zich aan een polypenstok heeft vastgehecht, merkt men bij haar een merkwaardige verandering op in de omgeving van den mond der schelp; de aanvankelijk enkelvoudige lippen zijn sterk gezwollen en hebben een of meer takken van het Hoornkoraal omvat. Door de steeds voortschrijdende kalkafscheiding blijft ten slotte van den mond der schelp niets anders over dan de opening van het naar voren gerichte kanaal; deze verlengt zich tot een buis, die groote overeenkomst vertoont met den koker van een Worm (Serpula) en in dezelfde mate groeit, als de schelp bedekt wordt door de steeds verder zich uitbreidende Polyp. Natuurlijk leidt de Slak nu een geheel ander leven dan vroeger; nadere bijzonderheden hierover zijn niet bekend.

Magilus antiquus komt voor in de Roode Zee; haar schelp wordt allengs overdekt door de kalkmassa van een Steenkoraal, terwijl de geheele schelpmond uitgroeit tot een wijde buis, die vergroot wordt, naarmate de polypenstok zich uitbreidt; intusschen vult de Slak de vroeger door haar bewoonde ruimten met kalk.

Bij de Stekelhorenslakken (Murex) is de buitenlip omgeslagen of verdikt, waardoor op de omgangen bultige, geplooide of stekelige, overlangsche lijsten ontstaan, op elken omgang minstens drie; de lagere vereenigen zich in schuinsche richting met de hoogere tot doorloopende rijen. De kleine, ronde schelpmond loopt naar voren uit in een recht of gebogen, soms gesloten kanaal. De 95 mM. hooge Murex brandaris en de kleinere Murex trunculus komen beide in de Middellandsche Zee zeer algemeen voor, gene op slijkerigen, deze op steenachtigen grond; bij gene zijn de stekels en het kanaal recht en lang; bij deze is het kanaal middelmatig lang en gebogen, en zijn de stekels door knobbels vervangen. Beide worden in groote hoeveelheid ingezameld, ter markt gebracht en gegeten. Vooral aan haar werd door de ouden de beroemde kleurstof ontleend, die voor het purperverven diende en zoo kostbaar was, dat een purperen gewaad als onderscheidingsteeken gold voor voorname lieden. Destijds was het purperverven in geheel Italië en Griekenland een zeer belangrijke tak van nijverheid, die vooral te Rome bloeide, waar de Monte Testacea ontstaan is uit de schelpen der hiervoor gebruikte Slakken. Tegenwoordig kan men op veel goedkoopere wijze niet minder duurzame en fraaie kleuren verkrijgen en dient de bedoelde verfstof hoogstens nog op enkele afgelegene eilanden en kusten voor het merken van kleedingstukken. Zij was reeds in het vergeetboek geraakt, lang voordat de uitmuntende onderzoekingen van Lacaze-Duthiers een helder licht wierpen op hare eigenschappen. Toen deze geleerde in den zomer van 1858 in de haven van Mahon allerlei zeedieren verzamelde en hierbij geholpen werd door een visscher, zag hij dezen kleedingstukken merken door er met een stukje hout plompe letters en figuren op te teekenen, die aanvankelijk een geelachtige kleur hadden. "Zij zullen rood worden," zeide de visscher, "zoodra de zon er op geschenen heeft", en doopte tevens het houtje in het taaie afscheidingsproduct van den mantel, dien hij had losgescheurd van een Slak, waarin onze zoöloog onmiddellijk Purpura haemastoma herkende. De verfstof is wit of lichtgeelachtig op 't oogenblik, dat men haar aan 't dier ontneemt; dit kan het best geschieden met een tamelijk stijf penseel, dat men over de geelachtige purperklier (zie de onderstaande afbeelding bij p) strijkt en dadelijk afveegt op de plaats, die geverfd moet worden. Terwijl men de stof aan de werking der zonnestralen blootstelt, verbreidt zij een hoogst onaangename, doordringende lucht en gaat achtereenvolgens door citroengeel, groenachtig geel en groen in violet over, dat allengs donkerder wordt. De tint hangt af van de hoeveelheid verfstof; de bekwame verver is dus in staat allerlei nuanceeringen voort te brengen.

