Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren

Part 3

Chapter 33,672 wordsPublic domain

Op ieder tijdperk van groei volgt een periode van rust, waarin door de achtervlakte van den mantel geen lucht, maar een parelmoerlaag wordt uitgescheiden, die een nieuwe met lucht gevulde kamer begrenst. Daar ook het laatst gevormde deel van de sipho in dezen tijd parelmoer vormt, zal de opening in het dwarsschot voorzien zijn van een kokervormig, achterwaarts gericht verlengstuk. Ieder dwarsschot duidt dus een nieuwen ontwikkelingskring aan; indien men er den duur van kende, zou men uit het aantal schotten den ouderdom van den Nautilus kunnen afleiden.--Hoewel de lichaamsbouw van dit dier, door de onderzoekingen van Owen, Vrolik, Valenciennes, Van der Hoeven en Keferstein, vrij nauwkeurig bekend is, bepaalt onze kennis van zijn levenswijze zich nagenoeg tot hetgeen Georg Eberhard Rumph (als arts in dienst van de Oost-Indische Compagnie in 1702 te Amboina overleden) er in den "Amboineeschen Rariteitenkamer" van mededeelt: "Als deze Slak op het water drijft, verheft zij den kop met alle baarden" (voelers) "er boven en spreidt deze over het water uit, terwijl ook de achterste winding steeds boven de oppervlakte gelegen is. Als zij echter op den grond ligt, is zij omgekeerd, houdt de schelp omhoog en kruipt met den kop en de voelers tamelijk snel over den bodem voort. Zij vertoeft meestal op den zeebodem en wordt soms in de vischkorven gevangen. Wanneer na een storm de zee weder tot rust komt, ziet men deze dieren bij troepen op het water drijven; hieruit blijkt, dat zij ook bij troepen op den grond leven. Men vindt ze in alle zeeën der Moluksche eilanden; ook in den omtrek van de Duizend eilanden vóór Batavia en bij Java, ofschoon men meestal slechts de ledige schelp aantreft, want het dier zelf wordt zelden gevonden, alleen wanneer het in de vischkorven gekropen is. Het wordt, gelijk andere zeedieren, als spijs gebruikt; maar zijn vleesch is veel harder en moeielijker te verteren."

TWEEDE KLASSE.

DE BUIKPOOTIGEN (Gastropoda).

Iedereen kent vertegenwoordigers van deze klasse onder den naam van Slakken, dieren met meer buik dan kop, die met moeite op hun platte zool voortkruipen, het asymmetrische, spiraalswijs gewonden huis, dat den ingewandenzak bevat, op den rug dragen en van oudsher beschouwd worden als zinnebeelden van langzaamheid en trage, vervelende bedachtzaamheid.

Wegens het bezit van een meer of minder duidelijk begrensden kop heeft men de Slakken ook wel Kopdragers (Cephalophora) genoemd. Zij stemmen in dit opzicht, zooals reeds gebleken is, overeen met de Cephalopoden, die zich van haar door het bezit van armen om de mondopening onderscheiden. Dat het bezit van een kop een belangrijk kenmerk van de Slakken is, blijkt reeds bij oppervlakkige vergelijking van deze dieren met de Mossels, waaraan men tevergeefs naar een kop zou zoeken; deze staan hierdoor op veel lageren trap van organisatie en toonen dit door haar leven. Hoogst eigenaardig is ook de "slakkengang." Deze beweging komt tot stand door de werking van de zoolvormige, gespierde schijf, van den voet, die vooral bij de Naakte Slakken, waar zij zich over de geheele buikzijde van 't lichaam uitstrekt, bijzonder duidelijk in 't oog valt. Aan dit orgaan danken de Slakken den naam van Buikpootigen (Gastropoda). Wanneer men een Slak op een stuk vensterglas laat kruipen en dit omkeert, ziet men, terwijl het dier zijn gelijkmatige beweging voortzet, in 't midden van de zool rimpels en groeven, die zich "als de golven der zee," gelijk Swammerdam zegt, van den kop naar den staart voortplanten. Een Landslak zal tevens het door haar gevolgde pad bedekken met een als zilver glinsterende laag van slijm; het dier scheidt deze stof uit om minder hinder te hebben van de oneffenheden. De Waterslakken bewegen zich geheel op dezelfde wijze, kruipen over den zeebodem, beklimmen steile rotsmassa's of dwalen in hare schuilplaatsen tusschen zeeplanten en koralen rond. Bovendien kan men aan al onze Land- en Waterslakken opmerken, welke eigenaardigheden de mantel, die bij alle Weekdieren zulk eene belangrijke rol speelt, in deze klasse vertoont. Bij de Huisjesslakken vormt hij van voren een dikke plooi, die als een kraag over den kop kan worden getrokken, en van achteren een soort van breukzak, die een groot deel van de ingewanden bevat; bij de meeste Naakte Slakken onderscheidt hij zich niet duidelijk van de overige lichaams-bekleedselen; hoe echter zijn vorm moge zijn, nooit is hij aan de buikzijde gesloten.

De Slakken zijn voor 't meerendeel waterdieren; de meeste bewonen de zee. Zeeslakken ontmoet men in ieder gebied, te beginnen bij het uiterste deel van de kust, dat nog geregeld door de golven bespoeld wordt, tot in de open zee op alle diepten. Geen enkele Zeeslak heeft zich boven de ademhaling door kieuwen verheven; alle Longslakken leven in het zoetwater of op het land.

Voor het begrijpen van de beschrijving van een Slak is eenige bekendheid met den bouw en de samenstelling van haar schelp noodzakelijk. Het voornaamste bestanddeel van alle Weekdierschelpen is koolzure kalk; de hoeveelheid dezer stof wisselt in de schelpen van de hedendaagsche Slakken van 95 tot 98 percent af; het gehalte aan organische stof (conchioline) bedraagt ongeveer 1.5 percent.

Om den vorm van een slakkenhuis in 't algemeen te leeren kennen, zou men als type de voorkeur kunnen geven aan de schelp van de grootste Europeesche Landslak, van de Wijngaardslak (Helix pomatia). Daar echter deze soort hier te lande zeldzaam is (men vindt haar hier en daar in de duinen, ook in Gaasterland en Limburg) en waarschijnlijk van elders werd ingevoerd, zullen wij liever de zeer algemeene, doch aanmerkelijk kleinere Tuinslak (Helix nemoralis) als voorbeeld nemen. De meeste verschijnselen, die wij nu te bespreken hebben, komen trouwens bij beide soorten voor. Wanneer men een slakkenhuis met de spits (of top) naar zich toe en met het grondvlak (de basis) op de tafel plaatst, heeft het denzelfden stand, als wanneer het nog bewoond wordt door het (in dit geval van ons af kruipende) dier, zoodat men zich gemakkelijk rekenschap kan geven van de uitdrukkingen vóór (of onder), achter (of boven), links en rechts: de buitenrand van den mond (of opening) der schelp is nu rechts gelegen. Wanneer men het huisje met de spits omhoog en de opening naar zich toe in de hand houdt, ziet men de omgangen van rechts naar links afdalen. Onze schelpen zijn dus rechts gewonden, evenals die van de meeste Slakken. Slechts enkele geslachten--b.v. de Blaashorenslakken (Physa) en de Spoelhoornslakken (Clausilia)--zijn geregeld links gewonden. Bij uitzondering vindt men ook bij allerlei andere geslachten en soorten exemplaren, die door een links gewonden huisje van den regel afwijken, b.v. bij Wijngaardslakken.--Aan den rand van den naar ons toegekeerden mond der schelp onderscheidt men twee gedeelten: rechterrand, buitenrand of buitenlip en linkerrand, binnenrand of binnenlip (welker onderste deel spilrand heet). Bij de schelpen, die wij als voorbeelden kozen, zijn beide lippen gescheiden, althans van boven, waar het uiteinde van de naad (de uitwendig zichtbare verbindingslijn der omgangen) de grens vormt. (Zelden, o.a. bij Cyclostoma en Scalaria vormen beide randen een onverdeelde, meestal cirkelvormige of ovale lijn.) De echte binnenlip is steeds, zooals in ons geval, kenbaar aan een (soms zeer dun) kalklaagje van afwijkende geaardheid, dat, zich over het midden van het grondvlak der schelp uitbreidend, het zoogenaamde eelt vormt. Op de hierdoor bedekte plek zou anders, zooals bij sommige huisjes van de Wijngaardslak werkelijk geschiedt, een opening (of althans een nauwe spleet) overblijven. De navel (of navelspleet) gaat hier echter niet verder dan de laatste omgang (valsche navel). Wanneer echter de spiraalswijze kronkelingen van de kegelvormige buis, waaruit men zich het slakkenhuis gevormd kan denken, nergens geheel tot aan de as van de spiraal reiken, maar hier een ruimte overlaten, zal de schelp een kanaal hebben, dat zich van het grondvlak tot bij de spits uitstrekt (echte navel). Aan een stevige strandschelp, b.v. de Gewone Wulk (Buccinum undatum), die volgens de as is doorgezaagd of afgeslepen, merkt men een massieve spil op; bij genavelde schelpen, b.v. de Verrekijkerslak (Solarium perspectivum), zal men een doorboorde spil vinden.--De buitenlip heet recht, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, een voortzetting vormt van den laatsten omgang, omgeslagen, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, naar buiten, ingerold, wanneer zij naar binnen omgebogen is.--Van enkele regelmatig gewonden schelpen zijn de omgangen in 't geheel niet met elkander in aanraking; een voorbeeld hiervan is de Echte Wenteltrap (Scalaria pretiosa), die door de schelpenverzamelaars op zeer hoogen prijs wordt gesteld.--Alle omgangen, met uitzondering van den laatsten, vormen gezamenlijk de winding. De kern, het alleroudste deel van de schelp, vertoont soms een afwijkenden vorm.--De Wijngaardslak, de Tuinslak en de meeste van hare talrijke verwanten sluiten den mond van het huisje alleen gedurende den winterslaap met een deksel, dat in 't voorjaar wordt afgeworpen; bij de Wijngaardslak is het verkalkt; bij de Tuinslak en andere Landslakken vliezig. Een blijvend deksel kan ieder, die niet aan zee woont, te zien krijgen bij de Moerashoornslak (Paludina). Deze draagt op de rugzijde van den voet een hoornachtige plaat; bij vele andere Slakken is het deksel verkalkt en vertoont, evenals het huisje, omgangen als gevolg van de voortdurende vergrooting. Overal waar de omgeving beurtelings uit lucht en uit water bestaat, is het deksel het eenvoudigste middel voor de Slak om zich volkomen terug te trekken in de voor vloeistoffen ondoordringbare schelp en deze waterdicht te sluiten. Het dier kan door het vocht, dat zich nog in zijn woning bevindt, in 't leven blijven en zonder eenige levenswerkzaamheid een gunstiger tijd afwachten. Daarom zijn o.a. alle Strandslakken van een deksel voorzien.