Om het orgaan te leeren kennen, waardoor het purper afgescheiden wordt, moet men de Slak, door het stuk slaan van de schelp, uit haar woning verwijderen en den mantel doorsnijden tusschen de kieuw (b) en een iets verder naar rechts gelegene geelachtig groene band (p), die men beide reeds vóór deze bewerking door den mantel heen waarnemen kan. De laatstgenoemde is de purperklier.

Behalve de reedsgenoemde Murex-soorten bezigde Lacaze-Duthiers voor zijne proeven ook de Geschubde Stekelhoren (Murex erinaceus), die in den Atlantischen Oceaan aan de Fransche kust voorkomt en, hoewel zelden, ook in de Noordzee bij onze kust gevonden wordt, voorts twee soorten van Purpura, n.l. P. haemastoma (zie boven) en P. lapillus. Uit de beschrijving, die Plinius geeft van de Slakken, welke oudtijds voor de purperververij dienden, blijkt, dat het tegenwoordige geslacht Purpura bij hem "Buccinum", Murex echter "Purpura" heet.

De Spilhorenslakken (Fusus) hebben een zeer kleinen kop met voelers, die op de helft van hun hoogte de oogen dragen en onder een scherpen hoek samenkomen. Ook de voet is betrekkelijk klein. De schelp is spoelvormig; loopt naar achteren uit in de lange, spitse winding, naar voren in een (meestal zeer lang) recht kanaal. Bij den 30 cM. hoogen Reuzenspilhoren (Fusus colosseus) uit den Indischen Oceaan is het kanaal 2-maal zoo lang als de winding; het is kort bij den 15 cM. hoogen Noordhoren [Fusus (Neptunea) antiquus], een der weinige Europeesche vertegenwoordigers van zijn geslacht en tevens de grootste Slak onzer kusten. Zij wordt voor Texel dikwijls met netten van den zeebodem opgehaald en levert aas voor de vischvangst. Men vindt haar schelp slechts zelden op ons strand; op de Hebriden wordt zij in horizontale richting aan een koord opgehangen en als lamp gebruikt. Evenals een groot aantal andere Weekdieren, leeft deze Slak in het noorden van den Atlantischen Oceaan, vooral aan de kusten van Scandinavië en Schotland, op geringer diepten dan in het zuiden; haar woonplaats is des te dieper, naarmate zij verder zuidwaarts ligt.

Pijltongigen (Toxoglossa) noemt men de Kamkieuwige Voorkieuwigen, welker lange en smalle wrijfplaat uit slecht 2 overlangsche reeksen van holle, pijlvormige zijtanden (zonder middeltand) bestaat; soms zijn zij van weerhaken voorzien. Door de tanden, die zich bij 't uitstulpen van de slurf naar voren richten, stroomt het afscheidingsproduct van een onparige gifklier in de wonde van den aan de tong gespieste buit. Alle hebben een adembuis, leven in de zee en voeden zich met dieren.

De belangrijkste van de 4 tot deze groep behoorende familiën is die der Kegelhorenslakken (Conidae) niet slechts wegens de veelvormigheid van het typische geslacht Conus, dat 526 levende en 160 fossiele soorten omvat, maar ook wegens de fraaiheid der schelpen, die tot de meest aantrekkelijke bestanddeelen eener conchyliën-verzameling behooren. Voor één exemplaar van den 5 cM. hoogen Onvergelijkelijken Kegelhoren (Conus cedo-nulli)--van welke soort in den Atlantischen Oceaan, vooral in Westindië en aan de oostkust van Zuid-Amerika, vele variëteiten voorkomen--werd eens door een liefhebber 300 guinjes besteed. Zeer gezocht zijn ook de Admiraal-toot (Conus ammiralis), de Oranje-admiraal-toot (Conus aurisiacus), de Goudlaken-toot (Conus textilis) en de Roem-der-zeetoot (Conus gloria-maris) uit de Moluksche Zee.