EERSTE ORDE.

DE VINPOOTIGEN (Pteropoda).

De Vinpootigen (Pteropoda) staan op een aanmerkelijk lageren trap van organisatie dan de overige Slakken; hun lichaamsbouw biedt verscheidene eigenaardigheden aan, die in een algemeen overzicht van de klasse niet konden worden opgenomen, zonder dit onduidelijk te maken en aanleiding te geven tot een verkeerde voorstelling. Bovendien vertoonen de Vinpootigen eenige verwantschap met de overigens zooveel hooger bewerktuigde Cephalopoden. Bepaaldelijk geldt dit van die, welker achterlichaam door een mantel omhuld is; ook kan als zoodanig gelden het maaksel van den trechter bij Nautilus, welks beide lobben met de vinnen der Pteropoden vergeleken kunnen worden.

De kop, die bij de echte Slakken zich kenmerkt door het bezit van mond en lippen, van voelers en oogen, die vóór het overige lichaam uitsteekt en er dikwijls zeer duidelijk door een hals van gescheiden is, valt bij de Vinpootigen veel minder in 't oog. De plaats waar men hem moet zoeken, is alleen aangeduid door de mondopening. In zijn omgeving staan 1 à 3 paren voelers, die echter bij vele soorten zeer klein zijn en ook wel geheel kunnen ontbreken. Bij nauwkeurige vergelijking van de inwendige organen der Vinpootigen met die der overige Slakken, merkt men overal punten van overeenkomst op. Werkelijk karakteristiek zijn alleen de organen, waaraan de naam der orde ontleend is, de vleugel- of vinvormige, zijwaarts gerichte aanhangsels, van het voorste of kopgedeelte van 't lichaam, of van de streek, die den hals der Echte Slakken vertegenwoordigt. Deze dunne, vliezige platen, die men met de zijstukken van den voet der Slakken vergelijken kan, zijn voorzien van spiervezels, die elkander kruisen; zij worden op gelijke wijze en dikwijls ook even snel als vlinder-vleugels op en neer bewogen. De Pteropoden zijn daarom bij de visschers van de Middellandsche Zee onder den zeer eigenaardigen naam van "Zeevlinders" (Farfalle di mare) bekend. Alleen door voortdurend op deze wijze te roeien kunnen zij vooruitkomen of op dezelfde plaats blijven. De rustelooze beweging der vinnen geschiedt zonder merkbare inspanning en leidt uitmuntend tot het beoogde doel; al naar den stand der roeiorganen zwemt het dier rechtuit, naar boven of naar beneden; intusschen behoudt het lichaam steeds een rechten of weinig hellenden stand.

De Vinpootigen zijn over alle zeeën, van de pool tot den equator, verbreid. Hun teere lichaamsbouw en hunne vinnen stempelen hen tot bewoners van de open zee. Dat men hen soms ook in de nabijheid van de kust aantreft, b.v. bij Nizza en Messina, hangt grootendeels van de zeestroomingen af. Hoewel zij in de Middellandsche Zee dikwijls op 't midden van den dag aan de oppervlakte van de zee gevangen worden, zijn toch de meeste soorten nacht- en schemeringdieren; vooral op meer zuidelijke breedten staat hun komst aan de oppervlakte in verband met het verdwijnen van het directe zonlicht. Zoodra tusschen de tropen de schemering begint, verschijnen allerlei kleine Heteropoden en Pteropoden. De groote soorten vangt men echter niet, voordat het volslagen nacht geworden is. Kort daarna verdwijnen alle in dezelfde volgorde, als zij gekomen zijn, zoodat men omstreeks middernacht nog slechts weinige individuën in de bovenste waterlaag waarneemt. Soms blijft een enkele tot aan den morgen; na zonsopgang echter zoekt men zoowel aan den waterspiegel als in de diepte, zoover het gezicht reikt, te vergeefs naar een Vinpootige. Iedere soort houdt zich bij 't komen en het gaan aan vaste uren of liever aan bepaalde graden van duisternis.

De Pteropoden zijn vleescheters; behalve op allerlei Weekdieren, maken zij jacht op de kleine Schaaldieren, die in ontzaglijke menigte de bovenste waterlaag bevolken.

De Schelpdragende Vinpootigen (Thecosomata) hebben een weinig ontwikkelden, dikwijls niet herkenbaren kop en slechts sporen van voelers; de vinnen blijven steeds in samenhang met de "middellob", een onparig orgaan, dat den voet der overige Slakken vervangt. Tot deze onderorde behoort de familie der Hyaleaceën, welker vinnen tot aan den oorsprong van elkander gescheiden en alleen met het onderste deel van haar buitenrand met de middellob min of meer versmolten zijn. In de dunne, hoornachtige of verkalkte schelp, die het lichaam omgeeft, kunnen de vinnen geheel teruggetrokken worden.

Bij Hyalaea is de schelp nagenoeg bolvormig, doch van achteren van spitse uitsteeksels voorzien; van voren heeft zij een nauwe opening, van achteren twee spleten, die het ademhalingswater naar en van de kieuwen voeren; door iedere spleet steken twee tamelijk groote aanhangsels van den mantel uit, die deels naar de rugzijde, deels naar de buikzijde omgeslagen zijn en, zoolang het dier leeft, de schelp bedekken. Bij dit geslacht zijn geen andere zintuigen gevonden dan gehoorblaasjes.

Cleodora en Creseis hebben een wijde opening aan de langwerpige schelp, die bij gene kantig, bij deze rond en kegelvormig is. De korte voelers in den nek dragen oogstipjes.

De familie der Cymbuliaceën kenmerkt zich door de aanzienlijke grootte van de breed aangehechte vinnen en door het bezit van een platte "schelp", die uit een doorzichtige stof bestaat en in normalen toestand door een lob van den mantel volkomen bedekt is; dit deel van den mantel scheurt echter zeer licht en is slechts zelden bij de gevangen exemplaren onbeschadigd gebleven. De weeke, kraakbeenachtige schelp bestaat uit een organische stof.

Van de familie der Limacinaceën, die zich door de spiraalswijs gewonden schelp onderscheidt, zijn een vijftiental soorten uit allerlei zeeën bekend. Een daarvan is Limacina arctica van de Groenlandsche kust, een slakje van 4 mM. middellijn, dat het voornaamste voedsel uitmaakt van den Vinvisch (Balaenoptera boops) en van den Groenlandschen Walvisch, (Balaena mysticetus).