De Kegelhoren is meestal omgekeerd kegelvormig, met korte, laag kegelvormige of zelfs platte winding (in dit geval heet de schelp "ingewikkeld"); de smalle, overlangsche, spleetvormige mond heeft een enkelvoudige, rechtlijnige buitenlip en van boven een spoor van een kanaal. In verband hiermede zijn de voet en het hoornachtige deksel lang en smal. De kleine, snuitvormige kop draagt korte, cilindrische voelers, waarop, niet ver van de spits, de oogen zitten. De sipho is bij sommige soorten kort, bij andere half zoo lang als de schelp. De berichten over de levenswijze dezer Slakken, die bijna uitsluitend de intertropische zeeën bewonen en op tamelijk groote diepte, meestal op slikgrond, verblijf houden, zijn zeer schaarsch. De bewering, dat zij planten eten, is moeielijk te rijmen met de bewapening van de tong. Volgens Rumph worden verscheidene soorten--van den Gemarmerden Kegelhoren (Conus marmoreus) ook de eieren--door de bewoners van Oostindië gegeten. Deze verwerken de schelp van Conus en van vele andere Slakken, tot allerlei aardige luxe-artikelen, o.a. tot vingerringen. Bij het doorzagen van de schelp blijkt, dat de wanden der binnenste omgangen papierdun zijn, daar het dier ze grootendeels weer oplost, zoodra zij niet meer aan de oppervlakte liggen.

Bij de Waaiertongige (Rhipidoglossa) bevat ieder lid van de radula, behalve de middelplaat en minstens 3 paar tusschenplaten, een zeer groot aantal (bij Nerita 60) kleine, smalle randplaten, die elkander waaiersgewijs bedekken. De leden dezer onderorde heeten ook wel Schildkieuwigen (Aspidobranchiata) naar de groote, vóór op den rug gelegen holte, die de beide (alleen met de basis vastgehechte) soms vergroeide kieuwbladen bevat. De ademhalingsorganen zijn bij de Scutibranchiën (b.v. de Nerietslakken en Tolhorenslakken) asymmetrisch, naar links verschoven, waarmede een gaafrandige mantel (en schelpmond) gepaard gaat. De Zeugobranchiën (b.v. de Zee-ooren) met hunne steeds tweeledige, min of meer symmetrisch geplaatste kieuwen, hebben daarentegen den mantelrand van voren diep ingesneden en bij gevolg aan de buitenlip een spleet of een reeks van gaten; de Sleutelgathorens (Fissurella) hebben het ademgat aan den top van de schelp. De voet draagt dikwijls draadvormige aanhangsels aan den rand en heeft een aanzienlijke grootte. Alle Schildkieuwigen zijn planteneters; de meeste bewonen rotsachtige zeekusten.

Alleen de familie der Nerietslakken (Neritidae) bevat ook zoetwaterdieren, meer dan 100 soorten, die bijna alle tot het geslacht Neritina behooren. De Nerieten hebben een breeden, platten, omgekeerd-hartvormigen kop en geplooide randen aan de groote, onderstandige mondspleet. Aan de buitenzijde van den oorsprong der beide lange, spitse voelers zijn op een korten steel de oogen gezeten. De half-bolvormige, van onderen platte, ongenavelde schelp heeft een zeer korte winding en een halfcirkelvormige, gaafrandige opening, welker afgeplatte binnenlip dikwijls een getanden rand heeft. Een uitsteeksel aan de binnenzijde van het verkalkte deksel grijpt bij het sluiten van den horen achter den spilrand. Men kent ongeveer 300 soorten van Nerietslakken uit alle deelen van de wereld. Zeer algemeen verbreid is in Midden-Europa de Rivier-neriet [Nerita (Neritina) fluviatilis], een slakje van ongeveer 8 mM. hoogte en 10 mM. middellijn, dat ook bij ons in rivieren en beken, poelen en moerassen, op steenen en waterplanten veelvuldig aangetroffen wordt. Het witte, met roode of paarse vlekken, vlammen en strepen bont geteekende schelpje is dun, maar vergeleken met de schelpen der overige inheemsche Zoetwaterslakken, buitengewoon stevig. Evenals vele andere geslachten van zoetwaterdieren, bevat ook Neritina een aantal brakwatervormen en ook soorten, die in zeer verschillende watersoorten kunnen leven.