De Naakte Vinpootigen (Gymnosomata) missen de schelp en hebben aan den duidelijk begrensden kop 1 of 2 paar tentakels, die bij Pneumodermon zuignappen dragen en hierdoor aan de armen der Tweekieuwige Cephalopoden herinneren. Tusschen de plaatsen van aanhechting der beide vinnen aan den hals, doch niet er mede verbonden, bevindt zich de onparige afdeeling van den voet. Deze is bij de Clioniden hoefijzervormig en soms met een aanhangsel uitgerust. De leden van het geslacht Clio kunnen, als zij zich naar de diepte willen begeven, de vinnen plooien en ze, met den geheelen kop en hals, in het achterlijf terugtrekken. De 2.5 à 3.5 cM. lange Noordsche Clio, het Walvischaas (Clio borealis) die vooral in de Groenlandsche Zee zeer veelvuldig voorkomt, maakt het gewone voedsel uit van vele Roofvisschen, van de Drieteenige Meeuw en ook van de zooeven genoemde Cetaceën.

TWEEDE ORDE.

DE ACHTERKIEUWIGEN (Opisthobranchia).

Wij noodigen den lezer uit zich in gedachten te verplaatsen naar de kustwateren van Zuid-Europa, waar draadvormige, struikachtige en aan bladen herinnerende algen, gemengd met grove wieren, bonte weiden vormend, den zeebodem bekleeden met een bekoorlijk plantentapijt. Een prachtig schouwspel levert het kristalheldere water op, wanneer men, in een langzaam voortdrijvende boot gezeten, in de diepte staart. Het wemelt hier van Weekdieren. Boven onze Aardslakken, waaraan de meeste door hun naakt lichaam herinneren, munten zij gewoonlijk uit door de meerdere sierlijkheid van hun lichaamsbouw, door veelvormige, als kieuwen dienende aanhangselen en door bontere kleuren. Vele van de fraaie wezens, die over de waterplanten zich langzaam voortbewegen behooren tot de orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia). Haar naam ontleenen deze Zeeslakken, waarvan sommige door de huid, de meeste echter door kieuwen ademen, aan de plaats, die deze ademhalingsorganen innemen ten opzichte van het hart. Het bloed, dat uit de kieuwen komt, begeeft zich door een naar voren gerichte buis naar de voorkamer van het hart en wordt van hier naar de nog verder naar voren liggende kamer gevoerd. Bijna zonder uitzondering zijn zij langwerpig van vorm en naakt. Slechts enkele familiën onderscheiden zich door het bezit van een schildvormige of gewonden schelp, die echter steeds minder volkomen ontwikkeld is dan bij de Voorkieuwigen. Bij verreweg de meeste strekt zich vóór den mond een huidplooi uit, de "voorhoofdschijf", die een overblijfsel is van het "kopscherm", het bewegingsorgaan der larven, en in twee "lipvoelers" eindigt; iets verder achterwaarts bevinden zich bij sommige geslachten op het voorste deel van den rug een paar zoogenaamde "reukvoelers". In tegenstelling met nagenoeg alle Voorkieuwigen zijn de Achterkieuwigen steeds tweeslachtig.

Deze orde omvat ongeveer 1000 bekende soorten, die door lichaamsbouw, vorm en levenswijze zeer uiteenloopen. De hoogst ontwikkelde--de Bedektkieuwigen (Tectibranchiata)--bezitten een mantel, die de kieuwen meer of minder volkomen bedekt, en meestal ook een uitwendige of inwendige schelp. Bij andere daarentegen zijn deze typische eigenaardigheden van de Weekdieren min of meer verloren gegaan; de kieuwen zijn onbedekt of zelfs niet aanwezig bij vele vormen, die hierdoor een duidelijke toenadering tot de Platwormen vertoonen. Deze laagst ontwikkelde Achterkieuwigen worden onder den naam van Naaktkieuwigen (Nudibranchiata) in een onderorde samengevat.

Tot de Bedektkieuwigen behoort o.a. de familie der Bullaceën. Deze hebben op den rug aan de rechterzijde een vedervormige, door den mantel bedekte kieuw. Bijna zonder uitzondering bezitten zij een uitwendige schelp, die dikwijls zoo groot is, dat het geheele dier zich er in verbergen kan.