Het opmerkelijk verschijnsel, dat hierboven van Buccinum en Purpura werd vermeld, n.l. dat slechts weinige embryonen zich ontwikkelen ten koste van een groot aantal eieren, komt ook bij de Rivier-neriet voor.

Reeds in de alleroudste fossielen-bevattende lagen treft men overblijfsels van Tolhorenslakken (Trochidae) aan. De leden dezer omvangrijke familie (meer dan 1000 soorten) hebben een spiraalswijs gewonden, meestal tol- of torenvormige, van binnen parelmoerglanzige schelp met een hoornachtig of verkalkt deksel.

Tolvormig, met afgeronden, buikigen laatsten omgang is de woning van de Maanhoren-Slakken (Turbo). Hoewel de beide lippen niet samenhangen, is de schelpmond cirkelvormig. De kop is tot een snuit verlengd. Aan de buitenzijde van de lange voelers staan de oogstelen; tusschen de voelers steken twee voorhoofdslobben uit. Aan weerszijden van den voet komen in den regel 3 draden voor en dikwijls bovendien een franjedragenden, vliezigen rand. Het deksel is dik en sterk verkalkt, soms bijna halfbolvormig. Eertijds vonden de deksels van den Rimpeligen Maanhoren (Turbo rugosus)--en van verscheidene andere tropische soorten--onder den naam "zeenavel" (umbilicus marinus) een plaats in de apotheek; vooral tegen "het zuur" werden zij aangewend. Vele leden van dit geslacht worden gegeten. De Chineezen gebruiken stukken van de prachtig parelmoerglanzige schelp voor het inleggen van hun verlakte houtwaren.

Nauw verwant aan het vorige geslacht is dat der Tolhorens i.e.z. (Trochus); ook deze zijn duidelijk kegel- of tolvormig; de omgangen zijn echter min of meer hoekig; de basis is vlak en de mond meestal ruitvormig. Zoowel van Trochus als van Turbo kent men meer dan 200 soorten uit alle zeeën. De fraaiste van de niet zeer talrijke Europeesche soorten is de 3 cM. hooge Jujube-tolhoren (Trochus zizyphinus). In de Noordzee vindt men veelvuldiger de 1.8 cM. hooge Aschgrauwe Tolhoren (Trochus cinerarius).

Door talrijke, voor 't meerendeel fossiele overgangsvormen (Pleurotomariidae) hangen de Zee-oorslakken (Haliotidae), die tot de Zeugobranchiën gerekend worden, met de vorige groep samen. De ademholte ligt bij haar aan de linkerzijde en bevat twee symmetrische kieuwen. Haar schelp verschilt aanmerkelijk van den Tolhoren: haar platte schotelvormige gedaante herinnert eenigszins aan een menschen oor. De omgangen nemen zoo snel in wijdte toe, dat de laatste verreweg het grootste deel van de schelp uitmaakt. Aan de linkerzijde heeft zij een aan den rand evenwijdig loopende reeks van gaten; de achterste sluit zich, terwijl aan den rand een nieuwe opening ontstaat, die aanvankelijk van voren geopend is. Door deze openingen, die water in de kieuwholte toelaten, steekt het dier de draadvormige aanhangsels van den voet naar buiten. De buitenzijde van de schelp is niet fraai, dikwijls schilferig, soms met groenachtige strepen geteekend; de binnenzijde echter iriseert met de prachtigste kleuren; metaalachtig groen heeft de overhand. Een tamelijk uitgestrekte, oneffene plek geeft aan, waar het dier met de schelp vereenigd is geweest. De rand van den mantel steekt voorbij de schelp uit en is bezet met groene en witte franjes en draadvormige aanhangsels. De Zee-ooren leven in de strandzone, doch op zulk een diepte, dat zij bij laag water niet geheel op het droge komen te liggen. Zij bewonen bij voorkeur rotsachtige oevers, houden zich overdag meestal verborgen onder steenen en grazen in de duisternis de wieren af. Meer dan 70 soorten zijn over de zeeën der warme en gematigde aardgordels verbreid, vooral langs de kusten van Indië en Australië. De noordelijke grens van haar verbreidingsgebied is het Kanaal. Daar treft men soms het 8 cM. wijde Knobbelige Zeeoor (Haliotis tuberculata) aan; veelvuldiger vindt men het in de Middellandsche Zee; in Italië wordt het onder den naam van "Oor van Sint-Petrus" op de markt gebracht en gegeten. Bekend is het gebruik, dat van het Reuzenzeeoor (Haliotis tubifera) als aschbakje wordt gemaakt. Bij deze 14 à 16 cM. wijde schelp zijn de randen der ademgaten uitgegroeid tot 5 à 6 mM. lange tuitjes. Zij is afkomstig van de kusten van Oost-Azië en Australië; haar bewoner wordt gegeten.

De onderorde der Gordelkieuwigen (Cyclobranchiata) wordt grootendeels gevormd door het meer dan 150 soorten omvattende geslacht der Schaalhorens (Patella).

De schelp is kort kegelvormig, met eivormige opening en naar voren gerichten top. De kop is verlengd tot een korten, dikken snuit (zie onder bij l) met 2 lange spitse voelers (e), aan welker buitenzijde, bij de basis, de oogen staan. De mantelrand (b) is dikwijls van franjes voorzien; daaronder strekt zich een krans van kieuwplaatjes (c) uit, die slechts door den kop wordt afgebroken; in 't midden is de breede voor 't kruipen geschikte voet (a) zichtbaar. Van de inwendige organen verdient vermelding de buitengewoon lange, met 6 reeksen van tandjes gewapende tong.

De meeste Schaalhorens bewonen de strandzone, vele de streek, die geregeld bij laag water droog komt te liggen. Hoewel de Patellen nooit, zooals verscheidene vroeger behandelde Slakken, op een bepaalden leeftijd vastgroeien, gelijken zij door hun buitengewone traagheid en onbeweeglijkheid zeer veel op deze voorgoed vastgehechte wezens. Réaumur vond, dat een gewicht van 14 à 15 KG. noodig was om een Gewonen Schaalhoren (Patella vulgata) los te rukken. Deze soort leeft aan de Europeesche kusten en komt, hoewel zelden, ook bij de onze voor. Zij levert een niet bijzonder smakelijk voedsel aan de armste klassen van de kustbewoners. De Doorzichtige Schaalhoren (Patella pellucida), een bewoner van de Noordzee en de kust van Noorwegen, verdient dezen naam door de teerheid van de schelp; zij hecht zich even stevig aan planken als hunne verwanten aan rotsen. Haar kleur is in hooge mate afhankelijk van die der omgeving: bleek hoornkleurig op het donkere, stengelvormige, fraai purperkleurig met lichtblauwe, overlangsche strepen op het doorschijnende, bladvormige loof der wieren. Zij leven beneden de strandzone op plaatsen, die nooit droog komen te liggen.

ZESDE ORDE.

DE KEVERSLAKKEN (Cnemidophora).

De Keverslakken, die een uit ruim 400 soorten bestaande familie vormen (Chitonidae), herinneren door verscheidene eigenaardigheden aan de Wormen en worden daarom door sommige onderzoekers als een afzonderlijke klasse (Amphineura) aan deze hoofdafdeeling toegevoegd. Anderen beschouwen de Chitoniden als een klasse van Weekdieren (Placophora). Nog anderen geven haar, wegens het maaksel van den voet en van de wrijfplaat, een plaats in de klasse der Gastropoden. Hoewel het dier van boven gezien voor een oogenblik aan een platte, langwerpige, ovale Schaalhorenslak herinnert, bemerkt men, bij nader onderzoek, een groot verschil. De schelp, die het midden van den rug van de Slak bedekt, bestaat n.l. uit 8 verkalkte, door gewrichten vereenigde dwarsplaten, ieder met den achterrand over den voorrand van de volgende plaat uitgestrekt. Voorbij deze schelp steekt de rand van den mantel uit, die zich bij sommige soorten (niet bij de hierboven afgebeelde) min of meer over de schelp uitbreidt en haar zelfs geheel aan 't oog onttrekken kan. De mantel is soms glad, soms met knobbeltjes of schubben bezet, soms met kleine, hoekige papillen als 't ware geplaveid, soms met stekels uitgerust. Na 't omkeeren van het dier ziet men den voet, die even breed is als de schelp en hierdoor aan dien der Patellen herinnert. Verder naar voren, aan de onderzijde, ligt de mondopening. Een eigenlijke kop ontbreekt; zijn plaats wordt ingenomen door een halfcirkelvormige opzwelling zonder voelers of oogen. De aarsopening is, in tegenstelling van hetgeen bij alle Echte Slakken voorkomt, geheel aan 't andere uiteinde van den stam gelegen: de Keverslakken zijn zuiver bilateraal symmetrisch. Aan het achterste deel van 't lichaam, tusschen den mantel en den voet, is aan weerszijden een rij van kieuwplaatjes gelegen.