De Gewone Kogelslak (Acera bullata), die de Oostzee, de Noordzee en de Middellandsche Zee bewoont, heeft een langwerpig, bijna rolvormig lichaam; de kop is van boven naar onderen afgeplat en loopt van voren stomp uit; de voelers zijn met de voorhoofdschijf vereenigd. De voet heeft groote, afgeronde zijlobben, die het grootste deel van de schelp kunnen bedekken. Het draadvormig aanhangsel van den achterrand van den mantel, dat van achteren uit den schelpmond naar buiten treedt, kan uitgestrekt en teruggetrokken worden. De schelp is dun, hoornachtig, veerkrachtig en eivormig. Groote exemplaren van deze soort strekken zich bij 't kruipen tot 40 mM. lengte uit. Hun krachtig ontwikkelde voet is bovendien voor het zwemmen geschikt. Bij het rustende of kruipende dier zijn de vrije zijlobben van den voet naar boven omgeslagen, zoodat zij niet slechts de zijden van het lichaam, maar ook den middelrug en een deel van de schelp, bovendien met den rand elkander, bedekken. Als men deze Slak plaagt of uit het water neemt, verkort zij het lichaam zoo sterk, dat het, op een driehoekig stukje van de schelp na, geheel door den voet omhuld wordt. Het geheele dier is dan een weeke, slijmerige kogel; hieraan dankt het zijn naam.

In de bocht van Kiel komt deze soort op slijkerige, met zeegras begroeide gronden veelvuldig voor; de grootste exemplaren vindt men er in den winter en in de lente; zij voeden zich met bruine, rottende plantendeelen; in het aquarium eten zij bovendien ook vleesch. Hier beginnen zij reeds in Januari eieren te leggen; in de bocht van Kiel vonden Meijer en Möbius in Mei en Juni deze eieren in zoo groote hoeveelheid op het zeegras, dat zij ze bij handenvol uit het sleepnet konden opscheppen.

Zelden ziet men de Kogelslakken zwemmen; bij deze zeer eigenaardige bewegingswijze leveren zij een zeer fraai schouwspel op: het is, alsof zij gaan vliegen. De gele schelp wordt al vlugger en verder, beurtelings naar voren en achteren verschoven; het voorste deel van het lichaam wordt rhytmisch gebogen, de zijlobben van den voet bewegen zich afwisselend zijwaarts en rugwaarts, al verder en krachtiger, totdat eindelijk de neerwaartsche slagen het geheele lichaam van den bodem opheffen. Nu stijgt het dier, afwisselend voor- en achterover schommelend, al hooger en hooger in 't water op en neemt bij 't zweven in het heldere vocht allerlei elegante houdingen aan. Als deze bewegingen het krachtigst geschieden, doen de zijlobben van den voet 2 à 3 krachtige slagen in de seconde en verwijderen zich zoo ver van 't lichaam, dat zij te zamen een van onderen holle vlakte vormen.

Bij andere leden van dezelfde familie, o.a. bij de Opene Zeeamandel (Philine aperta), wordt de schelp geheel door den mantel omhuld, zijn de zijlobben van den voet zijwaarts gestrekt en verdikt en ontbreken de voelers aan den kop. Deze soort wordt in de Oostzee en voorts van de Noordsche kust tot in de Adriatische Zee gevonden; bij 't kruipen rekt zij zich tot een lengte van 20 mM. uit. De dunne, 9 mM. hooge, 7 mM. breede, zeer wijdmondige, weinig gewonden schelp is melkwit, eenigszins doorschijnend en parelmoerglanzig.

Veelvuldiger leeft in de Noordzee bij onze kust de Stompe Obliehorenslak (Utriculus obtusus), wiens vrij stevige, ondoorschijnende, 10 mM. lange, 5 mM. breede schelp bijna rolrond is, aan de spits geknot, met korte, ingedrukte uit 4 à 5 omgangen bestaande winding en een van boven nauwen, van onderen eivormigen mond.

De Zeehazen (Aplysiaceae) hebben een inwendige, zeer weinig ontwikkelde (of in 't geheel geen) schelp. Het eerstgenoemde geval doet zich voor bij den Gewonen Zeehaas (Aplysia depilans), die in den tijd der Romeinsche keizers in verhalen betreffende toovenarij een groote rol speelde. De ouden hielden hem ten onrechte voor zeer vergiftig; zelfs door het zoeken van deze dieren stelde men zich aan de verdenking van gifmengerij bloot. Domitianus werd beschuldigd zijn broeder Titus met een uit Zeehazen bereiden gifdrank om 't leven te hebben gebracht.