Vele Keverslakken hebben oogen in de schelp! Deze liggen in de opperhuid der schelpstukken: bij sommige regelmatig op rijen gerangschikt, bij andere onregelmatig verspreid. Uitwendig vertoonen zij zich als ronde of ovale, bolle vlekjes, die het licht sterk breken. Hun aantal is soms zeer aanzienlijk: bij een groot exemplaar van Corephium aculeatum wordt het door Moseley op 11500 geschat. Dat deze eigenaardige plaatsing der oogen voor de Keverslakken van groot belang is, vloeit voort uit haar levenswijze. Vele soorten hechten zich gaarne dicht bij den waterspiegel aan steenen vast, zoo dat zij bij eb droog komen te liggen. Wanneer haar nu een gevaar bedreigt, kunnen zij er op tweeërlei wijze aan ontkomen. Eenige soorten rollen zich, als sommige Pissebedden en Duizendpooten, tot een bol ineen, hiertoe in staat gesteld door den bouw der schelp, en laten zich vallen; zij komen dan op den bodem van 't water te recht of ook wel op het strand, waar zij, wegens haar indifferente kleur en bolronden, aan kiezelsteenen herinnerenden vorm, tusschen de afgeronde steentjes moeielijk te vinden zijn. Andere soorten hechten zich, wanneer men de hand in haar nabijheid brengt, nog voordat men ze heeft aangeraakt, zoo stevig vast aan den steen, waarop zij zitten, dat het niet mogelijk is ze onbeschadigd los te maken. Blijkbaar hebben zij dus het gevaar vooraf bemerkt. Deze dieren schijnen éénslachtig te zijn. Hun ontwikkelingsgeschiedenis is ons bekend door Loven's onderzoekingen, die betrekking hebben op de Omzoomde Keverslak (Chiton marginatus), een in de Noordzee en aan de Noorsche kust voorkomende soort. De larve gelijkt meer op die van sommige Borstelvormen dan op die der overige Mollusken. Behalve de laatstgenoemde soort heeft Maitland aan onze kust gevonden: de Aschgrauwe Chiton (Chiton cinereus), de Gladde Chiton (Chiton laevigatus) en de Fluweelen Chiton (Chiton laevis). In levenswijze gelijken deze dieren veel op de Schaalhorenslakken; zij bewegen zich even weinig als deze.

DERDE KLASSE.

DE GRAAFVOETIGEN (Scaphopoda).

Ook over de plaats, die de Stoottand- of Tandhorenslakken (Dentalidae), ook wel Meshefthorens (Solenoconchae) genoemd, in het stelsel behooren in te nemen, bestaat verschil van meening. Het is gebleken, dat deze kleine, uit ongeveer 80 hedendaagsche en 160 fossiele vormen bestaande diergroep, zoowel met de Slakken als met de Mossels kenmerken gemeen heeft en dat de ontwikkelingsgeschiedenis harer leden eenige overeenkomst met die der Ringwormen vertoont. Daar zij een rudimentairen kop hebben en de oogen zoowel als de kieuwen missen, staan de Graafvoetigen op een veel lageren trap van organisatie dan de Echte Slakken. Van de koplooze Plaatkieuwige Weekdieren verschillen zij echter duidelijk door het bezit van een tong met wrijfplaat en van een buisvormige, enkelvoudige schelp, zoodat het geraden schijnt ze tusschen de Gastropoden en de Lamellibranchiaten te plaatsen.